Rechtbank Midden-Nederland, 19-01-2017 / 16/659982-16 en 21/004044-13 (tul)(P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:238

Inhoudsindicatie
Een 23-jarige man wilde in Utrecht een man zwaar lichamelijk letsel toebrengen door hem met een mes te steken in zijn bovenbeen, zo oordeelt de rechtbank Midden-Nederland. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Daarnaast krijgt hij een contactverbod met het slachtoffer en moet hij nog 3 maanden uitzitten van een eerdere veroordeling. De verdachte wordt vrijgesproken van poging doodslag. Het aangetroffen letsel in de hals past niet bij een messteek richting hals. Daarnaast verklaart het slachtoffer wisselend over de wijze waarop hij is gestoken, terwijl hij als enige verklaart over steken richting hals. De rechtbank is wel van oordeel dat de verdachte met zijn gedrag geprobeerd heeft om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het steken in het bovenbeen heeft een slagaderlijke bloeding met ernstig bloedverlies als gevolg gehad. In de telefoon van de verdachte zijn sms-berichten aangetroffen waarin wordt gezegd “Kan mij niks ik maak hem dood”. De rechtbank houdt er dan ook ernstig rekening mee dat verdachte weer een ernstig misdrijf zal begaan en legt daarom het contactverbod direct op.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-01-19
Publicatiedatum
2017-01-20
Zaaknummer
16/659982-16 en 21/004044-13 (tul)(P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PS-Updates.nl 2017-0105
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/659982-16 en 21/004044-13 (tul)(P)



Vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 januari 2017.


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1993] ,

thans gedetineerd in PI Arnhem – HvB Arnhem Zuid, Arnhem.



1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.



2Tenlastelegging


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


Primair

op 10 augustus 2016 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer] van het leven wilde beroven, terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid;


Subsidiair

op 10 augustus 2016 te Utrecht aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;


Meer subsidiair

op 10 augustus 2016 te Utrecht opzettelijk aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen, terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid;


Meest subsidiair

op 10 augustus 2016 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld.




3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.



4Waardering van het bewijs


4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aangever heeft verklaard dat hij in zijn been gestoken is en dat verdachte hem heeft proberen te steken in onder meer zijn nek. Door de politie wordt ook geconstateerd dat aangever een schaafwond in zijn nek had. Het letsel in het been wordt ondersteund door de geneeskundige verklaring. Aangever heeft ruim een liter bloed verloren en verkeerde daardoor in een shocktoestand. De verklaring van verdachte op zitting acht de officier van justitie niet aannemelijk omdat deze op geen enkele wijze door bewijsmiddelen wordt ondersteund.

Op een sok van verdachte is bloed aangetroffen dat afkomstig is van het slachtoffer. Verdachte heeft met een mes gestoken in een kleine ruimte, namelijk in een auto, en heeft daarmee de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat het slachtoffer zou komen te overlijden. Na het steken van het slachtoffer in de auto is verdachte nog achter het slachtoffer aangerend met een omhoog geheven mes terwijl hij daarmee stekende bewegingen maakte. Naar uiterlijke verschijningsvormen kan er dan ook worden gesproken van een poging doodslag.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De verklaring van aangever is onbetrouwbaar en ongeloofwaardig. Aangever heeft tegenstrijdig verklaard over het steken, eerst verklaarde hij dat hij meteen in zijn rechterbovenbeen gestoken is, later verklaarde hij dat er eerst geprobeerd zou zijn om hem in de hals te steken. Aangever heeft verklaard dat hij de achternaam van [verdachte] niet zou kennen, maar als [verdachte] bij hem op bezoek zou zijn geweest in de PI, dan moet hij dat geweten hebben. Bij de rechter-commissaris heeft aangever verklaard dat hij gestoken is door een andere [verdachte] en dat er twee [verdachte] zijn geweest. Pas nadat de rechter-commissaris had gedreigd met gijzeling en meineed en aangever overleg had gehad met zijn advocaat, kwam aangever weer terug op deze verklaring en zei hij dat hij onder druk wordt gezet, maar volgens de raadsman van verdachte zijn hier geen aanwijzingen voor.

Verdachte had geen enkel motief om aangever te steken. Verdachte heeft het alternatieve scenario naar voren gebracht dat een derde aangever heeft gestoken. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden volgt dat een persoon in een blauw kledingstuk op de auto afliep, dat een persoon met een wit kledingstuk achter de persoon met het blauwe kledingstuk aanrent en dat het er op lijkt dat drie personen rondom de grijze auto bewogen, terwijl niet kan worden vastgesteld dat de bestuurder, [A] , op enig moment de auto heeft verlaten.

Het enkele feit dat er een bloedspoor op de sok van verdachte is aangetroffen, zegt niets over de betrokkenheid van verdachte. Niet is uit te sluiten dat er sprake is van een indirecte overdracht van DNA nu niet bekend is hoe de inbeslaggenomen stukken zijn bewaard. Ook biedt het NFI rapport geen uitsluitsel over de vraag of het aangetroffen DNA-materiaal daadwerkelijk een daderspoor zou moeten zijn. De aangetroffen mobiele telefoon dan wel de inhoud daarvan zegt ook niets over het eventuele daderschap van verdachte. Hij is niet de enige die gebruik maakt van dit toestel en er blijkt ook nergens uit dat de daarin aangetroffen berichten ook daadwerkelijk over dit incident gaan.

De raadsman is dan ook van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.

Indien de rechtbank daar wel aan toekomt, heeft de raadsman opgemerkt dat er onvoldoende is om te concluderen dat er sprake is van een poging om aangever opzettelijk van het leven te beroven. Er zijn geen vitale delen geraakt. Uit niets blijkt dat de dader (willens en wetens) heeft gestoken in de richting van de hals van aangever. Het voorwaardelijk opzet op het overlijden van aangever kan niet uit de uiterlijke verschijningsvormen worden afgeleid. Er was directe en adequate hulp te verwachten. Er is slechts sprake van vaatletsel.

Ook zware mishandeling kan niet bewezen worden verklaard omdat het letsel van verdachte niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt en omdat nergens uit blijkt dat er bij de dader sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Mocht de rechtbank aan deze verweren voorbij gaan, dan refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het meer en meest subsidiair tenlastegelegde. Wel heeft de raadsman daarbij opgemerkt dat er ook dan geen sprake is van een voorgenomen misdrijf.


4.3

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.


Op 10 augustus 2016 kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding om te gaan naar de spoedeisende hulp van het Diakonessen Ziekenhuis te Utrecht waar een slachtoffer van een steekpartij zojuist was binnen gebracht. Het slachtoffer, [slachtoffer] geboren op [1992] , verklaarde tegen de verbalisanten dat hij met de auto opgehaald was bij de gevangenis in Alphen aan de Rijn en dat hij, toen zij in Hoograven waren, bij een pleintje [verdachte] zag staan. Die [verdachte] was de vrijdag daarvoor nog bij hem op bezoek geweest in Alpen aan de Rijn. [slachtoffer] verklaarde dat hij zag dat [verdachte] plotseling de deur opentrok en dat hij een soort vleesmes zag. [slachtoffer] zag en voelde dat [verdachte] hem meteen in zijn rechterbovenbeen stak. [slachtoffer] werd door de bestuurder van de auto naar het ziekenhuis gebracht. [slachtoffer] zag dat er veel bloed uit zijn been kwam. [slachtoffer] omschreef [verdachte] als dik, beetje kaal, 23 jaar en 178 centimeter lang. Volgens [slachtoffer] droeg hij een trainingspak van Nike en deze was beige / bruin / wit van kleur. De verbalisanten bespreken het signalement met de wijkagent en hij zei dat de verdachte zeer waarschijnlijk [verdachte] , wonende aan de [adres] te [woonplaats] is.

[slachtoffer] heeft op 11 augustus 2016 aangifte gedaan. Hij verklaarde dat [verdachte] dwars door zijn rechterbeen stak. Hij bloedde hevig. Op 20 december 2016 is [slachtoffer] gehoord bij de rechter-commissaris. Daar verklaarde hij dat, toen hij gestoken werd, hij meteen bloedde. Hij had een heleboel bloed verloren, een liter volgens hem. De wond is genezen, maar de plek is wel hard gebleven. [slachtoffer] liep een maand slecht, met krukken. Hij had ongeveer twee en een halve maand wondpijn.

Uit de medische verklaring van 11 augustus 2016, opgesteld door A.C.N. van Bommel (arts), volgt dat er sprake was van een wond van circa 8 centimeter aan de buitenzijde (rechts) van het rechter bovenbeen en een wond van circa 1,5 centimeter aan de binnenzijde (links) van het rechter bovenbeen. Het bloedende bloedvat werd dichtgemaakt waarna het bloeden was gestopt en de wonden werden deels gehecht. Tevens was er bij [slachtoffer] sprake van een shocktoestand door uitwendig bloedverlies.

Uit een bericht van forensisch arts J.L Verweij, inhoudende een “vertaling” van de brief van het Diakonessenhuis aan de huisarts van [slachtoffer] , volgt dat de reden van opname van [slachtoffer] in het ziekenhuis een slagaderlijke bloeding van een zijtak van de rechter bovenbeen slagader was.


Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] deden op 10 augustus 2016 onderzoek op de Wierslaan te Utrecht, waar het incident zich zou hebben afgespeeld. Ter plaatse troffen zij een plas bloed aan en bloedspetters.


Door een buurtbewoner zijn camerabeelden afgegeven aan de politie voor onderzoek. De beelden werden door verbalisant [verbalisant 5] bekeken. Zij zag dat het ging om camerabeelden van 10 augustus 2016 tussen 13:30 uur en 15:00 uur. Zij zag dat De Wierslaan bovenaan in beeld te zien was. Door de grote afstand waren de personen welke in beeld kwamen niet te herkennen. De verbalisant zag dat op het tijdstip 14:06:30 uur een persoon het beeld in kwam lopen die vermoedelijk aan het bellen was. Op het tijdstip 14:07 uur was te zien dat er een grijskleurige auto aan kwam rijden. Bij de auto was wat beweging te zien, maar wat er precies gebeurt is echter niet te zien. Enkele seconden later was te zien dat er een ander persoon - deze droeg een wit kledingstuk - de persoon met het blauwe kledingstuk achterna zat. Er vond een schermutseling tussen de beide personen plaats. Aan de andere zijde van de beplanting was een derde persoon te zien. Op de beelden waren tussen de tijdstippen 14:06 uur en 14:11 uur geen andere personen op de beelden te zien. Gezien de camerabeelden waren er 3 personen bij het steekincident betrokken.


Na de aanhouding van verdachte, op 10 augustus 2016, werden de kledingstukken die verdachte droeg tijdens zijn aanhouding in beslag genomen. De in beslag genomen sokken werden voorzien van het SIN-nummer AAJD2284NL. De sokken werden onderzocht op latent aanwezige bloedsporen. Daarbij werd gebruik gemaakt van Bluestar, een chemische vloeistof, die een reactie aangaat met de ijzerhoudende bestanddelen van bloed. Bij deze reactie komt licht vrij (luminescentie). Om die luminescentie te kunnen waarnemen wordt de ruimte verduisterd. Tijdens het onderzoek zagen de verbalisanten fluorescentie op een van de sokken (AAJD2284NL). Nader onderzoek wees uit dat het hier bloed betrof.

Door het NFI werd het volgende onderzoeksmateriaal onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAJD2284NL#01 een bemonstering met bloed van een sok, ter hoogte van de wreef

AAJD2284NL#02 een bemonstering van een sok ter hoogte van de markering aangebracht door de Forensische Opsporing


In onderstaande tabel staat vermeld van wie het bloed/celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig kan zijn.


SIN Beschrijving DNA-profiel / bloed / celmateriaal kan afkomstig zijn van Matchkans DNA-profiel
AAJD2284NL#01 DNA-profiel van een man - slachtoffer [slachtoffer] Kleiner dan één op de één miljard
AAJD2284NL#02 DNA-mengprofiel van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man - slachtoffer [slachtoffer] - verdachte [verdachte] Niet berekend

Bij de aanhouding van verdachte werden bij hem drie mobiele telefoons aangetroffen. Een van de telefoons betrof een mobiele telefoon van het merk Nokia 105. In de telefoon zat een simkaart voorzien van het telefoonnummer [nummer] (SIN-nummer [nummer] ). Er werd digitaal onderzoek verricht aan deze telefoon. In verschillende sms’jes was te zien dat de gebruiker van deze telefoon “ [verdachte] ” werd genoemd. Het telefoonnummer eindigend op [nummer] heeft het volgende bericht gestuurd: “Km na creche hoelang”. Daarop ontvangt het telefoonnummer eindigend op [nummer] op 10 augustus 2016 om 14:04:21 het volgende bericht: “5 min”. Op 10 augustus 2016 om 14:17:27 ontvangt de gebruiker van de telefoon eindigend op [nummer] het volgende bericht: “hj s neer gevallen kk megool”. Het telefoonnummer eindigend op [nummer] stuurt daarop terug “kan mij niks ik maak hem dood”. Het telefoonnummer eindigend op [nummer] heeft het volgende bericht verzonden: “Mij mama ligt op sterve dat weet je praten is niks pak mij niet prate”. Op 10 augustus 2016 om 15:09 uur ontvangt het telefoonnummer eindigend op [nummer] het volgende bericht: “Auto in beslag”. Later, rond 18:07 uur, stuurt het telefoonnummer eindigend op [nummer] het bericht: “Broer ben de lul, bel jezo”.


Uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer [nummer] kwam naar voren dat deze op 10 augustus 2016 van 13:56 uur tot 14:25 uur de zendmast staande op het Gravelpad nabij 1 te Utrecht aanstraalde.


Op 2 september 2016 spraken verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] met de moeder van aangever, [B] . Zij verklaarde dat zij onaangekondigd bezoek had gekregen van een man die haar vertelde dat hij de vader van [verdachte] was. De vader van [verdachte] vroeg de moeder van aangever of zij en aangever naar de advocaat van [verdachte] wilden gaan om te zeggen dat zijn zoon [verdachte] het niet had gedaan. De moeder van aangever hoorde dat de man aandrong en zei dat hij haar geld wilde aanbieden als zij deed wat hij haar vroeg. De vader van [verdachte] stelde ook nog voor dat aangever alleen maar een opgestelde verklaring zou kunnen tekenen. Verder gaf de vader van [verdachte] aan dat de moeder van [verdachte] ernstig ziek is en elk moment kan overlijden.


4.4

Het oordeel van de rechtbank

De raadsman heeft aangevoerd dat een andere [verdachte] bij het incident betrokken zou zijn en gestoken zou hebben. De rechtbank oordeelt als volgt. Bij verdachte is een telefoon aangetroffen. Deze telefoon is onderzocht en uitgelezen. In sms-berichten, die in de telefoon zijn aangetroffen, wordt de gebruiker aangesproken met de naam [verdachte] . Uit een sms-bericht dat in de telefoon is aangetroffen, schrijft de gebruiker van de telefoon dat zijn moeder op sterven ligt. De moeder van [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat de vader van verdachte haar bezocht heeft en daarbij gevraagd heeft of zij en [slachtoffer] de aangifte wilden intrekken omdat de moeder van verdachte ernstig ziek is en elk moment kan overlijden. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de gebruiker van deze telefoon is geweest.

Tevens zijn er in de telefoon sms-berichten aangetroffen die aantonen dat verdachte bij het incident aanwezig was. Zo vraagt de gebruiker van de telefoon in een sms-bericht aan een ander hoe laat hij bij de crèche is. Vlakbij de plaats delict was een crèche. Daarnaast schrijft deze andere persoon aan de gebruiker van de telefoon dat de auto in beslag is genomen. Nadat [slachtoffer] door de bestuurder van de auto naar het ziekenhuis was gebracht en de politie een onderzoek was gestart, is de auto in beslag genomen. Tot slot is in de telefoon een bericht aangetroffen dat door de gebruiker van de telefoon is verzonden kort voor de aanhouding van verdachte waar wordt geschreven: “Broer ben de lul bel jezo”.

Op de sok van verdachte is bloed aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat dit bloed afkomstig is van [slachtoffer] .

Door de politie zijn camerabeelden bekeken waarop het incident te zien zou zijn. Een verbalisant heeft op de camerabeelden waargenomen dat er drie personen te zien zijn en dat in de tijdspanne waarin het incident heeft plaatsgevonden geen andere personen in beeld komen of het beeld uit gaan.

Het alternatieve scenario dat door de verdediging wordt opgeworpen acht de rechtbank, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, strijdig met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de [verdachte] is die [slachtoffer] heeft gestoken.


De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geprobeerd van het leven te beroven. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] in de hals heeft gestoken of heeft gestoken in de richting daarvan. Het daar aangetroffen letsel past niet zonder meer bij een messteek. Verder verklaart aangever als enige dat richting zijn hals is gestoken en op dit punt is aangever niet consistent. Uit het door de rechtbank wel bewezen gedrag, te weten het met een mes in het bovenbeen van [slachtoffer] steken, kan niet zonder meer het opzet op de dood van die [slachtoffer] worden afgeleid. Bovendien acht de rechtbank de kans dat door dit steken het slachtoffer dodelijk kon worden getroffen niet aanmerkelijk, ook niet in het geval van een slagaderlijke bloeding, omdat er adequate hulp te verwachten was. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.


De rechtbank is echter wel van oordeel dat het handelen van verdachte, het steken in het bovenbeen van [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. Het handelen van verdachte moet, gezien de uiterlijke verschijningsvorm, ook geacht worden op dat letsel gericht te zijn geweest. Verdachte heeft in ieder geval, door aldus te handelen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Het letsel van [slachtoffer] is door snel medisch ingrijpen beperkt gebleven. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder subsidiair ten laste gelegde, namelijk zware mishandeling. Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.



5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte


Meer subsidiair

op 10 augustus 2016 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- (terwijl die [slachtoffer] in een auto zat) met een (groot) mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) in het been van die [slachtoffer] heeft gestoken

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.



6De strafbaarheid van het feit


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als


poging tot zware mishandeling.


Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.



7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.



8Motivering van de straffen en maatregelen


8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met daarbij als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] , welke bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar dient te worden verklaard.


8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, aangevoerd dat er bij de strafoplegging rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is laagbegaafd met zeer beperkte vaardigheden en een stagnatie in de ontwikkeling. Verdachte kan per ommegaande in dienst treden bij zijn oom. Daarnaast is zijn moeder ernstig ziek.

De raadsman heeft een aantal uitspraken aangehaald waarbij er is gestoken en waarbij straffen zijn opgelegd variërend van een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 92 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uur tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Verdachte zit al veel langer in voorlopige hechtenis dan de straffen in de aangehaalde uitspraken. De raadsman heeft de rechtbank dan ook verzocht niet een straf op te leggen langer dan de voorlopige hechtenis dan wel het meerdere als een voorwaardelijke straf op te leggen.


8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] in een auto zat, in zijn rechterbovenbeen gestoken. Ten gevolge hiervan is bij [slachtoffer] een slagaderlijke bloeding opgetreden waardoor hij meer dan een liter bloed heeft verloren en in shocktoestand is geraakt. Dat [slachtoffer] geen ernstiger letsel heeft bekomen, is niet aan verdachte te danken maar aan snel medisch ingrijpen. Zonder snel medisch ingrijpen kan ernstig bloedverlies dat tot een shocktoestand leidt de dood tot gevolg hebben. Het handelen van verdachte is dan ook een ernstige vorm van poging tot zware mishandeling.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen hiervan kunnen ondervinden. Ook neemt de rechtbank mee in haar overweging dat dergelijke feiten gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaken.


De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 31 oktober 2016, waaruit blijkt dat verdachte wel al vaker veroordeeld is, maar niet eerder voor een soortgelijk feit.


Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsrapportage van 1 november 2016. Door de reclassering is gerapporteerd dat verdachte zich niet heeft uitgelaten over het ten last gelegde. Tevens heeft verdachte niet willen meewerken aan een psychologisch en psychiatrisch onderzoek. Bij de rechtbank is daardoor weinig bekend geworden over de persoon van verdachte.


De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank weegt daar ook in mee dat zij, in tegenstelling tot de officier van justitie, tot vrijspraak is gekomen van hetgeen onder primair en subsidiair ten laste is gelegd. Gelet op alle voornoemde omstandigheden acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] .


De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen, en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verdachte heeft immers onverwacht het slachtoffer in zijn been gestoken. In de telefoon van verdachte zijn sms-berichten aangetroffen waarin wordt gezegd: “Kan mij niks ik maak hem dood”.

De rechtbank houdt er dan ook ernstig rekening mee dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de op te leggen bijzondere voorwaarde op grond van artikel 14e Sr dadelijk uitvoerbaar is.



9Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel


Benadeelde [slachtoffer] heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van

€ 5.167,17 bestaande uit immateriële schade en proceskosten.


9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie gaat bij de berekening van de proceskosten uit van 5,2 uur maal € 175,00 wat totaal

€ 910,00 is en dus niet € 1.085,00 zoals gesteld in de onderbouwing bij de vordering van de benadeelde partij.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij dient te worden afgewezen omdat de benadeelde partij de gestelde schade niet aannemelijk heeft gemaakt en het ook niet vast staat dat de benadeelde partij de schade daadwerkelijk heeft geleden. Voor zover er al schade zou zijn, wordt de hoogte daarvan betwist.

Ten aanzien van de proceskosten heeft de raadsman aangevoerd dat deze bovenmatig hoog zijn. Het is de raadsman niet duidelijk waarom de benadeelde partij niet op basis van een toevoeging is bijgestaan


Indien de rechtbank bovenstaande zou verwerpen, heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu het onderzoek naar de proceskosten, de vermeende stelling dat aangever op krukken zou lopen en dat hij psychische problemen zou hebben een onevenredige belasting van het geding meebrengt.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [slachtoffer] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op

€ 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, bestaande uit immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.


Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.


Behandeling van het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


Tot slot wordt toegewezen een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van

€ 1.167,17 (zegge: duizend honderdzevenenzestig euro en zeventien eurocent). Dit bedrag is als volgt opgesteld:


5,2 uur ad € 175,00 (uurtarief advocaat benadeelde) € 910,00

6% van € 910,00 (kantoorkosten) € 54,60

BTW 21% € 202,57

Totaal € 1.167,17



10Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling


Bij de stukken bevindt zich de op 29 september 2016 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 21/004044-13, betreffende het onherroepelijk geworden arrest d.d. 23 september 2014 van het Gerechtshof te Arnhem, waarbij verdachte, onder meer, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.


10.1

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling dient te worden toegewezen.


10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling dient te worden afgewezen, subsidiair de proeftijd dient te worden verlengd, meer subsidiair dat de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf dient te worden omgezet in een taakstraf. Verdachte heeft al 23 maanden in deze proeftijd gelopen en zich aan de voorwaarde gehouden. Het feit waar hij destijds voor veroordeeld is, betreft tevens een heel ander feit.



10.3

Het oordeel van de rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.



11Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 14g, 24c, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



12Beslissing


De rechtbank:


Vrijspraak

Verklaart het onder primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.


Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.


Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.


Het bewezen verklaarde levert op:


poging tot zware mishandeling


Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.


Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.


Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.


De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende algemene en bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:


Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.


Bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

4. gedurende de proeftijd van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer].


Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.


Vordering benadeelde partij

Wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.500,00 (zegge tweeduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.


Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , € 2.500,00 (zegge tweeduizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 35 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.


Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.


Wijst toe de vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1.167,17 (zegge: duizend honderdzevenenzestig euro en zeventien eurocent).


Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd arrest van 23 september 2014 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.





Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. van Ommeren, voorzitter,

mrs. G. Perrick en J.W. Ouwerkerk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 januari 2017.


Mr. J.W. Ouwerkerk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


BIJLAGE: De tenlastelegging


Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat


Primair


hij op of omstreeks 10 augustus 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- ( terwijl die [slachtoffer] in een auto zat) met een (groot) mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) in het been van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] in een auto zat) met voornoemd mes, althans met voornoemd scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) steekbewegingen in de richting van de nek/keel en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt en/of

- ( vervolgens) met voornoemd mes, althans met voornoemd scherp en/of puntig voorwerp, achter die [slachtoffer] aan is gerend en/of daarbij steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van de nek/keel en/of het lichaam van die [slachtoffer] ,


zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair


hij op of omstreeks 10 augustus 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer <diepe> steekwond<en> in het bovenbeen, althans in het lichaam en/of een slagaderlijke bloeding), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met een (groot) mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) in het bovenbeen, althans in het lichaam te steken;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht


Meer subsidiair

hij op of omstreeks 10 augustus 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- ( terwijl die [slachtoffer] in een auto zat) met een (groot) mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) in het been van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] in een auto zat) met voornoemd mes, althans met voornoemd scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) steekbewegingen in de richting van de nek/keel en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt en/of

- ( vervolgens) met voornoemd mes, althans met voornoemd scherp en/of puntig voorwerp, achter die [slachtoffer] aan is gerend en/of daarbij steekbewegingen heeft gemaakt in de richting van de nek/keel en/of het lichaam van die [slachtoffer] ,


zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht




Meest subsidiair


hij op of omstreeks 10 augustus 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met een (groot) mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp (meermalen) in het bovenbeen, althans in het lichaam heeft gestoken, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, met nummer PL0900-2016246415, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 225). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], d.d. 10 augustus 2016, pagina 8.
3 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , d.d. 10 augustus 2016, pagina 9.
4 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , d.d. 10 augustus 2016, pagina 10.
5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , d.d. 11 augustus 2016, pagina 20.
6 Proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris [slachtoffer] , d.d. 20 december 2016, pagina 3.
7 Proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris [slachtoffer] , d.d. 20 december 2016, pagina 4.
8 Geneeskundige verklaring A.C.N. Bommel, d.d. 11 augustus 2016, pagina 61.
9 Een schriftelijk stuk, door J.L. Verweij opgestelde verklaring d.d. 9 september 2016, p. 84
10 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , d.d. 11 augustus 2016, pagina 18.
11 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 11 augustus 2016, pagina 15.
12 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 11 augustus 2016, pagina 16.
13 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 8], d.d. 21 december 2016, pv nummer PL0900-2016246415-25, niet doorgenummerd.
14 Proces-verbaal sporenonderzoek, verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 9 september 2016, pv nummer PL0900-2016246415-25, niet doorgenummerd.
15 Proces-verbaal sporenonderzoek, verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] d.d. 9 september 2016, pv nummer PL0900-2016246415-25, niet doorgenummerd.
16 Het NFI rapport d.d. 1 november 2016, opgesteld door dr. I.E.P.M. Blom, pagina 1.
17 Proces-verbaal uitlezen telefoon verdachte [verdachte] verbalisant [verbalisant 6] , d.d. 24 augustus 2016, pagina 122.
18 Proces-verbaal uitlezen telefoon verdachte [verdachte] verbalisant [verbalisant 6] , d.d. 24 augustus 2016, pagina 123.
19 Proces-verbaal uitlezen telefoon verdachte [verdachte] verbalisant [verbalisant 6] , d.d. 24 augustus 2016, pagina 124.
20 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 29 augustus 2016, pagina 110.
21 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , d.d. 7 september 2016, pagina 87.
22 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , d.d. 7 september 2016, pagina 88.
23 De rechtbank legt geen reclasseringstoezicht op. De rechtbank is op grond van artikel 14c, eerste lid, onder b van het Wetboek van Strafrecht gehouden deze voorwaarde op te leggen indien een bijzondere voorwaarde wordt opgelegd.