Rechtbank Midden-Nederland, 24-05-2017 / C/16/422912/HA ZA 16-674


ECLI:NL:RBMNE:2017:2314

Inhoudsindicatie
Curator is gerechtigd vordering van failliet op derde te innen, omdat die vordering (anders dan gedaagde stelt) niet aan gedaagde is gecedeerd.Uitleg van bescheiden die voor faillissement zijn opgemaakt tussen failliet, gedaagde en de derde/schuldenaar.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-24
Publicatiedatum
2017-06-02
Zaaknummer
C/16/422912/HA ZA 16-674
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht



zaaknummer / rolnummer: C/16/422912 / HA ZA 16-674


Vonnis van 24 mei 2017


in de zaak van


JACOBUS MARINUS VAN RAAIJEN,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap

[bedrijfsnaam 1] B.V.,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. E.H Bruggink te Almere,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. H.A. Wiggers.



Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden. De failliet wordt hierna [bedrijfsnaam 1] genoemd.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding
  • - de conclusie van antwoord
  • - het proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[bedrijfsnaam 1] drijft een onderneming die zich bezig houdt met - kort gezegd - activiteiten in de reisbranche. Tot begin 2013 waren de aandelen in [bedrijfsnaam 1] in handen van [gedaagde] (97,5%) en mevrouw [A] (2,5%). Mevrouw [A] (hierna: [A] ) is de echtgenote van de directeur en aandeelhouder van [gedaagde] , de heer [B] (hierna: [B] ).


2.2.

[gedaagde] ( [B] ) en [A] hebben het plan opgevat de onderneming van [bedrijfsnaam 1] over te dragen aan de zonen van [B] , [C] en [D] (hierna: [C] en [D] ). Daartoe hebben zij besprekingen gevoerd met [C] en [D] en hun vennootschappen ( [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V., hierna: [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] ) en met Van Lanschot Bankiers, de bank waarbij [bedrijfsnaam 1] een bedrijfskrediet had uitstaan en die ook als financier van de koper van de aandelen zou gaan optreden. Teneinde als koper van de aandelen te kunnen optreden is op 10 januari 2013 opgericht de vennootschap [bedrijfsnaam 4] B.V. (hierna [bedrijfsnaam 4] ), waarvan aandeelhouder werden [bedrijfsnaam 2] (45%), [bedrijfsnaam 3] 45%) en [A] (10%).


2.3.

Tot de activa van [bedrijfsnaam 1] behoorde toentertijd een aandelenbelang van 50% in de vennootschap [bedrijfsnaam 5] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 5] ). De overige aandelen in [bedrijfsnaam 5] waren in handen van [A] (10%) en [bedrijfsnaam 6] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 6] ; 40%). [bedrijfsnaam 6] is eigendom van en wordt bestuurd door [E] .


2.4.

Krachtens een op 22 maart 2013 door [A] , [bedrijfsnaam 1] , [gedaagde] , [B] , [bedrijfsnaam 6] , de vennootschap [bedrijfsnaam 7] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 7] ) en [bedrijfsnaam 5] ondertekende overeenkomst zijn tussen hen de volgende afspraken gemaakt, voor zover hier van belang:

[bedrijfsnaam 1] , [A] en [bedrijfsnaam 6] verkopen hun aandelen in [bedrijfsnaam 5] aan [bedrijfsnaam 7] ; de koopsom beloopt € 1.200.000;

van de koopsom zal een deel ad € 258.000 direct bij closing worden betaald; van dat deelbedrag is € 215.000 bestemd voor [bedrijfsnaam 1] en is € 43.000 bestemd voor [A] ;

ter zake van de resterende koopsom (€ 942.000) gaat [bedrijfsnaam 7] leningsovereenkomsten aan: met [A] ten bedrage van € 77.000, met [bedrijfsnaam 1] ten bedrage van € 385.000 en met [bedrijfsnaam 6] ten bedrage van 480.000;

indien die leningen niet (met behulp van bancaire financiering) voor 30 april 2013 zijn afgelost, zijn zij vanaf 1 mei 2013 rentedragend op basis van 5% rente per jaar en dienen zij te worden afgelost in 36 gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste termijn aanvangt op 1 oktober 2013;

zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de andere partijen, is het een partij bij de overeenkomst niet toegestaan rechten en/of verplichtingen uit de overeenkomst over te dragen aan een derde.

De onder b) genoemde som is door [bedrijfsnaam 7] bij closing betaald. De onder c) genoemde leningen zijn niet voor 30 april 2013 afgelost en zijn daardoor vanaf 1 mei 2013 rentedragend geworden, waarbij het genoemde aflossingsschema is gaan gelden.


2.5.

De overdracht van de onderneming van [bedrijfsnaam 1] aan [C] en [D] is geëffectueerd doordat [gedaagde] en [A] hun aandelen in [bedrijfsnaam 1] aan [bedrijfsnaam 4] hebben verkocht en op 13 juni 2013 aan haar hebben geleverd.


2.6.

In een op 14 juni 2013 door [B] , [C] , [D] en [A] opgemaakte en ondertekende ‘Vaststellingsovereenkomst’ (hierna: de VSO) staat vermeld, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

  • - partijen (en de door hen beheerste vennootschappen) zijn bij gelegenheid van de herstructurering van [bedrijfsnaam 1] mondeling overeengekomen dat de opbrengst van de verkoop van de aandelen van [bedrijfsnaam 1] in [bedrijfsnaam 5] , niet ten gunste komt van [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 2] , maar van [gedaagde] en [A] , naar rato van hun aandelenbezit in [bedrijfsnaam 1] (respectievelijk 97,5% en 2,5%);
  • - [bedrijfsnaam 1] zal daarom, zonder inhouding van kosten, de van [bedrijfsnaam 7] (te) ontvangen bedragen in het kader van de verkoop van [bedrijfsnaam 5] zo spoedig als mogelijk overmaken aan [gedaagde] , die daarvan 2,5% zal doorbetalen aan [A] ;
  • - de VSO vormt de schriftelijke vastlegging van de daarin vermelde afspraken.

2.7.

Op 23 december 2013 heeft mr. [F] als raadsman van [B] , [C] en [D] en [A] , aan [bedrijfsnaam 5] geschreven, voor zover hier van belang:


‘Betreft: Cessie vordering [bedrijfsnaam 1] B.V.

Op verzoek van [B] en [A] berichten wij u inzake de vordering van [bedrijfsnaam 1] B.V. op [bedrijfsnaam 7] B.V. (…) als volgt:

Zoals bij u bekend zijn de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. inmiddels verkocht en geleverd aan een vennootschap waarvan [C] , [A] en [D] de uiteindelijk gerechtigde aandeelhouders zijn. Bij de voorwaarden waaronder deze transactie heeft plaatsgevonden, is overeengekomen dat de verkoopopbrengst van de aandelen [bedrijfsnaam 5] B.V. nog zou toekomen aan de ‘oude’ aandeelhouders, te weten [gedaagde] B.V. (…) voor 97,5% en [A] voor 2,5%. Deze afspraak is tussen partijen vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. In feite is hierdoor de vordering van [bedrijfsnaam 1] B.V. gecedeerd aan voornoemde ‘oude’ aandeelhouders.

Wij verzoeken u dan ook namens cliënten om alle betalingen die u uit hoofde van het schuldig gebleven gedeelte van de koopsom van de aandelen [bedrijfsnaam 5] B.V., welke zijn vastgelegd in de leningovereenkomsten tussen [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 7] B.V. (…), te voldoen op de bankrekening (…) van [gedaagde] B.V. [gedaagde] B.V. zal zorgen voor de afdracht van het aan [A] toekomende gedeelte van de ontvangen betaling.

Door mede-ondertekening van deze brief verklaren directie en aandeelhouders van [bedrijfsnaam 1] B.V., alsmede [B] , zich akkoord met het bovenstaande.’

De brief is door de in de aanhef ervan vermelde personen voor akkoord ondertekend.


2.8.

[bedrijfsnaam 7] heeft vanaf 1 oktober 2013 de van maand tot maand vervallende termijnen van haar lening van [bedrijfsnaam 1] (zie 2.4 onder c) rechtstreeks voldaan aan [gedaagde] .


2.9.

Op 27 oktober 2015 zijn [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 4] failliet verklaard met benoeming van de curator als zodanig.


2.10.

Zowel de onderneming van [bedrijfsnaam 1] als die van [bedrijfsnaam 4] werd gefinancierd door F. van Lanschot Bankiers N.V. (hierna: Van Lanschot Bankiers). In totaal had zij van die vennootschappen op de faillissementsdatum € 1.584.244 te vorderen, voor welke schuld de beide vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk waren. Tot zekerheid voor de nakoming van haar schuld was [bedrijfsnaam 1] op 17 januari 2013 een overeenkomst van verpanding aangegaan met Van Lanschot Bankiers, waarbij zij al haar bestaande vorderingen op derden en haar toekomstige vorderingen op derden, voortvloeiend uit reeds bestaande rechtsverhoudingen en uit nog niet bestaande rechtsverhoudingen, aan Van Lanschot Bankiers heeft verpand. De desbetreffende akte is op 31 januari 2013 geregistreerd. [bedrijfsnaam 1] had daarbij aan Van Lanschot Bankiers volmacht verleend om in haar naam dagelijks haar actuele verzamelpandakten met haar vorderingen op derden te registreren. Krachtens die volmacht heeft Van Lanschot Bankiers sedert 17 januari 2013 dagelijks voor die registratie zorg gedragen. De vordering van Van Lanschot Bankiers op [bedrijfsnaam 1] beliep ten tijde van de comparitie van partijen nog € 749.065,58.


2.11.

Na het faillissement van [bedrijfsnaam 1] heeft de curator [bedrijfsnaam 7] aangeschreven en verzocht de vanaf 1 november 2015 vervallende termijnen van [bedrijfsnaam 7] ’s lening van [bedrijfsnaam 1] (zie onder 2.4 bij c) aan de boedel te betalen. Er waren op 1 november 2015 nog 11 te vervallen maandtermijnen van elk € 10.694,44. [bedrijfsnaam 7] heeft zich echter jegens de curator beroepen op haar recht de betaling van die maandtermijnen op te schorten in de zin van artikel 6:37 BW, omdat zij op redelijke gronden betwijfelt aan wie zij moet betalen: aan de curator of aan [gedaagde] , die zich er op beroept de vordering op [bedrijfsnaam 7] door cessie van [bedrijfsnaam 1] te hebben verkregen.


3Het geschil


3.1.

De curator vordert - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:


primair


I voor recht verklaart dat de (rest)vordering op [bedrijfsnaam 7] die voortvloeit uit de overeenkomst van 22 maart 2013 wegens de verkoop door [bedrijfsnaam 1] aan [bedrijfsnaam 7] van de door [bedrijfsnaam 1] gehouden aandelen in het kapitaal van [bedrijfsnaam 5] , toekomt aan (de faillissementsboedel van) [bedrijfsnaam 1] , c.q. (nog) behoort tot het vermogen van [bedrijfsnaam 1] en niet door cessie in eigendom is overgedragen aan [gedaagde] ;


II [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf acht dagen na het vonnis;


subsidiair, voor het geval de rechtbank oordeelt dat de vordering op [bedrijfsnaam 7] niet meer tot het vermogen van [bedrijfsnaam 1] behoort en door cessie aan [gedaagde] is overgedragen:


III voor recht verklaart dat de vordering op [bedrijfsnaam 7] die voortvloeit uit de overeenkomst van 22 maart 2013 wegens de verkoop door [bedrijfsnaam 1] aan [bedrijfsnaam 7] van de door [bedrijfsnaam 1] gehouden aandelen in het kapitaal van [bedrijfsnaam 5] , rechtsgeldig aan Van Lanschot Bankiers is verpand, waardoor de curator ex artikel 3:246 lid 1 jo lid 4 BW met uitsluiting van [gedaagde] bevoegd is de vordering op [bedrijfsnaam 7] te innen;


IV [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf acht dagen na het vonnis.


3.2.

[gedaagde] voert verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil wordt gevormd door de vraag of aan [gedaagde] het recht toekomt om de vordering op [bedrijfsnaam 7] ter zake van de sedert 1 november 2015 vervallen maandtermijnen (plus de contractuele rente daarover) te innen. De curator beantwoordt die vraag ontkennend, primair stellend dat de desbetreffende vordering tot de boedel behoort, zodat [bedrijfsnaam 7] aan de curator dient te betalen. [gedaagde] stelt dat de vordering door [bedrijfsnaam 1] aan haar (en [A] ) is gecedeerd, zodat [bedrijfsnaam 7] (aan wie die cessie bekend is) slechts bevrijdend kan betalen aan [gedaagde] , mede gezien de tussen de betrokken partijen gemaakte afspraak dat [gedaagde] ook de deelvordering van [A] mag innen. Subsidiair stelt de curator dat, wanneer van de door [gedaagde] gestelde cessie sprake is, de vordering is gecedeerd onder de last van de voorafgaande verpanding van die vordering aan Van Lanschot Bankiers, zodat de curator tot inning gerechtigd is (op grond van artikel 3:246 BW). Hij stelt daartoe de toestemming van Van Lanschot Bankiers te hebben. [gedaagde] bestrijdt dat laatste.


4.2.

De wijze waarop de curator zijn vordering heeft ingekleed roept, naast de voormelde kernvraag, ook de vraag op naar de geldigheid en de rechtgevolgen van de door de curator gestelde verpanding aan Van Lanschot Bankiers. Immers: wanneer die verpanding geldig is verricht en die verpanding aan [bedrijfsnaam 7] is meegedeeld, valt de vordering op [bedrijfsnaam 7] (de gestelde cessie daargelaten) niet in de boedel, maar behoort zij toe aan Van Lanschot Bankiers en kan zij slechts door haar worden geïnd, tenzij de curator dat in naam van Van Lanschot Bankiers mag doen met door haar daartoe verleende toestemming. Wanneer de verpanding niet heeft plaatsgehad of heeft plaatsgehad zonder mededeling daarvan aan [bedrijfsnaam 7] , kan de curator de vordering hoe dan ook innen.


4.3.

Voor het eerstgenoemde geval heeft de curator gesteld en is door [gedaagde] niet voldoende weersproken - zodat vaststaat - dat hij over de toestemming beschikt de vordering namens Van Lanschot Bankiers te innen. Nadat hij dat in zijn dagvaarding had gesteld en [gedaagde] dat had bestreden, heeft hij immers bij gelegenheid van de comparitie van partijen een schrijven van Van Lanschot Bankiers overgelegd waarin deze zich met de inhoud van de dagvaarding akkoord verklaart. Die nadere onderbouwing van de stellingen van de curator heeft [gedaagde] vervolgens niet weersproken.


4.4.

In elk van de bedoelde gevallen komt de curator daarom het recht toe de vordering te innen. Aldus kan in het midden blijven of de vordering van [bedrijfsnaam 1] op [bedrijfsnaam 7] (nog) tot de boedel van [bedrijfsnaam 1] behoort of dat die vordering aan Van Lanschot Bankiers toebehoort. Weliswaar is de onderlinge verhouding tussen de curator/de boedel enerzijds en Van Lanschot Bankiers anderzijds van belang voor de vraag welke rechten zij onderling kunnen doen gelden op de bedragen die de curator van [bedrijfsnaam 7] mocht innen, maar die onderlinge kwestie staat los van de vraag of [gedaagde] (en [A] ) door cessie recht op die vordering hebben verkregen. Jegens [gedaagde] heeft de curator ook geen belang om in dit geding zijn onderlinge verhouding tot Van Lanschot Bankiers te zien beoordeeld.


4.5.

Dit een en ander brengt mee dat, voor zover niet van de gestelde cessie sprake is, de primaire vordering van de curator kan worden toegewezen door de gewenste verklaring voor recht te geven in die beperkte zin. De onder 4.1 omschreven kernvraag is daar immers mee beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank moet die kernvraag in het voordeel van de curator worden beslist. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.


4.6.

De vordering op [bedrijfsnaam 7] vloeit voort uit de verkoop van het aandelenbelang van [bedrijfsnaam 1] in [bedrijfsnaam 5] aan [bedrijfsnaam 7] en betreft haar verplichting de verschuldigde koopsom en (vanaf 1 oktober 2013) de daarmee samenhangende maandtermijnen van de lening te voldoen. Tussen partijen is niet in geschil dat die vordering bij de verkoop van de aandelen door [bedrijfsnaam 1] (en niet door een ander) is verkregen en als zodanig ook is beschreven in de schriftelijke vastlegging van de koopovereenkomst, zie onder 2.4. Van dat uitgangspunt is niet afgeweken in de VSO (zie onder 2.6), nu daarin expliciet is bepaald dat [bedrijfsnaam 1] de van [bedrijfsnaam 7] (te) ontvangen bedragen in het kader van de verkoop van [bedrijfsnaam 5] zo spoedig als mogelijk zal overmaken aan [gedaagde] , die daarvan 2,5% zal doorbetalen aan [A] . Met andere woorden: het uitgangspunt dat de opbrengst van de aandelenverkoop uiteindelijk niet (indirect) aan [bedrijfsnaam 4] , [C] en [D] ten goede komt, maar aan [gedaagde] en [A] , heeft ook in die VSO de vordering van [bedrijfsnaam 1] op [bedrijfsnaam 7] onverlet gelaten, door te bepalen dat er daarnaast een vordering tot doorbetaling bestaat van [gedaagde] en [A] op [bedrijfsnaam 1] .


4.7.

Waar aldus tot dan toe geen sprake was van cessie van de desbetreffende vordering door [bedrijfsnaam 1] aan [gedaagde] en [A] , zou die cessie (voor zover [bedrijfsnaam 1] daartoe bevoegd was in het licht van de gestelde verpanding aan Van Lanschot Bankiers) op een later moment alsnog tot stand kunnen zijn gekomen. Dat is echter, anders dan [gedaagde] stelt, niet het geval op grond van de onder 2.7 omschreven brief van mr. [F] . In die brief wordt immers, naar de curator terecht heeft aangevoerd, voor de juridische status van de vordering op [bedrijfsnaam 7] volledig aangeknoopt bij de verkoopovereenkomst zelf en de daaromtrent later opgestelde VSO. Naar uit het onder 4.6 overwogene volgt, ligt in die overeenkomst en die VSO geen cessie besloten, integendeel. De slotsom van de brief (‘In feite is hierdoor de vordering van [bedrijfsnaam 1] B.V. gecedeerd aan voornoemde ‘oude’ aandeelhouders’) is dan ook onjuist.


4.8.

Ook in de overigens door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden ligt de beweerdelijke cessie niet besloten. Dat de maandtermijnen van de desbetreffende lening vanaf 1 oktober 2013 tot aan het faillissement van [bedrijfsnaam 1] door [bedrijfsnaam 7] aan [gedaagde] zijn voldaan, is daartoe onvoldoende, omdat dit evengoed gezien kan worden als het hanteren van een door [bedrijfsnaam 1] geaccordeerd betaaladres voor de voldoening van haar vorderingen, bij wijze van efficiënte uitvoering van het uitgangspunt dat de verkoopopbrengst van de verkochte [bedrijfsnaam 5] -aandelen uiteindelijk aan [gedaagde] en [A] ten goede komen.


4.9.

Ook de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheid dat de vordering van [bedrijfsnaam 1] op [bedrijfsnaam 7] niet steeds in de boekhouding van [bedrijfsnaam 1] opgenomen is geweest, leidt niet tot haar gelijk, nu ook daaruit niet blijkt van de voor cessie vereiste overdracht (bij akte) van de desbetreffende vordering.


4.10.

De slotsom van het voorgaande is dat de door [gedaagde] gestelde cessie niet heeft plaatsgehad en dat niet [gedaagde] maar de curator gerechtigd is de vordering op [bedrijfsnaam 7] te innen. Al hetgeen partijen omtrent deze kwestie overigens over en weer hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en kan daarom onbesproken blijven. Het door [gedaagde] gedane bewijsaanbod moet als niet ter zake doende worden gepasseerd.


4.11.

Daargelaten dat de curator niet een bepaald bedrag van [gedaagde] vordert, baat het beroep dat [gedaagde] op verrekening heeft gedaan haar niet, reeds omdat dit beroep berust op een (beweerdelijke) vordering, groot € 750.000, van [B] op [bedrijfsnaam 1] . Voor zover sprake is van een vordering van en een vordering op [bedrijfsnaam 1] , gaat het daarbij aldus niet, zoals voor een geslaagd verrekeningsberoep vereist, om vorderingen waarbij steeds dezelfde wederpartij van [bedrijfsnaam 1] betrokken is.


4.12.

Gezien het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond om partijen toe te staan hun standpunten nog in een nadere akte toe te lichten.


4.13.

De primair gevorderde verklaring voor recht zal in de na te melden vorm worden toegewezen. De subsidiaire vordering van de curator behoeft daarmee geen bespreking.


4.14.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij de gedingkosten dienen te dragen. Deze kosten worden tot op heden aan de zijde van de curator begroot op:

  • - explootkosten € 82,54
  • - vast recht € 288,--
  • - salaris advocaat € 904,-- (2 punten ad € 452,- per punt)

totaal € 1.274,54.



5De beslissing


De rechtbank


5.1.

verklaart voor recht dat de (rest)vordering op [bedrijfsnaam 7] die voortvloeit uit de overeenkomst van 22 maart 2013 wegens de verkoop door [bedrijfsnaam 1] aan [bedrijfsnaam 7] van de door [bedrijfsnaam 1] gehouden aandelen in het kapitaal van [bedrijfsnaam 5] , niet door cessie in eigendom is overgedragen aan [gedaagde] ;


5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de gedingkosten, aan de zijde van de curator tot op heden gevallen begroot op € 1.274,54, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien en voor zover dat bedrag na acht dagen na dit vonnis onbetaald blijft;


5.3.

verklaart het onder 5.2 gegeven oordeel uitvoerbaar bij voorraad;


5.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.



Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2017.


1 type: RS/4234 coll: HS/4206