Rechtbank Midden-Nederland, 21-04-2017 / UTR 16/5292


ECLI:NL:RBMNE:2017:2188

Inhoudsindicatie
Vaststelling maatman, leerstuk niet gerealiseerde toekomstverwachting. Uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat bij toepassing van dit leerstuk moet worden getoetst of er op het moment waarop de werknemer arbeidsongeschikt werd al een redelijke mate van zekerheid bestond op het verkrijgen van een nieuwe functie. Als die zekerheid niet op het moment van uitval, maar later pas is ontstaan is dat geen reden om de nieuwe functie als maatman te nemen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-21
Publicatiedatum
2017-05-03
Zaaknummer
UTR 16/5292
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/5292


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: J.R. Beukema),


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. Florijn).



Procesverloop


Bij besluit van 13 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd aan eiseres met ingang van 7 april 2016 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.


Bij besluit van 13 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2017. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres werkte voor in totaal 22,26 uur per week als slaapwacht en als begeleider. Zij is op 25 maart 2014 uitgevallen als gevolg van een auto-ongeval. Na een korte periode van volledig herstel is zij opnieuw uitgevallen, waarna zij haar re‑integratie steeds verder heeft opgebouwd tot eind 2014. Vervolgens heeft zij gesolliciteerd op de functie van persoonlijk begeleider, waarvoor zij is aangenomen met ingang van 15 maart 2015, voor 32 uur per week. In haar nieuwe functie heeft zij nooit volledig gewerkt en zij is in juni 2015 opnieuw uitgevallen. Zij heeft vervolgens opnieuw een andere functie gekregen, die was gericht op het zo goed mogelijk kunnen re-integreren.


2. Verweerder heeft de gevraagde WIA-uitkering geweigerd omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek op minder dan 35% wordt geacht. In het arbeidskundig onderzoek is bij de vaststelling van de maatman aangesloten bij de functies van slaapwacht en begeleider, waarmee vervolgens bij het bepalen van het maatmaninkomen het verlies aan verdienvermogen is bepaald op 23,85%.


3.1.

Eiseres voert aan dat zij ten tijde van de datum in geding medisch gezien meer beperkt was dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Om dit te onderbouwen heeft zij een rapportage van Birdview in het geding gebracht met daarin de resultaten van arbeidspsychologisch onderzoek, een belastbaarheidsmodule en een aanvullende neuropsychologische screening. Daarnaast heeft zij een rapportage in het geding gebracht van klinisch neuropsycholoog [A], met de resultaten van neuropsychologisch en psychodiagnostisch onderzoek. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende rekening is gehouden met de beperkingen die uit deze rapportages voortvloeien. Hij verwijst daartoe naar de aanvullende rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die zijn opgesteld naar aanleiding van deze door eiseres ingebrachte stukken.


3.2.

Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapportages van verzekeringsartsen, wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapportages en de daarop gebaseerde besluitvorming in beroep onaantastbaar zijn. Het is aan de eisende partij aan te voeren en, zo nodig, aannemelijk te maken dat de rapportages niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, onvoldoende begrijpelijk zijn, of dat de in de rapportages gegeven medische beoordeling onjuist is. Tegenstrijdigheden, onzorgvuldigheden en onbegrijpelijkheden in de rapportages kunnen aannemelijk gemaakt worden door niet medisch geschoolden. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is evenwel in beginsel een rapportage van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, geen toereikende grondslag vormt voor het aannemen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verwijst naar de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals de uitspraak van 29 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4449.


3.3.

De rechtbank stelt verder vast dat partijen het erover eens zijn dat eiseres medisch objectiveerbare klachten heeft op neuropsychologisch gebied. Deze klachten, die uitgebreid zijn beschreven in de rapportages van Birdview en [A], worden door verweerder ook erkend. Op basis daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functionelemogelijkhedenlijst (FML) functionele beperkingen aangenomen ten aanzien van eiseres. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of er al dan niet meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De gemachtigde van eiseres heeft in dat kader onder verwijzing naar de rapportage van [A] aangevoerd dat in de FML aanvullende beperkingen hadden moeten worden opgenomen op een viertal punten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hier op 30 maart 2017, kort voor de zitting, op gereageerd. In deze laatste rapportage is op inzichtelijke wijze nader gemotiveerd waarom beperkingen op drie van de door de gemachtigde van eiseres genoemde FML-onderdelen niet aan de orde zijn, terwijl er daarnaast terecht op is gewezen dat al een beperking op het vierde onderdeel is aangenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn vervolgens niet op de zitting verschenen. Daarmee heeft eiseres zichzelf de mogelijkheid onthouden om in te gaan op dit laatste rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en om de rechtbank erop te wijzen op welke punten en waarom dit rapport volgens eiseres onjuist zou zijn. Eerder was door de verzekeringsarts bezwaar en beroep bovendien al gereageerd op de rapportage van Birdview. Ook die reactie is naar oordeel van de rechtbank inzichtelijk en eiseres heeft daarop niet meer gereageerd. Zij heeft gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de door verweerder gegeven medische beoordeling onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.


4. Tegen de arbeidskundige beoordeling door verweerder heeft eiseres geen beroepsgronden naar voren gebracht, anders dan dat zij stelt de functies niet te kunnen verrichten omdat verweerder te weinig beperkingen zou hebben aangenomen. Omdat de rechtbank hiervoor al tot het oordeel is gekomen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische beoordeling en de daaruit volgende beperkingen onjuist zijn, slaagt deze beroepsgrond ook niet.


5.1.

Eiseres voert vervolgens aan dat verweerder bij de vaststelling van de maatman en het maatmaninkomen ten onrechte van de functies van slaapwacht en begeleider is uitgegaan. Zij heeft gewezen op een nieuwe arbeidsovereenkomst met haar werkgever, op grond waarvan zij met ingang van 15 maart 2015 werkzaam was als persoonlijk begeleider. Volgens eiseres moet die nieuwe functie bepalend zijn als maatman. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de functies die eiseres vervulde op het moment dat zij uitviel als maatman moeten gelden, omdat op dat moment nog niet voorzienbaar was dat zij bijna een jaar later een andere functie zou krijgen.


5.2.

Welke functie als maatman geldt en de manier waarop het maatmaninkomen wordt berekend is vastgelegd in de Wet WIA en in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De hoofdregel is, kort gezegd, dat de laatstelijk vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichte werkzaamheden als uitgangspunt worden genomen. Dat is wat verweerder in deze zaak ook heeft gedaan: eiseres was tot het moment waarop zij uitviel werkzaam als slaapwacht en als begeleider. Die twee functies heeft verweerder vervolgens gebruikt voor de vaststelling van het maatmaninkomen. Een uitzondering op de hiervoor genoemde hoofdregel wordt op grond van vaste rechtspraak van de CRvB aangenomen bij het leerstuk van de ‘niet gerealiseerde toekomstverwachting’. Dat is aan de orde bij een situatie waarin met een redelijke mate van zekerheid ervan mag worden uitgegaan dat de werknemer, als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, een andere functie dan de beklede functie zou zijn gaan bekleden of een ander loon dan het genoten loon ten tijde van de uitval zou zijn gaan genieten. Als een dergelijke, in voldoende mate vaststaande, functiewisseling geen doorgang heeft gevonden, kan er in die gevallen aanleiding zijn om bij de vaststelling van de maatman en het maatmaninkomen ervan uit te gaan dat die functiewisseling of loonsverhoging wel heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 9 november 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB7760). Uit de uitspraak van de CRvB van 20 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:850) volgt dat dit leerstuk ook van toepassing is op aanvragen om een WIA-uitkering.


5.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat bij toepassing van het leerstuk van de niet gerealiseerde toekomstverwachting moet worden getoetst of de redelijke mate van zekerheid op het verkrijgen van een nieuwe functie al bestond op het moment waarop de werknemer arbeidsongeschikt werd. Als die zekerheid niet op het moment van uitval, maar later pas is ontstaan is dat in het licht hiervan geen reden om van de hoofdregel af te wijken en om de nieuwe functie als maatman te nemen. De rechtbank onderscheidt hierbij twee soorten gevallen. In de eerste plaats zijn er zaken waarin met een redelijke mate van zekerheid werd aangenomen dat de werknemer zou zijn doorgegroeid naar een andere functie, omdat binnen de organisatie van de werkgever vanuit de oude functie normaal gesproken altijd wordt doorgegroeid naar die nieuwe functie. Dat die doorgroei pas enige tijd na de uitval van de werkgever zou plaatsvinden of heeft plaatsgevonden, doet in die gevallen niet af aan het kunnen aannemen van de nieuwe functie als maatman. De ‘redelijke mate van zekerheid’ op het doorgroeien bestaat dan immers ook al op het moment van uitval, omdat dit volgt uit de aard van de functie. Dit was bijvoorbeeld aan de orde in de uitspraak van de CRvB van 8 juni 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA8074), waarnaar door eiseres is verwezen: het ging daar om het doorgroeien van de functie van junior consultant naar die van (volwaardig) consultant, waarbij van belang was dat in het aannamebeleid al werd geworven op kandidaten met een potentie om door te groeien. Uit de zaken die in de tweede plaats in de rechtspraak kunnen worden onderscheiden kan worden afgeleid dat de nieuwe functie in die gevallen geen rechtstreeks verband hield met de functie die de werknemer vervulde op het moment van uitval. Om in die gevallen een ‘redelijke mate van zekerheid’ te kunnen aannemen moet op het moment van uitval anderszins al duidelijk zijn dat de nieuwe functie zou gaan worden bekleed. Dat deze toets in dit soort gevallen streng is blijkt bijvoorbeeld uit de hiervoor al genoemde uitspraak van 20 maart 2015. Daar ging het om een wetenschappelijk onderzoeker die een week voordat zij haar proefschrift zou verdedigen uitviel, wat onvoldoende was voor het aannemen van de vereiste redelijke mate van zekerheid op het verkrijgen van een na het promoveren hoger beloonde functie, in het veronderstelde geval waarin zij niet zou zijn uitgevallen.


5.4.

De rechtbank past het voorgaande nu toe op deze zaak en komt in de eerste plaats tot het oordeel dat uit het dossier en uit wat eiseres heeft aangevoerd niet volgt dat de functie van slaapwacht of van begeleider verband houdt met de functie van persoonlijk begeleider. Dat iedereen die de functie van slaapwacht of van begeleider verricht in de organisatie van de werkgever van eiseres op enig moment doorgroeit naar de functie van persoonlijk begeleider is niet gebleken. Daarin verschilt de situatie van eiseres dus van die in de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB van 8 juni 2007, waarnaar zij heeft verwezen. De rechtbank is vervolgens met verweerder van oordeel dat ook niet is gebleken dat het krijgen van de nieuwe functie op of rondom het moment waarop eiseres uitviel al in de lijn der verwachtingen lag. Uit de rapportage van de door de werkgever ingeschakelde arbeidsdeskundige blijkt dat er in januari 2015 een vacature was voor de functie van persoonlijk begeleider en dat eiseres daar toen op heeft gesolliciteerd, ook omdat zij toen haar opleiding inmiddels had afgerond. Eiseres heeft wel aangevoerd dat zij al veel langer in de race was voor deze functie, maar dat heeft zij niet onderbouwd en omdat zij niet op de zitting is verschenen heeft de rechtbank haar ook niet om een nadere toelichting van die stelling kunnen vragen.


5.5.

De toekomstverwachting waarop eiseres zich beroept heeft zich in dit geval daadwerkelijk gerealiseerd – het staat immers vast dat zij met haar werkgever een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de nieuwe functie. Dat kan echter aan het voorgaande niet afdoen, omdat de rechtbank in lijn met de rechtspraak van de CRvB heeft getoetst of die toekomstverwachting al bestond op het moment waarop eiseres uitviel. Die vraag heeft de rechtbank hiervoor ontkennend beantwoord. Een ruimere toepassing van het leerstuk zou tot het effect kunnen leiden dat werknemers en werkgevers op strategische wijze afspreken dat tegen het einde van de wachttijd een arbeidsovereenkomst voor een nieuwe functie wordt aangegaan, met als gevolg dat de werknemer in een gunstiger positie komt te verkeren ten aanzien van de aanvraag om de WIA-uitkering. In het licht van de uitzonderingspositie van het leerstuk ten opzichte van de hoofdregel acht de rechtbank dit onjuist.


5.6.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het leerstuk van de niet gerealiseerde toekomstverwachting in deze zaak geen aanleiding geeft om van de hoofdregel af te wijken en dat verweerder terecht is uitgegaan van de functies slaapwacht en begeleider voor de vaststelling van de maatman en de berekening van het maatmaninkomen. De beroepsgrond slaagt niet.


6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Ekris, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.