Rechtbank Midden-Nederland, 26-04-2017 / 16/705506-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:2146

Inhoudsindicatie
De rechtbank Midden-Nederland heeft een 49-jarige man uit IJsselstein veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf. Hij was onderdeel van een criminele organisatie die zich bezighield met het ondergronds bankieren van in totaal 8 tot 9 miljoen euro. De 49-jarige hoofdverdachte heeft frequent zeer grote geldbedragen overgedragen aan onbekend gebleven personen in opdracht van andere onbekend gebleven personen. Als hij zelf niet kon zorgde hij voor vervanging. De 45-jarige zwager van de man ging vier keer op zijn verzoek in. De rechtbank veroordeelt hem tot een gevangenisstraf van 3 maanden. De 40-jarige vrouw van de hoofdverdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één transactie en is door de rechtbank veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur. Zij hebben een korte periode samengewerkt met de hoofdverdachte. De rechtbank spreekt hen daarom vrij van deelname aan een criminele organisatie. In het politieonderzoek is geen direct bewijs gevonden voor een criminele herkomst van de geldbedragen. Daarnaast heeft de Hoge Raad eerder vastgesteld dat geld uit de wereld van ondergronds bankieren niet per definitie van een misdrijf afkomstig hoeft te zijn. De rechtbank spreekt alle verdachten vrij van witwassen, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het geld uit een misdrijf afkomstig is. Een 27-jarige man is door de rechtbank vrijgesproken van betrokkenheid bij ondergronds bankieren. De rechtbank spreekt hem vrij vanwege gebrek aan bewijs.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-26
Publicatiedatum
2017-04-26
Zaaknummer
16/705506-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NJFS 2017/118
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht


Parketnummer: 16/705506-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 26 april 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte ]

geboren op [1967] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

raadsvrouw mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.


1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 14 september 2016, 9 november 2016, 5 april 2017 en 12 april 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. C.J.W.M. Janssen en van hetgeen verdachte en mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is op de zitting nader omschreven. De nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 4 maart tot en met 4 juni 2016 in IJsselstein, Amsterdam, Dronten en elders in Nederland (feit 1) in vereniging geldbedragen heeft witgewassen en daarvan een gewoonte heeft gemaakt, (feit 3) in vereniging heeft gebankierd zonder vergunning en daarvan een gewoonte heeft gemaakt, en (feit 2) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die dit oogmerk had.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde.


Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de officier van justitie is door de verdediging het navolgende verweer gevoerd.

Het openbaar ministerie heeft volgens de verdediging eenzijdig en ten nadele van verdachtes verdedigingspositie en recht op gelijke behandeling en een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM vervolging ingesteld tegen verdachte, zonder hiervoor een begrijpelijke verklaring te geven.

In het proces-verbaal van de politie komen meerdere andere personen voor die dezelfde handelingen in de geldketen hebben uitgevoerd als verdachte, namelijk het zijn van ‘koerier’. Het geld zou volgens de officier van justitie een illegale herkomst hebben, maar deze weigert hier vervolgens nader onderzoek naar te doen, hoewel telefoonnummers en namen van eventuele getuigen wel bekend zijn.

Ook afgezet tegen het kennelijke beleid om personen of bedrijven, die in verband worden gebracht met aanzienlijk grotere vermeende witgewassen of gefraudeerde geldbedragen niet, of slechts na het voldoen van een geringe boete niet verder te vervolgen, is de vervolging van verdachte onbegrijpelijk, aldus de verdediging.


De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Er worden door het Openbaar Ministerie inderdaad regelmatig zaken van geldkoeriers geschikt, zodat de politiecapaciteit ingezet kan worden om de illegale bankiers, hoger in de keten, op te sporen en te vervolgen. Gedurende het onderzoek zijn er vermoedens gerezen dat verdachte zelf een bankier was, omdat hij van meerdere personen uit het buitenland aanwijzingen kreeg. Dat is de reden dat verdachte geen schikking is aangeboden.

Voorts is er wel degelijk onderzoek gedaan naar een aantal personen wier namen in het dossier worden genoemd. Na aanhouding van deze personen kwamen tijdens het politieonderzoek geen verdere vermoedens naar voren dat deze personen zich ook bezig hielden met bankieren. Daarom zijn zij niet vervolgd. Naar de bedrijven waar verdachte contact mee heeft gehad is/wordt door een andere overheidsdienst onderzoek gedaan.


De rechtbank overweegt dat van schending van het gelijkheidsbeginsel pas sprake is bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Daarbij moet het gaan om zaken die zowel op het punt van de haalbaarheid als de opportuniteit geheel overeenstemmen. Aan deze criteria dient de stelling van de verdediging dat de officier van justitie in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door bijvoorbeeld niet [bedrijf 1] B.V., [A] en [bedrijf 2] B.V. te [vestigingsplaats] te vervolgen, maar wel verdachte, getoetst te worden.

De rechtbank overweegt dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de verdenking dat de medewerkers van de fruithandelbedrijven waar verdachte een aantal malen geld heeft gebracht, een vergelijkbare rol hadden in het contantgeldcircuit als die van verdachte, waarvoor hij wordt vervolgd. De rol van verdachte is gedurende de onderzoeksperiode aanzienlijk groter gebleken, hij heeft immers zeer regelmatig in opdracht van een aantal personen geldbedragen ontvangen van en overgedragen aan vele andere personen. De namen van de medewerkers van de fruithandelbedrijven komen slechts incidenteel voor.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu de zaken niet relevant vergelijkbaar zijn.

De rechtbank concludeert op grond van het hiervoor overwogene dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

Voorts zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.




4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Verdachte [verdachte ] heeft samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gedurende langere tijd regelmatig geldbedragen ontvangen en uitbetaald. Hiermee hebben ze gefunctioneerd als betaaldienstverlener als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht (feit 3). Voorts is uit de bewijsmiddelen af te leiden dat sprake is van opzetwitwassen (feit 1). Verdachte verklaart niet concreet en verifieerbaar wat de herkomst is van het geld. Dit terwijl verdachte reeds in 2012 wist, althans had moeten weten, dat er een groot risico was dat het geld van misdrijf afkomstig was. Immers, verdachte verklaart over de eerste periode dat hij niet wist wie de persoon was waar hij het geld ophaalde en dat hij hem op straat ontmoette. Het werk werd op enig moment overgenomen door een bekende van zijn opdrachtgever, maar na enige tijd is er hernieuwd contact tussen verdachte en zijn opdrachtgever. Er wordt dan tegen verdachte gezegd dat hij wel een ander telefoonnummer moet nemen. Er is op dat moment geen sprake van dwang, maar van bewust instappen. In juli 2015 informeert verdachte vervolgens bij de baas in Marokko of hij geen werk heeft voor zijn zwager, [medeverdachte 2] . Doordat verdachte zegt het gevaar te herkennen van het met grote geldbedragen over straat te gaan, een speciale verstopplek voor het geld heeft in zijn auto, gebruik maakt van codes en tokens voorafgaand aan een transactie en zegt dat hij ook wel eens dacht dat het crimineel geld was, wat hem angstig maakte, acht de officier van justitie bewezen dat hij wist dat het geld een criminele herkomst had.


Tevens is uit de bewijsmiddelen af te leiden dat [verdachte ] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en anderen gedurende langere tijd hebben samengewerkt om samen het bankieren zonder vergunning en het witwassen van geldbedragen mogelijk te maken (feit 2), aldus – steeds – de officier van justitie.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het witwassen (feit 1) stelt de verdediging dat Hawala-bankieren niet inherent is aan criminaliteit. Het is een oud fenomeen, gebaseerd op vertrouwen tussen de personen die het geld uitwisselen. Het is algemeen bekend dat er met tokens, codes en serienummers van bankbiljetten gewerkt wordt. De redenen om voor deze wijze van bankieren te kiezen zijn uiteenlopend; zelfs multinationals maken gebruik van geldwissel- en geldoverboekingskantoren.

Indien sprake is van Hawala-bankieren is voor een bewezenverklaring van witwassen, gelet op de jurisprudentie, een misdrijf nodig dat is voorafgegaan aan het overdragen van het geld. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte geld voorhanden heeft gehad dat afkomstig is uit enig misdrijf. Voorts kan uit de verklaring van verdachte worden afgeleid dat hij slechts een naïeve participant is geweest in een traject van geldstromen waarbij hij bovendien dacht dat deze een legaal kader moesten hebben. Verdachte heeft kunnen denken dat het om betaling van legitieme onderlinge overeenkomsten van levering van fruit en dus legale goederen ging, juist omdat Mauritanië behoort tot het deel van de wereld waarbinnen contante geldstromen niet alleen gebruikelijk zijn maar zelfs ook de voorkeur genieten. Er is onvoldoende bewijs voor witwassen alsook voor ondergronds bankieren (feit 2).

Ten aanzien van de tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie (feit 3) stelt de verdediging zich op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen niet alleen vanwege de bepleite vrijspraak voor feiten 1 en 2, maar ook omdat er op geen enkele wijze kan worden aangetoond dat sprake is van een duurzaam en structureel samenwerkingsverband. In het onderzoek zijn diverse personen aangehouden die allen geen vervolging (meer) tegemoet hoeven te zien. Zij behoren kennelijk niet tot de organisatie. Verdachte droeg geld over en liet zich tijdens zijn reis naar Marokko en dus slechts voor korte tijd waarnemen, hetgeen geen duurzaam gestructureerd samenwerkingsverband oplevert. Voorts worden in de tenlastelegging geen namen van mededaders genoemd, zodat niet duidelijk is op welk samenwerkingsverband de verdenking ziet.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen feit 2 en feit 3


Uit het proces-verbaal van bevindingen geldoverdrachten onderzoek WICKER blijkt het volgende over de wijze waarop geldoverdrachten plaatsvonden:

(…) “Dit overzicht is opgesteld aan de hand van de opgenomen telefoongesprekken, in beslag genomen geldbedragen (deelonderzoek Olive, aanhouding vrachtwagenchauffeur [B] ) observaties en de geldbedragen die in het zwarte schrift waren genoteerd. Dit schrift (…) werd bij de doorzoeking in de woning [adres] te [woonplaats] in beslag genomen.


Werkwijze geldoverdracht

In het algemeen was er telefonisch contact tussen verdachte [verdachte ] en de verschillende bankiers in het buitenland of direct met de persoon die een geldbedrag zou afgeven of ontvangen. Vervolgens werd een locatie middels een sms bericht verstuurd. Dit adres betrof een adres in de naaste omgeving van het woonadres van verdachte [verdachte ] . Hij gebruikte hiervoor de straten Weegbree, Guldenroede en Jacob Marislaan in IJsselstein. Als de verdachte [verdachte ] buiten IJsselstein een afspraak had dan werd er meestal afgesproken op een parkeerplaats nabij een supermarkt of openbaar gebouw (Lidl, school, etc).

Bij de afspraak werd regelmatig een code of het geldbedrag genoemd. De geldoverdrachten die voor de bankier [C] werden uitgevoerd, werden door verdachte [verdachte ] aan hem teruggekoppeld. Diverse geldoverdrachten die via opgenomen telefoongesprekken werden besproken zijn ook aangetroffen in de aantekeningen in het schrift. Ook bakengegevens van het voertuig van de verdachte [verdachte ] bevestigde dat hij op de afgesproken plaats aanwezig was.


(…) In totaal is er in onderzoek WICKER vastgesteld dat er gedurende de periode 4 maart tot en met 4 juni 2016 door de verdachte [verdachte ] en overige verdachten een bedrag van

€ 8.411.235,00 is ontvangen en een bedrag van € 9.614.030,00 is afgegeven. (…)


In de bijlage bij dit proces-verbaal van bevindingen is een overzicht opgenomen waarin de geldoverdrachten van verdachte [verdachte ] zijn opgenomen in de periode van 4 maart 2016 tot en met 4 juni 2016. Verdachte heeft ten aanzien van ten minste een deel van deze geldoverdrachten bekend dat hij deze heeft uitgevoerd. Hij verklaart immers:

“Ik breng elke dag geld (…) Een keer in 2 dagen een keer in de 3 dagen. Het was elke keer anders maar het was wel vaak. (…)

V: Dit is dus het schriftje waar de administratie in staat over de geldtransacties wat u moest doen?

A: Ja (…)

A: IN is het bedrag wat is binnengekomen en UIT geeft aan wat ik aan andere mensen heb

gegeven.

V: Wat is de herkomst van de bedragen waar IN voor staat?

A: elke keer een andere staat, Rotterdam, Amsterdam, Rozendaal, Bergen op Zoom. Dat zijn de 4 steden waar ik het meestal moest halen. En dan meestal gewoon bij mensen op straat. (…)

V: Waar moesten de bedragen naar toe waar UIT voor staat?

A: Ik geef het aan de klanten waar ik opdracht van kreeg van de Baas. Ik kreeg vaak van

Marokkanen maar ik gaf het aan Nederlanders, Indiërs, Pakistanen, zwarte mensen. Dat waren veel verschillende mensen. (…)

V: En als er 250 staat?

A: Dan is dat 250 duizend. Soms euro’s soms kronen. (…)

V: De derde kolom is opgeteld wat je op dat moment thuis hebt?

A: Ja klopt. (…)

We laten je nu pagina 3 van het schrift zien (…)

O: Op de regel: 20-5 staat ‘UIT 200 Dronten’.

V: Wat betekent dit?

A: Dat is een bedrijf in Dronten. Daar heb ik 200 gegeven. Dat is een uien en aardappels bedrijf.”


Verdachte heeft voorts ter terechtzitting verklaard:

“Het geld dat ik in ontvangst had genomen telde ik thuis met een geldtelmachine. Ik kreeg voorafgaand aan een geldoverdracht van een van de bazen een serienummer van een €5-biljet gesmst. De persoon die ik ontmoette gaf mij een briefje van €5 en ik controleerde dan of het serienummer overeenkwam met wat ik per sms had doorgekregen. Ik nam de €5-biljetten in en verzamelde ze om ze uiteindelijk aan de grote baas in Marokko te geven. Soms gebruikten we geen €5-biljet maar codes. De code was iedere keer anders. (…)

Het klopt dat ik voor drie opdrachtgevers werkte. Het klopt dat al het geld dat in mijn woning in beslag is genomen aan anderen toebehoort.”


Geconfronteerd met het overzicht op pagina’s 431-446 verklaart verdachte ter terechtzitting:

“De eerste pagina’s van het schriftje, tot aan het roze tabblad ziet op administratie die ik voor mezelf heb bijgehouden. (…)

De pagina in het schriftje achter het blauwe tabblad met daarop de letters “ZK” bevat administratie voor een vriend van de baas; iemand met een wisselkantoor. Ik moest voor hem ook een paar klusjes doen. Ik heb daarbij ook geld van A naar B gebracht. Hij heeft mij daarvoor betaald. Ik kreeg daarvoor ook €250,- per €100.000,-. Ik moest dat delen met de man uit Schiedam. (…)”


Verder heeft verdachte bij de politie verklaard:

“De Mauritaniër zei tegen mij “(…) Ik kom hier mensen betalen. Als je wil en als je tijd hebt, wil jij dan die mensen voor mij betalen. Je krijgt gewoon een factuur van me en je krijgt daar dan € 150,- voor, Ik vond dat wel goed. (…)

V: Hij vraagt uiteindelijk aan jou of jij wat betalingen bij bedrijven voor hem wilt doen?

A: Ja, klopt en ik zou daar € 150,- voor krijgen per betaling. Ik moest gewoon naar een paar

bedrijven gaan.

V: Die betalingen, hoe hoog waren die?

A: dat was verschillend, tussen de dertig- en honderdduizend euro.

V: Hoe kreeg u dat geld?

A: Hij gaf mij telefonisch opdracht om dat geld ergens op te halen en dat dan te brengen naar een aantal bedrijven. (…)

V: We hebben nu gewoon banken waarbij zakenmensen grote bedragen van de ene rekening naar de andere rekening kunnen overmaken. Dan is dit toch vreemd?

A: Ik dacht dat het gewoon normaal was. Ik vond het wel grote bedragen, maar ik kon die

€ 150,- wel krijgen, Ik heb er niet over nagedacht. Ik was gewoon blij met die € 150,-. (…)


V: Als het gehaald zou worden, was u daar alleen bij betrokken of soms ook andere?

A: Soms kreeg ik een telefoontje wanneer ik aan het werk was, en dan kon ik niet zelf het geld

brengen. Maar het moest dan van de baas toch worden afgeleverd. Dan belde ik soms [medeverdachte 1] en vroeg dan of zij voor mij documenten wilde afleveren. (…) Als het [medeverdachte 2] het deed voor mij dan wist hij wel wat ik deed. (…)


A: Ik ben 30 maart 2016 daar naar toe gegaan en ik denk dat ik negen a tien dagen in Marokko ben geweest. Dus ik ben 9 of 10 april weer terug gekomen.

V: Wie hebben er gedurende jouw afwezigheid, voor jou de geldtransacties gedaan?

A: [medeverdachte 2] . (…)

[medeverdachte 2] zou op de kinderen letten en hij zou mijn werkzaamheden voor de transacties overnemen. (…) ik heb wel een telefoon thuis gelaten bij [medeverdachte 2] (…) Het werk wat ik doe doet hij ook gewoon snel en netjes. Hij is net als ik goed te vertrouwen. (…) hij neemt mijn werk over en daar krijgt hij ook gewoon geld voor.

V: Kreeg hij van jou het geld of direct van de baas?

A: Wat ik aan de eind van de maand kreeg, gaf ik zijn gedeelte daarvan over. (…)


Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaarde bij de politie:

“op 25 mei 2016 (…)

V: Wat heeft uw man u gegeven als bewaargoed?

A: (…) Het bewaargoed, hij heeft mij 5 euro gegeven, daarmee ben ik naar de Weegbree gegaan, ik moest dat geven aan de man die daar naar toe kwam. Het bewaargoed was dus 5 euro. (…) [verdachte ] heeft wel een bewaargoed bij mij achter gelaten in plastic (…)

V: Waarom moest u, als u iemand in een auto zou zien, met uw hand een vijf (5) maken? (…)

A: Ik moet laten toen wie ik ben, het is als teken bedoelt dat de persoon bij mij moest zijn denk ik. (…) Ik moest 5 euro aan mijn man gegeven. [verdachte ] is niet naar huis gekomen, hij was onderweg en zei dat ik hem 5 euro moest brengen.

(…) die plastic tas was voor die grijze polo, die heb ik eerder aan de man van de grijze polo afgegeven. En later heb ik de 5 euro aan [verdachte ] gegeven die voor een andere man was.” (…)


Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart bij de politie over de periode dat [verdachte ] in Marokko verbleef:

(…) “V: Ik stel u een concrete vraag, welke werkzaamheden heeft u voor [verdachte ] overgenomen tijdens zijn afwezigheid?

A: Mensen moesten contact met mij opnemen, hij had geld in huis en dat geld moest naar de

mensen worden gebracht.

V: Moest u ook geld in ontvangst nemen?

A: Ja, hij zei, als er iemand naar jou komt, dan moet je dat geld in ontvangst nemen.

V: Kunt u wat preciezer uitleggen hoe dat dan in zijn werk ging?

A: Er werd contact opgenomen, er werd gevraagd geef mij dat en dat. Het was een korte periode.

V: Maar hoe ging dat dan precies in zijn werk?

A: Als iemand dan vroeg om 50, dan bracht ik gewoon 50.

V: Wat bedoeld u met 50?

A:Vijftig duizend.

V: Vijftigduizend aan wat?

A: € 50.000 euro.

V: Waar haalde u dat dan vandaan?

A: Uit zijn eigen huis.

V: Maar waar lag dat dan?

A: Hij had het geld onder een bed liggen in huis. Dat heeft hij mij laten zien (…)

V: Hoeveel geld heeft u dan in ontvangst genomen?

A: Tussen de 35 en 40 duizend euro.

V: Belde de mensen van wie u geld in ontvangst moest nemen of aan af moest geven dan op de

Nokia telefoon die [verdachte ] bij u had achtergelaten?

A: Ja.” (…)


In het overzicht geldoverdrachten [verdachte ] staat op pagina 431 over geldoverdracht 28 op 25 maart 2016:

“TA06 nr./sessie 5 (…) NN4987 heeft 28 en vraagt of [verdachte ] het komt ophalen

TA06 nr./sessie 6 (…) [verdachte ] stuurt [D] aan om morgen 28 op te halen in Amsterdam

TA06 nr./sessie 9 (…) NN4987 heeft opdracht om het nu meteen naar [verdachte ] te brengen

TA06 nr./sessie 10 (…) [verdachte ] stuurt sms bericht met adres: [adres] [woonplaats] (…)

TA06 nr./sessie 16 (…) [verdachte ] vraagt NN4987 iets achteruit te rijden. Ontmoeting

TA06 nr./sessie 17 (…) [verdachte ] belt naar NN4987 dat er 27.200 is gegeven.

TA06 nr./sessie 18 (…) [verdachte ] belt naar [D] en zegt dat het net is gebracht

Schrift 25-mrt IN 27,200 (tabblad BT)”


In het overzicht geldoverdrachten [verdachte ] staat op pagina 432 over geldoverdracht 30 op 26 maart 2016:

“TA06 nr./sessie 20 (…) NN2535 vraag of [verdachte ] kan komen voor 300. Code Messi. [verdachte ] stuurt de jongen van de vorige keer.

TA06 nr./sessie 21 (…) [verdachte ] stuurt [D] aan naar Uithoorn om 300 op te halen

Schrift 26-mrt IN 300 (tabblad BT)”


Voornoemd tapgesprek TA06 sessienr. 21 waarnaar wordt verwezen in het overzicht bevat onder meer de volgende inhoud:

“ [verdachte ] belt uit en NNman2792 neemt op. (…)

[verdachte ] : die ene uit Uithoorn heeft gebeld. (…) Je moet nu naar hem toe. (…) Heb jij zijn nummer of moet ik die geven?

NNman: Volgens mij heb ik die.

[verdachte ] : Ik ben onderweg naar de jongens en daarom vraag ik of jij wil gaan.

(…) NNman: Stuur mij die gegevens.

[verdachte ] : Ik stuur je het nummer en de code tussen jullie is Messi.

NNman: Messi.

[verdachte ] : Ja, hij gaat je 300 geven, daar moet je 750 euro vanaf halen en kijk of je mij 150 wil geven of kijk maar.

NNman: Oke dat is goed.

[verdachte ] : Oke broeder ik stuur je nu zijn nummer en dan moet je hem maar bellen.”


In het overzicht geldoverdrachten [verdachte ] staat op pagina 432 over geldoverdracht 34 die plaatsgevonden heeft op 28 maart:

“TA06 nr./sessie 37 (…) [verdachte ] belt NN2904 voor code 40. NN2904 komt naar IJsselstein.

TA06 nr./sessie 39 (…) [verdachte ] stuurt sms met adres [adres] [woonplaats]

TA06 nr./sessie 41 (…) [verdachte ] stuurt sms: Kom naar MacDonalds, Lorentzlaan 1 IJsselstein

Schrift 28-mrt UIT 40 (tabblad BT)”


Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3


Ondergronds bankieren

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ondergronds bankieren, waarmee de rechtbank bedoelt: het zonder vergunning verrichten van betaaldiensten in de zin van artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht. De door verdachte verrichte handelingen zijn te kwalificeren als betaaldiensten in de zin van artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht. Dit artikel definieert betaaldienst als bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten (richtlijn 2007/64/EG). Die bijlage noemt “geldtransfer” als betalingsdienst, en de richtlijn zelf merkt als geldtransfer onder meer aan een betalingsdienst waarbij geldmiddelen voor rekening van een begunstigde worden ontvangen en aan de begunstigde beschikbaar worden gesteld.

Doordat verdachte met een hoge frequentie contant geld van A naar B bracht, voor rekening en risico van derden, stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een bedrijfsmatige uitvoering van betaaldiensten. Uit artikel 10 lid 1 (slot) van de richtlijn betaaldiensten volgt dat enkel aan rechtspersonen een vergunning voor het uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener wordt afgegeven. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte een rechtspersoon vertegenwoordigde; verdachte heeft daar ook niet over verklaard. Aldus was er voor de door verdachte verrichte handelingen geen vergunning.


Paars tabblad ‘BT’

Ten aanzien van de geldoverdrachten, opgenomen op de pagina’s achter tabblad ‘BT’ overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte ontkent dat hij betrokken is geweest bij deze overdrachten, behalve dat hij verklaart dat hij in opdracht van één van zijn bazen de administratie voor een ander moest bijhouden. Echter, uit diverse transacties blijkt dat verdachte een grotere rol heeft vervuld dan slechts het bijhouden van de administratie. Op grond van voornoemde tapgesprekken die zien op de geldoverdrachten op 25 en 28 maart stelt de rechtbank vast dat verdachte deze zelf heeft uitgevoerd. Immers, verdachte heeft zelf contact met de onbekende persoon over de geldoverdrachten, spreekt daarbij een ontmoetingsplek af en spreekt respectievelijk over ‘28’ waarna uit de door verdachte bijgehouden administratie blijkt dat er 27.200 aan verdachte is overgedragen en spreekt over ‘40’ terwijl uit de door verdachte bijgehouden administratie blijkt dat er 40 is uitgegaan. Op 26 maart vraagt verdachte aan NNman2792 om in zijn plaats een geldoverdracht te doen, omdat hij onderweg is naar de jongens. Kennelijk heeft verdachte zelf de opdracht gekregen voor deze overdracht, maar hij besluit om deze uit te besteden aan NNman2792. Verdachte zorgt er daarbij voor dat NNman2792 over het juiste telefoonnummer en de juiste code beschikt om de geldoverdracht te kunnen laten plaatsvinden. NNman2792 moet vervolgens maar kijken of hij verdachte 150 wil geven of niet, hetgeen erop lijkt te duiden dat verdachte om een soort verrekening vraagt.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte bij alle transacties genoemd achter tabblad ‘BT’ niet slechts als administrateur betrokken was, maar ook een rol heeft gespeeld bij de daadwerkelijke geldoverdrachten.


Pagina ‘ [D] ’ – roze tabblad

Ten aanzien van de geldoverdrachten op 12 en 13 april, vermeld op de pagina waar ‘ [D] ’ boven staat, overweegt de rechtbank dat zowel de data als de bedragen terugkomen op de laatste pagina achter het paarse tabblad ‘BT’. De rechtbank stelt op grond van de pagina’s in het schriftje en hetgeen hiervoor onder ‘paars tabblad ‘BT’ is overwogen over de betrokkenheid van verdachte, vast dat de overdrachten die onder ‘ [D] ’ genoemd zijn geen zelfstandige transacties zijn geweest. Uit het schematische overzicht van de geldoverdrachten blijkt overigens ook niet dat de transacties op de pagina ‘ [D] ’ zijn meegenomen, met uitzondering van de transactie op 13 april ‘uit 18’. Dit bedrag is ten onrechte tweemaal meegeteld in het schematische overzicht, waardoor naar het oordeel van de rechtbank het

totaalbedrag moet worden teruggebracht naar (€9.614.030,00 - €18.000,00 = ) €9.596.030,-.


Medeplegen

Verdachte heeft daarbij in elk geval samengewerkt met medeverdachten [medeverdachte 2] en zijn echtgenote [medeverdachte 1] , en de drie “bazen” van wie verdachte zijn opdrachten kreeg, onder wie “ [C] ”. De samenwerking met [medeverdachte 2] heeft erin bestaan dat verdachte hem in de tijd dat hij naar Marokko was gevraagd heeft om zijn werk als geldkoerier over te nemen. Verdachte heeft [medeverdachte 2] daarbij instructies gegeven onder welke voorwaarden de transacties mochten/moesten plaatsvinden en stelde zijn telefoon beschikbaar aan [medeverdachte 2] , waarmee laatstgenoemde ook direct contact had met de bazen. Van de bazen kreeg verdachte (en [medeverdachte 2] in de periode dat hij voor verdachte waarnam) opdrachten en codes, hij hield een administratie voor hen bij, koppelde terug hoeveel geld er daadwerkelijk was overgedragen en verzamelde de €5-biljetten voor zijn baas. De samenwerking met [medeverdachte 1] heeft erin bestaan dat verdachte haar in ieder geval een keer heeft gevraagd om een transactie te verrichten als hij zelf verhinderd was, wat zij heeft gedaan.

De rechtbank stelt op grond van deze omstandigheden vast dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en in elk geval de drie (voor justitie onbekend gebleven) bazen, zodat sprake is van medeplegen.


Gewoonte

Gelet op de hoge frequentie (om de twee à drie dagen) waarmee verdachte binnen de tenlastegelegde periode contante geldbedragen betaalbaar heeft gesteld en heeft ontvangen, dan wel overgedragen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.


Vrijspraak feit 1 – (gewoonte)witwassen

Voor een veroordeling voor witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat de voorwerpen, in dit geval grote contante geldbedragen die verdachte – kort gezegd – heeft ontvangen en overgedragen voor zijn opdrachtgevers, en de in zijn woning aanwezige grote contante geldbedragen, van misdrijf afkomstig waren.

Vermogensbestanddelen kunnen in beginsel slechts worden aangemerkt als ‘afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikelen 420bis, 420ter en/of 420quater van het Wetboek van Strafrecht indien zij afkomstig zijn van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan het verwerven en/of voorhanden hebben en/of het overdragen daarvan (HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3044). Het geld dat via het ondergronds bankieren door verdachte is overgedragen (etc.) zou weliswaar gezien kunnen worden als voorwerp van een strafbaar feit, namelijk overtreding van de wetgeving die ondergronds bankieren strafbaar stelt, maar deze omstandigheid brengt op zichzelf noodzakelijkerwijs niet mee dat het geld ook uit misdrijf afkomstig is (zie HR 25 november 2014:ECLI:NL:HR:2014:3380).


In politieonderzoek 09WICKER is geen direct bewijs voor een criminele herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen gevonden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om geldbedragen die verdachte voor anderen heeft ontvangen en overgedragen in het kader van het ondergronds bankieren.


Gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad is de rechtbank van oordeel dat geld dat afkomstig is vanuit de ondergrondse bankierwereld niet per definitie van misdrijf afkomstig is, het geld kan immers ook een legale herkomst hebben. Hoewel verdachte, door zich bezig te houden met ondergronds bankieren, de wet heeft overtreden (namelijk voornoemde Wet op het financieel toezicht), zegt dit nog niets over de herkomst van het geld. Daarmee is dus (nog) niet voldaan aan het criterium dat sprake moet zijn van een ‘voorafgaand misdrijf’ zoals de jurisprudentie voorschrijft.


Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen?

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat direct bewijs voor een criminele herkomst van het geld ontbreekt, ligt de vraag voor of er op basis van de feiten en omstandigheden, zoals deze uit het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, bezien in samenhang met de zogenaamde typologieën van witwassen, sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij concreet en min of meer verifieerbaar verklaart over een legale herkomst van het geld, welke verklaring niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk moet zijn aan te merken.


De rechtbank overweegt dat bepaalde kenmerken van het ondergronds bankieren, zoals die ook in dit dossier naar voren zijn gekomen, ook kenmerken zijn die passen bij witwassen, namelijk grote (contante) geldbedragen voorhanden hebben, het gebruik van tokens ter verificatie van de koerier(s) en versluierd taalgebruik. Dit zijn dus geen kenmerken die exclusief bij witwassen horen: ze passen ook bij ondergronds bankieren zonder dat noodzakelijk tevens sprake is van witwassen. De bedreiging met geweld waarover verdachte heeft verklaard wijst naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf evenmin op illegale herkomst van de door verdachte getransporteerde gelden. Ondergronds bankieren, ook van legale gelden, is in Nederland immers op zichzelf een criminele activiteit, en in dit geval een waarmee zeer grote financiële belangen zijn gemoeid.

Verdachte heeft over de herkomst van het geld verklaard dat hij onder meer naar bedrijven moest om contante geldbedragen over te dragen. Een deel van het geld bracht verdachte in opdracht van de baas uit Mauritanië naar groenten- en fruitexportbedrijven. Deze bedrijven zijn in het onderzoek ook geïdentificeerd. Deze betalingen zijn naar het oordeel van de rechtbank, zonder nader onderzoek naar deze bedrijven en de verwerking van de betalingen, te verklaren als betalingen in het kader van het ondergronds of Hawala bankieren, als bijvoorbeeld contante betalingen voor op zichzelf legale handelstransacties in groente en fruit. Verdachte verklaart dat hij soms ook naar coffeeshops moest om geld op te halen of weg te brengen. Onduidelijk is gebleven of dit in de ten laste gelegde periode is gebeurd, daargelaten nog of geld ophalen bij of brengen naar een coffeeshop, waarvan de activiteiten doorgaans worden gedoogd en de omzet en winst ook worden belast, noodzakelijk witwassen zou opleveren.


Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het dossier geen aanleiding geeft tot een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Daarom kan dat ook niet worden bewezen, ondanks het ontbreken van een in alle opzichten verifieerbare verklaring van verdachte over de herkomst van de gelden. Vrijspraak voor witwassen dient derhalve te volgen.

Gelet op de conclusie dat vrijspraak dient te volgen voor dit feit, wordt de voorwaarde voor het verzoek van de verdediging een drietal getuigen te horen niet vervuld.


Bewijsoverweging feit 2 – criminele organisatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte, door in de periode van 4 maart 2016 tot en met 4 juni 2016 ondergronds te bankieren, heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had, namelijk bankieren zonder vergunning, en overweegt hiertoe het volgende.


Van deelname aan een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is slechts dan sprake, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in (dan wel ondersteunt) gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Voor deelneming in de zin van voormeld artikel is voldoende dat betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en hij dit oogmerk op enigerlei wijze ondersteunt.

Verdachte heeft een essentiële rol gespeeld in het ondergronds bankieren doordat hij in de tenlastegelegde periode frequent geld heeft ontvangen, beschikbaar heeft gesteld en gehouden in opdracht van de bankier(s)/bazen. Uit de taps en de verklaringen van verdachte

valt af te leiden dat verdachte veelvuldige telefonische contacten had met deze personen over het overdragen van geld en dat hij in hun opdracht handelde. Ook hield verdachte de administratie van alle geldoverdrachten bij in een schrift. Voorafgaand aan de geldoverdrachten en nadien had verdachte contact met de bankier(s). De rol van verdachte binnen de organisatie is daarmee aangetoond.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een organisatie die ook het plegen van witwassen tot oogmerk had, nu verdachte voor het witwassen van geld is vrijgesproken omdat niet kon worden bewezen dat het geld dat door verdachte is overgedragen een criminele herkomst had.



5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


2.


in de periode van 4 maart 2016 tot en met 4 juni 2016 te IJsselstein en Amsterdam en te Dronten en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van bankieren zonder vergunning;


3.


op tijdstippen in de periode 4 maart 2016 tot en met 4 juni 2016 te IJsselstein en Amsterdam en te Dronten en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van bankieren zonder vergunning een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders, toen en daar telkens krachtens die gewoonte meermalen,

telkens opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener uitgeoefend als bedoeld in 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht,


immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

- ten behoeve van en op verzoek van tot op heden grotendeels onbekend gebleven

begunstigden en tot op heden grotendeels onbekend gebleven betalers één of meer contante geldtransacties uitgevoerd en

- voor rekening van één of meer van de begunstigden en betalers ontvangen en

- aan één of meer van de begunstigden en betalers beschikbaar gesteld

- voor één of meer van de begunstigden en betalers gehouden,


te weten (in ieder geval) (p. 446):

- in totaal € 8.411.235,- betaalbaar te stellen en

- in totaal € 9.596.030,- te ontvangen en over te dragen

voor een of meerdere opdrachtgevers.



Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Overweging ten aanzien van feit 3

Uit het onderzoek, met name op grond van de verklaringen van verdachte en de tapgesprekken, komt naar voren dat verdachte in de tenlastegelegde periode met een zeer grote regelmaat contante geldtransacties heeft verricht in Nederland, terwijl hij gedurende die periode ook in Nederland woonde. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte daarmee een zetel had in Nederland, zoals het verbod in artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht voorschrijft. Het bewezenverklaarde handelen van verdachte is derhalve te kwalificeren als hierna te noemen.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


Ten aanzien van feit 2:


het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven


Ten aanzien van feit 3:


medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan terwijl hiervan een gewoonte is gemaakt



7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarbij verzoekt de officier van justitie bij uitspraak te bepalen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte wordt opgeheven.

De officier van justitie heeft bij het formuleren van zijn eis enerzijds rekening gehouden met de ernst van het feit, waarbij hij tevens rekening houdt met de periode van ongeveer vier jaar voorafgaand aan de tenlastegelegde periode waarin verdachte, volgens de officier naar eigen zeggen van verdachte, ook al betalingen in opdracht van een ander/anderen verrichte. Ondergronds bankieren is de methode om ongemerkt betalingen te doen in het buitenland, ongemerkt geld te wisselen en ongemerkt geld over grenzen te vervoeren. Het onttrekt zich aan elke vorm van overheidstoezicht en houdt daardoor het risico in van misbruik voor criminele en terroristische doeleinden. De rol van verdachte is gegroeid van gelddrager, naar werken voor meerdere bankiers/brokers, het aansturen en opleiden van derden en het voeren van administratie voor derden. Verdachte was daarbij op weg om bankier te worden. Gedurende de tenlastegelegde periode heeft verdachte zo’n 8 à 9 miljoen euro uitgegeven en was er ruim 0,6 miljoen euro aan contant geld in zijn woning aanwezig.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank aan een strafoplegging toekomt, te volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van de periode die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten, eventueel aangevuld met een taakstraf. Er dient rekening gehouden te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer in de door de verdediging overgelegde medische stukken en reclasseringsrapportage naar voren komen. Voorts blijkt uit de brief van de werkgever van verdachte dat zijn ontslag dreigt wanneer hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

De verdediging wijst voorts op het gelijkheidsbeginsel: de raadsvrouw kent uit ervaring veel zaken waarin ook zeer grote contante geldbedragen zijn aangetroffen in combinatie met bijvoorbeeld het aanwezig hebben van verdovende middelen, welke zaken worden afgedaan met een OM-transactie voor een bepaald percentage van het aangetroffen geldbedrag. De eis van de officier van justitie in deze zaak staat, gelet op de koeriersrol van verdachte, geheel niet in verhouding tot die zaken.

De verdediging heeft voorts verzocht niet te bepalen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak wordt opgeheven zoals door de officier van justitie is verzocht, omdat verdachte zich de gehele tijd aan alle schoringsvoorwaarden heeft gehouden en de ervaring leert dat een nieuwe schorsing bij het Gerechtshof moeizaam wordt verleend. Verdachte en de rest van zijn gezin staan door de onderhavige zaak onder druk; verdachte is psychisch gebroken. Dit is geen reden om te bepalen dat hij direct na de uitspraak, zolang deze niet onherroepelijk is, reeds zijn detentie moet ondergaan.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 24 januari 2017;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 13 september 2016;

- brieven van huisartsenzorg IJsselstein van 16 juni 2016, 8 november 2016 en 4 april 2017, betreffende de medische toestand van verdachte.



De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan ondergronds bankieren en deelname aan een criminele organisatie. De rol van verdachte heeft hierin bestaan dat hij frequent grote contante geldbedragen heeft overgedragen aan onbekend gebleven personen in opdracht van andere onbekend gebleven personen. Wanneer hij zelf niet kon zorgde hij voor vervanging door anderen, onder wie zijn echtgenote en zijn zwager. Verdachte was een essentiële tussenpersoon.

Verdachte heeft door op deze wijze te handelen zeer gevaarzettend gehandeld, nu het in omloop houden en brengen van dergelijke grote contante geldbedragen, die buiten het zicht van het bancaire systeem en daarmee het toezicht worden gehouden, grote risico’s met zich brengt, waaronder het risico dat ook het criminele circuit van deze betalingsmethode gebruik maakt, hetgeen in zijn algemeenheid ook gebeurt. Het bancaire systeem wordt daarmee ondermijnd.


Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. De rechtbank houdt op grond van de verklaring van verdachte bij de strafoplegging rekening met een duur van ondergronds bankieren van ongeveer 1,5 jaar nog voorafgaand aan de tenlastegelegde periode; de eerste periode ongeveer vier jaar geleden, en de periode dat verdachte hernieuwd contact kreeg met de baas uit Mauritanië en opnieuw betalingen voor hem ging verrichten. Voorts houdt de rechtbank rekening met de grote omvang van de contante geldbedragen en de frequentie waarmee verdachte deze grote bedragen in de tenlastegelegde periode overdroeg/overgedragen kreeg. In totaal heeft verdachte in drie maanden een bedragen van € 8 tot € 9 miljoen ontvangen/overgedragen.

De rechtbank wijkt bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie, mede omdat zij het witwassen niet bewezen heeft geacht. Voorts heeft de rechtbank de persoon van verdachte in belangrijke mate laten meewegen bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf. Verdachte heeft zichtbaar spijt van zijn strafbare handelen. Voorts heeft de onderhavige strafprocedure al verschillende gevolgen voor hem gehad, zowel psychisch als voor wat betreft zijn werk. Desalniettemin kan, gelet op de ernst van de feiten niet worden volstaan met een straf die geen verdere onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.


De rechtbank - anders dan door de officier van justitie is gevorderd - ziet geen aanleiding te beslissen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis per datum uitspraak wordt opgeheven.

9BESLAG


Op de lijst met in beslag genomen voorwerpen is een nummering aangehouden. De rechtbank zal hieronder naar deze nummering verwijzen.


De officier van justitie heeft ten aanzien van het beslag verzocht de auto’s en het geld verbeurd te verklaren en de overige inbeslaggenomen voorwerpen (voornamelijk sieraden en horloges) terug te geven aan verdachte als rechthebbende, voor zover hier geen beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering op rust.


Door de verdediging is verzocht om teruggave van alle voorwerpen niet zijnde of niet te relateren zijn aan geld, met name de bruidssieraden gelet op de emotionele waarde hiervan.


De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, op de beslaglijst genummerd als 1 t/m 10 en 62 t/m 72 verbeurd verklaren. Met betrekking tot en met behulp van deze voorwerpen is het onder 2 en 3 bewezen verklaard feit begaan.


De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, op de beslaglijst genummerd als 11 t/m 61, onverminderd het 94a Sv-beslag, voor zover dat er nog op rust.

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen

  • - 10, 24, 33, 33a, 27, 47, 55, 91 en 140 van het Wetboek van Strafrecht,
  • - 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, en
  • - 2:3a van de Wet op het financieel toezicht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde;


Vrijspraak

- verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het onder feit 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden;


- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;


Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • - Goednr. 1 – personenauto [kenteken] , Volkswagen Tiguan (332348)
  • - Goednr. 2 – personenauto [kenteken] , Hyundai Santa Fe (332349)
  • - Goednr. 3 – euro geld, 350.00 (332401)
  • - Goednr. 4 – euro geld, 150.00 (332402)
  • - Goednr. 5 – euro geld, 390.00 (332403)
  • - Goednr. 6 – geld buitenlands, NKR 2700 (332806)
  • - Goednr. 7 – geld buitenlands, DKR 8400 (332807)
  • - Goednr. 8 – geld buitenlands, DKR 700 (332404)
  • - Goednr. 9 – euro geld, 175.00
  • - Goednr. 10 – euro geld, 6000.00
  • - Goednr. 62 – geld buitenlands, DKR 586.500 (332420)
  • - Goednr. 63 – geld buitenland, DKR 537.300 (332421)
  • - Goednr. 64 – geld buitenlands, DKR 422.200 (332422)
  • - Goednr. 65 – geld buitenlands, DKR 310.550 (332423)
  • - Goednr. 66 – euro geld, 31350.00 (332424)
  • - Goednr. 67 – euro geld, 520.00(332425)
  • - Goednr. 68 – geld buitenlands, DKR 117.300 (332429)
  • - Goednr. 69 – geld buitenlands, NKR 450.000 (332808)
  • - Goednr. 70 – euro geld, 28130.00 (332430)
  • - Goednr. 71 – geld buitenlands, DKR 586.500 (332431)
  • - Goednr. 72 – geld buitenlands, DKR 1.404.200 (332432)

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • - Goednr. 11 – doos zilver, rond rood doosje met zilverk. Ring, groen steentjes
  • - Goednr. 12 – armband, kl. Goud (A.06.01.10)
  • - Goednr. 13 – ring, kl. Goudkl. (A.06.01.011.001)
  • - Goednr. 14 – 2 sieraden, 2 goudkleurig kettingen aaneen met 3 hangers
  • - Goednr. 15 – 2 sieraden, kl. goudkl., broche met 4 hangertjes aan bezet steentjes
  • - Goednr. 16 – 2 oorbellen, kl. goudkl. (A.06.01.013. in rood ovalen doosje)
  • - Goednr. 17 – 2 oorbellen, kl. goudkl. (A.06.01.013.001 in rood ovalen doosje)
  • - Goednr. 18 – ring, kl. goudkl., ring met steentjes (A.06.01.013.002)
  • - Goednr. 19 – ring kl. goudkl., klavertje 4 bezet met steentjes van versch. kleur
  • - Goednr. 20 – sieraad kl. goudkl. ketting bezet met steentjes
  • - Goednr. 21 – sieraad kl. goudkl. oorknoppen bezet met steentjes
  • - Goednr. 22 – ring kl.goudkl. brede ring bezet met steentjes
  • - Goednr. 23 – armband kl.goudkl. armband in grote bruine leren doos
  • - Goednr. 24 – sieraad kl.goudkl. ketting bezet met steentjes
  • - Goednr. 25 – ring kl.goudkl. ring bezet met steentjes
  • - Goednr. 26 – ring kl.zilverkl. in blauw doosje met zilverkleurige ring
  • - Goednr. 27 – sieraad kl.zilverkl. 1 zilverkleurige ketting met gekleurde steentjes
  • - Goednr. 28 – 2 oorbellen kl.zilverkl. oorknopjes zilverkleurig met steentjes daarin
  • - Goednr. 29 – ring kl.zilverkl. in bruin ovalen sieradendoosje
  • - Goednr. 30 – 2 oorbellen kl. rood/geel in bruin ovalen sieradendoosje
  • - Goednr. 31 – horloge kl.goudkl. Michael Kors horloge bezet met steentjes
  • - Goednr. 32 – horloge kl.goudkl. Theorama in zwarte doos
  • - Goednr. 33 – sieraad kl.goudkl. ketting met parelhanger in bruin doosje
  • - Goednr. 34 – 2 oorbellen kl.goudkl. oorknopjes
  • - Goednr. 35 – ring kl.goudkl. ring met parel
  • - Goednr. 36 – horloge kl. zilver Cartier (_333630)
  • - Goednr. 37 – sieraad kl.goud/zilv in rood doosje met 1 goud-/zilverkleurige ketting
  • - Goednr. 38 – 1 oorbel kl.goudkl. (_333637)
  • - Goednr. 39 – 1 oorbel kl.goudkl. in rood doosje
  • - Goednr. 40 – 2 oorbellen in rood doosje
  • - Goednr. 41 – ring kl.zilverkl. zilverkleurige ring bezet met steentjes
  • - Goednr. 42 – ring kl.goudkl. goudkleurige ring, bezet met steentjes
  • - Goednr. 43 – ring kl.goudkl. goudkleurige (zegel)ring bezet met steentjes
  • - Goednr. 44 – ring kl.goudkl. goudkleurige ring bezet met steentjes
  • - Goednr. 45 – sieraad kl.goudkl. goudkl. ketting met ringetje in zwart doosje
  • - Goednr. 46 – 2 oorbellen kl.goudkl.
  • - Goednr. 47 – 2 oorbellen kl.goudkl in zwart doosje
  • - Goednr. 48 – 2 oorbellen kl.goudkl. oorknopjes
  • - Goednr. 49 – ring kl.goudkl. goudkleurige ring
  • - Goednr. 50 – armband kl.goudkl. goudkleurige armband
  • - Goednr. 51 – armband kl.goudkl. in zwart doosje
  • - Goednr. 52 – armband kl.goudkl. in bruin doosje
  • - Goednr. 53 – sieraad kl. goudkl. goudkleurige ketting met rechthoekige hanger
  • - Goednr. 54 – ring kl.goudkl. (_333658)
  • - Goednr. 55 – hanger kl.zilver/goud zilverkleurige hanger met goudkl. arabische letters
  • - Goednr. 56 – 2 oorbellen kl.goudkl. oorhangers
  • - Goednr. 57 – 2 oorbellen kl.goudkl. in rood doosje
  • - Goednr. 58 – armband kl.goudkl. in grote rode leren doos
  • - Goednr. 59 – 2 oorbellen kl.goudkl. in grote bruine leren doos
  • - Goednr. 60 – 2 oorbellen kl.goudkl. in bruin doosje
  • - Goednr. 61 – armband kl.zilverkl. stoffen armband met zilverkl. schakels








Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.W. Frieling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-Baaziz, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 april 2017.















mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.W. Frieling zijn buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage: de tenlastelegging



1.


hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 maart 2016 tot en met 4juni 2016 te IJsselstein en/of Amsterdam en/of te Dronten en/of (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen, althans eenmaal,


- ( door) (telkens) meermalen (grote) (contante) geldbedragen (in totaal € 8.411.235,-) betaalbaar te

stellen en/of te ontvangen en/of (in contanten) (in totaal € 9.614.030,-) over te dragen voor een of meerdere opdrachtgevers (p. 446)

-(door) in een woning, gelegen op/aan de [adres] , te [woonplaats] , op of omstreeks 4juni 2016 een geldbedrag van (in totaal ongeveer) EUR 69.765 en/of 52.600 Noorse Kronen en/of 4.079.150 Deense kronen, althans een groot geldbedrag, voorhanden te hebben (p. 367)


de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing van die geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld, althans heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was/waren van die/dat geldbedrag(en), of wie bovenomschreven geldbedrag(en), voorhanden had(den), terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of die/dat geldbedrag(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van een of meer voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;


2.


hij in of omstreeks de periode van 4 maart 2016 tot en met 4juni 2016 te IJsselstein en/of Amsterdam en/of te Dronten en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een Organisatie, welke Organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van het plegen van witwassen en/of het plegen van bankieren zonder vergunning;


3.


hij op één of meet tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 4 maart 2016 tot en met 4juni 2016 te IJsselstein en/of Amsterdam en/of te Dronten en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van bankieren zonder vergunning een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan bankieren zonder vergunning, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn

mededader(s), toen en daar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandse Bank het bedrijf van betaaldienstverlener uitgeoefend als bedoeld in 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- ten behoeve van en/of op verzoek van ((een) tot op heden grotendeels onbekend gebleven)

begunstigde(n) en/of ((een) tot op heden grotendeels onbekend gebleven) betaler(s) één of meer (contante) geldtransacties uitgevoerd en/of

- voor rekening van één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of

- aan één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld

- voor één of meer van de begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden,

te weten (in ieder geval) (p. 446):

- in totaal € 8.411.235,- betaalbaar te stellen en/of

- in totaal € 9.614.030,- te ontvangen en/of over te dragen

voor een of meerdere opdrachtgevers.


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 5 september 2016, genummerd 160825.1411.EIND, onderzoek WICKER / MDRBB16003, opgemaakt door de Politie, Team Financieel-economische Criminaliteit (MD), doorgenummerd 1 tot en met 1738. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Het proces-verbaal van bevindingen geldoverdrachten onderzoek WICKER, p. 421 e.v.
3 De bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen geldoverdrachten onderzoek WICKER (p. 421 e.v.), p. 431-446,
4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte ] , p. 1214, 1215, 1222, 1223, 1224.
5 De verklaring van verdachte [verdachte ] ter terechtzitting van 5 april 2017.
6 De verklaring van verdachte [verdachte ] ter terechtzitting van 5 april 2017.
7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte ] , p. 1212 en 1213, 1220, 1242, 1243.
8 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 1444-1446.
9 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , p. 1309.
10 De bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen geldoverdrachten onderzoek WICKER (p. 421 e.v.), p. 431.
11 De bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen geldoverdrachten onderzoek WICKER (p. 421 e.v.), p. 432.
12 Bijlage 13 bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte ] , p. 1272.
13 De bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen geldoverdrachten onderzoek WICKER (p. 421 e.v.), p. 432.
14 Zie geldoverdracht nr. 57 op 12 april en geldoverdracht nr. 59 op 13 april, p. 436.