Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2017 / AWB 16/16538 VK


ECLI:NL:RBMNE:2017:2820

Inhoudsindicatie
Trefwoorden: EU-verblijfsvergunning langdurige ingezeten, intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland, veroordeling drugsdelict Wetsartikelen: artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, Vw, artikel 20 Vw, 8 EVRM Samenvatting: Eiser verblijft sinds 1986 in Nederland en heeft drie meerderjarige kinderen. Vaststaat dat eiser vanaf 2000 tot 24 juli 2013 gedetineerd is geweest in Tunesië wegens invoer van drugs. Eiser heeft aangevoerd dat hij nimmer zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf van eiser buiten Nederland. Niet in geschil is dat eiser ongeveer dertien jaar gedetineerd in Tunesië heeft verbleven en zijn detentie het gevolg was van een veroordeling wegens een gedraging die in Nederland strafbaar is gesteld. Van een overschrijding van de zes maanden verblijf buiten Nederland die te wijten is aan omstandigheden die buiten eisers schuld zijn gelegen is, gelet op het beleid, daarom geen sprake. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een beschermingswaardig familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar familieleven met zijn drie meerderjarige kinderen, maar er is geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn in Nederland wonende kinderen die de normale band tussen volwassen familieleden overstijgt (“more than normal emotional ties”). De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning geen schending van het recht op eerbiediging van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM oplevert. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd en de verblijfsvergunning op goede gronden met terugwerkende kracht tot 17 mei 2000 heeft ingetrokken en de aanvraag tot het verlenen van een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten” respectievelijk een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft afgewezen, zodat het bestreden besluit in stand kan blijven
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-16
Publicatiedatum
2017-06-15
Zaaknummer
AWB 16/16538 VK
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 16/16538


uitspraak van de meervoudige kamer van 16 mei 2017 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [1955] , van Tunesische nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. S. Karkache),


en


de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Schoot).



Procesverloop



Bij besluit van 10 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen” afgewezen en heeft verweerder beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.


Bij afzonderlijk besluit van 10 december 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 17 mei 2000.


Bij besluit van 30 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen.


2. Het bestreden besluit gaat over de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 17 mei 2000, omdat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Vanwege deze intrekking heeft verweerder tevens het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen” en het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond verklaard, omdat eiser op het moment van de aanvraag dan wel de beslissing niet minimaal vijf jaar zonder een onderbreking in Nederland heeft gewoond op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier.


3. Vaststaat dat eiser vanaf 2000 tot 24 juli 2013 gedetineerd is geweest in Tunesië wegens invoer van drugs. Eiser heeft aangevoerd dat hij nimmer zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. In dit verband heeft eiser aangevoerd dat hij in Tunesië tot levenslang is veroordeeld vanwege de destijds in Tunesië geldende strenge wetgeving. Naar Nederlandse maatstaven zou eiser een veel lagere straf hebben gekregen. Verweerder had derhalve de glijdende schaal dienen toe te passen om een juiste afweging te maken of eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Het verblijf in Tunesië was immers niet vrijwillig, waardoor eiser geen verwijt kan worden gemaakt dat hij niet tijdig naar Nederland is teruggekeerd.


4. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), de bevoegdheid heeft om de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 van de Vw, in te trekken indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. In het beleid van verweerder is bepaald dat wanneer die situatie zich voordoet, verweerder de vergunning intrekt. Verder is in het beleid bepaald dat verweerder in ieder geval aanneemt dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland als de vreemdeling meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van deze zes maanden te wijten is aan omstandigheden die buiten zijn schuld zijn gelegen. Daarbij merkt de IND verblijf buiten Nederland als gevolg van detentie aan als een omstandigheid die te wijten is aan de vreemdeling, mits de detentie het gevolg is van een daadwerkelijke rechterlijke veroordeling voor het plegen van een strafbaar feit en de gedraging ook in Nederland strafbaar is gesteld.


5. De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat verweerder het onjuiste beleid heeft toegepast. Voorts heeft eiser de inhoud van het beleid zoals genoemd onder rechtsoverweging 4 op zichzelf niet betwist. Het beleid waar eiser ter zitting naar heeft verwezen, te weten B1/3.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en B1/2.2.8 van de Vc, ziet niet op de aan de orde zijnde grond voor intrekking of bestaat niet, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.


6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf van eiser buiten Nederland. Niet in geschil is dat eiser ongeveer dertien jaar gedetineerd in Tunesië heeft verbleven en zijn detentie het gevolg was van een veroordeling wegens een gedraging die in Nederland strafbaar is gesteld. Van een overschrijding van de zes maanden verblijf buiten Nederland die te wijten is aan omstandigheden die buiten eisers schuld zijn gelegen is, gelet op het beleid, daarom geen sprake. Het betoog van eiser dat verweerder de glijdende schaal had dienen toe te passen kan geen doel treffen, omdat dit geen aspect is dat betrokken dient te worden bij de vraag of sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. Verweerder was gelet hierop, op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, in beginsel bevoegd de verblijfsvergunning in te trekken.


7. Ten aanzien van de medische klachten waar eiser zich op heeft beroepen heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze niet aan de intrekking van eisers verblijfsvergunning in de weg staan. Indien eiser verblijf in Nederland wenst op grond van deze medische klachten, staat het hem vrij een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.


8. Eiser heeft voorts betoogd dat hij al sinds 1986 in Nederland verblijft en nog goede banden heeft met zijn ex-vrouw en zijn drie meerderjarige kinderen, die allen inmiddels Nederlander zijn. Eiser spreekt goed Nederlands en heeft de pensioengerechtigde leeftijd bijna bereikt. Hij heeft zijn sociale leven in Nederland en wil, gelet op zijn ervaringen en veroordeling, niet terug naar Tunesië. Er is daarom sprake van schending van artikel 8 van Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


9. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een beschermingswaardig familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar familieleven met zijn drie meerderjarige kinderen, maar er is geen sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn in Nederland wonende kinderen die de normale band tussen volwassen familieleden overstijgt (“more than normal emotional ties”). Niet in geschil is dat eiser niet samenwoont met zijn meerderjarige kinderen, die nog bij hun moeder wonen. Evenmin zijn de kinderen afhankelijk van eiser. Voorts is gesteld noch gebleken dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Niet is gebleken dat de problemen waar eiser voor gesteld zal worden van een andere, zwaardere orde zullen zijn dan die van andere personen die na verblijf in het buitenland terugkeren naar hun land van herkomst. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat hij in Tunesië gedetineerd heeft gezeten tot een ander oordeel zou moeten leiden.


10. Ten aanzien van eisers standpunt dat sprake is van schending van zijn privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitdrukkelijk en gemotiveerd beoordeeld of sprake is van een onevenredige inbreuk op eisers privéleven. Verweerder heeft daarbij betrokken dat verzoeker sinds 1986 rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, maar dat niet is gebleken dat eisers binding met Nederland de normale binding die ontstaat door alleen langdurig verblijf, ontstijgt. Ten aanzien van eisers banden met Tunesië heeft verweerder betrokken dat eisers moeder, broer en zeven zussen in Marokko wonen, dat eiser regelmatig contact heeft met zijn familie en de taal spreekt van zijn land van herkomst. Op grond daarvan heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning geen schending van het recht op eerbiediging van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM oplevert. Zoals hierboven al is overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat hij in Tunesië gedetineerd heeft gezeten tot een ander oordeel zou moeten leiden.


11. Eiser betoogt tot slot dat verweerder had moeten afwijken van het beleid omdat hij langer dan zes maanden buiten Nederland is geweest wegens omstandigheden die buiten zijn schuld liggen en hem niet te verwijten zijn, te weten een levenslange gevangenisstraf terwijl hij in Nederland een lagere straf zou hebben gehad. Mede gelet op zijn langdurig verblijf in Nederland, zijn familie en sociale banden hier en zijn medische situatie had verweerder moeten afzien van het aanwenden van zijn bevoegdheid de vergunning in te trekken.


12. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel handelt, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, dient het bestuursorgaan alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en dient te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit kenbaar de door eiser aangedragen omstandigheden betrokken. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat ook alle omstandigheden tezamen geen aanleiding geven om van het beleid af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dat standpunt heeft mogen stellen en heeft mogen vinden dat de gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.


13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd en de verblijfsvergunning op goede gronden met terugwerkende kracht tot 17 mei 2000 heeft ingetrokken en de aanvraag tot het verlenen van een “EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten” respectievelijk een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft afgewezen, zodat het bestreden besluit in stand kan blijven.


14. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.


15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzitter, en mr. R.J. Praamstra en mr. J.J. Rijpma, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2017.







griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.