Rechtbank Midden-Nederland, 08-06-2017 / C/16/435603 / JE RK 17-652


ECLI:NL:RBMNE:2017:2755

Inhoudsindicatie
Wijzigen zorgregeling. art. 265g niet van toepassing bij een machtiging tot uithuisplaatsing
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-08
Publicatiedatum
2017-06-21
Zaaknummer
C/16/435603 / JE RK 17-652
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2017-0189
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht


Zittingsplaats: Utrecht


Zaakgegevens: C/16/435603 / JE RK 17-652

Datum uitspraak: 8 juni 2017


Beschikking wijzigen zorg/omgangsregeling in de zaak van

Samen Veilig Midden-Nederland, hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),

gevestigd te Utrecht.


betreffende


[minderjarige 1] , geboren op [2008] te [geboortenplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,


[minderjarige 2] , geboren op [2013] te [geboortenplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .


De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:


[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. R.F.P. Scheele,


Familie [achternaam] , hierna te noemen de pleegouders,

wonende te [woonplaats] .



Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 22 maart 2017, ingekomen bij de griffie op 24 maart 2017;

- het faxbericht met bijlage van de GI van 8 mei 2017;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen van de moeder van 9 mei 2017, ingekomen bij de griffie op 9 mei 2017.


Op 11 mei 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de heer [A] , de pleegvader,

- de heer [B] , een vertegenwoordiger van de Raad,

- mevrouw [C] en mevrouw [D] , vertegenwoordigsters van de GI.




De feiten


De vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is overleden op [2014] .


Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de moeder.


Bij beschikking van 10 april 2014 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Deze maatregelen zijn nadien steeds verlengd, laatstelijk tot 10 april 2018.


[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen in een netwerkpleeggezin (oom en tante vaderszijde).


De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in de beschikking van 27 oktober 2015 bepaald dat de moeder recht heeft op omgang met de kinderen gedurende tenminste anderhalf uur per week bij de moeder thuis, onder begeleiding van een door de GI aan te wijzen professional. Deze beschikking is op 19 april 2016 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd.


Op 19 april 2016 heeft de GI aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven inhoudende dat de omgang voortaan zal plaatsvinden in de omgangsruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Bij beschikking van 26 mei 2016 heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder om deze schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren afgewezen.


Bij beschikking eveneens van 16 mei 2016 is het verzoek van de GI om de op 27 oktober 2015 vastgestelde regeling te wijzigen, in die zin dat de omgang voortaan in de omgangsruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] zal plaatsvinden, afgewezen.


Sinds begin 2017 vindt de omgang tussen de moeder en de kinderen weer bij moeder thuis plaats, gedurende anderhalf uur per week onder begeleiding van de GI.


Het verzoek


De GI heeft verzocht de door de kinderrechter op 27 oktober 2015 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen naar een keer per drie weken op woensdagmiddag 2,5 uur begeleid bij de moeder thuis. De moeder voert verweer en doet een zelfstandig verzoek om de huidige regeling te wijzigen naar een maal per week onbegeleid contact op zaterdag of zondag van 13.00 uur tot 17.00 uur.


De beoordeling


Zowel de GI als de moeder grondt haar verzoek op artikel 1:265g BW en vraagt de kinderrechter de op 27 oktober 2015 vastgestelde regeling te wijzigen. Partijen lijken er daarbij beiden van uit te gaan dat een regeling die is vastgesteld op grond van het tweede lid van artikel 1:265f BW, geldt als een regeling als bedoeld in het eerste lid van artikel 1:265g BW, waarvan op grond van het tweede lid wijziging kan worden gevraagd door (onder meer) de GI of een ouder.


De kinderrechter overweegt als volgt. Zowel artikel 1:265f als 1:265g BW heeft betrekking op de omgang tussen een ouder en een kind gedurende de ondertoezichtstelling van het kind.


Artikel 1:265f BW geldt als het kind uit huis is geplaatst. Dan kan de GI de contacten van een met het gezag belaste ouder met het kind beperken. Op deze beslissing van de GI zijn de artikelen 1:264 en 1:265 BW van toepassing. Op grond van artikel 1:264 BW kan de ouder de kinderrechter vragen de beslissing vervallen te verklaren. Op grond van artikel 1:265 BW kan de ouder bij gewijzigde omstandigheden de GI vragen de beslissing in te trekken of te wijzigen. Als de GI dat weigert, kan de ouder de kinderrechter vragen die weigering vervallen te verklaren. De kinderrechter kan in deze gevallen zelf een regeling voor de contacten vaststellen. Deze contactregeling komt dan in de plaats van de door de GI vastgestelde regeling. Als de omstandigheden daarna wijzigen kan de GI de contactregeling (opnieuw) aanpassen. Ook dan zijn de artikel 1:264 en 1:265 BW van toepassing.


Artikel 1:265g BW geldt in de situatie waarin het kind niet uit huis is geplaatst, en waarin de ouders niet meer samen wonen. Het kind woont dan dus in het gezin van een van de ouders. Als de GI vindt dat in die situatie een omgangsregeling tussen de niet-verzorgende ouder en het kind vastgesteld of gewijzigd moet worden, moet zij de kinderrechter verzoeken de gewenste regeling vast te stellen. Het tweede lid van artikel 1:265g BW vermeldt in welke gevallen de beslissing van de kinderrechter kan worden gewijzigd. De omgangsregeling die de kinderrechter op grond van artikel 1:265g lid 1 of lid 2 BW heeft vastgesteld, blijft op grond van lid 3 gelden na beëindiging van de ondertoezichtstelling.


Artikel 1:265f BW heeft dus betrekking op een uithuisgeplaatst kind en artikel 1:265g BW betreft een kind dat niet uit huis is geplaatst. Dat betekent dat in deze situatie, waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uithuisgeplaatst zijn, artikel 1:265f BW van toepassing is en niet artikel 1:265g BW.


De regeling die nu geldt is op 27 oktober 2015 vastgesteld nadat de GI op grond van artikel 1:265f lid 1 BW het contact tussen de uit huis geplaatste kinderen en de met het gezag belaste moeder heeft beperkt. Deze contactregeling is in de plaats gekomen van de regeling die de GI had vastgesteld. De GI kan de contacten verder inperken als dat noodzakelijk is, zoals ook is gebeurd in de beslissing van de GI van 19 april 2016 om de contacten op de omgangslocatie te laten plaatsvinden. De GI kan tevens besluiten de beperking in het contact geheel of gedeeltelijk op te heffen, zoals is gebeurd begin 2017 toen de contacten weer bij moeder thuis zijn gaan plaatsvinden.

De moeder kan, als de omstandigheden zijn gewijzigd, de GI verzoeken de beperking in het contact geheel of gedeeltelijk op te heffen.


Het voorgaande betekent dat zowel de GI als de moeder niet ontvankelijk is in haar verzoek om de huidige regeling te wijzigen. De GI is niet ontvankelijk omdat zij, zonder beslissing van de kinderrechter vooraf, bevoegd is de regeling te wijzigen. De moeder is niet ontvankelijk omdat zij heeft verzuimd om de GI te verzoeken de regeling te wijzigen. Pas als de GI op een dergelijk verzoek afwijzend beslist, kan die beslissing bij de kinderrechter worden aangevochten.


Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat de onderbouwing van het verzoek van de GI inhoudelijk tekortschiet, als die beoordeeld zou moeten worden als onderbouwing van een beslissing om de contacten tussen de moeder en de kinderen te beperken. Weliswaar kan een beperking van de contacten passend zijn nu het perspectief niet meer bij de moeder ligt, maar het enkele feit dat de kinderen het prettiger vinden om minder vaak te gaan, is daarvoor onvoldoende, temeer nu de moeder stelt dat de kinderen haar juist vragen om vaker te mogen komen. De GI heeft ook onvoldoende onderbouwd waarom, juist nu de contacten weer bij de moeder thuis plaatsvinden, de begeleiding door het IMH is gestopt, terwijl de GI wel stelt dat de moeder nog steeds onvoldoende aansluit bij de kinderen. Ook de uitleg waarom de systeemtherapie nog steeds niet is gestart, schiet tekort. Begeleiding door het IMH en systeemtherapie zijn twee middelen die ingezet kunnen worden om de belasting voor de kinderen te verminderen, waarvan duidelijk moet zijn waarom die niet worden ingezet, maar wordt gekozen voor een beperking van het contact. De kinderrechter wijst de GI ook op het ter zitting gegeven advies van de Raad om te bezien of minder vaak maar wel langer contact, naast de systeemtherapie, tot een vermindering van de gestelde belasting van de kinderen zou kunnen leiden.




De beslissing


De kinderrechter:


verklaart zowel de GI als de moeder in haar verzoek niet ontvankelijk.


Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, kinderrechter, in tegenwoordigheid van N. Tressel, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2017.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden