Rechtbank Midden-Nederland, 20-01-2017 / 16/652779-16 (strafzaak) en 13/039418-15 (tul)


ECLI:NL:RBMNE:2017:241

Inhoudsindicatie
Een 53-jarige man uit Zoetermeer is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Daarnaast moet hij zich verplicht laten behandelen. De rechtbank achtte de man schuldig aan mishandeling van zijn toenmalige partner in oktober 2016, in een woning in Utrecht. Slaan en schoppen De man heeft het slachtoffer tijdens een ruzie in haar gezicht geslagen, haar geduwd en haar, toen zij op de grond lag, meermalen tegen haar hoofd geschopt. Dat was niet alleen pijnlijk voor het slachtoffer, zij liep ook kneuzingen en blauwe plekken in haar gezicht op. Behandeling De rechtbank vindt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw in de fout gaat. Hij is al vaker veroordeeld voor geweldsmisdrijven tegen (ex)-partners. Hij liep nog in een proeftijd na mishandeling van hetzelfde slachtoffer. Daarnaast leidt hij aan een persoonlijkheidsstoornis. De behandeling moet helpen voorkomen dat hij opnieuw in de fout gaat. De rechtbank verbond daar een lange proeftijd van 5 jaar aan: als hij binnen die vijf jaar opnieuw de fout in gaat loopt hij het risico dat hij ook de twee maanden voorwaardelijke celstraf moet uitzitten. Contactverbod De proeftijd geldt ook voor het contact- en locatieverbod dat de rechtbank oplegde. Hij mag geen contact opnemen met het slachtoffer en ook niet bij haar woning in de buurt komen. Voorarrest De man was in afwachting van zijn proces op vrije voeten gesteld. Omdat hij nog niet zijn hele straf in voorarrest heeft uitgezeten moet hij dat nu alsnog gaan doen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-01-20
Publicatiedatum
2017-01-20
Zaaknummer
16/652779-16 (strafzaak) en 13/039418-15 (tul)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PS-Updates.nl 2017-0106
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Utrecht

Strafrecht



Parketnummers: 16/652779-16 (strafzaak) en 13/039418-15 (tul)



Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 januari 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1963] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .



1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.



2Tenlastelegging


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


op 12 oktober 2016 te Utrecht (primair) heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer] , dan wel (subsidiair) haar heeft mishandeld.



3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.




4De beoordeling van het bewijs


4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen tegen het hoofd geschopt en haar tegen het hoofd geslagen. Het met de voet tegen het hoofd schoppen - ook wanneer deze ongeschoeid is - levert een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen bewijs is voor het schoppen tegen het hoofd en het meer dan één keer slaan door verdachte. Verdachte dient dan ook vrijgesproken te worden voor de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Het eenmaal slaan door verdachte en duwen kan wel bewezen worden, hetgeen mishandeling oplevert.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1.

De bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.


Op 12 oktober 2016 komen verbalisanten na een melding op de [adres] . Zij zagen een man net uit perceelnummer [nr] komen. De man gaf later op te zijn: [verdachte] . In de woning is [slachtoffer] . Zij zegt dat de man die net naar buiten liep haar geslagen heeft en dat zij pijn heeft aan haar hoofd. De verbalisant ziet dat zij twee bulten op haar hoofd heeft, één boven de linker wenkbrauw en één boven de rechter wenkbrauw.


Op 26 oktober 2016 doet [slachtoffer] aangifte van mishandeling. Zij verklaart dat zij een relatie heeft met [bijnaam verdachte] . [bijnaam verdachte] heet eigenlijk [verdachte] . Op 12 oktober 2016 was [bijnaam verdachte] bij haar thuis. Zij zag dat [bijnaam verdachte] naar haar toekwam en haar met zijn rechterhand op haar rechterwang sloeg. Hij sloeg haar met een vlakke hand.

[bijnaam verdachte] duwde haar met beide handen tegen haar bovenlijf. Zij viel op haar achterhoofd in de woonkamer en lag op de grond. Zij zag en voelde dat [bijnaam verdachte] haar diverse keren tegen haar hoofd en gezicht trapte.


De huisarts van [slachtoffer] heeft op 13 oktober 2016 vastgesteld dat zij blauwe plekken boven beide ogen had en drukpijn links achter op de schedel, boven de ogen en boven op de schedel.


Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] op 12 oktober 2016 met zijn vlakke hand in haar gezicht heeft geslagen en dat hij haar met beide handen heeft geduwd tegen het lichaam.


4.3.2.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs


De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer alleen een tik met de vlakke hand in haar gezicht heeft gegeven en (meteen) een duw niet geloofwaardig en neemt daarbij het volgende in overweging.


Verdachte heeft allereerst wisselende verklaringen afgelegd over zijn handelen. Zo heeft verdachte bij zijn voorgeleiding voor een hulpofficier van justitie op 13 oktober 2016 nog verklaard dat er niets is gebeurd. Bij zijn verhoor bij de politie op dezelfde dag verklaart hij eerst dat hij het slachtoffer in haar gezicht heeft geduwd, waarna zij naar achteren viel, op de grond op haar rug. Daarna verklaart verdachte dat hij haar met een platte hand een klap in het gezicht heeft gegeven en toen een duw of meteen een duw heeft gegeven.

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte - nadat hij de foto’s van het letsel van het slachtoffer heeft gezien - op 17 oktober 2016 verklaard dat hij haar een klap met de vlakke hand heeft gegeven en dat zij daarna tegen de muur is gevallen. Ter zitting op 6 januari 2017 heeft verdachte tenslotte verklaard dat hij haar een klap en een duw heeft gegeven, waarna zij tegen de kast en/of de muur is gevallen.


Daarnaast past het bij het slachtoffer door de verbalisanten en de huisarts geconstateerde letsel, te weten bulten en blauwe plekken bij beide ogen, en de bij het slachtoffer geconstateerde drukpijn op haar schedel, met name op de bovenkant van haar schedel, niet bij de verklaring(en) van verdachte, maar wel bij de verklaring van het slachtoffer dat zij door verdachte meerdere keren op haar hoofd werd getrapt, terwijl zij op de grond lag.


Conclusie

De rechtbank stelt gelet op het bovenstaande vast dat verdachte het slachtoffer niet alleen tegen het hoofd heeft geslagen en geduwd tegen het lichaam, waardoor zij ten val is gekomen, maar ook dat hij haar meerdere malen met zijn voet tegen het hoofd heeft getrapt, als gevolg waarvan zij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen.


Vrijspraak voor het primair ten laste gelegde

De rechtbank heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging verkregen dat het opzet van verdachte, ook niet in voorwaardelijke zin, was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.


Voor het aannemen van opzet in voorwaardelijke zin, zou verdachte bewust de aanmerkelijke kans moeten hebben aanvaard dat hij het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Of hiervan sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.


Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte schoenen aanhad terwijl hij het slachtoffer schopte en evenmin kan worden vastgesteld met welke kracht hij haar heeft geschopt. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bestond. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. De subsidiair ten laste gelegde mishandeling acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen.



5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.1 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte


op 12 oktober 2016 te Utrecht, [slachtoffer] heeft mishandeld door deze [slachtoffer]

- meerdere malen tegen het hoofd te trappen/schoppen,

- eenmaal tegen het hoofd te slaan en

- eenmaal tegen het lichaam te duwen.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.



6De strafbaarheid van de feiten


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:


mishandeling


Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.



7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.



8Motivering van de straffen en maatregelen


8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte poging tot zware mishandeling zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.


De officier heeft gevorderd bij bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling op te leggen een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.


De officier heeft gevorderd aan de voorwaardelijke straf telkens de bijzondere voorwaarden te verbinden als door de reclassering geadviseerd en daarnaast een contactverbod met het slachtoffer op te leggen en een locatieverbod ten aanzien van een gebied van 1 kilometer rondom de woning van het slachtoffer, met dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden. De officier heeft voorts gevorderd dat bij vonnis de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven.


8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf. Het opleggen van een behandeling als bijzondere voorwaarde is niet aangewezen, nu te verwachten is dat verdachte alleen bij het opnieuw aangaan van een moeilijke relatie problemen zou kunnen krijgen.


8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn (inmiddels ex-)partner in haar eigen woning. Verdachte heeft het slachtoffer tijdens een ruzie in haar gezicht geslagen, haar geduwd en haar, toen zij op de grond lag, meermalen tegen haar hoofd geschopt. Het slachtoffer heeft daardoor pijn ondervonden en er zijn kneuzingen en blauwe plekken in haar gezicht ontstaan. Uit de aangifte en de toelichting bij de vordering benadeelde partij blijkt dat dit voorval een grote impact heeft gehad op aangeefster.


Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 25 november 2016, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten tegen zijn (ex-)partners. Verdachte is ook al eerder veroordeeld voor mishandeling van dit slachtoffer en heeft het onderhavige feit bovendien in de proeftijd van deze eerdere veroordeling gepleegd.


De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia-rapportages van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek van verdachte. Zowel in het rapport van psychiaters J. Marx en D. Molenaar van 21 december 2016, als in het rapport van GZ-psycholoog R. Bout van 13 december 2016, wordt geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, die de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (deels) heeft beïnvloed. Zowel de psychiaters als de psycholoog adviseren verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.


De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid uit de rapporten over en beschouwt verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar.


Uit de Pro Justitia-rapportages blijkt voorts dat de gevoeligheid van verdachte voor krenking en afwijzing en zijn problemen in de impulscontrole, met name in intieme relaties leiden tot een verhoogd recidiverisico. De psychiaters achten dit recidiverisico verhoogd en de psycholoog enigszins verhoogd.

De onderzoekers achten behandeling in het kader van zijn persoonlijkheidsstoornis bij een forensische polikliniek noodzakelijk om het recidiverisico te verkleinen. Zij zien echter - ondanks eerdere behandelingen - een beperkt zelfinzicht en beperkte behandelmotivatie bij verdachte. Een behandeling zou onder meer gericht moeten zijn op het vergroten van inzicht in zijn krenkbaarheid en de beweegredenen om moeizame relaties niet af te breken en op het versterken van zijn vaardigheden binnen relaties, zijn impulscontrole en het inzicht in zijn middelengebruik. Een dergelijke behandeling kan worden opgenomen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, waarop toezicht kan worden gehouden door de reclassering.


De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het Voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever, opgemaakt door Reclassering Nederland, van 3 januari 2017. De reclassering onderschrijft het advies van de Pro Justitia-rapportages en adviseert aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen. Aan deze voorwaardelijke straf dienen een meldplicht bij de reclassering en een behandelverplichting bij De Waag of een andere ambulante forensische zorginstelling verbonden te worden.


Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een contact- en locatieverbod, een passende en geboden reactie op het bewezen verklaarde strafbare feit. Hierbij past naar het oordeel van de rechtbank een lange proeftijd zoals door de officier van justitie gevorderd. Deze zal dan ook op vijf jaren worden bepaald. Gelet op de ernst van het feit en aangezien verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven is een geldboete, werkstraf al dan niet samen met een voorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde.


Nu er bij een eerdere behandeling van verdachte is geconstateerd dat het behandelplafond voor verdachte in zicht komt en er bij verdachte plannen bestaan om naar het buitenland te emigreren, zal de rechtbank het aan de beoordeling van de reclassering overlaten op welke wijze en voor hoelang de behandelverplichting van verdachte vorm gegeven dient te worden.


De rechtbank is op grond van het voorgaande voorts van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen indien er geen behandeling of begeleiding van verdachte plaatsvindt. De rechtbank acht het om die reden geboden de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.


De voorlopige hechtenis van verdachte is op dit moment geschorst en het reeds door verdachte ondergane voorarrest is - nog - niet gelijk aan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank aan verdachte zal opleggen. De rechtbank ziet aanleiding de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.



9De benadeelde partij

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van de schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 500,-.


9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gevorderd het gevorderde bedrag te matigen.


9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot het gevorderde bedrag van € 500,- aan immateriële schade De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 oktober 2016.


Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.



10De vordering tenuitvoerlegging


10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om te gelasten de door de politierechter te Amsterdam bij vonnis van 10 juni 2015 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 20 uren, ten uitvoer te leggen.


10.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en de proeftijd van de betreffende veroordeling te verlengen.


10.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop en op het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht gestelde, acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter te Amsterdam bij vonnis van 10 juni 2015 voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 20 uur toe te wijzen.



11Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 14g, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.





12Beslissing


De rechtbank:


Vrijspraak

Verklaart niet bewezen hetgeen primair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.


Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.


Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.


Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling


Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.


Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.


Bepaalt dat de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.


Bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 (twee) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.


Stelt daarbij een proeftijd van 5 jaren vast.


Stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:


- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;


- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.


Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:


- zich persoonlijk moet melden bij Reclassering Nederland op het adres

Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht binnen drie werkdagen na zijn invrijheidstelling. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;


- zich onder behandeling zal stellen van De Waag, of soortgelijke ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die kliniek aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zover en voor zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;


- geen contact mag hebben met [slachtoffer] , wonende te [adres] (niet direct, niet indirect, ook niet als die persoon zelf dat contact zoekt);


- zich niet mag begeven in een straal van 1 kilometer om het verblijfsadres van [slachtoffer] , wonende te [adres]


- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.


Dadelijk uitvoerbaar

Verklaart de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar.


Voorlopige hechtenis

Beveelt de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van heden.


Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.


Vordering tenuitvoerlegging

Wijst de vordering toe.


Gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13-039418-15 door de politierechter te Amsterdam bij vonnis van 10 juni 2015 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.


De vordering benadeelde partij van [slachtoffer]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 500,- (zegge vijfhonderd euro), aan immateriële schade. Het bedrag wordt verhoogd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2016 tot aan de dag van algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij - tot op heden begroot op nihil - en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.


Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , van een bedrag van € 500,- (zegge vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.


Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.E. Verschoor - Bergsma, voorzitter,

mrs. R.P. den Otter en M.H.M. Collombon, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Kruijswijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 januari 2017.


BIJLAGE : De tenlastelegging


Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat:


Primair


hij op of omstreeks 12 oktober 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

deze [slachtoffer] een of meerdere malen (met geschoeide voet)

tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of een of meerdere malen tegen het

hoofd, althans tegen het lichaam, heeft gestompt/geslagen/geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 1 lid 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair


hij op of omstreeks 12 oktober 2016 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden Nederland,

[slachtoffer] heeft mishandeld door deze [slachtoffer]

- een of meerdere malen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam te trappen/schoppen en/of

- een of meerdere malen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te stompen/slaan/duwen en/of

- bij de keel vast te pakken en/of vast te houden en/of

- op/tegen de grond te gooien.

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in de aan deze zaak ten grondslag liggende processen-verbaal, met telkens nummer PL0900-2016318199, bevinden, volgens de daarin toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 45 en pagina 1 tot en met 13 (einddossier)). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 4.
3 Proces-verbaal van aangifte, einddossier, pagina 3.
4 Proces-verbaal van aangifte, einddossier, pagina 5.
5 Proces-verbaal van aangifte, einddossier, pagina 8.
6 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2016, pagina 11.
7 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 januari 2017.