Rechtbank Midden-Nederland, 22-05-2017 / UTR 17 /1612, UTR 17/1611


ECLI:NL:RBMNE:2017:2557

Inhoudsindicatie
Woningsluiting artikel 13b Opiumwet. Voorlopige voorziening toegewezen
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-22
Publicatiedatum
2017-05-29
Zaaknummer
UTR 17 /1612, UTR 17/1611
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: UTR 17/1612 en UTR 17/1611


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2017 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen


[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker, en [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S.J.M. Jaasma),


en


de burgemeester van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder

(gemachtigden: mr. R.R.A. Vianen en N. van Zelst ).



Procesverloop


Bij besluit van 10 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot sluiting van de woning van verzoekers aan de [adres] te [woonplaats] voor een periode van drie maanden.


Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2017, waar gelijktijdig de zaak met nummer UTR 17/1603 is behandeld. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.



Overwegingen


Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Bij de beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening acht de voorzieningenrechter met name van belang of het bezwaar tegen de sluiting van de woning een redelijke kans van slagen heeft. Daarbij weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan.

Verweerder heeft het primaire besluit genomen, omdat in de schuur behorende bij de woning van verzoekers een hennepplantage, bestaande uit 45 planten, is aangetroffen.

In het kader van zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen, heeft verweerder onder meer een bestuurlijke rapportage van 26 april 2017 overgelegd. In de gelijktijdig ter zitting behandelde zaak met nummer UTR 17/1603 heeft verweerder een aparte bestuurlijke rapportage overgelegd. Verweerder heeft voor beide bestuurlijke rapportages een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de voorzieningenrechter meegedeeld dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inhoud hiervan.

Bij beslissing van 10 mei 2017 heeft deze rechtbank (mr. T. Pavićević) bepaald dat de gevraagde beperkte kennisneming van de bestuurlijke rapportages gerechtvaardigd is. Verzoekers hebben geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De verzoekster in de zaak UTR 17/1603 heeft wel toestemming verleend voor kennisneming van de bestuurlijke rapportage over die zaak. Omdat de mogelijkheid bestaat dat beide bestuurlijke rapportages samenhangen of elkaar overlappen, heeft de voorzieningenrechter in de volgende volgorde gehandeld. Eerst is hij in deze zaak tot een oordeel gekomen, dus uitsluitend op grond van het besluit en de daartegen ingebrachte gronden, tegen de achtergrond van het dossier en het besprokene op de zitting. Daarna heeft hij de bestuurlijke rapportage gelezen in de zaak UTR 17/1603 en is hij tot een oordeel in die zaak gekomen.

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Voor deze bevoegdheid heeft verweerder de Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Gemeente Stichtse Vecht (de Beleidsregels) vastgesteld. Volgens de Beleidsregels is het toepassen van bestuursdwang gericht op het herstel van de situatie en het weren en terugdringen van drugshandel in georganiseerd verband in en vanuit panden. Het belang dat hiermee wordt gediend, is de bescherming van de openbare orde en veiligheid, het woon- en leefklimaat en de volksgezondheid. De maatregel is er op gericht om bekendheid van het pand als drugspand te doorbreken en/of bekendheid van het pand in het drugscircuit teniet te doen en/of te verhinderen dat het pand (weer) wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de georganiseerde drugshandel en herhaling van de verstoring van de openbare orde en verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. In de Beleidsregel is vastgelegd hoe wordt opgetreden na constatering van specifieke overtredingen. Dit is weergegeven in handhavingsmatrixen, waaruit volgt dat een eerste overtreding wanneer het softdrugs betreft, leidt tot een schriftelijke waarschuwing. Bij constatering van een tweede overtreding binnen een periode van vijf jaar volgt een sluiting voor een periode van drie maanden. Feiten en omstandigheden kunnen aanleiding geven hiervan af te wijken en direct tot sluiting over te gaan. De burgemeester motiveert in dat geval waarom wordt afgeweken van het beleid. De belangrijkste feiten en omstandigheden staan in een indicatorenlijst vermeld, die uitdrukkelijk een hulpmiddel is. Deze indicatoren zijn:- de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II van de Opiumwet;- de mate waarin de woning gebruikt wordt bij de drugshandel in georganiseerd verband en/of andere strafbare feiten;- of er sprake is van gewelds- of andere openbare-orde-delicten; - of er sprake is van één of meer (vuur)wapen(s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie;- of er een vermoeden van betrokkenheid van de bewoner(s)/betrokkene(n) is;- of er een vermoeden is dat de bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten;- of er sprake is van recidive;- of er sprake is van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II Opiumwet;- de mate van gevaar voor de omgeving, mate van risico voor omwonenden;- de mate van overlast;- de aannemelijkheid dat de woning niet overeenkomstig de woonfunctie wordt gebruikt;- de aannemelijkheid dat behalve de woning of het daarbij behorende erf nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij drugshandel in georganiseerd verband of als aanwezigheid van drugs hierop duidt; of- overige feiten en omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband.

Verweerder heeft met dit beleid invulling gegeven aan het uitgangspunt dat ook de wetgever met artikel 13b van de Opiumwet voor ogen stond (Kamerstukken II 2005/2006, 30 515, nr. 3, pag. 8 en Kamerstukken II 2006/2007, 30 515, nr. 6, pag. 1 en 2): bij een eerste overtreding moet nog niet tot sluiting van de woning worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. In ernstige gevallen mag hiervan worden afgeweken.

Verweerder heeft in het primaire besluit besloten tot directe sluiting van de schuur en woning van verzoekers zonder voorafgaande waarschuwing. Verzoekers hebben aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij is afgeweken van de hoofdregel van zijn beleid. In het besluit worden geen relevante omstandigheden genoemd die aanleiding zouden kunnen geven om direct tot sluiting over te gaan. Verweerder heeft aan zijn besluit tot directe sluiting ten grondslag gelegd dat de aangetroffen hoeveelheid een handelshoeveelheid is en dat er indicatie is van in ieder geval drie eerdere oogsten van hennep, wat duidt op bedrijfsmatige teelt en handel. Tot slot is er sprake van diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerij.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder hiermee onvoldoende gemotiveerd dat afwijking van de hoofdregel van het beleid (direct sluiting in plaats van eerst een waarschuwing) in dit geval gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat een handelshoeveelheid softdrugs is aangetroffen kan niet als bijzonder worden aangemerkt, want toepassing van handhavingsinstrumenten uit de Beleidsregels komt sowieso pas in beeld als het gaat om een handelshoeveelheid. Als geen sprake is van een handelshoeveelheid, wordt uitgegaan van privégebruik en is ook een waarschuwing niet aan de orde. Ook de overige door verweerder genoemde omstandigheden zijn onvoldoende om te motiveren dat afwijking van de hoofdregel van het beleid in dit geval gerechtvaardigd is. Verweerder heeft feiten en omstandigheden genoemd, die in feite bijna inherent zijn aan een hennepkwekerij. Door deze omstandigheden als reden om af te wijken van het beleid te benoemen, doet verweerder geen recht aan de door hemzelf gemaakte beleidskeuze om bij een eerste overtreding een schriftelijke waarschuwing te geven. Daarmee wordt het beleid op dit punt betekenisloos gemaakt. Omdat door verweerder geen andere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de bekendheid van de woning als drugspand of overlast voor de omgeving, zijn aangehaald, is het besluit tot directe sluiting onvoldoende gemotiveerd.

Verzoekers hebben verder aangevoerd dat het besluit disproportioneel is. De hennepplantage is aangetroffen in een schuur die apart van de woonwagen staat. Deze schuur kan apart gesloten worden waardoor dit lokaal ook wordt onttrokken aan het drugscircuit, maar de gevolgen voor verzoekers minder ingrijpend zijn. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de schuur en de woonwagen zich op hetzelfde perceel bevinden en er zo’n verband is tussen de schuur en de woonwagen, dat hij ook bevoegd is de woonwagen te sluiten. Verweerder verwijst daarbij naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 11 juni 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:7098).

De voorzieningenrechter volgt verweerder hierin niet. Het enkele feit dat verzoeker zowel de bewoner van de woonwagen als de exploitant van de hennepplantage is, is in dit geval, vanwege de feitelijke situatie, onvoldoende om ook tot sluiting van de woning te komen. Op een terrein staan vijf woonwagens, waarvan de meeste direct naast de woonwagen een klein schuurtje hebben. Daarin zijn de hennepplanten niet aangetroffen. De hennepplantage is aangetroffen in een gezamenlijke schuur, waar omheen de vijf woonwagens verspreid standplaats hebben, met wisselende afstanden tot en zicht op die gezamenlijke schuur. Anders dan bij een stereotype situatie van een woning met een schuur, valt er hier dus niet automatisch een verband aan te nemen tussen de woonwagen en de gezamenlijke schuur. Je hoeft bijvoorbeeld niet over de standplaats of door de woonwagen van verzoekers om bij de gezamenlijke schuur te komen. Voor het aannemen van een (functioneel of feitelijk) verband tussen de woning en de schuur is onvoldoende dat de bewoner van de woonwagen tevens de exploitant van de hennepplantage is. Ook is onvoldoende dat het stuk van de gezamenlijk schuur waar de planten zijn aangetroffen contractueel hoort bij de woonwagen van verzoekers. Van belang is dan ook om gemotiveerd vast te stellen dat ook de woning een rol speelde in de drugsproductie en -handel. Dat heeft verweerder niet gedaan. Als verweerder hieraan wil vasthouden in het nog te nemen besluit op bezwaar, zal hij beter moeten motiveren waarom ook de woonwagen gesloten moet worden om de bekendheid van het pand als drugspand te doorbreken.

Over de stelling van verzoekster dat zij niet bekend was met de aanwezigheid van de hennepplantage, overweegt de voorzieningenrechter dat dit niet relevant is voor de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting dwingt. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat de persoonlijke verwijtbaarheid van de eigenaar/huurder geen rol speelt bij de beoordeling of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt. De voorzieningenrechter verwijst bij wijze voor voorbeeld naar de uitspraken van de ABRvS van 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9512) en 5 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2043).

De voorzieningenrechter sluit niet uit dat verweerder er in slaagt om de hiervoor geconstateerde tekortkomingen in het primaire besluit (overwegingen 9 en 11) te repareren in het nog te nemen besluit op bezwaar. Daarbij merkt de voorzieningenrechter wel op dat dit bij de huidige feitelijke stand van zaken, geen eenvoudige opgave zal zijn. Gelet hierop en gelet op de grote belangen aan de kant van verzoekers bij het behouden van toegang tot hun woonruimte en het bedrijf van verzoekster (een schoonheidssalon), ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat de woonwagen van verzoekers niet wordt gesloten. De voorzieningenrechter schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar voor zover daarbij de woonwagen van verzoekers (inclusief het eigen schuurtje direct ernaast) wordt gesloten. Buiten deze voorziening valt dus uitdrukkelijk de gezamenlijke schuur waar de hennepplantage is aangetroffen.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).



Beslissing


De voorzieningenrechter:

  • - schorst het primaire besluit, voor zover daarbij de woonwagen van verzoekers op het perceel [adres] is gesloten, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoekers te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 990,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2017.








griffier voorzieningenrechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.