Rechtbank Midden-Nederland, 26-04-2017 / 16/659741-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:2137

Inhoudsindicatie
De rechtbank Midden-Nederland heeft een 49-jarige man uit IJsselstein veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf. Hij was onderdeel van een criminele organisatie die zich bezighield met het ondergronds bankieren van in totaal 8 tot 9 miljoen euro. De 49-jarige hoofdverdachte heeft frequent zeer grote geldbedragen overgedragen aan onbekend gebleven personen in opdracht van andere onbekend gebleven personen. Als hij zelf niet kon zorgde hij voor vervanging. De 45-jarige zwager van de man ging vier keer op zijn verzoek in. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van 3 maanden. De 40-jarige vrouw van de hoofdverdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één transactie en is door de rechtbank veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur. Zij hebben een korte periode samengewerkt met de hoofdverdachte. De rechtbank spreekt hen daarom vrij van deelname aan een criminele organisatie. In het politieonderzoek is geen direct bewijs gevonden voor een criminele herkomst van de geldbedragen. Daarnaast heeft de Hoge Raad eerder vastgesteld dat geld uit de wereld van ondergronds bankieren niet per definitie van een misdrijf afkomstig hoeft te zijn. De rechtbank spreekt alle verdachten vrij van witwassen, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het geld uit een misdrijf afkomstig is. Een 27-jarige man is door de rechtbank vrijgesproken van betrokkenheid bij ondergronds bankieren. De rechtbank spreekt hem vrij vanwege gebrek aan bewijs.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-26
Publicatiedatum
2017-06-09
Zaaknummer
16/659741-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/659741-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 26 april 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats] , [adres] (België),

raadsman mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Utrecht.

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 september 2016, 9 november 2016, 5 april 2017 en 12 april 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J.W.M. Janssen en van hetgeen verdachte en mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is op de zitting nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 30 maart tot en met 8 april 2016 in IJsselstein, Amsterdam en elders in Nederland (feit 1) in vereniging geldbedragen heeft witgewassen en daarvan een gewoonte heeft gemaakt, (feit 3) in vereniging heeft gebankierd zonder vergunning en daarvan een gewoonte heeft gemaakt, en (feit 2) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die dit oogmerk had.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.



4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Verdachte [verdachte] heeft samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedurende langere tijd regelmatig geldbedragen ontvangen en uitbetaald. Daarmee hebben ze gefunctioneerd als betaaldienstverlener als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht (feit 3). Verdachte heeft bij de politie erkend dat hij het werk van [medeverdachte 1] gedurende zijn afwezigheid heeft overgenomen, maar verklaarde ter terechtzitting dat hij niet goed wist wat hij deed omdat het een hectische periode was. Desalniettemin beschikte verdachte in die periode over de telefoon van [medeverdachte 1] en heeft hij onbekend gebleven personen betaald. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij in juli 2015 al gevraagd had aan zijn baas of ze voor verdachte nog wat werk hadden.

Voorts is ten aanzien van feit 1 uit de bewijsmiddelen af te leiden dat er een ernstig vermoeden bestaat van opzetwitwassen. Daar naar gevraagd verklaart verdachte niet concreet en verifieerbaar wat de herkomst van het geld is, hetgeen wel van hem verlangd mocht worden nu er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen is.

Tevens is uit de bewijsmiddelen af te leiden dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedurende langere tijd hebben samengewerkt om samen het bankieren zonder vergunning en het witwassen van geldbedragen mogelijk te maken (feit 2).


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het (schuld)witwassen van geld en ondergronds bankieren, primair omdat niet duidelijk is of de betreffende geldtransacties conform de regels van de betrokken landen hebben plaatsgevonden. Subsidiair, omdat verdachte zijn familie die vanwege een sterfgeval in een moeilijke situatie zat, heeft geholpen door het werk van zijn zwager [medeverdachte 1] over te nemen. Verdachte kreeg de telefoon van [medeverdachte 1] overgedragen en deed wat hem gevraagd was. Een gelegenheid om vragen te stellen was er niet.

Verdachte dient ook vrijgesproken te worden van deelname aan een criminele organisatie omdat er geen sprake was van een duurzaam gestructureerd samenwerkingsverband. Verdachte is slechts een paar dagen ingevlogen om het werk van [medeverdachte 1] bij zijn afwezigheid voort te zetten. Hij heeft slechts een familielid geholpen dat te maken had met een sterfgeval. Dat [medeverdachte 1] een aantal maanden daarvoor aan zijn baas gevraagd zou hebben of er nog werk was voor verdachte, kan geen bewijs zijn voor het tenlastegelegde. Verdachte wist er bovendien niet van.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen feit 3


De politie beschrijft in een proces-verbaal van bevindingen het volgende:

“Gedurende de periode 30 maart 2016 tot en met 8 april 2016 is in het onderzoek vastgesteld dat in de woning [adres] te [woonplaats] verbleef de verdachte [verdachte] . Er is vastgesteld dat verdachte [verdachte] gedurende deze periode betrokken is geweest bij acht verschillende geldoverdrachten. (…)

Tijdens zijn verblijf op de [adres] te [woonplaats] , periode 30 maart tot en met 8 april 2016 maakte verdachte [verdachte] gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] en vanaf 7 april ook van het telefoonnummer [telefoonnummer] . De gesprekken van deze telefoonnummers werden, middels afgegeven machtiging 126m Wetboek van Strafvordering, opgenomen en verwerkt.

Gedurende deze periode voerde de verdachte [verdachte] met het telefoonnummer [telefoonnummer] gesprekken over overdrachten van geldbedragen. Dit betreffen in totaal zes

verschillende overdrachten. In de bijlagen zijn alle telefonische contacten van het telefoonnummer [telefoonnummer] met betrekking tot deze zes transacties opgenomen.

De relevante gesprekken van de zes overdrachten zijn door mij voorzien van een volgnummer. Dit volgnummer bestaat uit een cijfer en letter (1-A, 1-B en volgende) en corresponderen met de hierna benoemde telefoongesprekken.

De bijzonderheden van de overige drie geldoverdrachten zijn benoemd bij de hierna uitgewerkte geldoverdrachten.


Afgifte € 50.000,- op 31 maart 2016 op de [adres] aan NN1685. (p. 448)

Gesprek 2-A: (p.462)

[verdachte] wordt gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna genoemd

NN1685) de zegt dat er een code is binnengekomen van 50. NN1685 stuurt morgen iemand om het op te halen. [verdachte] zegt morgen het adres te sturen.

Gesprek 2-B: (p.463)

[verdachte] stuurt een sms bericht naar NN 1685 met het adres [adres] [woonplaats] .

Gesprek 2-C: (p.464)

[verdachte] wordt gebeld door NN1685 en zegt dat de jongen over een half uur op het adres is dat [verdachte]

heeft gestuurd en dat hij in een Toyota Avensis rijdt met een Belgisch kenteken.

Gesprek 2-D : (p.465)

[verdachte] wordt gebeld door NN1685 en zegt dat die man er staat en dat het een goudkleurige

Belgische auto betreft.

Gesprek 2-E: (p.466)

[verdachte] stuurt een sms bericht naar broker [broker] dat de 50 is afgegeven.

Opmerking verbalisant: Van deze geldoverdracht zijn camerabeelden vastgelegd. Het proces-verbaal

van bevindingen is opgemaakt onder proces-verbaalnummer 16041 6.1031 .AMB.


Afgifte € 123.000,- op 2 april 2016 op de [adres] aan NN0101 . (p. 448)

Gesprek 3-A: (p. 467)

[verdachte] belt uit naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna genoemd NNO1O1) en zegt dat hij een code heeft en dat NNO1O1 die moet komen ophalen. [verdachte] geeft de code 123 door en gaat het adres sturen.

Gesprek 3-5: (p.468)

[verdachte] stuurt een sms bericht naar NNO1O1 met de tekst [adres] [woonplaats] .

Gesprek 3-C: (p.469)

[verdachte] belt uit naar NN0101 en spreken af elkaar te ontmoeten op het adres.

Gesprek 3-D: (p.470)

[verdachte] belt uit naar NN0101 en NNO1O1 zegt dat hij eraan komt en in een BMW X5 rijdt.

Gesprek 3-E: (p.471)

[verdachte] wordt gebeld door NN0101 die buiten staat en [verdachte] is over 2 minuten bij NNO1O1.

Opmerking verbalisant: Van deze geldoverdracht zijn camerabeelden vastgelegd. Het proces-verbaal

van bevindingen is opgemaakt onder proces-verbaalnummer 16041 6.1031 .AMB.


Ontvangst € 55.000,- op 3 april op de [adres] van NN8840 .

Gesprek 4-A: (p. 472)

[verdachte] belt uit naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna genoemd NN8840). NN8840 komt wat naar [verdachte] brengen en [verdachte] zal hem het adres in [woonplaats] sturen. NN8840 zegt dat hij al een keer eerder bij hem in [woonplaats] is geweest.

Gesprek 4-B: (p. 473)

[verdachte] stuurt een sms bericht aan NN8840 met het adres [adres] [woonplaats] .

Gesprek 4-C: (p.474)

[verdachte] belt uit naar NN8840 en NN zegt onderweg te zijn. NN8840 is nog in de buurt van Almelo. NN8840 zegt dat hij 55 moet brengen.

Gesprek 4-D: (p.475)

[verdachte] wordt gebeld door een vrouw, gebruikster van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna genoemd NNvrouw3266). Zij vraagt of [verdachte] naar [A] kan bellen omdat [A] geen beltegoed heeft. [A] blijkt de persoon te zijn die naar [verdachte] op weg is. NNvrouw gaat het nummer van [A] sturen.

Gesprek 4-E: (p.476)

[verdachte] ontvangt een sms bericht van Nnvrouw3266 met het telefoonnummer van [A] .

Gesprek 4-F: (p.477)

[verdachte] wordt weer gebeld door Nnvrouw3266. [verdachte] zegt dat het nummer van [A] uitstaat.

Nnvrouw3266 moet aan [A] vragen wat hij wil en dit aan [verdachte] doorgeven.

Gesprek 4-G: (p.478)

[verdachte] wordt weer gebeld door Nnvrouw3266 en zij zegt dat hij op de afgesproken straat niet bij nummer 12 staat maar bij nummer 36. [verdachte] vraagt of zij weet in welke auto hij rijdt. Nnvrouw3266 vermoedt een zwarte Mercedes. [verdachte] gaat kijken.

Gesprek 4-H: (p.479)

[verdachte] stuurt een sms bericht naar de broker [broker] over de ontvangst van 55.

Gesprek 4-I: (p.480)

[verdachte] ontvangt een sms bericht van broker [broker] met de tekst: Oke broer bedankt.

Opmerking verbalisant: Van deze geldoverdracht zijn camerabeelden vastgelegd. Het proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt onder proces-verbaalnummer 160416.1031 .AMB.


Afgifte € 139.500,- op 5 april 2016 op de [adres] aan NN6I 77

Gesprek 5-A: (p.481)

[verdachte] wordt gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna genoemd

NN61 77). NN61 77 belt naar [verdachte] voor een code van 139 en iets van de vorige keer van 9. [verdachte] zegt dat zijn broer er niet is en dat hij deze code nog niet heeft ontvangen. Als hij de code heeft ontvangen dan stuurt hij het adres waar NN61 77 naar toe moet komen wel door.

Gesprek 5-B: (p.482)

[verdachte] belt uit naar de broker [broker] in Marokko en vraagt of er een code is van 139500. [broker] bevestigd dit en vraagt of die al gebeld heeft. [broker] zegt dat [verdachte] voor morgenmiddag moet afspreken want die andere betaald om een uur of drie.

Gesprek 5-C: (p.483)

[verdachte] belt naar NN6177 en zegt morgen een adres te sturen.

Gesprek 5-D: (p.484)

[verdachte] stuurt een sms bericht naar de broker [broker] in Marokko en vraagt wat er is gedaan in de code 139.500.

Gesprek 5-E: (p.485)

[verdachte] wordt gebeld door NN61 77 die vraagt naar het adres. [verdachte] zegt dat hij nog niet is gebeld vanuit Marokko. [verdachte] gaat ze bellen en overleggen.

Gesprek 5-F: (p.486)

[verdachte] stuurt een sms bericht naar NN6177 met het adres [adres] te [woonplaats] .

Gesprek 5-G: (p. 487)

[verdachte] wordt gebeld door NN61 77 die zegt dat zijn vriend daar is met een grote witte auto. [verdachte] gaat erheen.

Gesprek 5-H: (p.488)

[verdachte] stuurt een sms bericht naar de broker [broker] in Marokko met de tekst: 139.500 oke broer.

Gesprek 5-I: (p.489)

[verdachte] wordt gebeld door NN61 77 met het verzoek dat [verdachte] belt naar zijn broer over die 9 die oud is. Dan komt die jongen het gezamenlijk ophalen.

(p.450) Gesprek 5-J: (p.490)

[verdachte] wordt vanuit Marokko gebeld door [medeverdachte 1] . In dit gesprek vraagt [verdachte] of [medeverdachte 1] nog iemand 9000 schuldig is. [medeverdachte 1] zegt dat [verdachte] maar naar [broker] moet bellen. [verdachte] zegt dat die andere gisteren een hoeveelheid bij hem heeft gehaald.

Gesprek 5-K: (p.491)

[verdachte] belt uit naar de broker [broker] in Marokko en vraagt of die persoon van gisteren nog 9000 tegoed heeft van een eerdere keer.


Opmerking verbalisant: De ontvanger van het geldbedrag, de verdachte [A] werd na de

overdracht op heterdaad aangehouden. Zijn voertuig, een witte Renault bestelbus, werd in

beslaggenomen en onderzocht. Uit dat onderzoek bleek dat er een verborgen ruimte zat tussen de bagageruimte en het tussenschot van de cabine. In deze ruimte werden twee pakken geld

aangetroffen met een totale waarden van € 143.480,- en een vuurwapen met munitie. (deelonderzoek Olive)”


Verdachte verklaart bij de politie:

“30 maart was in de periode dat de moeder van [medeverdachte 1] is overleden. Hij belde mij om 07.00 uur in de ochtend met de vraag of ik wilde komen. (… )

V: Hoe lang bent u uiteindelijk vanaf 30 maart, in het huis van [medeverdachte 1] geweest?

A: Ik denk een week.

V: Weet u nog precies wanneer u weg gegaan bent?

A: Ik denk rond 7 a 8 april. Toen [medeverdachte 1] terug kwam uit Marokko ben ik weer weg gegaan.

(…) ik heb in die week voor hem gewerkt. (…) Mensen moesten contact met mij opnemen, hij had geld in huis en dat geld moest naar de mensen worden gebracht.

V: Moest u ook geld in ontvangst nemen?

A: Ja, hij zei, als er iemand naar jou komt, dan moet je dat geld in ontvangst nemen.

V: Kunt u wat preciezer uitleggen hoe dat dan in zijn werk ging?

A: Er werd contact opgenomen, er werd gevraagd geef mij dat en dat. Het was een korte periode.

V: Maar hoe ging dat dan precies in zijn werk?

A: Als iemand dan vroeg om 50, dan bracht ik gewoon 50.

V: Wat bedoeld u met 50?

A:Vijftig duizend.

V: Vijftigduizend aan wat?

A: € 50.000 euro.

V: Waar haalde u dat dan vandaan?

A: Uit zijn eigen huis.

V: Maar waar lag dat dan?

A: Hij had het geld onder een bed liggen in huis. Dat heeft hij mij laten zien. (…) Het leek net of hij wel wist welke mensen contact zouden opnemen en waar zij dan om zouden vragen. (…)

V: Heeft u alleen geld afgegeven of ook in ontvangst genomen?

A: Volgens mij heb ik wel van 1 persoon iets in ontvangst genomen.

V: Wat heeft u dan in ontvangst genomen?

A: Geld.

V: Hoeveel geld heeft u dan in ontvangst genomen?

A: Tussen de 35 en 40 duizend euro.

V: Belde de mensen van wie u geld in ontvangst moest nemen of aan af moest geven dan op de

Nokia telefoon die [medeverdachte 1] bij u had achtergelaten?

A: Ja. (…)

O: Door politiecollega’s van het observatieteam werd op dinsdagavond 5 april 2016 omstreeks 22:15 uur, gezien dat een onbekende man van vermoedelijk Marokkaanse afkomst met een bestelbus, Renault Traffic, met het kenteken [kenteken] aankwam rijden bij het adres [adres] te [woonplaats] . (…) Ook in dit geval is er kennelijk weer een afspraak op de [adres] in [woonplaats] .

V: Waarom wordt er iedere keer afgesproken op de [adres] ?

A: Dat is het adres wat ik van [medeverdachte 1] heb gekregen en hij vroeg mij dan om mensen op dat adres te ontmoeten. (…)


V: Hoe verliep de procedure van begin tot het einde, als jij geld moest wegbrengen naar iemand anders danwel aan iemand moest afgeven?

A: In die week werd ik gebeld, iemand vroeg mij om 50 en dan bracht ik hem 50. Het was een

drukke week, het was een behoorlijke belasting door de omstandigheden van het overlijden van de moeder van [medeverdachte 1] . (…)

V: Hoe werden de contante geldbedragen meestal aan jou aangeleverd?

A: Gewoon biljetten van 50 of 20 bij elkaar.

V: Hoe zat het dan verpakt?

A: Met een elastiekje en in een zak.

V: Waar bewaarde je de door jou ontvangen contante geldbedragen?

A: Op de plek waar [medeverdachte 1] het mij had aangewezen, onder het bed. (…) Boven in zijn huis op de zolder. (…) ik pakte het geld en legde het daar in het huis. (…)

V: Wat kan je verklaren over de administratie die je bij hield met betrekking tot je activiteiten in het ondergronds bankieren?

A: Ik hield op een papiertje wat bij, ik schreef daar bedragen op. [medeverdachte 1] vroeg mij om de datum op de schrijven, hoeveel ik had ontvangen en hoeveel ik onder het bed heb gedaan.

V: Waar bewaarde je het papiertje?

A: In mijn broekzak.

V: Wat heb je met het papiertje gedaan?

A: Toen hij terug kwam heb ik dat aan [medeverdachte 1] overhandigt. (…)

V: Hoeveel geldtransactie heb jij in totaal voor [medeverdachte 1] uitgevoerd?

A: (…) Ik denk tussen de 1 en 5 maal.” (…)


Op 5 april 2016 is [A] door de politie aangehouden. Hij verklaart:

(…) “O: Door politiecollega’s van het observatieteam is gisteravond dinsdag 5 april 2016, omstreeks 22.15 uur gezien dat u met voornoemde bestelbus aankwam rijden bij het adres [adres] te [woonplaats] . (…)

A: Ik had daar een afspraak met die vent daar om wat op te halen. (…) Een plastic zakje. (…) Ik denk centen. (…) Ik heb hem daar ontmoet, hij heeft mij een tasje gegeven.” (…)


De politie telt het geld dat bij de aanhouding van [A] is aangetroffen en constateert het volgende:

(…) “De 2 in beslag genomen pakketten geld waren gewikkeld in doorzichtig folie en werden aangetroffen in een plastic tas van de winkelketen Kruidvat. Op één pakket stond in blauw opschrift 39.500 en op het andere pakket in blauw opschrift 100 met daar omheen een vierkant getekend. (…)

Pakket 1 (…) ter telling aangeboden. (…) bedrag van €43.480,- (…)

Pakket 2 (…) €100.000,- (…)

Het totale geldbedrag ad €143.480,- werd in een nieuwe sealbag (…) gestopt. (…)

Op dinsdag 3 mei 2016 werd ik gebeld door [B] van het KBH te Utrecht met de

mededeling dat, na fysieke overdracht en het tellen van het geld bij een geldinstelling, er sprake was van een tekort van € 9.000,, te weten 18 bankbiljetten van € 500,=. Er was € 143.480, doorgegeven aan de hand van de geldtelbriefjes maar bij latere telling bij de geldinstelling bleek het om een bedrag van € 134.480,= te gaan. (…)


Door mij, verbalisant, is de registratie op het geldtelbriefje van 18 bankbiljetten van € 500, in

combinatie met de 200 bankbiljetten van € 50,= ten tijde van het tellen niet opgemerkt. Ik heb bij het aanbieden van de geldbundel en het hierna terugontvangen van het geldtelbriefje geen aanvullende controle uitgevoerd.


Tactisch onderzoek:

Binnen het tactisch onderzoek werd gesproken over het ontvangen van een bedrag van

vermoedelijk € 139.500=. Nog voordat de verdachte was aangehouden bleek uit een tapverslag dat de ontvanger € 5000,= te weinig had ontvangen. Ontvanger zou dan mogelijk € 134.500,= hebben ontvangen, hetgeen nagenoeg, op € 20,= na, het uiteindelijke bedrag is wat is afgestort.

Gelet op bovenstaande, mijn aantekeningen, de foto’s, de wijze van aanbieden ter telling, alsmede de tactische informatie uit het onderzoek, is er kennelijk sprake van een registratiefout (vanuit de geldtelmachine) en is het bedrag van € 134.480,=, mijns inziens, het juiste bedrag.” (…)


Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart over de rol van verdachte bij de politie het volgende:

“A: Ik ben 30 maart 2016 daar naar toe gegaan en ik denk dat ik negen a tien dagen in Marokko ben geweest. Dus ik ben 9 of 10 april weer terug gekomen.

V: Wie hebben er gedurende jouw afwezigheid, voor jouw de geldtransacties gedaan?

A: [verdachte] . (…) [verdachte] zou op de kinderen letten en hij zou mijn werkzaamheden voor de transacties overnemen. (…) ik heb wel een telefoon thuis gelaten bij [verdachte] (…) Het werk wat ik doe doet hij ook gewoon snel en netjes. Hij is net als ik goed te vertrouwen. (…) hij neemt mijn werk over en daar krijgt hij ook gewoon geld voor.

V: Kreeg hij van jou het geld of direct van de baas?

A: Wat ik aan de eind van de maand kreeg, gaf ik zijn gedeelte daarvan over. (…)

V: Was de [adres] een vaste locatie waar af werd gesproken voor transacties?

A: Ja klopt, dit is een van de plekken. (…)

(…) observatieteam werd op dinsdagavond 5 april 2016 omstreeks 22:15 uur, gezien dat een onbekende man van vermoedelijk Marokkaanse afkomst met een bestelbus, Renault Traffic, met het kenteken [kenteken] aankwam rijden bij het adres [adres] te [woonplaats] . (…)

A: Dit had te maken met een transacties. Deze man is gekomen en [verdachte] heeft deze man het geld gegeven.” (…)


Bewijsoverweging feit 3

De rechtbank acht op grond van bovengenoemde verklaringen van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en de tapgesprekken bewezen dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode, terwijl medeverdachte [medeverdachte 1] in Marokko was, op verzoek van [medeverdachte 1] en in opdracht van de bazen een aantal betalingen heeft verricht. Verdachte heeft dit bij de politie grotendeels ook erkend. Verdachte komt ter terechtzitting gedeeltelijk terug op zijn verklaring en geeft aan een en ander niet goed meer te weten omdat hij slechts een familielid in een hectische periode te hulp schoot. De verklaring van verdachte dat hij niet wist waar hij mee bezig was, acht de rechtbank echter niet geloofwaardig. De rechtbank houdt verdachte aan zijn verklaring bij de politie omdat deze verklaring steun vindt in de andere (genoemde) bewijsmiddelen.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte wist dat hij geld moest overdragen en hij heeft het geld ook gezien. Voorts kreeg verdachte voordat [medeverdachte 1] naar Marokko vertrok instructies die hij moest opvolgen over de wijze waarop het geld overgedragen moest worden, welke afspreekplek(ken) daarvoor gebruikt moesten worden, wat verdachte moest doen nadat hij het geld had ontvangen en waar hij het geld moest bewaren. Verdachte had de telefoon van [medeverdachte 1] bovendien ook overgedragen gekregen. Hiermee stond verdachte in contact met de personen van wie hij de betalingsopdrachten ontving, de personen aan wie hij geld moest overdragen en de persoon van wie hij geld heeft ontvangen.


Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ondergronds bankieren, waarmee de rechtbank bedoelt: het zonder vergunning verrichten van betaaldiensten in de zin van artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht. De door verdachte verrichte handelingen zijn te kwalificeren als betaaldiensten in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. Dit artikel definieert betaaldienst als bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten (richtlijn 2007/64/EG). Die bijlage noemt “geldtransfer” als betalingsdienst, en de richtlijn zelf merkt als geldtransfer onder meer aan een betalingsdienst waarbij geldmiddelen voor rekening van een begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld.

Doordat medeverdachte [medeverdachte 1] met een hoge frequentie contant geld van A naar B bracht, voor rekening en risico van derden, stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een bedrijfsmatige uitvoering van betaaldiensten. Uit artikel 10 lid 1 (slot) van de richtlijn betaaldiensten volgt dat enkel aan rechtspersonen een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener wordt afgegeven. Uit het dossier blijkt niet dat medeverdachte [medeverdachte 1] een rechtspersoon vertegenwoordigde; [medeverdachte 1] heeft daar ook niet over verklaard. Aldus was er voor deze handelingen geen vergunning. Verdachte heeft deze werkzaamheden gedurende enige tijd op verzoek van medeverdachte [medeverdachte 1] waargenomen c.q. uitgevoerd, zodat hij zich samen met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan bankieren zonder vergunning, zoals ten laste gelegd.


gewoonte

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte van het ondergronds bankieren een gewoonte heeft gemaakt, nu de vier transacties die verdachte heeft verricht te beperkt van aantal zijn en binnen een te korte periode hebben plaatsgevonden om van een gewoonte te kunnen spreken.


Vrijspraak feit 1 – (gewoonte)witwassen

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geld en overweegt hiertoe het volgende.


Voor een veroordeling voor witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat het geld, dat door verdachte en de medeverdachte is overgedragen, uit enig misdrijf afkomstig is. Vermogensbestanddelen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikelen 420bis, 420ter en/of 420quater van het Wetboek van Strafrecht indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan (HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044). Het geld dat via het ondergronds bankieren door verdachte en [medeverdachte 1] is overgedragen (etc.) zou weliswaar gezien kunnen worden als voorwerp van een strafbaar feit, namelijk overtreding van de wetgeving die ondergronds bankieren strafbaar stelt, maar deze omstandigheid brengt op zichzelf noodzakelijkerwijs niet mee dat het geld ook uit misdrijf afkomstig is (zie HR 25 november 2014:ECLI:NL:HR:2014:3380).


In politieonderzoek WICKER is geen direct bewijs voor een criminele herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen gevonden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om geldbedragen die verdachte en de medeverdachte voor anderen hebben ontvangen en overgedragen in het kader van het ondergronds bankieren.


Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat geld dat afkomstig is vanuit de ondergrondse bankierwereld niet per definitie van misdrijf afkomstig is, het geld kan immers ook een legale herkomst hebben. Hoewel verdachte, door zich bezig te houden met ondergronds bankieren, de wet heeft overtreden (namelijk voornoemde Wet op het financieel toezicht), zegt dit nog niks over de herkomst van het geld. Daarmee is (nog) niet voldaan aan het criterium dat sprake moet zijn van een ‘voorafgaand misdrijf’ zoals de jurisprudentie voorschrijft.


Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat direct bewijs voor een criminele herkomst van het geld ontbreekt, ligt de vraag voor of er op basis van de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij concreet en min of meer verifieerbaar verklaart over een legale herkomst van het geld, welke verklaring niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk moet zijn aan te merken.


De rechtbank overweegt dat bepaalde kenmerken van het ondergronds bankieren, zoals die ook in dit dossier naar voren zijn gekomen, ook kenmerken zijn die passen bij witwassen, namelijk grote (contante) geldbedragen voorhanden hebben, het gebruik van tokens ter verificatie van de koerier(s) en versluierd taalgebruik. Dit zijn dus geen kenmerken die exclusief bij witwassen horen: ze passen ook bij ondergronds bankieren zonder dat noodzakelijk tevens sprake is van witwassen. De bedreiging met geweld waarover [medeverdachte 1] heeft verklaard wijst naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf evenmin op illegale herkomst van de door verdachte getransporteerde gelden. Ondergronds bankieren, ook van legale gelden, is in Nederland immers op zichzelf een criminele activiteit, en in dit geval een waarmee zeer grote financiële belangen zijn gemoeid.


Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat het geld afkomstig was van mensen die een zaak hebben. Ook medeverdachte [medeverdachte 1] heeft over de herkomst van het geld verklaard dat hij onder meer naar bedrijven moest om contante geldbedragen over te dragen. Een deel van het geld bracht [medeverdachte 1] in opdracht van de baas uit Mauritanië naar groenten- en fruitexportbedrijven. Deze bedrijven zijn in het onderzoek ook geïdentificeerd. Deze betalingen zijn naar het oordeel van de rechtbank, zonder nader onderzoek naar deze bedrijven en de verwerking van de betalingen, te verklaren als betalingen in het kader van het ondergronds of Hawala bankieren, als bijvoorbeeld contante betalingen voor op zichzelf legale handelstransacties in groente en fruit. [medeverdachte 1] verklaart dat hij soms ook naar coffeeshops moest om geld op te halen of weg te brengen. Onduidelijk is gebleven of dit in de ten laste gelegde periode is gebeurd, daargelaten nog of geld ophalen bij of brengen naar een coffeeshop, waarvan de activiteiten doorgaans worden gedoogd en de omzet en winst ook worden belast, noodzakelijk witwassen zou opleveren.


Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het dossier geen aanleiding geeft tot een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Daarom kan dat ook niet worden bewezen, ondanks het ontbreken van een in alle opzichten verifieerbare verklaring van verdachte over de herkomst van de gelden. Vrijspraak voor witwassen dient derhalve te volgen.


Vrijspraak feit 2 – deelname aan criminele organisatie

Naar het oordeel van de rechtbank dient verdachte te worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie. Weliswaar heeft verdachte in een korte periode samengewerkt met [medeverdachte 1] en een viertal transacties verricht, maar is onvoldoende bewijs dat sprake is geweest van een samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] met een duurzaam of gestructureerd karakter. De rol van verdachte is hiervoor van onvoldoende gewicht geweest.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


ten aanzien van feit 3


in de periode van 30 maart 2016 tot en met 8 april 2016 te IJsselstein en/of elders in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met een ander


zich schuldig heeft gemaakt aan bankieren zonder vergunning, immers hebben hij,

verdachte en zijn mededader toen en daar telkens opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener uitgeoefend als bedoeld in 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht,


immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader

- ten behoeve van en op verzoek van (tot op heden grotendeels onbekend gebleven) begunstigde(n) en/of (tot op heden grotendeels onbekend gebleven) betaler(s) contante geldtransacties uitgevoerd en

- voor rekening van één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en

- aan één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en

- voor één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden,


te weten:

- op of omstreeks 31 maart 2016 een bedrag van EUR 50.000,-

(overgedragen aan een tot op heden onbekend gebleven persoon) en

- op of omstreeks 2 april 2016 een bedrag van EUR 123.000,-

(overgedragen aan een tot op heden onbekend gebleven persoon) en

- op of omstreeks 5 april 2016 een bedrag van ongeveer EUR 139.500,-

(overgedragen aan een tot op heden onbekend gebleven persoon) en

- op of omstreeks 3 april 2016 een bedrag van EUR 55.000,-

(ontvangen van een tot op heden onbekend gebleven persoon).



Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Overweging ten aanzien van feit 3

De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging met verwijzing naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:

2015:252), nu er geen zetel was in Nederland, hetgeen de wet wel voorschrijft.


Uit het onderzoek, met name op grond van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] en de tapgesprekken, komt naar voren dat [medeverdachte 1] in de tenlastegelegde periode met een zeer grote regelmaat geldtransacties heeft verricht in Nederland, terwijl hij gedurende die periode ook in Nederland woonde. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] daarmee een zetel had in Nederland, zoals het verbod in artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht voorschrijft. Nu ten aanzien van verdachte bewezen is verklaard dat hij tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan ondergronds bankieren, is ook het bewezenverklaarde handelen van verdachte te kwalificeren als hierna te noemen.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:


medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan



6STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL


7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij verzoekt de officier van justitie bij uitspraak te bepalen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis enerzijds rekening gehouden met de ernst van het feit. Ondergronds bankieren is de methode om ongemerkt betalingen te doen in het buitenland, ongemerkt geld te wisselen en ongemerkt geld over grenzen te vervoeren. Het onttrekt zich aan elke vorm van overheidstoezicht en houdt daardoor het risico in van misbruik voor criminele en terroristische doeleinden.

Anderzijds heeft de officier van justitie rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte is gestopt met werken en krijgt een uitkering. Verdachte geeft aan dat hij lijdt onder de strafzaak, hetgeen spanningen voor hem oplevert. Voorts is rekening gehouden met de gezondheid van verdachte (een recente operatie) en de gezondheidsklachten van zijn vrouw en moeder.


7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, indien de rechtbank toch aan strafoplegging toekomt, rekening te houden met de omstandigheden waaronder verdachte de werkzaamheden van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft overgenomen. Verdachte wilde zijn zwager helpen omdat zijn moeder net was overleden. Haar overlijden had gelet op de familiebanden ook impact op verdachte en zijn vrouw. Hierdoor was het een hectische periode en had verdachte geen kans om na te denken over de eventuele inhoud en gevolgen van het werk dat hij zou overnemen van zijn zwager.

De verdediging heeft voorts verzocht niet te bepalen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak wordt opgeheven zoals door de officier van justitie is verzocht, omdat verdachte zich de gehele tijd aan alle schoringsvoorwaarden heeft gehouden.


7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 21 februari 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit door een strafrechter in Nederland is veroordeeld.


De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich samen met zijn zwager schuldig gemaakt aan ondergronds bankieren. De rol van verdachte heeft hierin bestaan dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] in opdracht van een aantal onbekend gebleven personen (de bazen) driemaal een groot contant geldbedragen heeft overgedragen aan een onbekend gebleven persoon en eenmaal een groot contant geldbedrag heeft ontvangen.

Verdachte en de medeverdachte hebben door het ondergronds bankieren gevaarzettend gehandeld, nu het in omloop houden en brengen van dergelijke grote contante geldbedragen, die buiten het zicht van het bancaire systeem en daarmee het toezicht worden gehouden, grote risico’s met zich brengt, waaronder het risico dat ook het criminele circuit van deze betalingsmethode gebruik maakt, hetgeen in zijn algemeenheid ook gebeurt. Het bancaire systeem wordt daarmee ondermijnd.


Mede gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden en het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen heeft geacht dan waartoe de officier van justitie heeft gerekwireerd, wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. Gelet op het aandeel van verdachte in het ondergronds bankieren en zijn persoonlijke omstandigheden, acht de rechtbank een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats. De ernst van het feit rechtvaardigt evenwel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte en zijn blanco strafblad geen aanleiding hier een voorwaardelijk strafdeel aan te koppelen.


De rechtbank heft het – inmiddels geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

8TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen

  • - 22c, 22d, 27, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht,
  • - 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, en
  • - 2:3a van de Wet op het financieel toezicht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9BESLISSING


De rechtbank:


Vrijspraak

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden;


- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;


- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.





Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.W. Frieling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-Baaziz, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 april 2017.
















mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.W. Frieling zijn buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen



Bijlage: de tenlastelegging


1.


hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 maart 2016 tot en met 8 april 2016 te IJsselstein en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland,


(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,


van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen, althans eenmaal,


- ( door) (telkens) meermalen (grote) (contante) geldbedragen betaalbaar te stellen en/of te ontvangen en/of (in contanten) over te dragen en/of


-(door) op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 maart 2015 tot en met 8 april 2016 aan tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een of meer gro(o)t(e) (contante) geldbedrag(en) over te (laten) dragen en/of


-(door) op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 maart 2015 tot en met 8 april 2016 van tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) een of meer gro(o)t(e) (contante) geldbedrag(en) te ontvangen,


de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing van die geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld, althans heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was/waren van die/dat geldbedrag(en), of wie bovenomschreven geldbedrag(en), voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf


en/of


die/dat geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;



2.


hij in of omstreeks de periode van 30 maart 2016 tot en met 8 april 2016 te IJsselstein en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland,


heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van het plegen van witwassen en/of het plegen van bankieren zonder vergunning;




3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 maart 2016 tot en met 8 april 2016 te IJsselstein en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland,


(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,


van het plegen van bankieren zonder vergunning een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan bankieren zonder vergunning, immers heeft/hebben hij,

verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener uitgeoefend als bedoeld in 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht,


immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- ten behoeve van en/of op verzoek van ((een) tot op heden grotendeels onbekend gebleven) begunstigde(n) en/of ((een) tot op heden grotendeels onbekend gebleven) betaler(s) één of meer (contante) geldtransacties uitgevoerd en/of

- voor rekening van één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of

- aan één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld

en/of

- voor één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden,


te weten (in ieder geval):

- op of omstreeks 31 maart 2016 een bedrag van (ongeveer) EUR 50.000,-

(overgedragen aan een tot op heden onbekend gebleven persoon) en/of

- op of omstreeks 2 april een bedrag van (ongeveer) EUR 123.000,-

(overgedragen aan een tot op heden onbekend gebleven persoon) en/of

- op of omstreeks 5 april 2016 een bedrag van (ongeveer) EUR 139.500,-

(overgedragen aan een tot op heden onbekend gebleven persoon) en/of

- op of omstreeks 3 april 2016 een bedrag van (ongeveer) EUR 55.000,-

(ontvangen van een tot op heden onbekend gebleven persoon).


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 5 september 2016, genummerd 160825.1411.EIND, onderzoek WICKER / MDRBB16003, opgemaakt door de Politie, Team Financieel-economische Criminaliteit (MD), doorgenummerd 1 tot en met 1738. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Het proces-verbaal van bevindingen transacties [verdachte] , partijen. 447 e.v.
3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1307, 1308, 1309, 1311, 1318, 1319.
4 Het proces-verbaal van verhoor van [A] , p. 825.
5 Het proces-verbaal tellen geld dat is aangetroffen bij [A] , p. 762 en 763.
6 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 1242, 1243 en 1243.