Rechtbank Midden-Nederland, 06-06-2017 / UTR 15/5814


ECLI:NL:RBMNE:2017:2923

Inhoudsindicatie
Besluit UWV waarbij herhaalde aanvraag voor een Wajong-uitkering van 26 november 2014 na een inhoudelijke beoordeling is afgewezen. Wel nieuwe feiten en omstandigheden, maar betrokkene wordt in staat geacht tenminste 75% vh minimumloon te verdienen. Rb toetst niet meer ambtshalve of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Rb ziet in de rapporten en de beroepsgronden geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische en arbeidskundige beoordeling door het UWV. Beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-06
Publicatiedatum
2017-06-20
Zaaknummer
UTR 15/5814
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 15/5814


uitspraak van de meervoudige kamer van 6 juni 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.B. de Gooijer),


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. F.A.M. Delfgaauw).



Procesverloop


Bij besluit van 16 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).


Bij besluit van 2 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiseres geen recht heeft op inkomens- en arbeidsondersteuning ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten.


1.1

Eiseres is geboren op [1982] . Op 22 april 2000 is zij 18 jaar geworden.


1.2

Op 7 september 2010 heeft zij een Wajong-uitkering aangevraagd (de eerste aanvraag). Bij de eerste aanvraag heeft eiseres vermeld dat zij last heeft van rugklachten, slecht zicht en migraineaanvallen. Zij heeft daarbij brieven van verschillende behandelaars overgelegd. Na een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft verweerder bij besluit van 16 december 2010 de eerste aanvraag afgewezen omdat eiseres in staat is meer dan 75% van het minimumloon te verdienen. In het rapport van de arbeidskundige van 19 oktober 2010 is geconstateerd dat eiseres langdurig fulltime werkzaamheden heeft verricht, totdat zij in februari 2009 na het eindigen van haar arbeidscontract een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft gekregen. De arbeidskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat eiseres in staat is geweest om duurzaam minimaal 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Bij besluit van

24 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van

16 december 2010 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.


1.3

Eiseres heeft op 26 november 2014 opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend (de tweede aanvraag). Daarin heeft eiseres dezelfde klachten genoemd als die zij bij de eerste aanvraag had vermeld. Daarnaast noemt eiseres borderline en ADD als nieuwe klachten. Tevens overlegt eiseres brieven van behandelaars, die zij ook bij de eerste aanvraag had overgelegd.


1.4

Na een medisch onderzoek heeft verweerder bij besluit van 22 december 2014 de tweede aanvraag afgewezen omdat eiseres geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Bij besluit van 17 april 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 december 2014 gegrond verklaard en meegedeeld dat een nieuw medisch en een arbeidskundig onderzoek zal worden verricht.


1.5

Vervolgens hebben een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, waarover is gerapporteerd in de rapporten van de primaire arts [A] van 12 mei 2015 en arbeidsdeskundige [B] van 15 juni 2015. Dit heeft geleid tot het hiervoor onder “Procesverloop” vermelde primaire besluit.


1.6

Naar aanleiding van het door eiseres tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder na een medisch en arbeidskundig onderzoek in bezwaar het bestreden besluit genomen.


2. Het bestreden besluit gaat over de weigering om eiseres een uitkering op grond van de Wajong toe te kennen. Volgens verweerder is wel sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, maar heeft eiseres geen recht op een Wajong-uitkering. Eiseres heeft met haar arbeidsverleden aangetoond dat zij minimaal 75% van het maatmaninkomen kan verdienen en wordt in staat geacht om met theoretische functies tenminste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Daarnaast is er bij eiseres binnen vijf jaar na haar

18e verjaardag geen sprake van een duidelijke toename van beperkingen.


3. Gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1, rechtsoverweging (r.o.) 4.3.1) moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), dat een zogeheten “Amber”-beoordeling wordt verricht of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door verweerder en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter. Ter nadere toelichting wijst de rechtbank ook op de recente uitspraak van de CRvB van 3 maart 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:894).


4. De rechtbank stelt allereerst vast dat de tweede aanvraag een herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verweerder heeft al bij besluit van 16 december 2010 de eerste aanvraag van eiseres voor een Wajong-uitkering afgewezen en heeft deze afwijzing bij besluit op bezwaar van

24 februari 2011 gehandhaafd. Dit besluit is in rechte komen vast te staan. Van een herhaalde aanvraag is onder meer sprake, indien de aanvraag is gericht op het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg en is gebaseerd op dezelfde rechtsgrondslag. Nu de tweede aanvraag van eiseres, net als de eerste aanvraag, is gericht op het verkrijgen van een inkomensvoorziening als jonggehandicapte, is sprake van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.


5. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de herhaalde aanvraag voor een Wajong-uitkering heeft afgewezen op grond van een inhoudelijke beoordeling.


6. De CRvB heeft in een recente uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. Dit in lijn met de uitspraak van 23 november 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (ECLI:NL:RVS:2016:3131).


7. In het voorliggende geval betekent dit dat nu verweerder de herhaalde aanvraag op inhoudelijke gronden heeft afgewezen, de bestuursrechter het besluit op die aanvraag toetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag. Anders dan voorheen beoordeelt de bestuursrechter dus niet meer ambtshalve of wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Zie ook r.o. 3.4 in de voormelde uitspraak van de ABRvS van 23 november 2016.


8. Eiseres heeft aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep na het onderzoek op 30 oktober 2015 zonder onderbouwing een aantal bij het onderzoek van 29 mei 2015 vastgestelde beperkingen heeft laten vallen. Dit betreft de items 1.9.2 (routine-afhankelijk), 1.9.3 (toezicht en/of begeleiding), 1.9.7 (deadlines/productiepieken), 3.8.1 (trillingen),

3.9.1 (

allergie) en de beperkingen voor werktijden.


9.1

Op grond van artikel 2:3, eerste lid, onder a van de Wajong - zoals deze wet luidde tot

1 januari 2015 -, is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen.


9.2

Op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong wordt - kort samengevat - de ingezetene die geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van

52 weken aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt, niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, alsnog jonggehandicapte (de zogenoemde Amberbeoordeling).


10. De rechtbank overweegt dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, wanneer deze rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en de daarop gebaseerde besluiten zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan eiseres om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de genoemde eisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Dit kunnen ook niet medisch geschoolden doen, maar voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk. De rechtbank verwijst naar de vaste rechtspraak van de CRvB, zoals de uitspraak van

9 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290).


11. De rechtbank stelt vast dat de primaire arts [A] , blijkens zijn rapport van

12 mei 2015, dossierstudie heeft verricht en eiseres heeft gezien op het spreekuur van

12 mei 2015. [A] concludeert dat bij eiseres tenminste vanaf het 17e levensjaar doorlopend sprake is van ziekte en/of gebrek met consequenties voor de arbeidsbelastbaarheid. Vervolgens zijn de aanwezige beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 mei 2015. Hierbij zijn ook beperkingen opgenomen voor fysiek zware en rugbelastende arbeid, stressvolle werkzaamheden- en omgeving en voor nachtdiensten. Daarnaast wordt eiseres voor maximaal 6 uur per dag voor arbeid belastbaar geacht.


12. De verzekeringsarts bezwaar en beroep [C] heeft, blijkens haar rapport van

30 oktober 2015, eiseres gezien tijdens een hoorzitting en aansluitend medisch onderzocht. Tevens heeft [C] kennis genomen van de in bezwaar overgelegde medische informatie, onder meer van de huisarts en de behandelend psycholoog. In het rapport is geconstateerd dat vóór de 17e verjaardag van eiseres al sprake was van een borderline persoonlijkheidsstoornis (in ontwikkeling) en ADHD. Op basis van haar eigen onderzoek en de bestudeerde dossiergegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien om het oordeel van de primaire arts te herzien.

Voor de belastbaarheid vóór de 18e verjaardag ziet [C] geen aanleiding om vanwege de ADHD en de borderline persoonlijkheidsstoornis vergaande beperkingen aan te nemen. Daarbij is van belang geacht dat eiseres zonder grote problemen regulier basis- en middelbaar onderwijs heeft gevolgd en dat zij heeft kunnen functioneren in regulier werk. Daarnaast zijn er lichte beperkingen voor zien en rugbelasting. Voor de hoofdpijn heeft [C] geen beperking aangenomen omdat deze niet aanwezig was ten tijde van de 17e verjaardag. Er zijn ook geen redenen om een urenbeperking aan te nemen, conform de standaard ‘Verminderde arbeidsduur’. Over de periode na einde wachttijd, concludeert [C] dat bij eiseres binnen een periode van vijf jaar na einde wachttijd geen sprake was van een duidelijke toename van beperkingen door dezelfde oorzaak als op de 17e verjaardag. Vervolgens zijn de voor eiseres vastgestelde beperkingen weergegeven in een gewijzigde FML van

30 oktober 2015.


13. Naar aanleiding van het beroepschrift heeft [C] in haar rapport van

11 december 2015 gereageerd.


14.1

De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om aan te nemen dat de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet voldoet aan de in overweging 10 genoemde criteria van de CRvB.


14.2

De verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek verricht, waarbij eiseres is onderzocht en onder meer kennis is genomen van alle door eiseres geuite klachten. Daarnaast hebben de verzekeringsartsen alle beschikbare informatie uit de behandelend sector kenbaar in hun beoordeling betrokken en hun beoordeling inzichtelijk gemotiveerd. Uit de rapporten van [A] en [C] blijkt dat bij de vaststelling van de beperkingen onder meer rekening is gehouden met de bij eiseres aanwezige borderline persoonlijkheidsstoornis en de ADHD. [C] heeft in haar rapport van

30 oktober 2015 voldoende gemotiveerd dat bij eiseres vóór de 18e verjaardag geen sprake was van verdergaande beperkingen als gevolg van deze stoornissen. Daarbij is betrokken dat eiseres zonder grote problemen onderwijs heeft gevolgd en heeft kunnen functioneren in regulier werk, gelet op de omstandigheid dat bij drie werkgevers haar contract na een half jaar is verlengd. Over de beperking voor werktijden is in het rapport van 30 oktober 2015 vermeld dat geen sprake is van een energetische beperking die volgt uit de aard en ernst van de aandoeningen van eiseres en dat zij op haar 17e en 18e jaar een voltijds opleiding volgde, danwel full time werkte. Daarnaast is ook vanuit preventieve overwegingen geen urenbeperking aangewezen en was eiseres niet verminderd beschikbaar voor arbeid. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar stelling dat verweerder bij de beoordeling van de beperkingen per einde wachttijd ongemotiveerd beperkingen heeft laten vallen.


15. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de hoofdpijnklachten al vóór het 19e jaar aanwezig waren en dat dit aannemelijk is bij ADHD en stressgevoeligheid. De rechtbank overweegt hierover dat de aanwezigheid van de hoofdpijnklachten vóór het 18e jaar niet met medische gegevens is onderbouwd. De rechtbank ziet in het betoog van eiseres ter zitting dan ook geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


16. Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat zij de geduide functies niet kan verrichten, omdat zij zwaardere beperkingen heeft dan verweerder heeft vastgesteld. In de geduide functies is verder onvoldoende mogelijkheid tot afwisseling tussen zitten, staan en lopen en het vermijden van extreme houdingen/standen. Verder is in de functies sprake van continue aanwezigheid van collega’s, wat tot spanningen kan leiden. In de functie van productiemedewerker (sbc-code 111171) wordt een te groot beroep gedaan op de visus van eiseres. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat er veel onderbrekingen in haar arbeidsverleden zitten, ook door ziekte, en dat zij haar werk niet goed kon verrichten.


17. De rechtbank stelt vast dat arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [achternaam] , blijkens zijn rapport van 30 oktober 2015, dossierstudie heeft verricht en eiseres heeft gesproken tijdens de hoorzitting. [achternaam] komt primair tot de conclusie dat eiseres met haar arbeidsverleden heeft aangetoond in staat te zijn om minimaal 75% van het maatmanloon te verdienen. Subsidiair acht [achternaam] eiseres met de vastgestelde beperkingen in staat een aantal voorbeeldfuncties te verrichten, namelijk de functies Productiemedewerker metaal- en elektro-industrie, Snackbereider en Medewerker intern transport. Aan de hand van de middelste van de drie functies waarmee het hoogste inkomen kan worden verworven (het mediane loon), concludeert [achternaam] dat eiseres met theoretische arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen kan verdienen.


18. De rechtbank stelt vast dat eiseres pas ter zitting is ingegaan op het standpunt van verweerder, in navolging van [achternaam] , dat eiseres in de praktijk heeft aangetoond dat zij 75% van het maatmanloon kan verdienen. De rechtbank is van oordeel dat in het rapport van [achternaam] voldoende wordt toegelicht dat eiseres vanaf haar 18e jaar bij verschillende werkgevers gedurende langere periodes heeft kunnen functioneren in arbeid. Weliswaar blijkt ook dat sprake was van frequent ziekteverzuim, maar niet dat dit een gevolg was van beperkingen door een oorzaak die aanwezig was vóór het18e jaar. Eiseres heeft haar stelling dat zij door haar beperkingen niet in arbeid kon functioneren, niet onderbouwd, bijvoorbeeld met verklaringen van ex-werkgevers. Daarnaast heeft eiseres bij meerdere werkgevers een verlenging van haar arbeidscontract gekregen, zoals [C] in haar rapport van

30 oktober 2015 heeft geconstateerd. De rechtbank ziet hierin juist een aanwijzing dat eiseres bij verschillende werkgevers heeft kunnen functioneren. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.


19. Gelet op de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat eiseres gezien haar arbeidsverleden in staat kan worden geacht minimaal 75% van het maatmanloon te verdienen, heeft verweerder terecht en voldoende gemotiveerd vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wajong en de tweede aanvraag terecht afgewezen. Aan een bespreking van de beroepsgronden van eiseres tegen de geduide functies komt de rechtbank daarom niet meer toe.


20. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. drs. R. in 't Veld en

mr. L.A.C. de Vaan, leden, in aanwezigheid van mr. S.B.M. Vreeswijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.