Rechtbank Midden-Nederland, 03-01-2017 / 428197/HA RK 16-287


ECLI:NL:RBMNE:2017:28

Inhoudsindicatie
wrakingsverzoek
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-01-03
Publicatiedatum
2017-01-04
Zaaknummer
428197/HA RK 16-287
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Wrakingskamer


zaaknummer: 428197/HA RK 16-287


beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 3 januari 2017


op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:


[verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigden: [A] en [B] .



Het verloop van de procedure


1.1

Tijdens de zitting van 30 november 2016 van mr. E.J.W. Verhaagh in het beroep van verzoeker heeft gemachtigde [A] aan de rechter meegedeeld dat hij haar heeft gewraakt. Deze zaak gaat over het beroep van verzoeker met zaaknummer UTR 16/461 over de door de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort vastgestelde WOZ-waarde van € 258.000,- van zijn woning [adres] , te [woonplaats] , per waardepeildatum 1 januari 2014. Bij e-mail gedateerd “30 november 2016 15:40” en gefaxt aan de rechtbank op 30 november 2016 om 22.47 uur heeft gemachtigde [A] een wrakingsnota ingediend.


1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust. Zij heeft schriftelijk haar reactie op het wrakingsverzoek gegeven.


1.3

Het wrakingsverzoek is door de meervoudige wrakingskamer behandeld ter zitting van 20 december 2016. De gemachtigden van verzoeker zijn verschenen. De rechter is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort (belanghebbende) is niemand verschenen.



Het verzoek


2.1

Uit de wrakingsnota van 30 november 2016, blijkt dat gemachtigde [A] de rechter wraakt vanwege georganiseerde partijdigheid. Gemachtigde [A] verwijst in de wrakingsnota naar andere procedures die bij de rechtbank Midden-Nederland hebben plaatsgevonden. Hij stelt dat de rechter heeft geweigerd getuigen op te roepen. Hij stelt dat de rechter niet aan alle artikelen voldoet van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren. Hij stelt dat de rechter weigert volledige informatie te verstrekken over haar eerdere nevenfuncties en haar posities binnen de VWK, kabinet RC en haar status binnen de rechtbank Midden-Nederland. Het Nevenfunctieregister van de Raad voor de Rechtspraak is niet identiek met de informatie die staat vermeld op het LinkedIn-profiel van de rechter. De rechter heeft voorts geweigerd een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad, namelijk of de wet grondslag biedt voor (een recht) op het integraal voorlezen van een pleitnota. Verder was de rechter niet bereid de zaak aan te houden. Ook gaat gemachtigde [A] in de wrakingsnota inhoudelijk in op de Woz-zaak. In de wrakingsnota die per fax is verzonden op 30 november 2016 om 22.47 uur is vermeld dat de wraking op voorhand is geschreven. De rechtbank heeft op 30 november 2016 om 23:04 een tweede faxbericht ontvangen van de gemachtigde met als titel “Eef-zaak: Toelichting”.


2.2

De rechter heeft naar voren gebracht dat zij op de zitting niet toe is gekomen aan de inhoudelijke behandeling van het beroep van verzoeker omdat zij steeds werd onderbroken door gemachtigde [A] . Zij heeft verder toegelicht dat zij niet heeft geweigerd om getuigen te horen, zij heeft voorafgaand aan de zitting en ook tijdens de zitting geen verzoek tot het horen van getuigen ontvangen. Evenmin heeft gemachtigde [A] verzocht de zaak aan te houden om het dossier te completeren. Enkel is gevraagd of het dossier volledig was, zonder dat [A] zelf aangaf wat er in het dossier zou ontbreken. Ook is de rechter niet gevraagd om prejudiciële vragen te stellen. De rechter heeft ten slotte naar voren gebracht dat gemachtigde [A] de zittingszaal overeenkomstig de wens van verzoeker reeds had verlaten toen hij het wrakingsverzoek indiende. [A] heeft nadat hij de zaal had verlaten tot het moment van meedelen van het wrakingsverzoek geen contact meer gehad met verzoeker. Ook ontbreekt de handtekening van verzoeker op het wrakingsverzoek. De rechter vraagt het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk of ongegrond te verklaren.



De beoordeling


3.1

Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.


Artikel 8:16, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.


Het tweede lid van artikel 8:16 Awb bepaalt dat het verzoek schriftelijk geschiedt en gemotiveerd is. Na de aanvang van een terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.


In het derde lid van artikel 8:16 Awb is bepaald dat alle feiten of omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen.


3.2

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.


3.3

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.


3.4

De wrakingskamer overweegt allereerst dat verzoeker blijkens het proces-verbaal van de zitting van 30 november 2016 aan het einde van de zitting, na de aankondiging van de wraking door [A] , heeft verklaard dat [A] nog steeds zijn gemachtigde is. Daarom wordt het wrakingsverzoek geacht namens verzoeker te zijn ingediend. Omdat [A] de gemachtigde van verzoeker is, hoeft het wrakingsverzoek niet door verzoeker persoonlijk ondertekend te zijn. Het verzoek is naar het oordeel van de wrakingskamer in zoverre ontvankelijk.


3.5

Op grond van het tweede lid van artikel 8:16 van de Awb wordt het wrakingsverzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Hieruit volgt naar het oordeel van de wrakingskamer dat een wrakingsverzoek waarvan de grondslag is gelegen in algemene feiten of omstandigheden rondom de persoon van de rechter en diens nevenfuncties terstond na het bekend worden van die feiten of omstandigheden moet worden ingediend. Gemachtigde [A] heeft in dit geval blijkens de ingediende wrakingsnota reeds voor de zitting het wrakingsverzoek opgesteld. Tijdens de zitting op 30 november 2016 heeft hij vanuit de deuropening aan de rechter meegedeeld dat hij een wrakingsverzoek heeft ingediend. Omdat hem al eerder de toegang tot de zitting was ontzegd is hij direct na de mededeling dat hij de rechter wraakte de gang weer op gegaan. Hij heeft op de zitting van de wrakingskamer aangegeven dat hij naar zijn idee niet de gelegenheid had om op dat moment de wrakingsgronden toe te lichten. Hij had de op voorhand opgestelde wrakingsnota niet direct bij aanvang van de zitting ingediend omdat hij de rechter ter zitting nog een aantal vragen wilde stellen en op grond van de antwoorden daarop wilde beoordelen of hij de rechter zou wraken. De wrakingskamer is van oordeel dat in deze bijzondere omstandigheden niet kan worden geoordeeld dat het wrakingsverzoek niet is ingediend zodra de feiten of omstandigheden waar de wraking in is gelegen bekend zijn geworden. Ook hierin is geen beletsel gelegen het verzoek inhoudelijk te behandelen.


3.6

Gemachtigde [A] heeft blijkens de wrakingsnota het wrakingsverzoek op voorhand geschreven en daarin een aantal wrakingsgronden vermeld. Dit is de e-mail die op

30 november 2016 om 15:40 uur is gedateerd en als faxbericht op die dag om 22:47 uur is verzonden. Dit bericht merkt de wrakingskamer samen met het stuk dat als faxbericht om 23:04 uur is verzonden aan als de schriftelijke onderbouwing van het verzoek. De wrakingskamer laat het faxbericht gedateerd 19 december 2016 16.01 uur buiten beschouwing, omdat het tijdsverloop tussen de mededeling van de wraking en de ontvangst van dit nadere stuk te groot is, en de wet voor deze late aanvulling geen ruimte biedt.


3.7

De kern van het wrakingsverzoek ligt in de door gemachtigde [A] gestelde georganiseerde partijdigheid van de rechter en ook van andere rechters. De wrakingskamer stelt vast dat de wrakingsnota algemeen is opgesteld en veel feiten en omstandigheden weergeeft van andere rechters en andere zaken. Hieruit kan niet volgen dat het de rechter in de beroepszaak van verzoeker heeft ontbroken aan onpartijdigheid of dat zij blijk heeft gegeven van vooringenomenheid. De wrakingskamer stelt vast dat in het beroepschrift van verzoeker in de Woz-procedure noch ter zitting is verzocht om het horen van getuigen, het aanhouden van de zaak vanwege een incompleet dossier, het stellen van prejudiciële vragen en het verschaffen van informatie over nevenfuncties. De stelling van gemachtigde [A] dat de rechter zou hebben geweigerd op deze vragen te antwoorden is onjuist en treft daarom – nog los van het antwoord op de vraag of dit een wrakingsgrond op zou kunnen leveren – geen doel. Een eventueel verschil tussen een profiel op de website LinkedIn en het Nevenfunctieregister is geen aanleiding voor de conclusie dat de rechter niet onpartijdig is. Voorts is enkel van de zijde van de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort een verzoek om aanhouding van de zaak ingediend vanwege een verwachte uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over dezelfde rechtsvraag voor het belastingjaar 2014. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de rechter dit aanhoudingsverzoek op de zitting met partijen willen bespreken. Ook hiervan kan niet worden gezegd dat de rechter hier afwijzend op heeft beslist. Gelet op het bovenstaande overweegt de wrakingskamer dat er geen grond is voor het oordeel dat het de rechter heeft ontbroken aan onpartijdigheid of dat zij blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker.


3.8

Ook overigens ziet de wrakingskamer hier geen zwaarwegende aanwijzingen voor.


3.9

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt het verzoek tot wraking ongegrond verklaard.




Beslissing


De wrakingskamer:


- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond,


- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de rechter, de belanghebbende, alsmede aan de voorzitter van de Afdeling bestuursrecht en de president van deze rechtbank,


- bepaalt dat de procedure met zaaknummer UTR 16/461 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.



Deze beslissing is gegeven door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. R. in ’t Veld en mr. I.P.H.M. Severeijns als leden van de wrakingskamer, in aanwezigheid van

mr. A.L. de Gier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2017.






griffier rechter







Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.