Rechtbank Midden-Nederland, 30-05-2017 / UTR 16/ 3215 en UTR 16/3242


ECLI:NL:RBMNE:2017:2747

Inhoudsindicatie
Eisers komen op tegen de horeca-exploitatievergunning aan een horecabedrijf in Amersfoort. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder er onvoldoende blijk van gegeven de door eisers aangevoerde belangen in het kader van hun woon- en leefomgeving te hebben afgewogen tegen het belang van de vergunninghouder om het horecabedrijf te exploiteren. Verweerder is in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd. Verweerder heeft nader inzicht gegeven in het onderzoek naar de te verwachten gevolgen van het exploiteren van het horecabedrijf op de betreffende locatie. Daarbij heeft verweerder er voldoende blijk van gegeven de door eisers aangevoerde belangen bij het niet verder aantasten van hun woonomgeving en woongenot te hebben afgewogen tegen het belang van de vergunninghouder om het horecabedrijf te exploiteren. Met de aanvullende motivering heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat geen sprake is van een situatie waarin de belangen van eisers bij het niet verder aantasten van hun woonomgeving en het woongenot op ontoelaatbare wijze nadelig, onevenredig, wordt beïnvloed. Het beroep is gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-30
Publicatiedatum
2017-06-08
Zaaknummer
UTR 16/ 3215 en UTR 16/3242
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummers: UTR 16/3215 en UTR 16/3242


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2017 in de zaken tussen
[eiser 1] te [woonplaats] , eiser 1 (UTR 16/3215)

(gemachtigde: mr. A. van Lohuizen),


[eiser 2] , te [woonplaats] , eiser 2 (UTR 16/3242)

(gemachtigde: mr. W.M. Janse),


eisers,


en


de burgemeester van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J. van Eyck).



Procesverloop


Bij besluit van 8 december 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan de

heer [A] (vergunninghouder), bestuurder van [BV] B.V., een

horeca-exploitatievergunning verleend voor het exploiteren van horecabedrijf

“ [café] ”, gevestigd in het pand aan de [vestigingsadres 1] te [vestigingsplaats] .


Bij besluit van 8 december 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan

[BV] B.V. een drank- en horecawetvergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf “ [café] ”, gevestigd in de inrichting aan de [vestigingsadres 1] te [vestigingsplaats] .


Bij besluit van 27 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van, onder meer, eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door J. Buysse. De vergunninghouder was ter zitting aanwezig als toehoorder.


Bij tussenuitspraak van 8 december 2016 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.


Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.


Eisers hebben hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.


De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.


Overwegingen


1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).


2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de beroepen zich uitsluitend richten tegen de aan de vergunninghouder verleende horeca-exploitatievergunning. Tussen partijen is in geschil of verweerder in redelijkheid deze vergunning heeft kunnen verlenen aan de vergunninghouder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder er onvoldoende blijk van gegeven de door eisers aangevoerde belangen in het kader van hun woon- en leefomgeving te hebben afgewogen tegen het belang van de vergunninghouder om het horecabedrijf “ [café] ” (het horecabedrijf) te exploiteren. Verweerder had in het kader van de belangenafweging nader moeten motiveren in hoeverre het belang van de vergunninghouder opweegt tegen de door eisers ervaren toename van de overlast, mogelijk als gevolg van een gewijzigd uitgaanspubliek en het gebruik maken van de maximale openingstijden, sinds de opening van het horecabedrijf. Verweerder heeft geen inzicht gegeven in hoe hij deze belangen tegen elkaar heeft afgewogen en daarbij de verschillende aspecten van overlast heeft onderzocht en betrokken. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen. Daarvoor moet verweerder motiveren waarom naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed en hoe hij daarbij de door eisers aangevoerde belangen heeft afgewogen tegen het belang van de vergunninghouder om het horecabedrijf te exploiteren. De verschillende aspecten van overlast dienen in het kader van de belangenafweging te worden meegenomen. Daarnaast dient verweerder inzicht te geven in de wijze waarop de toename van de overlastmeldingen in relatie tot de exploitatie van het horecabedrijf is beoordeeld om te bezien of de woon- en leefsituatie (op ontoelaatbare wijze) nadelig wordt beïnvloed door die exploitatie. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.


3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder een aanvullende motivering gegeven en betoogd dat er op voorhand geen aanleiding bestond om aan te nemen dat de wijze van exploiteren van het horecabedrijf tot een onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefsituatie of de openbare orde zou leiden en ook anderszins geen grondslag bestond om de vergunning te weigeren. Verder heeft verweerder uiteengezet waarom naar zijn oordeel de woon- en leefomgeving in de nabijheid van het horecabedrijf ook na de opening niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Hij is daarbij ingegaan op het algemene beeld van de overlast, de vervuiling en overlast buiten de inrichting en de verkeers- en parkeerdruk in relatie tot de ligging van het horecabedrijf in het concentratiegebied. Daarbij heeft verweerder inzicht gegeven in de politiemutaties in de periode van 4 juli 2015 tot en met 22 mei 2016 (datum bestreden besluit) en de meldingen in het kader van de Handhaving Openbare Ruimte in de periode van 1 januari 2015 tot medio oktober 2016.


4. Eisers hebben naar aanleiding hiervan beiden hun zienswijze gegeven. Zij stellen zich op het standpunt dat verweerder het gebrek niet heeft hersteld, nu er geen deugdelijke belangenafweging aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke gevolgen van de exploitatie op de huidige locatie. Ten aanzien van de toename van het aantal politiemutaties en meldingen zijn eisers van mening dat het aantal klachtmeldingen in verband met overlast aanzienlijk is toegenomen nadat het horecabedrijf zich in de [vestigingsadres 1] heeft gevestigd. Door verweerder is onvoldoende weerlegd dat de oorzaak van de klachten niet afkomstig is van de vestiging van het horecabedrijf in de [vestigingsadres 1] , aldus eisers.


5. Zoals de rechtbank eerder in de tussenuitspraak heeft overwogen, komt aan verweerder bij de beantwoording van de vraag of reden bestaat de exploitatievergunning te weigeren omdat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de te verlenen exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28a, tweede lid, van de APV, beoordelingsvrijheid toe. De uitoefening van deze bevoegdheid dient door de rechtbank daarom terughoudend te worden getoetst.


6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de aanvullende motivering het geconstateerde gebrek hersteld. Verweerder heeft nader inzicht gegeven in het onderzoek naar de te verwachten gevolgen van het exploiteren van het horecabedrijf op de betreffende locatie. Daarbij heeft verweerder er voldoende blijk van gegeven de door eisers aangevoerde belangen bij het niet verder aantasten van hun woonomgeving en woongenot te hebben afgewogen tegen het belang van de vergunninghouder om het horecabedrijf te exploiteren. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.


7. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder vastgesteld dat het horecabedrijf op de betreffende locatie passend is binnen de bestemming die daaraan in het bestemmingsplan is gegeven. De locatie maakt deel uit van het horecaconcentratiegebied in de gemeente Amersfoort. Daarnaast is gekeken naar eerdere ervaringen met de exploitatie van het horecabedrijf op het [vestigingsadres 2] en met de uitbater van het horecabedrijf, de vergunninghouder. Ook de openingstijden van het horecabedrijf zijn in de beoordeling betrokken. Deze zijn beperkter dan de openingstijden die in de vergunning van de voorgangers waren opgenomen. Voor het horecabedrijf is geen openstelling voor zondagen en maandagen vergund. Het sluitingsuur op de openingsdagen is hetzelfde als op grond van de vergunningen van de voorgangers was toegestaan. Ook de overleggen met de ketenpartners van verweerder gaven verweerder geen aanleiding om de horeca-exploitatievergunning op voorhand te weigeren. Verweerder heeft uit de beoordeling van voornoemde aspecten in redelijkheid kunnen concluderen dat deze op voorhand niet aan verlening van de horeca-exploitatievergunning in de weg staan. Eisers worden gelet op het voorgaande niet gevolgd in hun betoog dat verweerder voorafgaand aan het verlenen van de vergunning niet heeft onderzocht of aanleiding bestaat te verwachten dat de woon- en leefsituatie (op ontoelaatbare wijze) nadelig wordt beïnvloed door de wijze van exploiteren. Wat eisers hebben aangevoerd over de wijze waarop is gekomen tot het aanwijzen van de huidige locatie voor het horecabedrijf, en het daarnaartoe verplaatsen na protesten tegen een andere locatie, kan daarom daaraan niet afdoen.


8. Eisers hebben verder aangevoerd dat door de wijze van exploiteren, te weten het zich richten op met name jonger publiek en de openingstijden in combinatie met de ligging waarbij de uitloop overlast in de hand werkt, hun woon- en leefsituatie in de directe omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Dat de overlast het gevolg is van de komst van het horecabedrijf blijkt uit de toename van de door eisers zelf geconstateerde vormen van overlast evenals uit de enorme toename van de mutaties en handhavingsverzoeken. Dit was ook gelet op de aard van de onderneming en de beoogde ligging vooraf te verwachten. Ook in de heroverweging en de aanvullende motivering heeft verweerder dit onvoldoende onderkend en hieraan onvoldoende gewicht toegekend.


9. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat niet was gebleken dat verweerder voorafgaand aan de vergunningverlening noch naar aanleiding van de bezwaarprocedure de belangen van eisers had betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiervan in zijn aanvullende motivering wel blijk heeft gegeven. Verweerder heeft acht geslagen op de uitloop van het uitgaanspubliek, de verkeers- en parkeerdruk en de al dan niet daardoor veroorzaakte overlast. Verweerder heeft bezien of sprake is van een toename van overlast die, gelet op de locatie waar het horecabedrijf is gevestigd, is aan te merken als een ontoelaatbare aantasting van de woonomgeving en het woongenot van eisers.


9.1

Verweerder heeft terecht de locatie van het horecabedrijf, namelijk in een horeca-concentratiegebied, van belang geacht. Er is door verweerder een bewuste keuze gemaakt voor deze concentratie en daarmee ook voor het concentreren van de positieve én nadelige beïnvloeding van de omgeving door de horecabedrijven waaronder onderhavige. Het horecabedrijf past binnen de bestemming en met de exploitatievergunning is geen verruiming van de openingsduur geregeld ten opzichte van de eerdere exploitant. De grens van wat een nadelige beïnvloeding is die moet resulteren in het weigeren van de vergunning zal daarbij hoger liggen in een horecaconcentratiegebied dan in het gebied daarbuiten met andere bedrijvigheid of lichte horeca. Dit staat los van de wijze van exploitatie van dit horecabedrijf.


9.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder verder in de aanvullende motivering voldoende heeft toegelicht waarom hij in de openingstijden en het zich richten op een jong uitgaanspubliek, als wijze van exploiteren, geen aanleiding heeft hoeven zien om op voorhand aan te nemen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Verweerder heeft uiteengezet dat de vorige ondernemers het op grond van de aan hen verleende exploitatievergunningen was toegestaan om alle dagen geopend te zijn. Het horecabedrijf is toegestaan om vijf dagen per week geopend te zijn. Voor zondag en maandag is geen vergunning verleend. Verder is de sluitingsduur voor het horecabedrijf hetzelfde als voor zijn voorgangers. Dat het horecabedrijf ruimer gebruik maakt van de openstelling dan zijn voorgangers deden, maakt dat op meerdere dagen van de week en tot een later tijdstip overlast kan worden ervaren. Hierin heeft verweerder echter op voorhand geen aanleiding hoeven zien aan te nemen dat van zo’n aantasting van de woon- en leefsituatie in de omgeving sprake zou zijn dat aanleiding voor weigering bestaat. Daarbij heeft verweerder van belang mogen vinden dat wordt voorzien in een uitgaansgelegenheid specifiek voor jongeren binnen een stad als Amersfoort. Verweerder heeft gelet op die omstandigheden, de ligging in het horecaconcentratiegebied, de ervaring met de uitbater van het horecabedrijf op de eerdere locatie en de in acht te nemen verplichtingen en verantwoordelijkheden, het belang van het kunnen exploiteren van het horecabedrijf op voorhand zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van eisers bij het niet nader aantasten van hun woonomgeving en woongenot.


9.3

Vervolgens heeft verweerder inzichtelijk gemaakt op welke wijze is onderzocht in hoeverre de overlast na de opening is toegenomen, of dat het gevolg is van de wijze van exploiteren en of er gelet op de belangen van eisers aanleiding bestaat de vergunning in het kader van de in bezwaar te maken heroverweging alsnog te weigeren.

Daarbij heeft verweerder ten aanzien van het aantal politiemutaties onderkend dat deze zijn toegenomen sinds de komst van het horecabedrijf. Uit het overzicht van deze politiemutaties leidt de rechtbank af dat deze betrekking hebben op verkeersdrukte, geluidsoverlast door uitloop en vervuiling. De rechtbank volgt eisers echter niet in hun stelling dat hieruit valt af te herleiden dat deze toename van meldingen het gevolg is van de wijze van exploiteren van het horecabedrijf. Dit geldt ook voor de meldingen in het kader van de Handhaving Openbare Ruimte. Verweerder heeft van belang mogen vinden dat de mutaties en meldingen in een beperkt aantal gevallen specifiek aan het horecabedrijf zijn gerelateerd of daarop terug te voeren zijn en daarbij niet altijd sprake is geweest van overlast voor de omgeving. Er zijn bijvoorbeeld ook andersoortige meldingen opgenomen, zoals over niet werkende afvalcontainers. Het gegeven dat de meldingen zijn toegenomen sinds de komst van het horecabedrijf heeft verweerder op zich onvoldoende mogen vinden om de concluderen dat van ontoelaatbare wijze nadelige beïnvloeding sprake is.

De rechtbank volgt eisers in hun stelling dat de wijze van exploiteren specifiek jongeren aantrekt en aannemelijk is dat dit specifieke overlast tot gevolg heeft zoals indrinken en een toename van her en der geparkeerde fietsen, dit wordt ook door verweerder onderkend. Maar verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen concluderen dat voor zover de meldingen zien op overlast zoals ervaren door eisers, zoals zwerfvuil, meldingen over urineren en braken, uit de mutaties niet volgt dat sprake is van een op ontoelaatbare wijze nadelige beïnvloeding van de omgeving van het horecabedrijf. Verweerder heeft daarom mogen concluderen dat niet is gebleken van een onevenredige aantasting van eisers hun woonomgeving en woongenot in het horecaconcentratiegebied.

Daarbij heeft verweerder nog toegelicht en van belang mogen vinden welke vergunningsvoorwaarden zijn gesteld en op welke wijze de uitbater het horecabedrijf exploiteert, mede gelet op het specifieke publiek. Voorbeelden zijn het niet doorschenken, geen dronken personen binnen laten, zorg dragen dat geen glaswerk naar buiten wordt genomen en personeel van het horecabedrijf binnen en voor de deur die zich inzetten om overlast tegen te gaan. Dat het horecabedrijf hiervoor verantwoordelijkheid neemt is door eisers niet betwist.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook bij zijn beoordeling heeft mogen betrekken dat het horecabedrijf niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor overlast en afval veroorzaakt door jongeren die niet tot de onderneming worden toegelaten. Ook kan, mede gelet op de eerder genoemde wijze waarop het horecabedrijf probeert overlast tegen te gaan, het horecabedrijf niet verantwoordelijk worden gehouden voor overlast en afval veroorzaakt door jongeren die (eigen of van andere ondernemers afkomstig) afval verspreiden na een bezoek aan het horecabedrijf of overlast veroorzaken in de vorm van geluidhinder, braken of urineren anders dan in de directe omgeving van het horecabedrijf. De verantwoordelijkheid van het horecabedrijf reikt niet zo ver als eisers kennelijk wensen of verwachten. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt welke maatregelen zijn getroffen om deze overlast tegen te gaan en gewezen op de mogelijkheden handhavend op te treden.

Voor wat betreft de overlast in de vorm van verkeers- en parkeerdruk overweegt de rechtbank dat verweerder voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat een toename van verkeers- en parkeerdruk door taxi’s niet aannemelijk is gemaakt. Wat de overlast als gevolg van in het openbaar geparkeerde fietsen betreft, acht de rechtbank het aannemelijk dat dit een gevolg is van de wijze van exploitatie van het horecabedrijf omdat dat zich richt op een jonger publiek, dat veelal gebruik maakt van de fiets. Hierover heeft verweerder toegelicht dat, om dit te ondervangen, in het weekend een extra pop-up fietsenstalling aanwezig is en stewards worden ingezet om het uitgaanspubliek voor de stalling van hun fiets naar deze fietsenstalling te verwijzen en daarbij bezoekers ook op mogelijk overlast gevend gedrag aanspreken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze overlast, ook in samenhang met het voorgaande, van onvoldoende gewicht heeft mogen vinden om van een onevenredige benadeling van eisers te spreken.


10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder met de aanvullende motivering de door eisers genoemde milieuaspecten als geluid, parkeer- en verkeerdruk en de klachten meegewogen bij de beoordeling. Naar het oordeel heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om daar nader onderzoek naar uit (te laten) voeren.


11. Met de aanvullende motivering heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat geen sprake is van een situatie waarin de belangen van eisers bij het niet verder aantasten van hun woonomgeving en het woongenot op ontoelaatbare wijze nadelig, onevenredig, wordt beïnvloedt. Omdat van een situatie als is bedoeld in artikel 2:28a onder 2 van de APV niet is gebleken, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat de vergunning op die grond te weigeren, althans de vergunning te verlenen met aangepaste openingstijden. Van een te beperkte toets gelet op de artikelen 1:8 en 2:28a van de APV is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.


12. Eisers voeren verder aan dat verweerder ten onrechte de te verlenen vergunning niet heeft getoetst overeenkomstig de Horecanota Amersfoort 2013 (horecanota) en de in artikel 3.2.6. Toetsen van initiatieven genoemde aspecten. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat bij de eerste vestiging van een horecabedrijf op de betreffende locatie is getoetst aan de horecanota. De [vestigingsadres 1] wordt ook expliciet genoemd in de horecanota als zijnde harde horeca. Er wordt gekeken naar de fysieke inpasbaarheid van het horecabedrijf op de locatie, is er bijvoorbeeld sprake van een uitbreiding van de activiteiten. Nu daar in dit geval geen sprake van was en de bestemming past binnen het bestemmingsplan dat van recenter datum is dan de horecanota, is er geen ruimte voor toetsing aan de horecanota, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande heeft mogen concluderen dat geen aanleiding bestaat de exploitatievergunning te toetsen aan de horecanota.


13. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Awb. Omdat verweerder in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat wordt vernietigd in stand.


14. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.


15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 voor zowel eiser 1 als eiser 2 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).


Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart de beroepen gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Awb;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan beide eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.237,50 per eiser.



Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017.






griffier rechter

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.


Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.