Rechtbank Midden-Nederland, 25-04-2017 / 16.652014-17, 16.652222-16 (TUL) en 16.054140-16 (TUL) (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:2190

Inhoudsindicatie
Verdachte rijdt op twee verschillende momenten met zijn personenauto in op voetgangers, onder meer vlak na de jaarwisseling. Met name in aanmerking genomen dat de snelheid waarmee verdachte reed niet objectief vastgesteld is kunnen worden en dat (daardoor) niet kan worden vastgesteld hoe groot de kans was dat het handelen van verdachte tot de dood zou kunnen leiden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat er bij een ongeval een aanmerkelijke kans op de dood bestand. Veroordeling voor poging tot zware mishandeling, nu naar algemene ervaringsregels de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is als een auto met meer dan geringe snelheid een voetganger aanrijdt. Naar uiterlijke verschijningsvorm heeft verdachte deze kans bewust aanvaard.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-25
Publicatiedatum
2017-05-03
Zaaknummer
16.652014-17, 16.652222-16 (TUL) en 16.054140-16 (TUL) (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad


Parketnummers: 16.652014-17, 16.652222-16 (TUL) en 16.054140-16 (TUL) (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 25 april 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1979] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] , ( [postcode] ) [woonplaats]

thans verblijvende in de [verblijfplaats] .


1HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting op

11 april 2017. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Seger, advocaat te Loenen aan de Vecht.


De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van officier van justitie mr. C.J. Booij en van hetgeen verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.


2DE TENLASTELEGGING


De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:


1.

Primair


hij op of omstreeks 01 januari 2017 te IJsselstein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [salchtoffer 1] van het leven te beroven, met

dat opzet als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen Up), met dat

voertuig en met hoge, althans meer dan geringe snelheid is ingereden op

voornoemde [salchtoffer 1] , althans in de richting gereden van voornoemde [salchtoffer 1] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Subsidiair


hij op of omstreeks 1 januari 2017 te IJsselstein, gemeente Utrecht, in ieder geval in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [salchtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen Up), met hoge snelheid, althans met meer dan geringe snelheid, is ingereden op voornoemde [salchtoffer 1] , althans in de richting is gereden van voornoemde [salchtoffer 1] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;



Meer subsidiair


hij op of omstreeks 01 januari 2017 te IJsselstein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, [salchtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een motorvoertuig

(Volkswagen Up), met dat voertuig en met hoge, althans meer dan geringe

snelheid ingereden op

voornoemde [salchtoffer 1] , althans in de richting gereden van voornoemde [salchtoffer 1] ;


2.

Primair


hij op of omstreeks 01 januari 2017 te IJsselstein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met

dat opzet als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen Up), met dat

voertuig en met hoge, althans meer dan geringe snelheid is ingereden op

voornoemde [slachtoffer 2] , althans in de richting gereden van voornoemde [slachtoffer 2] ,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Subsidiair


hij op of omstreeks 1 januari 2017 te IJsselstein, gemeente Utrecht, in ieder geval in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen Up), met hoge snelheid, althans met meer dan geringe snelheid, is ingereden op voornoemde [slachtoffer 2] , althans in de richting is gereden van voornoemde [slachtoffer 2] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Meer subsidiair


hij op of omstreeks 01 januari 2017 te IJsselstein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een motorvoertuig

(Volkswagen Up), met dat voertuig en met hoge, althans meer dan geringe

snelheid ingereden op voornoemde [slachtoffer 2] , althans in de richting gereden van voornoemde [slachtoffer 2] ;


3.

Primair


hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te IJsselstein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te

beroven, met dat opzet als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen Up),

met dat voertuig en met hoge, althans meer dan geringe snelheid is ingereden op

voornoemde [slachtoffer 3] , althans in de richting gereden van voornoemde

[slachtoffer 3] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Subsidiair


hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te IJsselstein, gemeente Utrecht, in ieder geval in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen Up), met hoge snelheid, althans met meer dan geringe snelheid, is ingereden op voornoemde [slachtoffer 3] , althans in de richting is gereden van voornoemde [slachtoffer 3] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Meer subsidiair


hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te IJsselstein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een motorvoertuig

(Volkswagen Up), met dat voertuig en met hoge, althans meer dan geringe

snelheid ingereden op voornoemde [slachtoffer 3] , althans in de richting gereden van voornoemde [slachtoffer 3]

;


3DE VOORVRAGEN


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


4DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, nu de omstandigheid dat verdachte een auto bestuurde en daarmee met hoge snelheid op [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] inreed een aanmerkelijke kans op de dood van dezen oplevert.


Van het onder 3 primair ten laste gelegde moet verdachte worden vrijgesproken, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Het onder 3 subsidiair ten laste gelegde acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op de verklaring van de [slachtoffer 3] dat er tweemaal op hem is ingereden waarbij hij door het voertuig zou zijn geraakt als hij niet was weggesprongen.


Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte geen opzet heeft gehad om [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte dient dan ook van deze feiten te worden vrijgesproken. Wel is het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, aldus de raadsman.



Ook van het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde moet verdachte worden vrijgesproken, omdat verdachte ook in voorwaardelijke zin geen opzet heeft gehad om

[slachtoffer 3] van het leven te beroven of om hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zo blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 3] dat verdachte op het moment dat hij op [slachtoffer 3] inreed slechts 30 kilometer per uur reed, en met deze snelheid kan nog eenvoudig worden uitgeweken of afgeremd. Het onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde acht de raadsman wettig en overtuigend te bewijzen.


Het oordeel van de rechtbank


Ten aanzien van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde


Bewijsmiddelen

Op 1 januari 2017 omstreeks 00:48 uur kreeg verbalisant [verbalisant] de melding om naar de

[straatnaam] in IJsselstein te gaan waar met een kleine witte auto als een gek door de wijk zou zijn gereden. Ter plaatse gaven meerdere omstanders [verbalisant] te kennen dat zij een kleine witte Volkswagen UP (naar de rechtbank begrijpt: up!) met snelheden van ongeveer 80 kilometer per uur door de straat hadden zien rijden. Meerdere omstanders gaven [verbalisant] te kennen dat zij opzij moesten springen om niet te worden geraakt. Ook stuurde de bestuurder van dit voertuig in op omstanders. Verdachte werd later aangehouden als bestuurder van dit voertuig.


Getuige [getuige 1] heeft te kennen gegeven dat hij zag dat een witte Volkswagen Up (naar de rechtbank begrijpt: up!) of een witte Seat Mii bijna vier mannen aanreed op de [straatnaam] . Zij moesten opzij springen om niet te worden geraakt. De auto reed met een ontzettend harde snelheid.


Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij een witte auto, waarvan het kenteken begon met […] , met volle vaart over de [straatnaam] zag rijden. Een groep mensen ging snel aan de kant, waarna de auto de [straatnaam] inreed.


Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij zag dat er een witte, kleine auto de [straatnaam] in kwam rijden. De snelheid was zeer hoog en de auto slingerde van links naar rechts. De bestuurder van de auto reed richting de bewoners die op straat stonden. [getuige 3] zag dat [voornaam van slachtoffer 2] weg moest springen voor de auto. [getuige 3] heeft hierover verklaard: ‘ik schat de afstand tussen hem en de voorzijde van die auto op het moment dat hij weg moest springen op 2 a 3 meter. Als [voornaam van slachtoffer 2] niet was weggesprongen dan had die auto [voornaam van slachtoffer 2] geraakt’.


[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan waarin hij verklaart dat hij op de [straatnaam] was om oud en nieuw te vieren. Hij zag een witte Volkswagen, vermoedelijk van het type Up (naar de rechtbank begrijpt: up!), met een flinke snelheid door de straat rijden. Even later kwam diezelfde auto vanuit de [straatnaam] de [straatnaam] inrijden. [slachtoffer 2] heeft hierover onder meer verklaard: ‘ik zag de koplampen van de auto op mij afkomen. Ik stond op dat moment op ongeveer 3 a 4 meter van het voertuig. Ik zag dat de auto doelbewust de parkeerplaats op kwam rijden waar ik stond. Het moment dat de auto de hoek om kwam rijden en waar ik stond bedroeg ongeveer 3 seconden. Ik wist even niet wat ik moest doen, maar toen ik besefte dat hij op mij af kwam rijden, sprong ik weg richting de heg. De heg lag achter mij op ongeveer 1 meter. Op het moment dat de auto mij passeerde voelde ik een windvlaag door de snelheid van de auto. Op het moment dat de auto op mij kwam afrijden hoorde ik de auto optrekken. Ik denk dat de auto ongeveer 40 kilometer per uur reed. (..) Als ik niet had weggesprongen, dan had de auto tegen mij aan gereden. Ik zag namelijk dat de auto vlak nadat ik was weg gesprongen over de plek reed waar ik zojuist nog had gestaan’.


[salchtoffer 1] heeft aangifte gedaan waarin hij verklaart dat de bestuurder van een witte Volkswagen UP (naar de rechtbank begrijpt: up!) als een gek door de [straatnaam] reed. Even later kwam dit voertuig weer de [straatnaam] inrijden. [salchtoffer 1] heeft hierover onder meer verklaard: ‘Ik zag dat de snelheid onveranderd bleef en dat de verdachte slingerend rijgedrag vertoonde. (..) Ik zag dat de verdachte, toen hij op een afstand van ongeveer twee meter was, zijn voertuig mijn richting op stuurde. (..) Ik hoorde geen verhogend motorgeluid, ik denk dat de snelheid ook onveranderd bleef. Dus nog steeds rond de 50 a 70 kilometer per uur. Ik sprong vrijwel direct opzij en zag dat het voertuig mij op nog geen halve meter voorbij schoot. Alles gebeurde echt in een fractie van een seconde’.


Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met oud en nieuw tussen 0.45 uur en 1.20 uur in de Volkswagen up! van zijn echtgenote met kenteken [kenteken] door de [straatnaam] heeft gereden.


Bewijsoverwegingen

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte op 1 januari 2017 in IJsselstein met hoge snelheid op [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] is ingereden.


Verdachte is primair poging tot doodslag op [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten laste gelegd, waardoor de rechtbank zich voor de vraag gesteld ziet is of verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Volgens vaste rechtspraak is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Daarbij zal het moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Dat het met hoge snelheid met een personenauto inrijden op nietsvermoedende voetgangers gevaarzettend is, brengt op zichzelf nog niet mee dat door deze gedragingen een zodanige kans op de dood in het leven wordt geroepen dat deze bij beantwoording van de vraag of van voorwaardelijk opzet sprake is, naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk kan worden beschouwd.


In het dossier bevinden zich verklaringen van enkele getuigen die de snelheid van het voertuig van verdachte hebben ingeschat, variërend van 40 tot 80 kilometer per uur. Tevens hebben meerdere getuigen verklaard dat verdachte erg hard reed. Hierover overweegt de rechtbank dat het erg moeilijk is om de snelheid van een voertuig aan de hand van zintuiglijke waarnemingen in te schatten, zeker als voetganger bij een tegemoetkomende auto als het zicht beperkt is en er veel omgevingslawaai is, van bijvoorbeeld vuurwerk. Van deskundigheid van de getuigen op het gebied van het inschatten van snelheid is bovendien niet gebleken. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat de emotie die verdachte met zijn handelen blijkens het dossier bij veel getuigen heeft opgeroepen hun verklaring heeft beïnvloed. Het onderliggende dossier bevat verder geen aanknopingspunten die de verklaring van de getuigen bevestigen wat betreft de snelheid waarmee verdachte reed.


Met name in aanmerking genomen dat de snelheid waarmee verdachte reed niet objectief vastgesteld is kunnen worden en dat (daardoor) niet kan worden vastgesteld hoe groot de kans was dat het handelen van verdachte tot de dood van [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou kunnen leidden, is de rechtbank van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat er bij een ongeval een aanmerkelijke kans op de dood van [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] bestond. De rechtbank zal de vraag of er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] dan ook ontkennend beantwoorden. Gelet hierop kan de onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.


Wel acht de rechtbank de onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] op grond van voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen. Naar algemene ervaringsregels is de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk als een auto met meer dan geringe snelheid een voetganger aanrijdt. Hierbij geldt dat het handelen van verdachte het risico met zich meebrengt dat de aangereden persoon ten val komt en door de auto meegesleurd kan worden, dan wel bekneld zou komen te zitten onder de auto, waardoor hij, gelet op de massa van de auto, de aanmerkelijke kans liep zwaar lichamelijk letsel op te lopen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm van het gedrag van verdachte – hij stuurde in de richting van [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] en heeft vervolgens geen uitwijkmanoeuvre gemaakt en zijn snelheid niet verminderd – heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er een ongeval zou ontstaan waarbij [salchtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.


Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde


De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Nu de officier van justitie dit ook heeft gevorderd en dit eveneens is bepleit door de raadsman, zal dit oordeel niet nader worden gemotiveerd.


Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde


Bewijsmiddelen

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan waarin hij verklaart dat hij op 31 oktober 2016 zijn hond aan het uitlaten was in de berm van de [straatnaam] in [woonplaats] . Even later kwam er een Marokkaanse man in een witte Volkswagen Up (naar de rechtbank begrijpt: up!) naast hem rijden. Het kenteken van dit voertuig was [kenteken] . Op het moment dat [slachtoffer 3] het trottoir op liep, reed dit voertuig hetzelfde trottoir op. De bestuurder gaf gas en reed (fors) harder dan stapvoets. [slachtoffer 3] kon tussen geparkeerde auto’s springen. Het voertuig reed op dat moment direct rakelings langs aangever en de geparkeerde auto’s. Daarna stopte de auto.


Een anonieme getuige heeft verklaard dat zij zag dat de bestuurder van een witte Volkswagen Up (naar de rechtbank begrijpt: up!) plotseling met een flinke snelheid naar links stuurde en met een grote bocht in de richting van de huizen stuurde. De auto stopte bij de gevel van woonhuizen. Op dat moment zag zij [slachtoffer 3] wegrennen van de plek waar de auto stopte. Even later, toen hij uitstapte, herkende zij verdachte als bestuurder van de Volkswagen up!.


[A] , de echtgenote van verdachte, heeft verklaard dat alleen zij en haar man in dit voertuig, een Volkswagen up! met kenteken [kenteken] , reden.


Bewijsoverwegingen

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, mede bezien in het licht van feit 1 en 2, acht de rechtbank de onder 3 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen. Naar algemene ervaringsregels is de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk als een auto met meer dan geringe snelheid een voetganger aanrijdt. Naar de uiterlijke verschijningsvorm van het gedrag van verdachte – hij reed met een personenauto het trottoir op in de richting waar [slachtoffer 3] op dat moment liep en heeft vervolgens geen uitwijkmanoeuvre gemaakt en zijn snelheid niet verminderd – heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er een ongeval zou ontstaan waarbij [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.


5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:


Onder 1 subsidiair:


hij op of omstreeks 1 januari 2017 te IJsselstein, gemeente Utrecht, in ieder geval in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [salchtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen up!), met hoge snelheid, althans met meer dan geringe snelheid, is ingereden op voornoemde [salchtoffer 1] , althans in de richting is gereden van voornoemde [salchtoffer 1] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Onder 2 subsidiair:


hij op of omstreeks 1 januari 2017 te IJsselstein, gemeente Utrecht, in ieder geval in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen up!), met hoge snelheid, althans met meer dan geringe snelheid, is ingereden op voornoemde [slachtoffer 2] , althans in de richting is gereden van voornoemde [slachtoffer 2] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Onder 3 subsidiair:


hij op of omstreeks 31 oktober 2016 te IJsselstein, gemeente Utrecht, in ieder geval in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, als bestuurder van een motorvoertuig (Volkswagen up!), met hoge snelheid, althans met meer dan geringe snelheid, is ingereden op voornoemde [slachtoffer 3] , althans in de richting is gereden van voornoemde [slachtoffer 3] , zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


De rechtbank verbetert een aantal kennelijke taal- en/of schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.


Van het onder meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.


6KWALIFICATIE


Het bewezene levert telkens op:


Onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair:

poging tot zware mishandeling.


7STRAFBAARHEID


De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.


8STRAFOPLEGGING


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel dienen als bijzondere voorwaarden te worden opgelegd een meldplicht, een klinische behandelverplichting, een middelenverbod en de verplichting mee te werken aan urinecontroles. De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.



Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf bepleit verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met als bijzondere voorwaarde een klinische behandelverplichting. Wat betreft een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.


Verdachte heeft op twee verschillende momenten gepoogd nietsvermoedende voetgangers zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door zonder enige aanleiding met hoge snelheid met zijn auto op hen in te rijden en heeft zijn auto dan ook als wapen gebruikt. Het is enkel aan het adequate handelen van de slachtoffers te danken dat zij geen (ernstig) letsel hebben opgelopen. Verdachte heeft door zijn handelen de slachtoffers enorme angst aangejaagd en hun lichamelijke integriteit aangetast, zoals ook blijkt uit de twee ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen. Ook heeft verdachte met zijn handelen angst gezaaid onder omstanders die zich vanwege de jaarwisseling op straat bevonden, op het moment dat verdachte – terwijl het zicht beperkt was – met hoge snelheid meermalen door de [straatnaam] reed. Bovendien verkeerde verdachte onder invloed van een forse hoeveelheid alcohol. Dat verdachte de auto waarin hij reed op deze wijze als wapen heeft gebruikt rekent de rechtbank hem zwaar aan. De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt rechtvaardigen dan ook een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.


Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op het strafrechtelijke verleden van verdachte en de omstandigheid dat verdachte blijkens het rapport van psycholoog drs. R.A. Sterk van 20 januari 2017 zijn medewerking aan het opstellen van een rapportage heeft geweigerd en onder meer te kennen heeft gegeven dat hij in orde is en geen alcoholprobleem heeft.


Ook betrekt de rechtbank in haar oordeel het reclasseringsadvies van [naam instelling] van 6 maart 2017. De reclassering stelt zich op het standpunt dat er bij verdachte in ernstige mate sprake is van alcoholmisbruik en dat hij zijn problemen met alcohol op verontrustende wijze blijft bagatelliseren. Verdachte heeft een gebrek aan zelfinzicht, zijn ontvankelijkheid voor begeleiding/behandeling is matig en er is sprake van een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en klinische opname in een zorginstelling.


Omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel is dat het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde op basis van het onderliggende dossier niet bewezen kan worden verklaard, zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.


Alles afwegende acht de rechtbank, mede gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken is opgelegd, een gevangenisstraf van de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarden opleggen, met uitzondering van een klinische behandelverplichting. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden volstaan met een ambulante behandelverplichting voor de alcoholproblematiek van verdachte, indien de reclassering dat na afloop van verdachtes detentie noodzakelijk acht.


De rechtbank overweegt dat er, gelet op de detentie van verdachte, geen concrete feiten of omstandigheden zijn om te concluderen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom niet bevelen dat de hierna te stellen voorwaarde en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.


Gezien de aard en de ernst van de feiten en het strafrechtelijke verleden van verdachte acht de rechtbank ter bescherming van de verkeersveiligheid als bijkomende straf ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren passend en geboden.


9DE BENADEELDE PARTIJ


Voor aanvang van de terechtzitting hebben [slachtoffer 2] , daartoe vertegenwoordigd door [B] , en [slachtoffer 3] zich als benadeelde partijen in dit geding gevoegd. [slachtoffer 2] heeft een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit, [slachtoffer 3] ten gevolge van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde feit.


De hoogte van die schade wordt door [slachtoffer 2] begroot op een bedrag van € 550,00 voor immateriële schade en door [slachtoffer 3] op een bedrag van € 1.384,80, bestaande uit een bedrag van € 550,00 voor immateriële schade en voor materiële schade een bedrag van

€ 834,80 voor verlies van arbeidsvermogen.


De benadeelde partijen vorderen hun schade te vermeerderen met de wettelijke rente.


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat beide vorderingen integraal kunnen worden toegewezen.


Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging zijn beide vorderingen niet betwist.


Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de benadeelde partijen aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van wat [slachtoffer 2] betreft het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde en wat [slachtoffer 3] betreft het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde. Nu de vorderingen van de benadeelde partijen niet zijn betwist, is verdachte tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen zullen worden toegewezen.


De rechtbank zal de bedragen voor immateriële schade vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente sinds de dag waarop de thans bewezen verklaarde feiten jegens de benadeelde partijen werden gepleegd, wat betreft [slachtoffer 2] 1 januari 2017 en wat betreft [slachtoffer 3] 31 oktober 2016, tot de dag van volledige betaling.


Ten aanzien van het bedrag voor materiële schade van [slachtoffer 3] , te weten € 834,80, is niet exact duidelijk geworden op welke data deze schade door [slachtoffer 3] is geleden. De rechtbank zal dit bedrag daarom vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze uitspraak. Voor de overige gevorderde wettelijke rente zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, nu nader onderzoek naar de data waarop deze schade is geleden een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zullen maken. De kosten worden – tot op heden – begroot op nihil.


Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partijen ziet de rechtbank ambtshalve aanleiding verdachte overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting tot betaling aan de Staat van voornoemde geldsommen op te leggen en de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is bepaald, ten behoeve van de benadeelde partijen.


10DE VORDERINGEN TENUITVOERLEGGING


Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen in de zaken met parketnummers 16.652222-16 en 16.054140-16.


Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is primair betoogd dat in de zaak met parketnummer 16.652222-16 de voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte is opgelegd voor het overtreden van een contactverbod met zijn partner, terwijl dit contact plaatsvond in samenspraak met zijn partner. Tenuitvoerlegging is daarom niet proportioneel. In de zaak met parketnummer 16.054140-16 heeft de raadsman verzocht de proeftijd te verlengen.


Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen in de zaken met parketnummers 16.652222-16 en 16.054140-16.


Gelet op het voorgaande en het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht gestelde acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16.054140-16 van de door deze rechtbank bij vonnis van 26 mei 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee maanden toe te wijzen. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is de rechtbank niet gebleken. Ook ziet de rechtbank in het verzoek van de raadsman geen grond anders te oordelen.


Het voorgaande betekent dat ook de vordering in de zaak met parketnummer 16.652222-16 in beginsel, wegens het overtreden van de algemene voorwaarden, kan worden toegewezen. De rechtbank is echter van oordeel dat deze nieuwe strafbare feiten geheel andere feiten betreffen dan waarvoor verdachte eerder is veroordeeld, te weten handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, dat de tenuitvoerlegging van deze oude voorwaardelijk opgelegde straf disproportioneel zou zijn en derhalve niet opportuun is. De vordering wordt om deze reden dan ook afgewezen.


11TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.


12BESLISSING


De rechtbank:


Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 primair, 2 primair en 3 primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 subsidiair, onder 2 subsidiair en onder 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;


Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;


Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;


- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in mindering zal worden gebracht;


- bepaalt dat van de straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van drie jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich uiterlijk een dag na afloop van de detentie telefonisch zal melden bij reclassering VNN Assen (telefoonnummer: [telefoonnummer] ) en zich vervolgens (fysiek) zal blijven melden bij een nader door VNN Assen te bepalen reclasseringsinstelling, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal houden aan de aanwijzingen gegeven door of namens de reclassering, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling voor zijn alcoholproblematiek;

* geen alcohol en geen drugs zal gebruiken en zal meewerken aan urinecontroles;


- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;


Bijkomende straffen

- ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 3 jaren;


Benadeelde partij [slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 550,00 (zegge: vijfhonderdvijftig euro) voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 1 januari 2017 tot die van de voldoening;


- veroordeelt verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 550,00 ten behoeve van het slachtoffer voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor is bepaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 dagen hechtenis;


- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;


Benadeelde partij [slachtoffer 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 1.384,80 (zegge: dertienhonderdvierentachtig euro en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente, ten aanzien van de immateriële schade (€ 550,00) vanaf de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 31 oktober 2016, en ten aanzien van de materiele schade (€ 834,80) vanaf de datum van deze uitspraak, tot de dag van volledige voldoening;


- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft de meer gevorderde wettelijke rente niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;


- veroordeelt verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;


- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.384,80 ten behoeve van het slachtoffer voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor is bepaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis;


- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;


Vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16.652222-16

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis van 20 april 2016 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf;


Vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 16.054140-16

- wijst de vordering toe;


- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis van 26 mei 2016 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.




Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. A.M.M.E. Doekes-Beijnes en M.J.A.L. Beljaars, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 april 2017.



1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0900-2017003687 Z B einddossier, doorgenummerd tot en met 179.
2 Pagina 55.
3 Pagina 69.
4 Pagina 89 en 90.
5 Pagina 100.
6 Pagina 21.
7 Proces-verbaal van verhoor van aangever [salchtoffer 1] met proces-verbaalnummer PL0900-2017001421-2 (los van het voornoemde einddossier).
8 Pagina 10.
9 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] met proces-verbaalnummer PL0900-2017000111-37 (los van het voornoemde einddossier).
10 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 april 2017.
11 Pagina 37.
12 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 3] met proces-verbaalnummer PL0900-2016338022-9 (los van het voornoemde einddossier).
13 Pagina 105 en 106.
14 Pagina 111.