Rechtbank Midden-Nederland, 18-05-2017 / 16/994054-13 (ontneming)


ECLI:NL:RBMNE:2017:2414

Inhoudsindicatie
Een 68-jarige ex-medewerker van [bedrijfsnaam 3] is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De ex-medewerker is veroordeeld voor het aannemen van giften, het meermalen medeplegen van valsheid in geschrifte en witwassen. Een tweede 58-jarige verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur voor een niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrifte.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-18
Publicatiedatum
2017-05-19
Zaaknummer
16/994054-13 (ontneming)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht


Parketnummer: 16/994054-13 (ontneming)



Vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 mei 2017


in de ontnemingszaak tegen


[veroordeelde] BV,

gevestigd te [adres] , [postcode] [vestigingsplaats]

(hierna te noemen: [veroordeelde] ).



1De procedure


De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

  • - de schriftelijke vordering van de officieren van justitie, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
  • - het strafdossier onder parketnummer 16/994054-13, waaruit blijkt dat [veroordeelde] bij vonnis van 18 mei 2017 van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen;
  • - de overige stukken,

en de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20, 21 en 22 maart 2017. De ontnemingsvordering is gelijktijdig ter terechtzitting behandeld met de strafzaak tegen [veroordeelde] , bekend onder hetzelfde parketnummer.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat namens [veroordeelde] door haar bestuurder, de heer [A] , en haar raadslieden, mr. J .T.C. Leliveld en mr. R. J .F. ten Ham, naar voren is gebracht.



2De beoordeling


2.1

De vordering van de officieren van justitie

De schriftelijke vordering van de officieren van justitie strekt tot het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 837.152,00 (exclusief btw).


Ter terechtzitting hebben de officieren van justitie gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] vast te stellen op € 377.101,00. Bij het opleggen van de betalingsverplichting dient, volgens de officieren van justitie, rekening te worden gehouden met het feit dat (met betrekking tot het [bedrijfsnaam 2] -feitencomplex) reeds € 30.000,00 is betaald door medeverdachten in de schikkingsprocedure.


2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de ontnemingsvordering.


2.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van deze rechtbank van 18 mei 2017 is de vennootschap van [A] , [veroordeelde] BV (hierna: [veroordeelde] ), veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. De rechtbank is van oordeel dat er daarnaast voldoende aanwijzingen bestaan dat [veroordeelde] zich schuldig heeft gemaakt aan andere strafbare feiten. Op basis van de bewijsmiddelen is aannemelijk dat [veroordeelde] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de niet-ambtelijke omkoping van gelden die werden betaald door respectievelijk [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] . Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [veroordeelde] door middel van en/of uit de baten van deze feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zijnde de gefactureerde en ontvangen geldbedragen.


Daadwerkelijke ontvanger De geldbedragen die betrekking hebben op de niet-ambtelijke omkoping zijn door [A] en [veroordeelde] gefactureerd en vervolgens ontvangen op de rekening van [veroordeelde] . Gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel is het uitgangspunt dat bij de bepaling van het voordeel aangesloten wordt bij wat de veroordeelde in de concrete omstandigheden daadwerkelijk heeft genoten. De rechtbank is daarom, met de officieren van justitie, van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen dient te worden bij [veroordeelde] .


Bewijsmiddelen De rechtbank gebruikt als grondslag voor de schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel het onder 1 genoemde strafdossier. De bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de bijlage achter dit vonnis.


Wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen vast dat [veroordeelde] een bedrag van in totaal € 377.101,00 ( [bedrijfsnaam 1] : € 347.101,00; [bedrijfsnaam 2] : € 30.000,00) heeft ontvangen. Dit bedrag is exclusief BTW.


Uit onderzoek is niet gebleken dat [veroordeelde] kosten heeft gemaakt die in directe relatie staan tot de voltooiing van de bewezen verklaarde delicten. Er worden dan ook geen kosten in mindering gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.


Concluderend stelt de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 377.101,00.


De officieren van justitie hebben opgemerkt dat het voordeel dat is verkregen met betrekking tot het [bedrijfsnaam 2] -feitencomplex, € 30.000,00, reeds is terugbetaald door medeverdachten in het kader van een schikking. De rechtbank zal daarom de betalingsverplichting verminderen met € 30.000,00 en deze vaststellen op € 347.101,00.



3Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.



4De beslissing


De rechtbank:


stelt het bedrag van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 377.101,00 (zegge: driehonderdzevenenzeventigduizend honderdeen euro);


legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 347.101,00 (zegge: driehonderdzevenenveertigduizend honderdeen euro).






Dit vonnis is gewezen door mr. N.H. J .M. Veldman-Gielen, voorzitter, mrs. V. van Dam en O.P. van Tricht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2017.



BIJLAGE: de bewijsmiddelen


Feitencomplex [bedrijfsnaam 1]

Betrokkenheid rechtspersonen

[A] is sinds de eerste inschrijving in het handelsregister, 3 juli 1989, enig aandeelhouder en bestuurder van [veroordeelde] BV (hierna: [veroordeelde] ). De vennootschap is gevestigd in [vestigingsplaats] .


Op 18 mei 2010 sluit [bedrijfsnaam 3] BV (hierna: [bedrijfsnaam 3] ), vertegenwoordigd door de heer [B] en [C] , een overeenkomst van opdracht met [veroordeelde] , vertegenwoordigd door [A] . De overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en vangt aan op 3 mei 2010 of zoveel eerder als door [bedrijfsnaam 3] wordt bepaald. [A] zal zijn werkzaamheden verrichten bij [bedrijfsnaam 4] .


[bedrijfsnaam 1] BV is in 2008 opgericht door [A] , [D] en [E] . Vanaf 9 juni 2010 is [bedrijfsnaam 5] BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 1] BV. [D] is tot 1 september 2012 algemeen directeur van [bedrijfsnaam 5] BV.


[E]

Op 14 maart 2010 wordt door [A] een e-mail gestuurd aan [B] waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Zoals reeds vrijdag gemeld zal ik gaarne invulling geven aan de door jou gewenste 2-hoofdigheid van bestuur in [bedrijfsnaam 8] .

Ik ga hierbij uit van de volgende veronderstellingen:

(…)

[veroordeelde] BV maakt bij de uitvoering van deze opdracht gebruik van directe en / of indirecte medewerkers van [bedrijfsnaam 6] B.V. en/of [bedrijfsnaam 1] B.V. Ter zake is bij jou bekend dat ik in elk geval [E] (…) bij het project wens te betrekken.”


Tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] BV, vertegenwoordigd door [D] , wordt een overeenkomst gesloten, waarin wordt bepaald dat de opdracht namens de opdrachtnemer ( [bedrijfsnaam 1] ) zal worden vervuld door [E] . De overeenkomst vangt aan op 1 juni 2010 en geldt voor onbepaalde tijd. De door [bedrijfsnaam 3] aan [bedrijfsnaam 1] verschuldigde vergoeding bedraagt € 210,- per uur (exclusief BTW). Ook reisuren kunnen in rekening worden gebracht. De overeenkomst is ondertekend, maar niet gedateerd.


In mei 2010 (de rechtbank kan uit het document niet afleiden welke dag is ingevuld) wordt een dienstenovereenkomst afgesloten tussen [bedrijfsnaam 1] BV, vertegenwoordigd door [D] , en [bedrijfsnaam 7] (hierna: [bedrijfsnaam 7] ), vertegenwoordigd door [E] . [bedrijfsnaam 7] ontvangt een vergoeding per gewerkt uur van € 175,- (exclusief BTW) en € 90,- (exclusief BTW) per reisuur. De overeenkomst treedt in werking per 1 juni 2010 en geldt voor onbepaalde tijd.


[F]

heeft op 9 december 2013 verklaard dat hij in juni 2010 werd gebeld door [E] . [E] vroeg hem of hij per september 2010 bij […] aan de slag zou kunnen gaan. [E] zegde hem toe dat [A] contact met hem op zou nemen over de verdere gang van zaken, waaronder het tarief en het contract. Begin juli 2010 werd [F] telefonisch benaderd door [A] . [A] vertelde hem dat de reisuren voor 50% werden vergoed. Hij ging akkoord met het uurtarief dat door [F] werd voorgesteld, € 110,- euro per uur. Op het moment dat [F] voor […] ging werken, was [A] zijn contactpersoon voor [bedrijfsnaam 1] .


In juli 2010 wordt tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] BV, vertegenwoordigd door [D] , een overeenkomst gesloten, waarin wordt bepaald dat de opdracht namens de opdrachtnemer ( [bedrijfsnaam 1] ) zal worden vervuld door [F] (hierna: [F] ). De overeenkomst vangt aan op 15 juli 2010 en geldt voor onbepaalde tijd. De door [bedrijfsnaam 3] aan [bedrijfsnaam 1] verschuldigde vergoeding bedraagt € 145,- per uur (exclusief BTW). Ook reisuren kunnen in rekening worden gebracht.


Op 16 juli 2010 wordt een dienstenovereenkomst afgesloten tussen [bedrijfsnaam 1] BV, vertegenwoordigd door [D] , en [bedrijfsnaam 14] , vertegenwoordigd door [F] . [bedrijfsnaam 14] ontvangt een vergoeding per gewerkt uur van € 110,- (exclusief BTW) en € 55,- (exclusief BTW) per reisuur. De overeenkomst treedt in werking per 15 juli 2010 en geldt voor onbepaalde tijd.


[G]

verklaart op 27 september 2013 dat hij eind mei, begin juni 2010 werd gebeld door [A] over het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van [bedrijfsnaam 3] . Zijn CV heeft [G] gestuurd aan [bedrijfsnaam 1] ; [A] was [bedrijfsnaam 1] voor hem.


Op 12 oktober 2010 stuurt [A] een e-mail aan [D] waarin hij meedeelt dat hij [G] via [bedrijfsnaam 1] wil inhuren inzake […] .


[A] stuurt op 15 oktober 2010 een e-mail aan [E] met onder meer de volgende inhoud:

“ [E] ,

Je vraag mbt gemaakte afspraken door [D]

(…)

Zijdens [bedrijfsnaam 1] in haar facturatie richting […] impliceert dit:

- Gewerkte uren per week (2 dagen , aaneengesloten ) plus 4 reisuren = aantal te declareren uren x E 165 , uitgedrukt in dagdelen

- Aantal km ‘s x E 0,40

- Verblijfskosten


Zijdens [G] in zijn facturatie richting [bedrijfsnaam 1] impliceert dit:

- Gewerkte uren plus alle reisuren x tarief ad E 130

- Reis - en verblijfskosten

De marge is alsdan ca 20% , hetgeen mi. uiterst schappelijk is.”


[bedrijfsnaam 3] heeft bij haar op schrift gestelde aangifte op 2 juli 2013 een onderzoeksrapport van [naam onderzoeksbureau] overgelegd, waarin een ongedateerde en ongetekende overeenkomst is opgenomen tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] . Uit deze overeenkomst blijkt dat de opdrachtnemer ( [bedrijfsnaam 1] ) per 1 september 2010 diensten zal verrichten. De opdracht zal namens de opdrachtnemer worden vervuld door [G] . De door [bedrijfsnaam 3] aan [bedrijfsnaam 1] verschuldigde vergoeding bedraagt € 165,- per uur (exclusief BTW). Ook reisuren kunnen in rekening worden gebracht.


[G] verklaart dat hij niet wilde dat er een contract opgesteld werd tussen [bedrijfsnaam 1] en zijn vennootschap, [bedrijfsnaam 9] BV. Een dergelijk contract is door de FIOD ook niet aangetroffen.


Betalingsafspraken [bedrijfsnaam 1] – [A]

In een opgestelde e-mail, ondertekend door [A] , is onder meer het volgende te lezen:

“ [D] ,

(…)

Voorts is mijn [bedrijfsnaam 1] - beteiligung uitgegroeid tot een full time job, kost ik [bedrijfsnaam 1] nog altijd (nagenoeg?) niets, maar breng via project […] additioneel zo’n E 350k - 400k (met veel inspannning) in het [bedrijfsnaam 1] -laatje

Status eind juli [D] , zeg het maar, maar wel ‘na verplaatsing in mijn schoenen’!”


[A] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze e-mail (voor 22 juli 2011) aan [D] heeft overhandigd.


Op 6 september 2011 wordt door [A] een e-mail gestuurd aan [D] . In deze e-mail staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

SAMENWERKING / SAMEN DELEN

1 / […] stelt zich 30 a 35 uur per week beschikbaar. Verdiencapaciteit voor [bedrijfsnaam 1] : minimaal 30 uur a E 250 = E 7.500 per week

2 / […] wordt ingezet voor externe en interne advisering / projectwerkzaamheden tbv [bedrijfsnaam 1] / [bedrijfsnaam 10] .

3 / […] is geen kostenpost; in concreto : wat ie kost, brengt ie op.

4 / Facts / Figures >> 2010: Opbrengsten (excl […] ) : E 202 K facturatie + Niet Gefactureerde Omzet aan [bedrijfsnaam 10] ad ??? (min 8 uur per week)

Kosten : 11 x E23

>> 2011/ 1e halfjr Opbrengsten (excl. […] ): E 96 K facturatie + Niet Gefactureerde Omzet aan [bedrijfsnaam 10] ad ??? (min 8 uur per week)

Conclusie: aan criterium 3/is voldaan: hij brengt tenminste op wat ie kost.

5 / Samen delen wordt eerst opportuun in geval de vennootschap ( exclusief de opbrengsten van […] ) presteert / beter presteert

[…] heeft alsdan geen rechten ! Het is aan de aandeelhouder / directie om […] al dan niet additioneel te belonen.


PROJECT […] ( en mogelijk in de toekomst soortgelijke ‘geschenken uit de hemel’)

A / SAMENWERKING

Er is feitelijk geen samenwerking in deze [bedrijfsnaam 1] verkrijgt ‘om niet de gehele opslag en heeft GEEN kosten ter zake

Note voorfinanciering is geen must Aldus heeft deze geste geen materiële grondslag in het kader van samenwerking

Note : schaduwmanagement is niet ondergebracht in de uren van […] die gekwalificeerd worden als: Niet Gefactureerde Omzet aan [bedrijfsnaam 10]

B / SAMEN DELEN

Onze afspraak ‘samen delen’ geldt voor mij onverminderd Het project is om die reden door mij , onverplicht! , ingebracht.

C / VOORSTEL NAV B/

[…] stuurt nota (‘s) aan [bedrijfsnaam 1] in bet kader van de verrekening van de afspraak Samen Delen.

Over 2010 stel ik voor om van de opbrengst ad E 115.000 mijn verkregen discount (zie Aannames , onder 3/) af te trekken en vervolgens te delen . Voor […] aldus: E 50 […]

Over het eerste halfjaar 2012 stel ik voor gelijk te delen , hetgeen resulteert in een bedrag ad E 85 […] .

(…)”


Op 10 april 2014 verklaart [D] dat [bedrijfsnaam 1] zonder [A] het project […] / [bedrijfsnaam 3] nooit zou hebben gehad en de mensen (de rechtbank begrijpt: [E] , [F] en [G]) niet had kunnen leveren. De vergoeding aan [A] na 1 juli 2011, zo verklaart [D] , is mede afhankelijk geweest van de gerealiseerde toegevoegde waarde van […] . De toegevoegde waarde van […] kwam in zijn geheel toe aan [bedrijfsnaam 1] . In september 2011 is met [A] afgesproken dat zijn vergoeding mede zou worden bepaald door de marge die werd gerealiseerd op […] . Het uitgangspunt was de marge die gerealiseerd werd vanaf de startdatum van het […] -project. Afgesproken werd dat [A] recht had op 50% van de marge vanaf de startdatum. Als het project doorliep zou [A] de marge voor 100% uitbetaald krijgen om de periode vanaf de start van het project tot 1 juli 2011 in te lopen. Als het verleden was ingehaald zou [A] een vergoeding van 50% van de toegevoegde waarde van het […] krijgen. Deze afspraak is, volgens [D] , gebaseerd op de e-mails die zijn genummerd als D -0067 en D -0068.


Door [veroordeelde] BV zijn de hieronder weergegeven facturen gestuurd aan [bedrijfsnaam 1] . Op de bankafschriften is te zien dat de bedragen met betrekking tot deze facturen inzake projectondersteuning en compensatie-uren [bedrijfsnaam 10] & [bedrijfsnaam 1] ook daadwerkelijk door [veroordeelde] ontvangen zijn.


Nummer Omschrijving Factuurdatum Bedrag (excl. BTW) Betaaldatum
D -0101 Projectondersteuning 17-10-2011 € 62.500,- 3-11-2011
D -0102 Projectondersteuning 16-1-2012 € 42.250,- 31-1-2012
D -0103 Projectondersteuning 16-1-2012 € 42.250,- 31-1-2012
D -0104 Projectondersteuning/bonus 15-4-2012 € 25.000,- 27-4-2012
D -0105 Projectondersteuning/bonus 15-4-2012 € 25.000,- 27-4-2012
D -0106 Projectondersteuning/bonus 15-4-2012 € 26.200,- 27-4-2012
D -0107 Projectondersteuning/bonus 6-7-2012 € 65.791,- 19-7-2012
D -0108 Compensatie uren indirecte dienstverlening aan [bedrijfsnaam 10] […] & [bedrijfsnaam 1] 10-10-2012 € 28.375,- 23-10-2012
D -0109 Compensatie uren dienstverlening aan [bedrijfsnaam 10] […] & [bedrijfsnaam 1] gedurende 4e kwartaal van 2012 8-2-2013 € 29.735,- 25-2-2013


[N] , die in de periode van 2009-2012 de administratie van [bedrijfsnaam 1] voerde, verklaart dat hij de facturen D -0101 tot en met D -0109 aangeleverd kreeg via [A] (de rechtbank begrijpt: [A]) en dat deze facturen betrekking hebben op de 50% […] -marge.


Aan de hand van de cijfers uit de financiële administratie is de marge van [bedrijfsnaam 1] berekend. De omzet van [bedrijfsnaam 1] met betrekking tot de detachering van [E] , [F] en [G] bedraagt over de periode 2010 tot en met 2012 € 2.937.286,-. Door [bedrijfsnaam 1] is in deze periode een bedrag van € 2.242.431,- uitbetaald aan de vennootschappen van [E] , [F] en [G] . De marge op de verhuur van de hiervoor genoemde personen bedraagt daarmee € 694.855,-.


Het totale bedrag van de facturen D -0101 tot en met D -0109 bedraagt € 347.101,- (exclusief BTW). De facturen zijn in de administratie van [veroordeelde] opgenomen.


[A] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de betalingen die hij ontving op grond van de facturen D -0101 tot en met D -0109 niet heeft gemeld aan [bedrijfsnaam 3] .









Feitencomplex [bedrijfsnaam 2]

Betrokkenheid rechtspersonen

[A] is sinds de eerste inschrijving in het handelsregister, 3 juli 1989, enig aandeelhouder en bestuurder van [veroordeelde] . De vennootschap is gevestigd in [vestigingsplaats] .


Op 18 mei 2010 sluit [bedrijfsnaam 3] , vertegenwoordigd door de heer [B] en [C] , een overeenkomst van opdracht met [veroordeelde] , vertegenwoordigd door [A] . De overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en vangt aan op 3 mei 2010.


[A] verklaart op 11 april 2013 in het interview met het onderzoeksbureau [naam onderzoeksbureau] dat er met hem geen specifiek contract is afgesloten voor zijn werkzaamheden ten behoeve van het project [naam project] . De bestaande overeenkomst tussen [veroordeelde] / [A] en [bedrijfsnaam 3] van mei 2010 was bij doorbelasting van de gemaakte uren de drager van de factuur. Verder verklaart [A] dat [B] hem, als beoogd assetmanager van [naam project] , vroeg uit te zien naar ‘zijn rechterhand’ in deze.


[bedrijfsnaam 2] BV (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) is opgericht op 1 april 2008. Vanaf 20 mei 2010 is [bedrijfsnaam 12] BV enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 2] . [H] is sinds de oprichting van [bedrijfsnaam 12] BV op 20 maart 2008 bestuurder en enig aandeelhouder van deze vennootschap.


Op 8 augustus 2011 stuurt [A] een e-mail aan [H] (de rechtbank begrijpt: waarin [A] een concepttekst voorstelt van een bericht van [H] namens [bedrijfsnaam 2] aan [bedrijfsnaam 3]), met onder meer de volgende inhoud:

“ [bedrijfsnaam 2] verzorgt voor haar opdrachtgevers de vertrouwelijke werving & selectie van ervaren financiële professionals, zowel voor vaste als interim opdrachten.

(…)

In samenspraak met de heer [A] zijn aan de hand van de door hem aangegeven specificaties een aantal kandidaten geselecteerd.

(…)

Begeleidend briefje.


Geachte heren [B] en [I]

Recent heeft de heer [A] , u bekend, [bedrijfsnaam 2] / mij gevraagd om de werving en selectie van een aantal financials te begeleiden in het kader van de door [bedrijfsnaam 3] gewenste ondersteuning bij een aantal onroerend goed - projecten.


Bijgesloten treft u de resultante van mijn / onze werkzaamheden in dit kader aan.


Vanuit het oogpunt van compliance merk ik op, dat [bedrijfsnaam 2] onafhankelijk is van [bedrijfsnaam 1] . [bedrijfsnaam 1] is in voorkomende gevallen opdrachtgever, zie hiertoe ondermeer de website van [bedrijfsnaam 2] . Zulks is in onderhavige situatie niet het geval.


De heer [A] heeft geen belang in [bedrijfsnaam 2] BV.


Graag verneem ik eerdaags uw reactie.


Met vriendelijke groet,


[H]

Directeur [bedrijfsnaam 2] etc”


[K]

Op 30 juli 2011 stuurt [H] een e-mail aan de heer [J] . In deze e-mail staat onder meer het volgende vermeld:

“Geachte heer [J] ,

Via [A] kreeg ik het CV door van [K] . Aangezien wij - [bedrijfsnaam 2] - alle werving & selectie voor [bedrijfsnaam 1] in beheer hebben, heb ik contact gezocht met [K] .

(…)

Komende maandag om 16.00 uur hebben wij - [A] en ik - een intakegesprek met [K] . Ik zal u informeren over het verloop van de procedure.”


Op 9 augustus 2011 ontvangt [H] een e-mail van [A] . De inhoud van deze e‑mail is als volgt:

“Wat is gebruikelijke opslag, zo'n 20 %?

Dealen met de kandidaat is een apart hoofdstuk.

Ik denk aan

[voornaam] 900

(…)

Voor 10 uur = 2 dagdelen van 5 uur

Reisuren, onderhandelingsruimte !


Met vriendelijke groet,


[A] ”


Tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 2] , vertegenwoordigd oor [H] , wordt een overeenkomst van opdracht gesloten. De opdracht vangt aan op 1 juni 2012, geldt voor de duur van 6 maanden en zal namens de opdrachtnemer worden vervuld door [K] . De vergoeding bedraagt € 1.200,- per dag van 10 werkuren of € 120,- per uur, exclusief BTW. Reisuren kunnen in rekening worden gebracht tegen een vergoeding van € 120,- per uur met een maximum van € 240 per dag.


[bedrijfsnaam 2] sluit een overeenkomst van opdracht met [bedrijfsnaam 13] , vertegenwoordigd door [K] . De overeenkomst houdt in dat [K] voor [bedrijfsnaam 3] binnen de afdeling […] verschillende projecten zal behandelen. De overeenkomst vangt aan op 1 juni 2012. De vergoeding bedraagt € 900,- per dag van 10 werkuren of € 120,- per uur, exclusief BTW. Reisuren kunnen in rekening worden gebracht tegen een vergoeding van € 60,- per uur met een maximum van € 120,- per dag.


Verdeling [bedrijfsnaam 3] -marge

Op 27 oktober 2011 reageert [A] op een e-mail van [H] , waarin [H] onder meer de omzet over oktober en november meedeelt (de rechtbank begrijpt dat de reacties op de omzet met betrekking tot [bedrijfsnaam 3] van [A] afkomstig zijn).

“ [bedrijfsnaam 3] : € 1.800,- ?? [6 wachtdagen = € 1.800 + eventueel daadwerkelijk gewerkte uren] Ik reken die nu “mee”, maar die gaan we nog delen met [L] - [M]


November:

(…)

[bedrijfsnaam 3] : ???? [3 dagen / week in november = +/- €4.200,- omzet [bedrijfsnaam 2] ] [Ik reken die nu “mee”, maar die gaan we nog delen met [L] - [M] !!]


IDEE SEPTEMBER / OKTOBER [bedrijfsnaam 3] BLIJFT VOOR JOU VANAF NOVEMBER [L] - [M] DELING”


Op een vraag van de verbalisant wie [A] bedoelt met “ [L en M] ”, heeft [A] geantwoord dat hij daar [L] en [M] mee bedoelt (de rechtbank begrijpt: zijn kinderen [L] en [M]).


In november 2011 declareert [K] 12 wachtdagen van € 900,- per dag bij [bedrijfsnaam 2] . [bedrijfsnaam 2] declareert 17 wachtdagen van € 1.200,- per dag bij [bedrijfsnaam 3] . In een e-mailbericht van 30 november 2011 laat [A] aan [H] het volgende weten:

“oktober [L] en [M] nog te goed E 1000 de neus

november in: 17 x 1200 uit 12 x 900 restant E 9600

verdeling; kantoorkosten [bedrijfsnaam 2] E 600

restant E 9000 >> [L] en [M] E 3600 , […] 1800

okay?

Met vriendelijke groet,

[A] ”

[A] heeft verklaard dat met [L] , [M] en [H] respectievelijk [L] , [M] en [H] worden bedoeld.


Op 18 februari 2012 wordt door [A] een e-mail gestuurd aan zijn dochter [M] . Hij schrijft daarin onder meer het volgende:

“na aftrek van jouw januari factuur resteert er in jouw deel van het fonds E 7100 excl btw

het fonds wordt maandelijks gevoed door onze gezamenlijke inspanningen om mensen te detacheren dus per einde februari kun je weer factureren, E 2500 excl Btw

jouw deelfonds bedraagt dan E 7100 -/- E 2500 +/+ E aangroei februari (geschat op ca E 2000)

je bent uiteraard vrij in het bedrag dat je over februari factureert. maw als je minder wilt factureren, is jouw deelfonds per einde februari groter”.


Op 9 april 2012 stuurt [A] een e-mail naar zijn dochters [L] en [M] en CC aan [H] :

“Jongedames,

De pot bedraagt, voor elk, E 9.100 per 1/4

ps

[voornaam] , dit impliceert een verdeling van de E 7300 van E 3250, E 3250 en E 800. Eens?”


Op het bedrijfsadres van [bedrijfsnaam 2] , aan de [straatnaam] in [vestigingsplaats] , is op een externe harddisk een spreadsheetoverzicht aangetroffen. Eén van de blokken in het overzicht betreft ‘Additioneel’ en heeft twee kolommen getiteld ‘ [L] ’ en ‘ [M] ’. De bedragen die door [A] worden genoemd in relatie tot het fonds/de pot in zijn e-mailwisseling aan [H] en zijn dochters sluiten aan bij de bedragen in het spreadsheetoverzicht. In het spreadsheet is te zien dat er in de periode van januari 2012 tot en met augustus 2012 maandelijks een bedrag van € 2.500,- is betaald aan zowel [L] als [M] .


Op 10 september 2012 stuurt [H] aan [A] per e-mail het volgende:

“ [voornaam] ,

Met betrekking tot augustus, te verdelen:

[K] : € 9.270,00

Payrolldiensten NB: € 2.498,54

Werving & Selectie NB: € 0,00

Totaal te verdelen in augustus: € 11.768,54”

[A] reageert hierop met de vraag: “wat stel jij mij / ons als verdeling voor?”. [H] antwoordt dan in zijn e-mail van 11 september 2012:

“Verdeling:

Je weet dat ik altijd akkoord ga met wat je voorstelt, maar dat is misschien te makkelijk geredeneerd. Hier enkele opties: (…)”


In de periode van januari 2012 tot en met december 2012 wordt door [bedrijfsnaam 2] maandelijks een bedrag van € 2.500,- overgemaakt aan [veroordeelde] . In de voornoemde periode wordt in totaal € 30.000,- (exclusief BTW) aan [veroordeelde] overgemaakt. De laatste betaling vindt plaats op 1 januari 2013. De omschrijving op de onderliggende facturen betreffen “Ondersteuning […] - […] ”.


[veroordeelde] maakt in de periode van 27 januari 2012 tot en met 31 juli 2013 diverse geldbedragen over aan [L] onder de vermelding van (onder meer) “salaris”. In totaal wordt in deze periode een bedrag van € 33.867,30 aan haar overgemaakt.


1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende FIOD-dossier, nummer 52396, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (onderzoek […] , inhoudende 14 ordners, inclusief origineel BOB-dossier). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. AH staat voor ambtshandeling, ZPV staat voor zaaksproces-verbaal, V staat voor proces-verbaal van verhoor verdachte en G staat voor proces-verbaal verhoor getuige. Waar wordt verwezen naar D betreft het andere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafvordering.
2 D -0024
3 D -0013
4 AH-033, pagina 5
5 D -0026
6 D -0047
7 D -0076
8 D -0031
9 D -0015
10 G09-001, pagina 5
11 G09-001, pagina 6
12 D -0018
13 D -0017
14 G-08-001, pagina 2
15 D -0168
16 D -0016
17 G08-001, pagina 4
18 AH-034, pagina 20
19 D -0067
20 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 maart 2017.
21 D -0068
22 V06-03, pagina 2
23 V06-03, pagina 3
24 AH-031, pagina 15
25 AH-031, pagina 16
26 D -0547
27 G12-01, pagina 3 en pagina 4
28 G12-01, pagina 15
29 AH-031, pagina 17
30 ZPV-07, pagina 5
31 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 maart 2017.
32 D -0024
33 D -0013
34 D -0004, pagina 6 van 12
35 D -0025
36 D -0046
37 D -0116a
38 D -0330
39 D -0311
40 D -0019
41 D -0481
42 D -0302
43 V02-04, pagina 12
44 D -0319
45 D -0323
46 D -0303
47 V02-04, pagina 8
48 D -0449
49 D -0401
50 AH-035, pagina 22
51 AH-035, pagina 23
52 D -0312
53 AH-045, pagina 7 en 8
54 AH-045, pagina 11