Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2017 / UTR 16/2309


ECLI:NL:RBMNE:2017:2409

Inhoudsindicatie
Vernietiging van een besluit op grond van de Jeugdwet. Het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek en advies van het Sociaal team voldoet niet aan daaraan uit oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-16
Publicatiedatum
2017-05-22
Zaaknummer
UTR 16/2309
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/2309


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van [A] ), te Bunschoten-Spakenburg, eiseres,

(gemachtigde: mr. R. Vierhout, advocaat te Nijkerk),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten, verweerder

(gemachtigden: mevr. D. van Dijk en mevr. M. Keijer).



Procesverloop


Bij besluit van 22 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een persoonsgebonden budget (Pgb) toegekend voor specialistische jeugdhulp ambulant voor één dagdeel per week op basis van de indicatie dagbesteding licht H811 en drie uur per week op basis van de indicatie begeleiding H300 op grond van de Jeugdwet (JW) voor de periode van 1 januari 2016 tot 30 juni 2016.


Bij besluit van 24 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook is verschenen de heer [B] , de orthopedagoog die [A] begeleidt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. [A] heeft PDD-NOS en is getraumatiseerd. Tot 1 januari 2016 ontving [A] specialistische jeugdhulp ambulant voor drie dagdelen per week en specialistische jeugdhulp ambulant voor één uur per week in de vorm van een Pgb op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Hij ontving de jeugdhulp van drie dagdelen per week in een groep met maximaal vier kinderen bij De Pionier. Eiseres heeft verzocht voor 2016 eenzelfde Pgb toe te kennen.


2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij het toekennen van voorzieningen op grond van de JW de zorgbehoefte van de jeugdige het uitgangspunt is. Deze zorgbehoefte wordt vastgesteld aan de hand van een deskundigenoordeel. In dit geval heeft het Sociaal team als deskundige de zorgbehoefte van [A] in kaart gebracht en bepaald dat hierbij het product ‘dagactiviteit licht’ en drie uur begeleiding per week een passende voorziening is. Door eiseres is geen deskundig tegenadvies aangeleverd waaruit blijkt dat het Sociaal team de zorgbehoefte en daarmee de benodigde voorziening niet goed heeft vastgesteld. Het ingebrachte advies van de eigen begeleider van [A] , de heer [B] , kan niet als onafhankelijk worden aangemerkt en is daarom niet bij de besluitvorming betrokken.


3. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijk onderzoek en deugdelijke motivering. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de zorgbehoefte van [A] . Zo is niet met [A] gesproken en evenmin is hij geobserveerd. Er is geen informatie ingewonnen bij De Pionier of bij [B] . Verder is niet inzichtelijk hoe tot een lagere zorgindicatie is gekomen dan onder de AWBZ gold, terwijl de problematiek van [A] onveranderd is.


4.1.

Artikel 2.3 van de JW bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:

a. gezond en veilig op te groeien;

b. te groeien naar zelfstandigheid, en

c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.


4.2.

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 3:46 van de Awb bepaalt dat een besluit op een deugdelijke motivering dient te berusten.


4.3.

Artikel 2.14, eerste lid, van de JW bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de beschikbare deskundigheid voor de toeleiding, advisering en bepaling van de aangewezen voorziening, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet, alsmede voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder b en c, van de wet.


4.4.

Artikel 2.1 van het Besluit jeugdwet bepaalt dat ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, van de wet, het college zorgdraagt voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid met betrekking tot:

a. opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

b. opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;

c. taal- en leerproblemen;

d. somatische aandoeningen;

e. lichamelijke of verstandelijke beperkingen;

f. kindermishandeling en huiselijk geweld.


5. Uit artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 2.3 van de JW volgt dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag voor jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.


6. Gelet op het hiervoor in 4.1. tot en met 5. weergegeven beoordelingskader slaagt de beroepsgrond dat aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoek en advies van het Sociaal team van 8 maart 2016 niet voldoet aan daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid en motivering te stellen eisen. Er is weliswaar informatie ingewonnen bij eiseres en een leerkracht van school, maar niet bij De Pionier of de begeleider van [A] ( [B] ). Het Sociaal team heeft ook niet met [A] zelf gesproken en hem evenmin geobserveerd. Uit het bestreden besluit noch uit de toelichting van verweerder ter zitting blijkt waarom voornoemde informatie niet bij de besluitvorming is betrokken. Dat [B] als begeleider van [A] in de visie van verweerder reeds daarom niet onafhankelijk is – wat daar ook van zij - rechtvaardigt niet dat verweerder de door hem verstrekte informatie buiten beschouwing laat. [B] kan zowel vanuit zijn deskundigheid als op grond van zijn eigen waarnemingen bij uitstek inzicht geven in de problematiek van [A] . Bij het vaststellen welke hulp nodig is, moet alle relevante informatie worden betrokken. Daaronder valt juist ook de informatie van een behandelaar of een begeleider en in hoeverre het door het Sociaal team ingenomen standpunt door de behandelend sector wordt gedeeld.


7. Ook is niet inzichtelijk gemaakt op basis waarvan tot een andere indicatiestelling is gekomen dan onder de AWBZ gold. In de Beleidsregels van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) CA-300-582 is de code H811 gekoppeld aan de zorgzwaarte ‘Dagactiviteit (begeleiding) VG licht’. De code H816 is gekoppeld aan de zorgzwaarte ‘Dagactiviteit (begeleiding) VG kind zwaar’. In hoofdstuk 8 van de beleidsregels, de prestatiebeschrijvingen, wordt het onderscheid in zorgzwaarte uitgewerkt in groepsgrootten. In het geval van zorgzwaarte ‘licht’ geldt dat de groep bestaat uit meer dan zes kinderen, in het geval van zorgzwaarte ‘midden’ geldt dat de groep bestaat uit vijf tot zes kinderen en in het geval van zorgzwaarte ‘zwaar’ geldt dat de groep bestaat uit minder dan vijf kinderen. Tot 1 januari 2016 kreeg [A] begeleiding in een groep van maximaal vier kinderen. [A] kreeg tot 1 januari 2016 zorg die door de NZa wordt gekwalificeerd als ‘dagactiviteit (begeleiding) VG kind zwaar H816. Zijn problematiek is onveranderd, zodat zonder nadere motivering en in het licht van de door eiseres overgelegde informatie van [B] niet valt in te zien dat zijn zorgbehoefte is gewijzigd. De beroepsgrond slaagt.


8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het tarief voor ‘dagbesteding licht H811’ niet toereikend is om geïndiceerde jeugdhulp van derden te betrekken. De rechtbank overweegt dat de hoogte van het tarief samenhangt met de zwaarte van de zorgindicatie. Uit 6 en 7 volgt dat dan ook dat ook op dit punt een heroverweging moeten plaatsvinden. In zoverre slaagt ook deze beroepsgrond.


9. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover dit gericht is tegen de toekenning van specialistische jeugdhulp ambulant voor één dagdeel per week op basis van de indicatie dagbesteding licht H811.


10. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Zij overweegt daartoe dat verweerder nader onderzoek zal moeten doen naar de zorgbehoefte van [A] . Omdat de uitkomst hiervan ook relevant is voor hoogte van het toegekende tarief en mogelijk nog een nader debat hierover zal volgen, acht de rechtbank toepassing van een bestuurlijke lus niet opportuun. Verweerder zal op deugdelijke wijze moeten onderzoeken of de benodigde hulp met het vast te stellen tarief ingekocht kan worden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.


11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).


12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.



Beslissing


De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit gericht is tegen de toekenning van specialistische jeugdhulp ambulant voor één dagdeel per week op basis van de indicatie dagbesteding licht H811;

- draagt verweerder op binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.





Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

16 mei 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.