Rechtbank Midden-Nederland, 03-01-2017 / 428198/HA RK 16-288


ECLI:NL:RBMNE:2017:29

Inhoudsindicatie
wraking
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-01-03
Publicatiedatum
2017-01-04
Zaaknummer
428198/HA RK 16-288
Procedure
Wraking
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Wrakingskamer


zaaknummer: 428198/HA RK 16-288


beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 3 januari 2017


op het verzoek van:

[verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster.



Het verloop van de procedure


1.1

Bij brief van 11 november 2016 heeft verzoekster een verzoek tot wraking gedaan tegen mr. A.M. Crouwel, behandelend rechter (de rechter) in de zaak met zaaknummer 5483632 UT VERZ 16-22359. Deze zaak betreft een door verzoekster op 20 oktober 2016 ingediend verzoekschrift tot opheffing van de curatele. De rechter heeft niet in de wraking berust. Het wrakingsverzoek is door de meervoudige wrakingskamer behandeld ter zitting van 22 november 2016. Verzoekster heeft het wrakingsverzoek op de zitting van 22 november 2016 ingetrokken om te voorkomen dat de inhoudelijke zaak twee weken stil komt te liggen in afwachting van de beslissing op het wrakingsverzoek. Bij brief van 30 november 2016 heeft verzoekster in deze zaak wederom een verzoek tot wraking ingediend tegen de rechter.


1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust. Zij heeft schriftelijk haar reactie op het wrakingsverzoek gegeven.


1.3

Het wrakingsverzoek is door de meervoudige wrakingskamer behandeld ter zitting van 20 december 2016. Verzoekster is verschenen. De rechter is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. De curator, M.L.J.S. Brandt-van Heijst, is evenmin verschenen.



Het verzoek


2.1

Uit het wrakingsverzoek en de toelichting ter zitting van de wrakingskamer blijkt dat verzoekster de rechter heeft gewraakt, omdat zij het verzoek tot opheffing van de curatele niet - spoedig - op zitting heeft gepland. Voor verzoekster is van groot belang dat er snel een zitting plaatsvindt over haar verzoek. Volgens verzoekster is haar curator geen partij in de zaak over het verzoek tot opheffing van de curatele. Daarom hoeft de rechter bij het plannen van een zitting volgens haar dus ook niet te wachten op een reactie van de curator. Ter zitting heeft verzoekster verder nog toegelicht dat zij al op 1 september 2016 een verzoek tot opheffing van de curatele heeft ingediend, maar dat dit verzoek klaarblijkelijk zoek is geraakt. Omdat het inmiddels al 20 december 2016 is, heeft de rechter zich niet aan redelijke termijnen gehouden. Verzoekster wijst er in haar wrakingsverzoek verder op dat de curator, omdat zij niet reageert, iets te verbergen moet hebben. Volgens verzoekster is het feit dat de rechter wacht op een reactie van de curator een bewijs dat zij afhankelijk en partijdig is. Ter zitting heeft verzoekster (een kopie van) een kwitantie van 30 november 2016 overgelegd waaruit blijkt dat zij het griffierecht van € 79,- heeft betaald in de zaak die ten grondslag ligt aan de wrakingsprocedure. Ook heeft verzoekster (een kopie van) een proces-verbaal overgelegd van een zitting van

9 oktober 2013.


2.2

De rechter heeft naar voren gebracht dat, volgens vaste werkwijze in het kader van hoor en wederhoor, bij de behandeling van een verzoek tot opheffing van curatele de betrokken belanghebbenden wordt verzocht om een reactie. Daarom is de curator verzocht om een reactie op het verzoek tot opheffing van de curatele van verzoekster. De Officier van Justitie die in 2007 het verzoek tot ondercuratelestelling heeft ingediend is geen belanghebbende. Daarom heeft de rechter geen reactie gevraagd aan de Officier van Justitie. Volgens de rechter levert deze werkwijze geen feit of omstandigheid op waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.



De beoordeling


3.1

Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelt op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.


3.2

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.


Van een gebrek aan onpartijdigheid kan sprake zijn indien de rechter vanwege een persoonlijke overtuiging vooringenomen is. Ook kan daarvan sprake zijn indien zich feiten en omstandigheden voordoen die objectief bezien de (subjectieve) vrees bij de rechtzoekende rechtvaardigen dat het de rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.


3.3

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.


3.4

De kern van het wrakingsverzoek ligt in het niet voortvarend behandelen van het verzoek tot opheffing van de curatele. De wrakingskamer stelt vast dat het verzoek tot opheffing van de curatele waar het hier om gaat dateert van 20 oktober 2016. De ontvangst hiervan is bij brief van 2 november 2016 bevestigd. Verzoekster heeft gesteld op 1 september 2016 ook een verzoek tot opheffing van de curatele te hebben ingediend, maar dit is niet als zodanig bij de rechtbank ontvangen en geregistreerd.


De wrakingskamer stelt verder vast dat uit het dossier niet blijkt dat de rechter heeft beslist dat er geen zitting zal worden gepland in de zaak van verzoekster. Dat de rechter een reactie heeft gevraagd van de curator en hierop wacht is de gebruikelijke werkwijze. Het gaat daarbij ook om het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor. De behandelend rechter is verplicht een reactie te vragen van de betrokken partijen. De curator is uit hoofde van haar functie een partij, die in de gelegenheid dient te worden gesteld te reageren op het verzoek. Indien bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing dit beginsel van hoor en wederhoor niet in acht wordt genomen kan niet worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. De wrakingskamer overweegt dat de beslissing om een partij de gelegenheid te geven om een reactie in te dienen en met het plannen van een zitting daarop te wachten een procesbeslissing van de rechter is die zich in beginsel niet leent voor een oordeel door de wrakingskamer. Dit is alleen anders als de beslissing in deze situatie zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat het de rechter aan de vereiste onpartijdigheid ontbreekt, of dat de rechter vooringenomen is, objectief gerechtvaardigd is. Daarvan is hier echter geen sprake. Er is geen grond voor het oordeel dat het de rechter heeft ontbroken aan onpartijdigheid of dat zij blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens verzoekster.


3.5

Ook overigens ziet de rechtbank hier geen zwaarwegende aanwijzingen voor.


3.6

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt het verzoek tot wraking ongegrond verklaard.




Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond,


- draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de rechter, de belanghebbende, alsmede aan de voorzitter van de Afdeling Toezicht en de president van deze rechtbank,


- bepaalt dat de procedure met zaaknummer 5483632 UT VERZ 16-22359 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.



Deze beslissing is gegeven door mr.drs. R. in ’t Veld, voorzitter, mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. S.C. Hagedoorn als leden van de wrakingskamer, in aanwezigheid van mr. A.L. de Gier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2017.






griffier rechter

(de griffier is verhinderd de

beslissing mede te ondertekenen)






Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.