Rechtbank Midden-Nederland, 21-04-2017 / AWB - 16 _ 5147


ECLI:NL:RBMNE:2017:2677

Inhoudsindicatie
Trefwoorden: Wob Samenvatting: Verweerder heeft de verzoeken van eiser om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser bij zijn Wob-verzoeken geen publiek belang heeft gesteld en de Wob daarom niet van toepassing is, en subsidiair dat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank stelt voorop dat de indiener van een Wob-verzoek bij zijn verzoek geen belang hoeft te stellen, omdat het belang is gelegen in openbaarmaking. Daarnaast bieden de Wob-verzoeken van eiser ook geen aanleiding voor de conclusie dat er geen algemeen belang bij openbaarmaking zou zijn en heeft eiser wel een publiek belang bij openbaarmaking gesteld. De stelling van verweerder dat de Wob niet van toepassing zou zijn is dus onjuist. Dat sprake is van misbruik van recht heeft verweerder onvoldoende onderbouwd. Verder is onduidelijk op welke bezwaren verweerder precies heeft beslist. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen is en niet deugdelijk is gemotiveerd en daarom vernietigt de rechtbank dit besluit. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-04-21
Publicatiedatum
2017-06-08
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5147
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/5147-T


uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en


de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: A.IJ. Ruiter).



Procesverloop


Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van informatie van 2 juni 2016 afgewezen.


Bij besluit van 24 augustus 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder vier verzoeken van eiser om openbaarmaking van informatie van 27 juni 2016 afgewezen.


Bij besluit van 7 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser kennelijk niet-ontvankelijk, subsidiair kennelijk ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2017. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Eiser heeft bij brief van 2 juni 2016, met kenmerk 2016.003, op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om een afschrift dan wel openbaarmaking van de beslissingen (op bezwaar) bekend gemaakt, al dan niet op basis van een daartoe strekkend verzoek, op grond van het zogenaamde HAP-II loopbaanbeleid, alsmede een overzicht, al dan niet onder vermelding van het dienstnummer en/of het kenmerk van de beslissing (op bezwaar), van de medewerkers die zijn bevorderd op grond van het HAP-II loopbaanbeleid. Eiser heeft dit verzoek beperkt tot de beslissingen (op bezwaar) van medewerkers in schaal 7 die werkzaam waren in de voormalige politieregio’s [X] -Noord en [X] -Zuid bij de recherche en vanuit de recherche op grond van het HAP-II loopbaanbeleid zijn doorgestroomd naar de functie van senior in schaal 8.


2. Bij de afzonderlijke brieven van 27 juni 2016, met de kenmerken 2016.007, 2016.005, 2006.004 en 2016.006, heeft eiser op grond van de Wob verzocht om een afschrift dan wel openbaarmaking van:

  • - LFNP-overgangsbesluiten en functiebeschrijvingen met betrekking tot verschillende functies;
  • - documenten die betrekking hebben op de proceskostenvergoedingen als bedoeld in de artikelen 7:15 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht die de eenheid [X] in 2015 heeft voldaan aan […] en de […] ;
  • - alle primaire beslissingen en beslissingen op bezwaar die de eenheid [X] bekend heeft gemaakt naar aanleiding van een Wob-verzoek in het kalenderjaar 2015, alsmede enig ander document dat hierop betrekking heeft, bijvoorbeeld een verzoek om precisering, een brief waarin de verzoeker is gevraagd welk publiek belang hij/zij heeft bij het verzoek, een brief waarin is meegedeeld dat de beslistermijn wordt verlengd en een brief waarin is meegedeeld dat de beslistermijn (automatisch) is verlengd. Dit verzoek omvat mede, maar is niet beperkt tot, de beslissing (op bezwaar) waarin verweerder (uiteindelijk) vaststelt dat de Wob niet van toepassing is;)
  • - de beslissingen (op bezwaar) bekend gemaakt, al dan niet op basis van een daartoe strekkend verzoek, op grond van het HAP-II loopbaanbeleid, alsmede een overzicht, onder vermelding van het dienstnummer en/of het kenmerk van de beslissing (op bezwaar), van de medewerkers die zijn bevorderd op grond van het HAP-II loopbaanbeleid. Eiser heeft dit verzoek beperkt tot de beslissingen (op bezwaar) van generalisten GGP (schaal 7) die werkzaam waren in de voormalige politieregio’s [X] -Noord en [X] -Zuid die op grond van het HAP-II loopbaanbeleid zijn doorgestroomd naar de functie van senior GGP (schaal 8).

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit onder meer op het standpunt gesteld dat eiser de Wob-verzoeken heeft ingediend in verband met een ambtenarenrechtelijk geschil. Gelet daarop is het doel van de Wob-verzoeken volgens verweerder niet openbaarmaking voor een ieder, maar het verkrijgen van informatie in verband met het maken van bezwaar wegens voornoemd geschil. Daarin voorziet artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser lijkt zijn informatieverzoeken echter bewust te hebben gebaseerd op de Wob. Daarnaast heeft eiser, ondanks verzoeken daartoe, ook geen publiek belang gesteld bij de verzochte openbaarmaking, aldus verweerder. Verweerder heeft verder opgemerkt dat eiser zijn informatieverzoeken door middel van vijf afzonderlijke brieven heeft ingediend en hij ook vier afzonderlijke ingebrekestellingen heeft ingediend. Volgens verweerder getuigt het procesgedrag van eiser niet van doelmatig handelen en heeft eiser een (tijdige) besluitvorming onnodig bemoeilijkt. Ook doet de vaagheid van de verzoeken volgens verweerder afbreuk aan het doel waartoe de verzoeken beweerdelijk zijn ingediend. Verweerder is daarom van mening dat sprake is van misbruik van recht met betrekking tot het indienen van de Wob-verzoeken en het maken van bezwaar. Wat betreft de door eiser ingediende ingebrekestellingen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze prematuur zijn en deze bovendien niet volgens het daartoe bestemde formulier op de website van de politie zijn ingediend, zodat geen dwangsom is verschuldigd.


4. Eiser heeft aangevoerd dat de stelling van verweerder dat eiser informatie heeft gevraagd in verband met een ambtenarenrechtelijk geschil, nergens op is gebaseerd. Ook als dit wel het geval zou zijn, is dit volgens eiser nog geen reden om de Wob-verzoeken niet in behandeling te nemen. Dat sprake zou zijn van misbruik van recht heeft eiser eveneens bestreden.


5. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat hij zich primair op het standpunt stelt dat eiser bij zijn verzoeken om openbaarmaking van informatie geen publiek belang heeft gesteld en de Wob daarom niet van toepassing is en hij zich subsidiair op het standpunt stelt dat sprake is van misbruik van recht.


6. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van verweerder dat de Wob niet van toepassing is, onjuist is. Vooropgesteld dient te worden dat een indiener van een Wob-verzoek, gelet op artikel 3, derde lid, van de Wob, bij zijn verzoek geen belang hoeft te stellen, omdat het belang is gelegen in openbaarmaking. De rechtbank ziet in de Wob-verzoeken van eiser ook geen aanleiding voor de conclusie dat er geen algemeen belang bij openbaarmaking zou zijn. Los daarvan gaat naar het oordeel van de rechtbank de stelling van verweerder dat eiser geen publiek belang heeft gesteld bij openbaarmaking van de door hem gevraagde informatie en hij de informatie kennelijk heeft opgevraagd in verband met een ambtenarenrechtelijke procedure, niet op. Zo heeft eiser in zijn brief van 9 juni 2016 over het Wob-verzoek van 2 juni 2016 vermeld dat de gevraagde informatie met name van belang is voor rechercheurs buiten de eenheden [X] en [Y] , omdat deze rechercheurs, anders dan de rechercheurs van de eenheden [X] en [Y] , niet de mogelijkheid hebben om door te stromen naar een hogere functie. Eiser heeft verder, bijvoorbeeld in de brief van 25 juni 2016, benadrukt dat het Wob-verzoek van 2 juni 2016 op eigen naam is gedaan en dat van een Wob-verzoek namens een cliënt of een Wob-verzoek hangende een bezwaarprocedure geen sprake is. Eiser heeft verder in het Wob-verzoek van 27 juni 2016 met kenmerk 2016.004 vermeld dat het verzoek mede is ingegeven door de wens om (financiële) controle uit te kunnen (laten) oefenen op de wijze waarop verweerder met (Wob-)bevoegdheden omgaat. Volgens eiser is het van (publiek) belang dat inzicht wordt verschaft in het handelen van verzoekers en verweerder. Eiser heeft daarbij verwezen naar een evaluatieonderzoek dat is uitgevoerd door de Universiteit Utrecht en [naam adviesbureau] in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum. Verweerder heeft het door eiser gestelde publieke belang bij openbaarmaking gelet hierop onvoldoende onderkend. Zodoende is sprake van een gebrek.


7. De rechtbank volgt verweerder evenmin in zijn (subsidiaire) standpunt dat sprake is van misbruik van recht. Zoals volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), bijvoorbeeld de uitspraak van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:157), zijn voor het niet-ontvankelijk verklaren van een rechtsmiddel wegens misbruik van recht zwaarwegende gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval van dergelijke zwaarwegende gronden niet gebleken. Het standpunt van verweerder dat sprake is van misbruik van recht is dan ook onvoldoende onderbouwd. Ook in zoverre is daarom sprake van een gebrek.


8. Eiser heeft verder aangevoerd dat uit het bestreden besluit niet is op te maken op welke bezwaren verweerder precies heeft beslist. Evenmin valt volgens eiser uit het bestreden besluit op te maken waarom het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2016 en het bezwaar van 22 september 2016 kennelijk niet-ontvankelijk of ongegrond is verklaard. Ook heeft er volgens eiser geen volledige heroverweging plaatsgevonden. Eiser heeft verschillende argumenten aangedragen waarom de primaire besluiten geen stand kunnen houden, maar verweerder heeft halsstarrig vastgehouden aan zijn eigen standpunten, aldus eiser.


9. De rechtbank is van oordeel dat eiser terecht heeft opgemerkt dat uit het bestreden besluit niet is op te maken op welke bezwaren verweerder precies heeft beslist. Eiser heeft in ieder geval op 25 juni 2016, 18 juli 2016, 3 augustus 2016 en 22 september 2016 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft deze bezwaren in het bestreden besluit niet afzonderlijk, dat wil zeggen: per bezwaarschrift, beoordeeld en heeft ook anderszins geen scheiding aangebracht bij de beoordeling van de bezwaren, bijvoorbeeld aan de hand van de primaire besluiten of de Wob-verzoeken. Verder schept het verwarring dat verweerder onder ‘Uw kenmerk’ in het bestreden besluit de nummers 2016.003 tot en met 2016.007 heeft vermeld, terwijl in het primaire besluit II kenmerk 2016.007 niet is vermeld. In dit kader roept het ook vragen op dat verweerder bij brief van 6 juli 2016 aan eiser heeft meegedeeld dat het verzoek van 27 juni 2016 met kenmerk 2016.007 in behandeling is bij de Wob-coördinatiedesk van de korpsstaf in [Y] en verweerder met een afzonderlijk besluit van 24 augustus 2016, waarin bij ‘Uw kenmerk’ de kenmerken 2016.007 tot en met 2016.012 zijn vermeld, verschillende stukken openbaar heeft gemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet duidelijk gemaakt hoe een en ander zich tot elkaar verhoudt en heeft hiervoor ook ter zitting geen afdoende verklaring gegeven. Verweerder heeft in het bestreden besluit evenmin duidelijk gemaakt om welke redenen de bezwaren niet-ontvankelijk dan wel ongegrond zijn verklaard. De verklaring van verweerder ter zitting dat hij zich primair op het standpunt stelt dat de Wob niet van toepassing is en hij subsidiair van mening is dat sprake is van misbruik van recht, is hiervoor geen afdoende verklaring, omdat de bezwaren in dat geval primair ongegrond en subsidiair niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard. Nu onduidelijk is op welke bezwaren precies is beslist, is eveneens onduidelijk of een volledige heroverweging heeft plaatsgevonden. Dit kan eerst worden beoordeeld als duidelijk is op welke bezwaren is beslist. Ook in dit opzicht is zodoende sprake van een gebrek.


10. De rechtbank constateert voorts dat verweerder, in reactie op het verzoek van eiser aan de rechtbank om bij verweerder de documenten op te vragen ten aanzien waarvan om openbaarmaking is verzocht, bij brief van 5 januari 2017 aan eiser heeft meegedeeld dat hij niet beschikt over de op 27 juni 2016 gevraagde “documenten die betrekking hebben op de proceskostenvergoedingen (…) voldaan aan […] en de […] ” en “alle primaire beslissingen alsmede beslissingen op bezwaar (…) dat hierop betrekking heeft”. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat deze mededeling een aanvulling op het bestreden besluit is.


11. Eiser heeft in reactie hierop onder meer aangevoerd dat de aanvullende beslissing van 5 januari 2017 zich niet verhoudt met artikel 7:11 van de Awb.


12. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende motivering van 5 januari 2017, hoewel hierin een nieuwe grondslag is vermeld, namelijk dat verweerder niet over bepaalde gevraagde stukken beschikt, omwille van efficiëntie en een finale geschilbeslechting op grond van artikel 6:19 van de Awb moet worden meegenomen bij de beoordeling van onderhavig beroep. Nu deze motivering echter niet reeds in het bestreden besluit is opgenomen, vertoont het bestreden besluit in dat opzicht een gebrek. De rechtbank is verder van oordeel dat de aanvullende motivering in ieder geval niet opgaat ten aanzien van de op 27 juni 2016 gevraagde informatie met kenmerk 2016.006, aangezien verweerder ter zitting heeft verklaard wel over deze informatie te beschikken. De rechtbank hecht er in dit kader voorts aan op te merken dat verweerder ter zitting ook heeft verklaard dat de informatie die eiser met het Wob-verzoek van 2 juni 2016 heeft opgevraagd wel aanwezig is, maar niet is verstrekt omdat de Wob volgens verweerder niet van toepassing is. Voor zover verweerder zich derhalve op het standpunt stelt dat hij niet over de gevraagde informatie beschikt, is dit onvoldoende onderbouwd.


13. Eiser heeft verder aangevoerd dat de gemachtigde van verweerder, mr. A.IJ. Ruiter, op eigen titel brieven heeft gestuurd en ook bemoeienis heeft gehad met het besluit van 21 juni 2016. Volgens eiser heeft verweerder met het besluit van 21 juni 2016, door de tussenkomst van mr. Ruiter, misbruik gemaakt van zijn recht of bevoegdheid. Eiser heeft zich voorts verzet tegen het optreden van mr. Ruiter als vertegenwoordiger van verweerder in deze zaak.


14. Voor zover eiser met zijn stelling dat mr. Ruiter op eigen titel brieven heeft gestuurd en hij bemoeienis heeft gehad met het besluit van 21 juni 2016 heeft willen betogen dat het besluit van 21 juni 2016 onbevoegd is genomen, volgt de rechtbank eiser hierin niet. Het besluit is genomen door mevrouw [naam Sectorhoofd] , Sectorhoofd staf eenheid [X] , namens de korpschef. Naar het oordeel van de rechtbank is gesteld noch gebleken dat mevrouw [naam Sectorhoofd] niet bevoegd zou zijn. De enkele omstandigheid dat mr. Ruiter bij de totstandkoming van dit besluit betrokken is geweest en brieven heeft geschreven, maakt dit niet anders. Wat betreft de omstandigheid dat eiser zich heeft verzet tegen het optreden van mr. Ruiter als vertegenwoordiger van verweerder in deze zaak, overweegt de rechtbank dat zij bij brief van 16 januari 2017 aan eiser heeft meegedeeld geen aanleiding te zien om de gemachtigde van verweerder met toepassing van artikel 8:25 van de Awb te weigeren. De rechtbank ziet thans geen aanleiding voor een andere conclusie. Het beroep slaagt in zoverre niet.


15. Eiser heeft tot slot betoogd dat verweerder ten onrechte geen dwangsom heeft vastgesteld. Toen eiser verweerder op 23 september 2016 in gebreke stelde was de beslistermijn volgens eiser reeds verstreken. Weliswaar heeft mr. Ruiter de beslistermijn bij brief van 13 september 2016 verdaagd, maar deze verdaging zag op een bezwaarschrift van 25 juni 2016. Een dergelijk bezwaar heeft eiser naar eigen zeggen nooit ingediend. De beslistermijn op het bezwaar van 3 augustus 2016 is volgens eiser nooit verdaagd. Bovendien was mr. Ruiter niet bevoegd een verdagingsbeslissing te nemen, aldus eiser.


16. De rechtbank overweegt dat het bezwaar van 3 augustus 2016 is gericht tegen het primaire besluit I, waartegen reeds op 25 juni 2016 tijdig bezwaar is gemaakt. De rechtbank beschouwt het bezwaar van 3 augustus 2016 zodoende als een aanvullend bezwaar. De beslistermijn om op de bezwaren van 25 juni 2016 en 3 augustus 2016 te beslissen eindigde in beginsel op 13 september 2016. Verweerder heeft eiser echter bij brief van 16 augustus 2016 tot 29 augustus 2016 in de gelegenheid gesteld om de door verweerder geconstateerde verzuimen wat betreft de bezwaarschriften van achtereenvolgens 25 juni 2016 en 3 augustus 2016 te herstellen. Bij brief van 25 augustus 2016, dus terwijl de vorige hersteltermijn nog liep, heeft verweerder eiser wederom ten aanzien van het aanvullend bezwaarschrift van 3 augustus 2016 een termijn geboden voor verzuimherstel, te weten tot 5 september 2016. Eiser is niet op deze geboden gelegenheden voor herstelverzuim ingegaan. Gelet op artikel 7:10, tweede lid, van de Awb was de beslistermijn derhalve opgeschort van 17 augustus 2016 tot 5 september 2016. Zodoende eindigde de beslistermijn niet op 13 september 2016, maar 19 dagen later, op 3 oktober 2016. Nu eiser verweerder op 23 september 2016 in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvullend bezwaar van 3 augustus 2016, en de beslistermijn gelet op het voorgaande nog niet was verstreken, is de ingebrekestelling prematuur. Verweerder is zodoende reeds daarom geen dwangsom verschuldigd wegens niet tijdig beslissen op het aanvullend bezwaar van 3 augustus 2016. Het beroep slaagt in zoverre niet.


17. Gelet op hetgeen onder 6, 7, 9 en 12 is overwogen is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd en derhalve in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Gelet op de aard en omvang van de gebreken is de rechtbank van oordeel dat de gebreken zich niet lenen voor herstel als bedoeld in artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.


18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en overigens geen kosten zijn onderbouwd.


19. Omdat het beroep gegrond is zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt.


Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen vier weken na heden een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 168,-- aan hem vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, voorzitter, en mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.



De griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen



griffier voorzitter


Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.