Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2017 / UTR 16/2917


ECLI:NL:RBMNE:2017:2535

Inhoudsindicatie
MK. Loonsanctie: onvoldoende inspanningen in spoor 1. Voldoende procesbelang. Zorgvuldigheidsgebrek mbt horen met art. 6:22 gepasseerd. Medisch onderzoek zorgvuldig en niet onjuist. Geen deugdelijke grond. Loonsanctie terecht. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-16
Publicatiedatum
2017-05-29
Zaaknummer
UTR 16/2917
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/2917


uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2017 in de zaak tussen
Accountants voor de Gezondheidszorg B.V., te Utrecht, eiseres

(gemachtigde: mr. S.J.E. Loontjens),


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: A. Anandbahadoer).


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats]



Procesverloop


Bij besluit van 23 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het tijdvak waarin werknemer, [derde-partij] (werknemer), jegens eiseres als zijn werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken, tot 30 januari 2017 (loonsanctie) en de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van werknemer daarom niet in behandeling wordt genomen.


Bij besluit van 30 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Werknemer heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan eiseres, zijn voormalige werkgever. De rechtbank heeft bepaald dat kennisneming van de medische stukken uitsluitend wordt toegestaan aan de door eiseres ingeschakelde gemachtigde, die advocaat is.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2017. Namens eiseres zijn [A] en [B] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is, met bericht van verhindering, niet verschenen.





Overwegingen


1. Zoals hiervoor is vermeld, heeft werknemer geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met zijn voormalige werkgever, eiseres. Om te voorkomen dat deze gegevens alsnog bij eiseres bekend raken, wordt het vermelden van medische gegevens hieronder zo veel als mogelijk vermeden.


2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Werknemer is op 3 februari 2014 uitgevallen voor zijn werk als accountant bij eiseres voor 32 uur per week, vanwege medische klachten. Op 15 april 2015 heeft werknemer een deskundigenoordeel bij verweerder aangevraagd. De verzekeringsarts, [C] , heeft in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 19 mei 2015 geconcludeerd dat werknemer meer beperkt is dan de bedrijfsarts van eiseres heeft aangenomen en dat hij met zijn beperkingen ongeveer 20 uur per week kan werken. De arbeidsdeskundige, [D] , heeft in zijn rapportage van 13 mei 2015 geconcludeerd dat het binnen de eigen organisatie van eiseres aangeboden werk (spoor 1) niet passend is, omdat de door de verzekeringsarts aangenomen belastbaarheid van werknemer op een aantal punten wordt overschreden. Op 10 september 2015 is werknemer opnieuw volledig uitgevallen vanwege medische klachten. Op 26 oktober 2015 heeft werknemer een WIA-uitkering aangevraagd. Vervolgens heeft verweerder de onder ‘procesverloop’ vermelde besluiten genomen. Verweerder heeft zich hiervoor gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapportages.


3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opgelegde loonsanctie gehandhaafd, omdat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen in spoor 1 heeft verricht en daarmee niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen.


4. Eiseres heeft nadien een verzoek gedaan tot verkorting van de periode van loondoorbetaling. Bij besluit van 14 juli 2016 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen, omdat de tekortkomingen in de re-integratieverplichtingen niet zijn hersteld. Hoewel spoor 1 inmiddels voldoende is onderzocht, zijn er volgens dit besluit nog tekortkomingen in spoor 2 (werk buiten de eigen organisatie).

Verweerder heeft onder verwijzing naar dit besluit het procesbelang van eiseres in onderhavige procedure ter discussie gesteld. Verweerder voert aan dat eiseres geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 14 juli 2016, zodat inmiddels vaststaat dat zij ook in spoor 2 onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Hierdoor is het belang van eiseres bij een oordeel over de inspanningen van eiseres in spoor 1 komen te vervallen.


5. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiseres geen procesbelang meer heeft. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) - bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM1179 - volgt dat sprake is van voldoende procesbelang, indien het resultaat dat met het beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren daarvan voor de indiener van het beroep feitelijke betekenis kan hebben. In het hier aan de orde zijnde bestreden besluit heeft verweerder de opgelegde loonsanctie gehandhaafd, wegens tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen in spoor 1. Als de opgelegde loonsanctie op deze grondslag geen stand houdt, dan dient verweerder alsnog te beoordelen of eiseres vóór het einde van de wachttijd – 31 januari 2016 – voldoende re-integratie-inspanningen in spoor 2 heeft verricht. Nu van een werkgever in spoor 2 andere inspanningen worden verwacht dan in spoor 1 en verweerder aan deze beoordeling in het bestreden besluit niet is toegekomen en niet zonder meer is uitgesloten dat de uitkomst van deze beoordeling voor eiseres positief zou kunnen zijn, is de rechtbank van oordeel dat eiseres voldoende procesbelang heeft. Daarbij is ook van belang dat verweerder in het besluit van 14 juli 2016 heeft beoordeeld of eiseres op dat moment voldoende re-integratie-inspanningen in spoor 2 heeft verricht. Die beoordeling ziet dus niet op de periode tot het einde van de wachttijd.


6. Eiseres voert aan dat verweerder in de bezwaarprocedure onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat onvoldoende hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden. Omdat werknemer niet aanwezig was bij de geplande hoorzitting is hij later alsnog opgeroepen voor het spreekuur bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daarbij was ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aanwezig, maar eiseres niet. Eiseres heeft geen kennis kunnen nemen van de negatieve uitlatingen die werknemer over haar heeft gedaan tijdens de onderzoeken en zij heeft hierop niet kunnen reageren, omdat hiervan geen verslag is gemaakt.

Daarnaast voert eiseres aan dat het verslag van de hoorzitting, waarbij zij wel aanwezig was, niet volledig is en het een belangrijke nuance mist. Op de hoorzitting is uitvoerig gesproken over de diverse pogingen van eiseres om aan het deskundigenoordeel tegemoet te komen, maar dat leest zij niet terug in het verslag.


7. De rechtbank stelt vast dat verweerder zowel eiseres als werknemer bij brief van 9 maart 2016 heeft uitgenodigd voor een hoorzitting op 18 april 2016. Werknemer heeft per e‑mail van 23 maart 2016 aan verweerder laten weten dat hij van de mogelijkheid te worden gehoord geen gebruik maakt, omdat het bijwonen van de hoorzitting te belastend is. Hij heeft verweerder verzocht om hem achteraf in de gelegenheid te stellen om te reageren op het verslag van de hoorzitting. Vervolgens heeft verweerder werknemer in de gelegenheid gesteld om telefonisch deel te nemen aan de hoorzitting. Ook van deze mogelijkheid heeft werknemer geen gebruik gemaakt. Op 18 april 2016 is de gemachtigde van eiseres verschenen op de hoorzitting, waarvan een verslag is gemaakt. Daarbij was tevens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, [E] , aanwezig. Bij brief van 19 april 2016 heeft verweerder het verslag van de hoorzitting aan werknemer toegezonden, die daarop bij brief van 20 april 2016 schriftelijk heeft gereageerd.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft werknemer vervolgens opgeroepen voor het spreekuur op 9 mei 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep was ook op het spreekuur aanwezig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben in hun rapportages van 9 mei 2016 en 25 mei 2016 kort weergegeven wat zij met werknemer hebben besproken.


7.1

De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onvoldoende hoor en wederhoor heeft toegepast. De rechtbank overweegt in dit verband dat – zoals de CRvB in bijvoorbeeld de uitspraak van 13 september 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR2641 heeft overwogen – de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts bepaalt dat van het horen verslag wordt opgemaakt en dat een nadere precisering van hetgeen een verslag moet inhouden ontbreekt. Het ligt in de rede aan te nemen dat in het verslag kan worden volstaan met een beknopte, zakelijke vermelding van hetgeen tijdens de hoorzitting met betrekking tot de zaak is betoogd. Niet kan worden geëist dat het verslag een woordelijke weergave inhoudt van al hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat de verslaglegging te beknopt is omdat op de hoorzitting zeer uitvoerig over bepaalde onderwerpen is gesproken, slaagt dit betoog dus niet.


7.2

De rechtbank overweegt verder dat belanghebbenden op grond van artikel 7:6, tweede lid, van de Awb onder bepaalde omstandigheden ambtshalve of op verzoek afzonderlijk kunnen worden gehoord. In dit geval bestond in redelijkheid aanleiding om werknemer, in het kader van een zorgvuldige heroverweging in bezwaar, afzonderlijk uit te nodigen voor het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is conform het bepaalde in artikel 7:6, derde lid, van de Awb kort en zakelijk weergegeven wat er met werknemer is besproken. Hoewel het niet zorgvuldig is dat deze rapportages niet aan de daartoe gemachtigde van eiseres zijn toegezonden voordat de bestreden besluitvorming heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Daarbij betrekt de rechtbank dat werknemer als derde-partij in de bezwaarprocedure is betrokken en niet zelfstandig bezwaar heeft gemaakt. Hij heeft tijdens de gesprekken met de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep – zoals verweerder in beroep heeft benadrukt – enkel de gelegenheid gekregen om te reageren op de bezwaargronden en argumenten van eiseres, maar hij heeft zelf geen gronden mogen inbrengen. Eiseres heeft via haar gemachtigde in beroep kennisgenomen van de betreffende rapporten, waarmee het zorgvuldigheidsgebrek is gerepareerd. Nu de rechtbank verder ook geen concrete aanknopingspunten ziet voor het oordeel dat verweerder aan bepaalde uitlatingen van werknemer ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend, ziet de rechtbank aanleiding het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De beroepsgrond slaagt niet.


8. Voor werknemers die een aanvraag indienen voor een WIA-uitkering wordt voorafgaand aan de beoordeling van het recht op uitkering door verweerder eerst de zogenoemde Poortwachterstoets uitgevoerd. De grondslag voor deze toets is onder meer te vinden in de artikelen 7:658a en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA.


Artikel 25 van de Wet WIA heeft betrekking op de re-integratieverplichtingen van de werkgever. In het negende lid van dit artikel is, kort samengevat, bepaald dat verweerder het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.


Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt, voor zover hier van belang, dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.


Verweerder heeft het kader dat wordt gehanteerd bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen uiteengezet in de ‘Beleidsregels beoordelingskader poortwachter’ (Besluit van 3 december 2002, Stcrt 2002, 236, zoals nadien gewijzigd) (de Beleidsregels).


In de Beleidsregels staat het met de re-integratie bereikte resultaat voorop. Een bevredigend resultaat is voldoende. Hiervan is in beginsel sprake wanneer de werknemer (gedeeltelijk) hervat heeft in structureel werk dat min of meer aansluit bij zijn resterende functionele mogelijkheden. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, maar worden de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende geacht dan wordt evenmin een loonsanctie opgelegd. Ten slotte wordt ook afgezien van het opleggen van een loonsanctie in het geval sprake is van onvoldoende inspanningen, mits de werkgever daar een deugdelijke grond voor heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.


9. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat werknemer aan het einde van de wachttijd, 31 januari 2016, over functionele mogelijkheden beschikte. Het geschil spitst zich in eerste instantie toe op de vraag voor hoeveel uur per week werknemer kon re-integreren.


10. Eiseres heeft ter zitting betoogd dat werknemer vanaf half december 2015, nadat hij na de tweede volledige uitval in september 2015 weer belastbaar was, conform het advies van de bedrijfsarts voor 8 uur per week vanuit huis werkzaamheden verrichtte en dat daarmee sprake was van een bevredigend resultaat.


11. De rechtbank overweegt dat, voor zover gelet op wat hierna nog wordt overwogen bij een werkweek van 8 uur al zou moeten worden uitgegaan van een bevredigend resultaat, eiseres geen bewijsstukken of andere informatie heeft aangedragen ter onderbouwing van haar stelling. Ook uit het arbeidsdeskundig rapport van Elabo, dat eiseres in bezwaar heeft ingebracht, blijkt niet dat werknemer in de periode tussen 10 september 2015 en 31 januari 2016 (einde wachttijd) werkte, maar juist het tegendeel, zodat de rechtbank eiseres niet kan volgen in haar stelling. De rechtbank stelt daarom vast dat met de re‑integratie van werknemer geen bevredigend resultaat is bereikt, omdat niet is gebleken dat hij voor het einde van de wachttijd heeft hervat in (structureel) werk. De beroepsgrond slaagt niet.


12. Nu vast staat dat geen sprake is van een bevredigend resultaat, zal de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden vervolgens beoordelen of verweerder terecht de re-integratie-inspanningen van eiseres in spoor 1 onvoldoende heeft geacht, zonder dat daarvoor een deugdelijke grond bestaat. Aangezien het besluit tot oplegging van een loonsanctie een ambtshalve genomen belastend besluit is, is het aan verweerder om voldoende aannemelijk te maken dat eiseres zich zonder deugdelijke grond onvoldoende heeft ingespannen. De rechtbank verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar de uitspraak van de CRvB van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717.


13. Eiseres voert aan dat de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat werknemer vanaf 8 december 2015 voor 12 uur per week belastbaar is, niet juist is dan wel onvoldoende gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft weliswaar een verdergaande urenbeperking aangenomen dan de door de primaire verzekeringsarts aangenomen 20 uur per week, maar hij heeft niet gemotiveerd hoe hij tot deze beperking is gekomen en hij is daarbij ten onrechte en ongemotiveerd afgeweken van het advies van de bedrijfsarts, die heeft geconcludeerd dat werknemer op dat moment slechts in staat was om 8 uur per week te re-integreren. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt een rapportage van 24 augustus 2016 van arts [F] overgelegd en stelt dat de urenbeperking van 12 uur in bezwaar in strijd met het zorgvuldigheids, motiverings- en evenredigheidsbeginsel is aangenomen.


14. De primaire verzekeringsarts, [C] , heeft werknemer gezien op het spreekuur en zijn bevindingen vastgelegd in de rapportage van 11 december 2015. Hij heeft de beperkingen van werknemer vastgelegd in de functionelemogelijkhedenlijst (FML) van 28 december 2015.


De verzekeringsarts bezwaar en beroep, [G] , heeft blijkens de rapportage van 19 mei 2016 werknemer gezien op het spreekuur, dossierstudie verricht en – onder meer – informatie van de bedrijfsarts verkregen. Hij heeft aanleiding gezien de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FML op een aantal punten aan te vullen, waarbij hij een splitsing heeft gemaakt tussen de periode van mei tot en met september 2015 (na het deskundigenoordeel en tot het moment waarop werknemer opnieuw volledig is uitgevallen) en de periode vanaf 8 december 2015 (het moment waarop werknemer na de tweede uitval weer arbeidsmogelijkheden had). Dit heeft hij vastgelegd in twee aparte FML’s van 19 mei 2016. Voor de periode van mei tot en met september 2015 heeft hij toegelicht dat hij zich kan vinden in de door de primaire verzekeringsarts aangenomen urenbeperking, conform het deskundigenoordeel, voor 6 uur per dag en 20 uur per week. Voor de periode na de tweede uitval van werknemer heeft hij vanwege energetische redenen aanleiding gezien om vanaf 8 december 2015 een verdergaande urenbeperking aan te nemen tot 12 uur per week, omdat werknemer op dat moment deelnam aan een revalidatietraject.


In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullende rapportage van

26 augustus 2016 gespecificeerd hoe hij in zijn rapportage van 19 mei 2016 tot de vastgestelde belastbaarheid van 12 uur per week is gekomen, zijnde drie dagen van 4 uur, omdat werknemer twee dagen per week revalideert. Tevens heeft hij toegelicht dat hij geen medische onderbouwing heeft gezien voor een verdergaande urenbeperking tot 8 uur per week.


15. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beoordeling onzorgvuldig of onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft werknemer gezien, de beschikbare medische informatie betrokken en zijn bevindingen inzichtelijk gemotiveerd in de rapportage 19 mei 2016. Hij heeft naar het oordeel van de rechtbank in deze rapportage – gelezen in samenhang met de aanvullende rapportage in beroep van 26 augustus 2016 – voldoende inzichtelijk gemotiveerd hoe hij tot de urenbeperking van 12 uur per week is gekomen. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de rapportages tegenstrijdigheden bevatten. De rechtbank overweegt voorts dat uit vaste rechtspraak van de CRvB, bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3713, volgt dat het de specifieke taak van de verzekeringsarts is om de beperkingen van een verzekerde in kaart te brengen en dat de verzekeringsarts daarbij niet gehouden is tot een bijzondere motivering in het geval deze vastlegging een andere uitkomst heeft dan die door de bedrijfsarts. De enkele omstandigheid dat de bedrijfsarts van eiseres tot een urenbeperking van 8 uur per week is gekomen, leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Daarnaast heeft eiseres in beroep geen medische onderbouwing overgelegd die leidt tot twijfel over de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de door eiseres overgelegde rapportage van 24 augustus 2016 van arts [F] ziet de rechtbank daarvoor geen aanknopingspunten, omdat het rapport vooral arbeidskundige gronden bevat en het standpunt dat werknemer in december 2015 maximaal 8 uur per week belastbaar is niet is onderbouwd of gespecificeerd. Overigens is hiervoor al vastgesteld dat werknemer in die periode ook niet voor 8 uur per week werkzaam was. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de medische beoordeling in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen of dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. In zoverre slaagt het beroep niet.


16. Eiseres voert verder aan dat het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 1, niet correct is. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij naar de door haar reeds in bezwaar overgelegde arbeidsdeskundige rapportage van Elabo, waaruit blijkt dat er geen re-integratiemogelijkheden meer waren in spoor 1. Eiseres heeft dus wel voldaan aan haar verplichtingen. Het rapport van Elabo vermeldt als verslagdatum weliswaar “27 -01-2016, herzien 04-03-2016”, maar eiseres benadrukt dat het rapport betrekking heeft op de inspanningen die zij vóór afloop van de wachttijd op 31 januari 2016 heeft verricht. Verweerder had de inhoud van het rapport gelet op artikel 7:11 van de Awb bij de heroverweging moeten betrekken en heeft dit ten onrechte niet gedaan. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar uitspraken van de CRvB van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3338 en van 25 juni 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI0054.


17. De primaire arbeidsdeskundige, [H] , heeft in zijn rapportage van 22 december 2015 geconcludeerd dat eiseres het verkeerde aan re-integratie heeft gedaan, omdat zij een concrete herplaatsingskans in spoor 1 voorbij heeft laten gaan door verkeerd te zoeken en door te vroeg te starten in spoor 2. Hij heeft zich hierbij mede gebaseerd op telefonische gesprekken met de HR-specialist van eiseres, [B] , en manager [A] en een (eerdere) arbeidsdeskundige rapportage van Elabo van 16 maart 2015, waarin is bevestigd dat te weinig is ingezet in spoor 1.


De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, [E] , heeft in zijn rapportage van 25 mei 2016 geconcludeerd dat hij geen reden ziet om af te wijken van de primaire arbeidsdeskundige beoordeling. Hij heeft toegelicht dat van eiseres verwacht mag worden dat zij na het deskundigenoordeel van 13 mei 2015 maatregelen zou treffen om het aangeboden werk binnen de eigen organisatie in overeenstemming te brengen met de vastgestelde beperkingen van werknemer, dan wel te onderzoeken of dit structureel mogelijk is. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat eiseres een aantal maatregelen heeft getroffen, maar dat de knelpunten hiermee niet zijn opgelost. Hij heeft geconcludeerd dat eiseres heeft nagelaten vervolgstappen te ondernemen, zodat onvoldoende duidelijk is geworden wat de (on)mogelijkheden zijn geweest in spoor 1 en er mogelijke re-integratiekansen zijn gemist. Tijdens de bezwaarprocedure zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden ingebracht die aanleiding geven tot het intrekken van de loonsanctie. Over de in bezwaar overgelegde arbeidsdeskundige rapportage van Elabo van 4 maart 2016, heeft hij opgemerkt dat eiseres op basis daarvan een verkortingsverzoek kan indienen.


In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een aanvullende arbeidsdeskundige rapportage van 15 september 2016 toegelicht dat het arbeidsdeskundig rapport van Elabo - anders dan eiseres stelt - niet op 27 januari 2016 gereed was, omdat het rapport op 4 maart 2016 nog is herzien. Het voorgaande rapport van 27 januari 2016 kent hij niet. Hij heeft geconcludeerd dat het arbeidsdeskundig onderzoek van Elabo niet vóór het einde van de wachttijd was afgerond, zodat het rapport niet inhoudelijk is betrokken in de beoordeling over de re-integratie-inspanningen voor afloop van de wachttijd.


18. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:BL9850, volgt dat het systeem van de huidige regeling met betrekking tot het opleggen van een loonsanctie, zoals opgenomen in artikel 25 van de Wet WIA meebrengt dat verweerder de activiteiten die hebben plaatsgevonden ten behoeve van re-integratie in de periode vanaf de eerste ziektedag tot de datum van het primaire besluit toetst en dat daarna verrichte activiteiten aan de orde komen in het kader van de beoordeling van een melding van herstel van de eerder geconstateerde nalatigheid.


19. Gelet op het voorgaande heeft verweerder dus primair moeten beoordelen of eiseres in de periode gedurende de wachttijd voldoende inspanningen heeft verricht om werknemer te laten re-integreren. Daarvoor is naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat eiseres in ieder geval vóór afloop van de wachttijd in een re-integratieverslag inzichtelijk heeft gemaakt welke inspanningen zij heeft verricht. Eiseres is daarin niet geslaagd. Het had op haar weg gelegen hiertoe gerichte inspanningen te verrichten en de verslaglegging daarvan tijdig, dus vóór afloop van de wachttijd, bij verweerder aan te leveren. Eiseres heeft voorafgaand aan het primaire besluit van verweerder geen verslagen overgelegd waaruit blijkt dat in de periode na 13 mei 2015 (na het deskundigenoordeel) èn na 8 december 2015 (de hernieuwde belastbaarheid van werknemer na uitval) sprake was van voldoende re-integratie-inspanningen. Eerst hangende bezwaar heeft eiseres de arbeidsdeskundige rapportage van Elabo aan verweerder doen toekomen.


19.1

De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 7:11 van de Awb heeft gehandeld door het rapport van Elabo niet inhoudelijk te betrekken in de heroverweging van het primaire besluit tot het opleggen van de loonsanctie. Verweerder heeft in zijn schriftelijke reactie van

21 maart 2017 terecht verwezen naar de arbeidsdeskundige beoordeling van 14 juli 2016 in het kader van het verkortingsverzoek. Hierin heeft de arbeidsdeskundige gemotiveerd dat het rapport van Elabo niet ziet op de inspanningen die eiseres in de periode voor afloop van de wachttijd heeft verricht, maar dat pas op 6 juli 2016 duidelijk is geworden dat de mogelijkheden in spoor 1 volledig zijn onderzocht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat het rapport van Elabo niet is te relateren aan de periode vanaf de eerste ziektedag tot 31 januari 2016, zodat verweerder in het kader van heroverweging van de opgelegde loonsanctie voorbij kon gaan aan de inhoud van dit rapport. De beroepsgrond slaagt niet.


20. De rechtbank is, gelet op het voorgaande van oordeel, dat de bestreden besluitvorming ook op een deugdelijke arbeidsdeskundige grondslag berust. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht in spoor 1.


21. Eiseres voert verder aan dat zij wordt afgerekend op een marginaal verschil tussen de beoordeling van de bedrijfsarts en die van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over het aantal uren dat werknemer in december 2015 geacht wordt te kunnen werken, namelijk 8 of 12 uur per week. Het met het bestreden besluit te dienen doel, dat eiseres zich inspant voor 4 uur meer per week aan re-integratie door de werknemer, weegt niet op tegen de nadelige gevolgen van de loondoorbetalingsverplichting. Deze omstandigheid vormt in combinatie met het gegeven dat de re-integratie van werknemer na de tweede uitval is belemmerd een deugdelijke grond voor het niet slagen van de re-integratie-inspanningen.


22. Dit betoog van eiseres treft geen doel. De rechtbank heeft onder 11. immers vastgesteld dat niet is gebleken dat werknemer voor het einde van de wachttijd werkte. Het onbevredigende resultaat van de re-integratie is dus niet gelegen in een tekortkoming in de re-integratieverplichtingen voor 4 uur per week, maar voor 12 uur per week.

Daarnaast wijst de rechtbank op de inspanningsverplichting die op eiseres rust. Zolang een werknemer benutbare mogelijkheden heeft, hoe gering die ook zijn, dient een werkgever re-integratie-inspanningen te verrichten. Het is daarbij niet noodzakelijk dat op voorhand een positief resultaat vaststaat. Dat het volgens eiseres voorts onevenredig is om werknemer voor 12 uur per week bij een andere werkgever te re-integreren, is dus niet relevant.


22.1

Daarnaast ziet de rechtbank in wat eiseres aanvoert geen deugdelijke grond voor het niet slagen van de re-integratie-inspanningen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft werknemer immers vanaf 8 december 2015 weer in staat geacht om voor 12 uur per week te werken. Nu het de rechtbank niet is gebleken dat werknemer vanaf dat moment niet wilde meewerken aan zijn re-integratie, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de re-integratie door werknemer is belemmerd.


23. De rechtbank is, gelet op het voorgaande van oordeel, dat er geen omstandigheden zijn gebleken die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om af te zien van het opleggen van een loonsanctie. Verweerder heeft dan ook terecht een loonsanctie opgelegd, omdat eiseres zonder dat daarvoor een deugdelijke grond bestaat niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen.


24. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. K. de Meulder, leden, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2017.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.