Rechtbank Midden-Nederland, 07-06-2017 / 412943


ECLI:NL:RBMNE:2017:2602

Inhoudsindicatie
Erfrecht. Informatieplicht van langstlevende echtgenoot jegens (stief)kinderen na ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW (oud)). Analoge toepassing van art. 4:16 lid 4 BW voor de wettelijke verdeling.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-07
Publicatiedatum
2017-06-14
Zaaknummer
412943
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ERF-Updates.nl 2017-0130
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht


locatie Utrecht



zaaknummer / rolnummer: C/16/421943 / HA ZA 16-627


Vonnis van 7 juni 2017


in de zaak van


1 [eiseres sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. L. Wijnbergen te Utrecht,


tegen


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.H.J. Emmen te Soest.



Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en [gedaagde] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 28 december 2016
  • - de comparitie van partijen die heeft plaatsgevonden op 10 maart 2017. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.
  • - de brief van 20 februari 2017 van mr. Emmen met vier producties
  • - de brief van 23 februari 2017 van mr. Wijnbergen met productie 12.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Op [2011] is overleden de heer [A] (hierna te noemen: erflater). [eisers c.s.] zijn de kinderen van erflater uit zijn eerste huwelijk. Erflater was ten tijde van zijn overlijden (in tweede echt) en in gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde] .


2.2.

Erflater heeft bij testament van 23 juli 1999 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft erflater zijn echtgenote [gedaagde] en zijn kinderen [eisers c.s.] gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd en met toepassing van de ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW (oud)) alle goederen van zijn nalatenschap toegedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting om alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen, waarbij aan [eisers c.s.] zijn toegedeeld (niet-opeisbare) vorderingen wegens overbedeling ten laste van [gedaagde] . Verder is [gedaagde] in dit testament tot executeur benoemd.


2.3.

Partijen hebben allen de nalatenschap aanvaard. [gedaagde] heeft tevens haar benoeming als executeur aanvaard.


2.4.

Op 2 april 2013 hebben [eisers c.s.] en [gedaagde] een notariële akte “constatering verdeling ouderlijke boedelverdeling” laten opmaken. In deze akte, waarin [eisers c.s.] zijn aangeduid als “de kinderen” en [gedaagde] als “de echtgenote”, staat – voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang – het volgende:

“(…) De verschenen personen willen bij deze akte overgaan tot:

  • - de beschrijving van de huwelijksgoederengemeenschap, die bestaan heeft tussen de echtgenote en de overleden [erflater], en van de nalatenschap van laatstgenoemde;
  • - het afleggen van de belofte over de beschrijving;
  • - de vaststelling van de grootte van de erfdelen van de erfgenamen; en
  • - de constatering van de verdeling.

(…)

OPGAVE

De echtgenote zal opgave doen van al wat op het moment van het overlijden van erflater behoorde tot de ontbonden huwelijksgemeenschap en de daarvan deel uitmakende nalatenschap van erflater, omdat zij sinds het overlijden van de erflater de macht heeft gehouden over goederen van die gemeenschap en is blijven wonen in het huis waarin deze zich bevonden.

De opgave zal worden gebruikt om de grootte van de vorderingen van de kinderen van erflater vast te stellen.

(…)

Boedelbeschrijving

De huwelijksgoederengemeenschap waarvan de nalatenschap deel uitmaakt van de erflater was op de sterfdag samengesteld zoals vermeld is op een vermogensoverzicht. Dit vermogensoverzicht wordt na ondertekening door de verschenen personen aan deze akte gehecht.

Eed/belofte

Namens de echtgenote heeft de comparante sub 1. genoemd verklaard dat de echtgenote alles wat haar bekend is, heeft opgegeven in de boedelbeschrijving en dat de echtgenote niets heeft verduisterd en niet heeft gezien dat iets verduisterd is.

(…)”

In het vervolg van de akte staat dat de waarde van de nalatenschap van erflater € 304.643,50 bedraagt en dat de (uit de ouderlijke boedelverdeling voortvloeiende) vorderingen van [eisers c.s.] wegens overbedeling € 75.939,88 per persoon bedragen. Verder staat in deze akte vermeld:

Slotbepalingen

(…)

Indien blijkt dat tot de nalatenschap nog baten of schulden behoren, die niet in het vorenstaande vermogensoverzicht voorkomen, zullen deze vorderingen vanwege onderbedeling vermeerderd respectievelijk verminderd worden naar evenredigheid van de erfdelen.

Vorenstaande constatering en berekening wordt door elke deelgenoot te zijnen bate of schade aanvaard.

Iedere deelgenoot heeft het hem toekomende ontvangen. Zij verlenen elkaar over en weer volledig kwijting".


3Het geschil

3.1.

[eisers c.s.] vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [gedaagde] zal veroordelen – binnen twee weken na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft – tot overlegging van de volgende stukken:

  • - de aandeelhouders- en bestuursbesluiten van [bedrijfsnaam] B.V. op grond waarvan de liquide middelen uit de vennootschap zijn uitgekeerd;
  • - de bankafschriften van [bedrijfsnaam] B.V. waaruit blijkt aan wie de liquide middelen van [bedrijfsnaam] B.V. tussen het moment van overlijden van erflater en 31 oktober 2014 zijn uitgekeerd;
  • - alle stukken met betrekking tot de door [bedrijfsnaam] B.V. bestaande pensioenverplichtingen waarvoor de vennootschap een voorziening aanhield, waaruit blijkt welke verplichtingen de vennootschap had tegenover welke personen, hoe groot die verplichtingen waren en op welke wijze die verplichtingen (tussentijds) konden worden beëindigd;
  • - het aandeelhoudersbesluit tot liquidatie van [bedrijfsnaam] B.V.
  • - de aangifte erfbelasting van de nalatenschap [B] ;
  • - de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [B] ;
  • - de notariële en onderhandse aktes met betrekking tot de verkoop en levering van alle goederen die verkregen zijn uit de nalatenschap van [B] en nadien door erflater zijn verkocht;
  • - de verkoopakte van de boot;
  • - de lijst van de complete inboedel die ten tijde van het overlijden van erflater aanwezig was in de voormalige echtelijke woning en mogelijk in een bankkluis;
  • - de aangiftes inkomstenbelasting die erflater en [gedaagde] hebben gedaan over de jaren 2007 tot en met 2011;
  • - het polisblad en de polisvoorwaarden van de overlijdensrisicoverzekering;
  • - de correspondentie met de verzekeraar naar aanleiding van het overlijden van erflater;
  • - de bankafschriften waaruit blijkt aan wie en op welk moment uitkering onder de overlijdensrisicoverzekering heeft plaatsgevonden,

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.


3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers c.s.] in hun vorderingen, althans tot ontzegging van deze vorderingen, en subsidiair, bij (gedeeltelijke) toewijzing van deze vorderingen, het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, met veroordeling van [eisers c.s.] in de proceskosten.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

[eisers c.s.] hebben aan hun vordering (om [gedaagde] c.s. op grond van artikel 843a Rv te veroordelen tot afgifte van de onder 3.1. omschreven bescheiden) het volgende ten grondslag gelegd. [eisers c.s.] en [gedaagde] zijn allen erfgenamen van erflater. [eisers c.s.] wensen aan de hand van de hiervoor bedoelde bescheiden na te gaan of de (bij akte van 2 april 2013 vastgestelde) vorderingen wegens overbedeling van [gedaagde] juist zijn. [eisers c.s.] vermoeden dat [gedaagde] in dat kader gegevens voor hen heeft achtergehouden. [eisers c.s.] vorderen inzage in bescheiden die betrekking hebben op (i) de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V., (ii) de nalatenschap van de in 2002 overleden [B] , (iii) de huwelijksgoederengemeenschap van erflater en [gedaagde] en (iv) de door erflater gesloten overlijdensrisicoverzekering.


4.2.

[gedaagde] heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt in de eerste plaats dat de akte van 2 april 2013 een vaststelling bevat die partijen bindt en waarop [eisers c.s.] niet meer terug kunnen komen.


De uitleg van de notariële akte van 2 april 2013

4.3.

De rechtbank overweegt dat het bij de uitleg van hetgeen partijen met onder meer voornoemde akte van 2 april 2013 zijn overeengekomen aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen en zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Partijen hebben voorafgaand aan de ondertekening van de akte per e-mail contact onderhouden met de (kandidaat-)notaris die de akte heeft gepasseerd (producties 10 en 12 van [eisers c.s.] ). Daaruit blijkt dat de betrokken notaris daarbij niet namens één van partijen heeft opgetreden, maar – in de woorden van de notaris – als “onafhankelijk notariskantoor”. Uit de tekst van de (hiervoor onder 2.4. geciteerde) akte blijkt dat partijen de mogelijkheid open hebben gelaten om de vordering van [eisers c.s.] (voortvloeiend uit de overbedeling na de ouderlijke boedelverdeling) aan te passen indien alsnog blijkt van het bestaan van goederen of schulden die niet in het vermogensoverzicht zijn vermeld. Dit geldt niet voor zover het betreft de wel in het vermogensoverzicht vermelde goederen en schulden. In de akte staat daarover immers vermeld: “vorenstaande constatering en berekening wordt door elke deelgenoot te zijnen bate of schade aanvaard. Iedere deelgenoot heeft het hem toekomende ontvangen. Zij verlenen elkaar over en weer volledig kwijting". De rechtbank is (met [gedaagde] ) van oordeel dat zij uit de tekst van de overeenkomst redelijkerwijs mocht begrijpen dat partijen ten aanzien van de in het vermogensoverzicht genoemde goederen en schulden een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW hebben gesloten. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen – ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt – zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de van tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.


4.4.

De rechtbank verwerpt het (tijdens de comparitie gevoerde) betoog van [eisers c.s.] (onder verwijzing naar de producties 10 en 12) dat zij dit rechtsgevolg niet hebben beoogd omdat de notaris destijds deze zinnen in de akte heeft gezet. Door de ondertekening van de akte door [eisers c.s.] mocht [gedaagde] redelijkerwijs begrijpen dat ook [eisers c.s.] wensten in te stemmen met de inhoud van die akte inclusief de daarin voorkomende vaststelling. Het voorgaande wordt niet anders gelet op de overgelegde e-mail van 6 maart 2013 van de notaris aan [eisers c.s.] Daaruit blijkt dat partijen kennelijk via de notaris (en niet rechtstreeks met elkaar) hebben overgelegd over onder meer “verwijdering van de tekst over ‘decharge executeur’ uit de akte”. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] onbetwist verklaard dat de notaris niet met haar heeft besproken dat [eisers c.s.] een déchargebepaling uit de akte verwijderd wensten te zien. Afgezien daarvan geldt dat de kennelijke wens van [eisers c.s.] om niet in te stemmen met ontslag van enige aansprakelijkheid van [gedaagde] voor haar handelen als executeur – waarbij het enkel gaat om het beheer van de nalatenschap – niet zonder meer meebrengt dat partijen evenmin definitieve gebondenheid wensten ten aanzien van de vaststelling van de vorderingen uit hoofde van overbedeling.


4.5.

Dit betekent dat gebondenheid van partijen bestaat voor de goederen en schulden die staan vermeld op het vermogensoverzicht behorende bij de akte van 2 april 2013. Voor zover [eisers c.s.] in deze procedure (de waarde van) de ook in het vermogensoverzicht genoemde inboedel en de boot opnieuw aan de orde stellen, zal de rechtbank daaraan voorbij gaan. Door [eisers c.s.] zijn voor het overige geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat afgeweken moet worden van de tussen partijen overeengekomen vaststelling ter zake van de in het vermogensoverzicht vermelde goederen.


De overige (niet in de akte van 2 april 2013 genoemde) goederen

4.6.

Het voorgaande geldt niet voor goederen en schulden die niet zijn vermeld op vorenbedoeld vermogensoverzicht. In de door partijen ondertekende akte staat immers:

“Indien blijkt dat tot de nalatenschap nog baten of schulden behoren, die niet in het vorenstaande vermogensoverzicht voorkomen, zullen deze vorderingen vanwege onderbedeling vermeerderd respectievelijk verminderd worden naar evenredigheid van de erfdelen”.

Partijen hebben daarmee uitdrukkelijk de mogelijkheid opengehouden om de omschrijving van de huwelijksgoederengemeenschap en de uit de ouderlijke boedelverdeling voortvloeiende vorderingen van [eisers c.s.] op [gedaagde] aan te passen indien alsnog blijkt van niet in het vermogensoverzicht opgenomen goederen en schulden


4.7.

Tussen partijen is in geschil welke informatieverplichtingen, in het kader van deze vaststelling van huwelijksgoederengemeenschap, nalatenschap en de uit de ouderlijke boedelverdeling voortvloeiende vorderingen, op [gedaagde] rusten jegens [eisers c.s.]

Het testament uit 1999 van de in 2011 overleden erflater omvat zoals gezegd een ouderlijke boedelverdeling in de zin van artikel 4:1167 BW (oud). Op grond hiervan zijn alle goederen van de nalatenschap toegedeeld aan [gedaagde] onder de verplichting om alle schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen, waarbij aan [eisers c.s.] zijn toegedeeld (niet-opeisbare) vorderingen wegens overbedeling ten laste van [gedaagde] .

Sinds 1 januari 2003 kent de wet de ouderlijke boedelverdeling niet langer (artikel 4:42 lid 1 BW). Dit neemt niet weg dat een onder oud recht (vóór 1 januari 2003) gemaakt testament met een ouderlijke boedelverdeling zijn gelding blijft behouden, ook in het geval de erflater na inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht is overleden. Uit artikel 79 Overgangswet Nieuw BW volgt dat een onder oud recht verrichte rechtshandeling niet nietig of vernietigbaar wordt na inwerkingtreding van de nieuwe wet.


4.8.

De rechtbank is van oordeel dat uit de ouderlijke boedelverdeling in het testament van erflater voortvloeit dat [eisers c.s.] en [gedaagde] als erfgenamen jegens elkaar gehouden zijn tot het opmaken van een boedelbeschrijving ten tijde van het overlijden van erflater ( [2011] ) van zowel de huwelijksgoederengemeenschap (waarin erflater en [gedaagde] waren gehuwd) als de daarvan deel uitmakende nalatenschap, zodat aan de hand daarvan de omvang van de vorderingen van [eisers c.s.] jegens [gedaagde] c.s. kunnen worden vastgesteld. De regeling van artikel 4:16 lid 4 BW – geschreven voor de sinds 1 januari 2003 geldende wettelijke verdeling – kan geacht worden analoog van toepassing te zijn in geval van een ouderlijke boedelverdeling: de echtgenoot ( [gedaagde] ) en de kinderen ( [eisers c.s.] ) hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen dienen desverzocht aan elkaar te worden verstrekt. Zij zijn tevens jegens elkaar gehouden tot medewerking aan het verstrekken van inlichtingen door derden (vgl. Rechtbank Amsterdam 24 juni 2009, ECLI:NL:RBAMS: BL6729). Dit kader geeft anderzijds ook de begrenzing van het recht op inlichtingen: het recht op informatie jegens elkaar strekt niet verder dan het opstellen van de hiervoor genoemde boedelbeschrijving van huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap en vaststelling van de na de ouderlijke boedelverdeling resterende vordering van [eisers c.s.] jegens [gedaagde] .


4.9.

Inmiddels heeft [gedaagde] bij conclusie van antwoord de aangifte en aanslag erfbelasting ter zake van de nalatenschap van erflater overgelegd (productie 5 en 6). Overigens maken deze stukken geen deel uit van hetgeen [eisers c.s.] in deze procedure vorderen.

Met inachtneming van voorgaand kader zal de rechtbank de vorderingen van [eisers c.s.] tot afgifte van de door hen verlangde bescheiden beoordelen. Het betreft dan de vorderingen van [eisers c.s.] ten aanzien van (i) de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V., (ii) de nalatenschap van de in 2002 overleden [B] , (iii) de huwelijksgemeenschap van erflater en [gedaagde] en (iv) de door erflater gesloten overlijdensrisicoverzekering


(i) de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V.

4.10.

[eisers c.s.] stellen dat erflater op 6 september 1999 deze vennootschap heeft opgericht en enig aandeelhouder hiervan was. Volgens [eisers c.s.] behoorden deze aandelen tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en had deze vennootschap in 2011 nog een bedrag van circa € 170.000,-- aan liquiditeiten. [gedaagde] heeft de vennootschap per 31 oktober 2014 doen ontbinden. [gedaagde] heeft deze aandelen ten onrechte niet vermeld in het vermogensoverzicht en [eisers c.s.] wensen alsnog inzage in diverse bescheiden, aldus [eisers c.s.] .


4.11.

[gedaagde] betoogt dat zij de aandelen terecht niet in het vermogensoverzicht heeft vermeld omdat deze geen enkele waarde (meer) vertegenwoordigden. De vennootschap betreft een zogeheten stamrecht-B.V. waarin erflater in 1999 een ontslagvergoeding heeft ondergebracht tegenover een stamrechtverplichting. Zoals blijkt uit de door beide partijen overgelegde jaarrekening 2011 (productie 7 van [eisers c.s.] en productie 1 van [gedaagde] ) blijkt dat de stamrechtverplichting van de vennootschap de activa verre overtreft, zodat sprake is van een negatief eigen vermogen van € 103.016,-- (per 31 december 2011).


4.12.

De rechtbank leidt uit de door [gedaagde] c.s. als productie 2 overgelegde stamrechtovereenkomst tussen erflater en de vennootschap af dat erflater (bij in leven zijn op 18 oktober 2013) aanspraak heeft op een tijdelijke lijfrente en dat bij eerder overlijden van erflater, deze aanspraak zal overgaan op zijn wettige echtgenote ten tijde van zijn overlijden. Door het eerder overlijden van erflater (op [2011] ) bestaat enkel een aanspraak op een (nabestaanden)lijfrente ten gunste van [gedaagde] . De rechtbank is van oordeel dat deze nabestaandenvoorziening voor [gedaagde] als weduwe van erflater – niet zijnde een pensioen in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding – heeft te gelden als verknocht aan [gedaagde] in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW en geen deel uitmaakt van de (tussen [gedaagde] en erflater bestaand hebbende) ontbonden huwelijksgoederengemeenschap (vgl. hof Den Haag 22 maart 2011, ECLI:NL:GHSGR: 2011:BR3353). Hieruit volgt dat deze rechtstreeks aan [gedaagde] toekomende aanspraak geen deel uitmaakt van de nalatenschap van erflater. In zoverre hebben [eisers c.s.] jegens [gedaagde] dan ook geen aanspraak op informatie ten aanzien van deze lijfrente.


4.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen – vanwege het negatieve eigen vermogen van de vennootschap – op zichzelf geen waarde vertegenwoordigen. Namens [eisers c.s.] is dit tijdens de comparitie van partijen ook erkend. De vennootschap beschikte in 2011 weliswaar nog over € 170.265,-- aan liquiditeiten, maar hier stond een veel hogere (toekomstige) stamrechtverplichting tegenover. [eisers c.s.] hebben dan ook geen belang bij het vermelden van de aandelen van erflater in de stamrecht-B.V. in het vermogensoverzicht. De vorderingen van [eisers c.s.] ten aanzien van de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. zullen dan ook worden afgewezen.


(ii) de nalatenschap van de in 2002 overleden [B]

4.14.

De heer [B] is op [2002] overleden. Erflater is bij testament van 10 januari 2002 benoemd tot diens enig erfgenaam. Volgens [eisers c.s.] heeft [gedaagde] in het verleden ten onrechte jegens hen verklaard dat geen uitsluitingsclausule zoals bedoeld in artikel 1:94 lid 2 sub a BW van toepassing is ten aanzien van deze verkrijging van erflater uit de nalatenschap van [B] . Deze goederen zijn dan ook buiten de huwelijksgoederengemeenschap van erflater en [gedaagde] gebleven. Volgens [eisers c.s.] behoorde onder meer het bloot eigendom van het appartement tot de nalatenschap van [B] . Verder heeft erflater volgens [eisers c.s.] de opbrengst van de nalatenschap van [B] gebruikt voor de aanschaf van een boot. [eisers c.s.] vorderen afgifte van diverse bescheiden die betrekking hebben op de nalatenschap [B] zoals de boedelbeschrijving en de aangifte erfbelasting. .


4.15.

De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat zij zich herinnert dat erflater destijds als executeur in 2002 de nalatenschap van [B] heeft afgewikkeld. Zij heeft verklaard niet in het bezit te zijn van een boedelbeschrijving en/of een aangifte erfbelasting betrekking hebbend op deze in 2002 opengevallen nalatenschap en deze ook niet te hebben aangetroffen bij de spullen van erflater. De rechtbank zal daarvan uitgaan nu door [eisers c.s.] geen concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat deze bescheiden negen jaar later (bij het overlijden van erflater) nog wel tot diens administratie behoorden.


4.16.

Verder geldt dat voor zover erflater in 2002 uit de nalatenschap [B] goederen (onder uitsluitingsclausule) heeft verkregen, uitsluitend relevant is welke van deze in 2002 verkregen goederen (eventueel na zaaksvervanging) nog aanwezig zijn op de sterfdatum (per [2011] ) van erflater en daarmee ook tot de nalatenschap van erflater behoren. Voor zover erflater tussen 2002 en 2011 geld of goederen uit deze nalatenschap heeft verbruikt, behoren deze immers niet tot de nalatenschap van erflater per [2011] .


4.17.

De rechtbank is van oordeel dat [eisers c.s.] onvoldoende hebben gesteld waaruit blijkt dat [gedaagde] bepaalde aan erflater toebehorende en door hem in 2002 uit de nalatenschap van [B] verkregen goederen aan het zicht van [eisers c.s.] heeft onttrokken en buiten het vermogensoverzicht heeft gelaten. Voor zover erflater met een deel van de uit de nalatenschap van [B] een boot heeft aangeschaft, geldt zoals hiervoor onder 4.5. is overwogen dat deze boot en de waarde daarvan in het vermogensoverzicht van 2 april 2013 zijn opgenomen en partijen gebonden zijn aan deze vaststelling.

Verder heeft [gedaagde] terecht erop gewezen dat tot de nalatenschap van [B] enkel behoorde het bloot eigendom van het appartementsrecht aan de [adres] te [woonplaats] . Uit de akte van levering van 11 juni 2003 (productie 10) blijkt dat erflater (samen met zijn broer) in 1989 het economisch eigendom van het appartementsrecht reeds heeft verkregen onder voorbehoud van een levenslang recht van gebruik en bewoning ten gunste van [B] , tegen “kwijting voor betaling van de koopprijs” voor erflater en zijn broer. Door het overlijden van [B] in 2002 eindigde het recht van gebruik en bewoning en behoorde tot zijn nalatenschap enkel nog het bloot juridisch eigendom van het appartementsrecht. Dit bloot juridisch eigendom vertegenwoordigde met het overlijden van [B] in 2002 geen waarde meer. Het volledige economische eigendom behoorde immers al aan erflater en zijn broer, terwijl het recht van gebruik en bewoning met het overlijden van [B] teniet was gegaan. Niet gezegd kan worden dat erflater ten aanzien van dit appartementsrecht in 2002 enige waarde uit de nalatenschap van [B] heeft verkregen, zoals [eisers c.s.] tot uitgangspunt lijken te nemen.


4.18.

De vordering van [eisers c.s.] voor zover die betrekking heeft op het overleggen van bescheiden met betrekking tot de nalatenschap van [B] , zal worden afgewezen.


(iii) de huwelijksgemeenschap van erflater en [gedaagde]

4.19.

[eisers c.s.] stellen dat de nalatenschap van erflater (naast zijn privé-vermogen) heeft bestaan uit zijn aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap met [gedaagde] . [eisers c.s.] wijzen erop dat [gedaagde] nooit enige opgave heeft gedaan van vermogensbestanddelen die op haar naam zijn gesteld, zoals bijvoorbeeld bankrekeningen. Om na te gaan of [gedaagde] dergelijke vermogensbestanddelen voor hen verborgen houdt, willen [eisers c.s.] daarom afschriften van de aangiften inkomstenbelasting 2007-2011 die erflater en [gedaagde] gezamenlijk hebben gedaan.


4.20.

[gedaagde] voert hiertegen aan dat [eisers c.s.] enkel recht hebben op informatie over het vermogen op de sterfdatum. Zij stelt verder met de onverplichte door haar verschafte inzage in de aangifte en aanslag erfbelasting van de nalatenschap van erflater voldoende inzage te hebben gegeven in de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap zoals die bestond tussen erflater en haar (zie hiervoor in rechtsoverweging 4.9 en producties 5 en 6 van [gedaagde] ). Voor een verdere informatieplicht van haar jegens [eisers c.s.] is geen plaats, aldus [gedaagde] .


4.21.

De rechtbank heeft hiervoor in rechtsoverweging 4.8. het kader beschreven voor het informatierecht van [eisers c.s.] Het recht op inzage in en afschrift van bescheiden strekt niet verder dan hetgeen [eisers c.s.] behoeven voor vaststelling van hun aanspraken (op het moment van overlijden van erflater op [2011] ) uit hoofde van de overbedeling van [gedaagde] voortvloeiend uit de ouderlijke boedelverdeling.

Uit het huwelijksvermogensrecht vloeit geen ruimere informatieplicht voort. Erflater en [gedaagde] waren zoals gezegd (tot aan het overlijden van erflater op [2011] ) met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. [eisers c.s.] en [gedaagde] zijn de rechtsopvolgers onder algemene titel van erflater (waarna de daaruit ontstane onverdeeldheid tegelijk is opgeheven door de werking van de ouderlijke boedelverdeling). Erflater en [gedaagde] waren tijdens hun huwelijk als echtgenoten bevoegd tot het bestuur van hun eigen goederen en tot het bestuur van de goederen van hun huwelijksgoederengemeenschap. Zij hoeven wederzijds ter zake van dat bestuur geen rekening en verantwoording af te leggen aan de andere echtgenoot (vgl. HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156, rov. 5.4.4.). Dit betekent dat [gedaagde] jegens [eisers c.s.] (als mede rechtsopvolgers onder algemene titel van erflater) niet gehouden is tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door haar gevoerde bestuur in de periode 2007-2011 over de van haar zijde in de huwelijksgoederengemeenschap gevallen goederen. [gedaagde] c.s. kan volstaan met het verschaffen van inzicht in de stand per datum overlijden van erflater ( [2011] ) van de huwelijksgoederengemeenschap.


4.22.

Uitgaande van deze op [gedaagde] rustende informatieplicht per [2011] is van de door [eisers c.s.] gevorderde overlegging van bescheiden enkel toewijsbaar de aangifte inkomstenbelasting 2011 zoals die namens erflater en [gedaagde] gezamenlijk is gedaan. Voor het overige zullen de vorderingen van [eisers c.s.] ter zake van de huwelijksgoederengemeenschap worden afgewezen.


(iv) de door erflater gesloten overlijdensrisicoverzekering.

4.23.

[eisers c.s.] hebben bij dagvaarding gesteld dat tot de nalatenschap van erflater tevens behoort de uitkering uit een overlijdensrisicoverzekering. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord kopieën van de polisbladen van twee kapitaalverzekeringen bij Nationale Nederlanden overgelegd (productie 8). Hieruit blijkt dat voor beide verzekeringen met polisnummers [polisnummer] en [polisnummer] geldt dat [gedaagde] daarop als begunstigde is aangewezen. Tijdens de comparitie is namens [eisers c.s.] erkend dat [gedaagde] een eigen recht heeft op uitkering jegens de betreffende verzekeraar en dat dit recht geen deel uitmaakt van de nalatenschap. Nu [eisers c.s.] geen aanspraak meer maken op overlegging van bescheiden die betrekking hebben op deze verzekeringen, zal dit deel van de vordering van [eisers c.s.] worden afgewezen.


Slotsom

4.24.

[gedaagde] c.s. zal worden veroordeeld om – binnen vier weken na betekening van dit vonnis (in plaats van na wijzen van vonnis, zoals door [eisers c.s.] gevorderd) – over te gaan tot afgifte aan [eisers c.s.] van een kopie van de (gezamenlijke) belastingaangifte 2011 van erflater en [gedaagde] . De reden hiervoor is dat eerst dwangsommen kunnen worden verbeurd na betekening van het vonnis (zie artikel 611a lid 3 Rv). De rechtbank ziet aanleiding om ambtshalve een maximum van € 10.000,-- aan de te verbeuren dwangsommen te verbinden.


4.25.

De vorderingen van [eisers c.s.] tot afgifte van de andere bescheiden zal worden afgewezen, bij gebreke van een rechtsgrond daarvoor, dan wel onvoldoende onderbouwing voor hun stelling dat [gedaagde] een onjuiste opgave heeft gedaan van de goederen behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap, dan wel nalatenschap van erflater.





Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.26.

[gedaagde] stelt zich verder op het standpunt dat uitvoerbaarheid bij voorraad dient te worden onthouden aan een veroordelend vonnis. Volgens [gedaagde] zal zij zeker hoger beroep instellen tegen een toewijzend vonnis. Na afgifte van de stukken zal hoger beroep zinloos zijn omdat de gegevens dan al afgegeven zijn.


4.27.

Artikel 233 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter het vonnis desgevorderd uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit. Bij de toepassing van dit artikel geldt als maatstaf dat de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven (HR 29 november 1996, NJ 1997, 684). Verder geldt daarbij dat mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad maar daarbij meegewogen dienen te worden (HR 28 mei 1993, NJ 1993, 468).


4.28.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van [eisers c.s.] (bij het nu verkrijgen van hun recht op afschrift/inzage in de aangifte IB 2011) zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist. Hierbij is van belang dat partijen in feite al vanaf kort na het overlijden van erflater op [2011] – inmiddels dus al ruim vijf jaar – een geschil hebben over de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap, de nalatenschap en de onderbedelingsvorderingen. Gelet op de duur van het geschil kan niet van [eisers c.s.] verlangd worden voorafgaand aan de uitoefening van hun rechten ook de uitkomst van een eventuele appelprocedure nog eens af te wachten. Daarnaast geldt dat de (uitvoerbaar bij voorraad te verklaren) veroordeling slechts betrekking heeft op een zeer beperkt deel van het door [eisers c.s.] gevorderde. De onomkeerbaarheid van de gevolgen van een uitvoerbaar bij voorraadverklaring heeft enkel betrekking op de aangifte IB 2011.


Proceskosten

4.26.

Nu het geschil van partijen betrekking heeft op de afwikkeling van de nalatenschap van hun vader ( [eiseres sub 1] ) respectievelijk echtgenoot ( [gedaagde] ), zullen de proceskosten worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigenproceskosten draagt.


5De beslissing

De rechtbank


5.1.

veroordeelt [gedaagde] – om binnen vier weken na betekening van dit vonnis – over te gaan tot afgifte aan [eisers c.s.] van een kopie van de (gezamenlijke) belastingaangifte 2011 van erflater en [gedaagde] ,


5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers c.s.] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,-- is bereikt,


5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,


5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,


5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Beens en in het openbaar uitgesproken op

7 juni 2017.