Rechtbank Midden-Nederland, 15-06-2017 / C/16/416868 / FA RK 16-3718


ECLI:NL:RBMNE:2017:2947

Inhoudsindicatie
vervangende toestemming aan de moeder voor verhuizing met de minderjarige en uitbreiding van de zorgregeling met de vader
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-15
Publicatiedatum
2017-06-26
Zaaknummer
C/16/416868 / FA RK 16-3718
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht


locatie Utrecht


zaaknummers / rekestnummers:

C/16/419994 / FO RK 16-98 (zorgregeling)

C/16/432156/ FO RK 17-200 (hoofdverblijfplaats)

C/16/432157 / FO RK 17-201 (vervangende toestemming verhuizing)

C/16/432160 FA RK 17-587 (kinderalimentatie)


Beschikking van 15 juni 2017


in de zaak van


[verzoeker] ,

wonende te [verzoeker] ,

verzoekster, hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat mr. M.J.P. Leenders te Nieuwegein


en


[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, hierna te noemen: [verweerster] ,

advocaat mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam.



1Verloop van de procedure


1.1.

De rechtbank heeft op 1 november 2016 en op 13 februari 2017 een eerdere beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot aan 13 februari 2017 verwijst de rechtbank naar voornoemde beschikking.


1.2.

Nadien zijn nog binnengekomen:

  • - een brief van 29 maart 2017, van de zijde van [verzoeker] ;
  • - een brief (met producties A tot en met E) van 12 april 2017, van de zijde van [verweerster] ;
  • - een brief van 13 april 2017, van de zijde van [verzoeker] .

1.3.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van de meervoudige kamer van 23 mei 2017. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts is verschenen de heer J. van Westen namens de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland (hierna: de Raad).





2Vaststaande feiten


2.1.

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van deze rechtbank van 13 februari 2017.


3Beoordeling van het verzochte

Hoofdverblijfplaats 3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hoofdverblijfplaats van [kind] bij [verweerster] dient te zijn, zodat de rechtbank aldus zal bepalen.


Verhuizing

3.2.

[verweerster] verzoekt - bij wijze van zelfstandig verzoek - om haar vervangende toestemming te verlenen om met [kind] te verhuizen naar de omgeving [woonplaats] . Zij stelt daartoe het volgende. [verweerster] heeft thans drie jaar een vaste relatie met de heer [A] . [kind] is zeer gesteld op de nieuwe partner van moeder. [verweerster] woont op dit moment in een woning van de Tussenvoorziening, waar zij zeer binnenkort uit moet. De heer [A] woont in de omgeving van [woonplaats] . Hij heeft daar een vaste baan. [verweerster] wil samen met de heer [A] en [kind] in de omgeving van [woonplaats] gaan samenwonen. [verweerster] acht een verhuizing naar [woonplaats] in het belang van [kind] , omdat hij dan in een gezin kan opgroeien en zij hem op deze manier een gestructureerde jeugd kan bieden. Tevens stelt [verweerster] dat [kind] gezien zijn nog jonge leeftijd op dit moment nog gemakkelijk kan wisselen van omgeving. Daarnaast heeft [verzoeker] een nieuwe partner - met wie hij ook een kind heeft - die in de buurt van [woonplaats] woont. Het ligt volgens [verweerster] in de lijn der verwachting dat ook [verzoeker] in die omgeving zal gaan wonen. [verweerster] stelt dat [verzoeker] op dit moment elk omgangsweekend met [kind] naar zijn nieuwe partner in [woonplaats] gaat. De verhuizing naar [woonplaats] is dus ook vanuit dat oogpunt gunstig voor [kind] , volgens [verweerster] .


3.3.

[verzoeker] voert verweer. [verzoeker] heeft aanvankelijk gesteld dat hij niet wil dat [kind] uit zijn vertrouwde omgeving zal worden gehaald. [verzoeker] had zorgen over de bestendigheid van de nieuwe relatie van [verweerster] waardoor hij niet achter de verhuizing kon staan. Ter zitting van 23 mei 2017 heeft [verzoeker] echter verklaard dat hij geen bezwaren meer heeft tegen de verhuizing van [verweerster] naar [woonplaats] . [verzoeker] is bezig zijn woning in [woonplaats] te renoveren ten behoeve van verkoop. Naar verwachting zal zijn woning nog dit jaar verkocht worden. Desgevraagd verklaarde [verzoeker] dat het goed mogelijk is dat hij met zijn nieuwe partner in de omgeving van [woonplaats] gaat wonen.

Toestemming voor de verhuizing van [verweerster] met [kind] geeft hij echter niet. De reden daarvoor is gelegen in de krappe woning van de heer [A] , bij wie [verweerster] en [kind] na verhuizing zullen intrekken. Volgens [verzoeker] heeft [kind] in de huidige woning van de heer [A] geen eigen slaapkamer. [verzoeker] is van mening dat als de verhuizing doorgaat deze woonsituatie zo spoedig mogelijk dient te veranderen. Daarbij stelt [verzoeker] dat hij de zorgregeling wenst uit te breiden zodat [kind] vaker bij hem terecht kan nu hij bij [verweerster] geen eigen kamer heeft.


3.4.

De vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij het goed zou vinden, gelet op de zorgen van [verzoeker] , als [verweerster] de huidige woonsituatie van haar en [kind] aan [verzoeker] laat zien. Verder verklaart hij het van belang te vinden dat [verweerster] zich er aan committeert om zo spoedig mogelijk naar een wat ruimere woonruimte te verhuizen.

3.5.

Ondanks dat [verzoeker] thans geen bezwaren meer heeft tegen een verhuizing naar [woonplaats] hebben partijen ter zitting verklaard onderling niet tot overeenstemming te kunnen komen. De rechtbank zal hierover dan ook een beslissing nemen. Op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kunnen, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Bij beoordeling van een geschil in de zin van artikel 1:253a BW dienen alle omstandigheden van het geval in acht te worden genomen en alle belangen te worden afgewogen. In beginsel staat het belang van het kind daarbij voorop. Afhankelijk van de omstandigheden kan in voorkomende gevallen een afweging tussen belangen er toe leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind. (Hoge Raad

25 april 2008, NJ 2008/414, LJN: BC5901).


3.6.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat een ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft in beginsel de gelegenheid dient te krijgen om met de minderjarige en een nieuwe partner elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank een afweging dient te maken tussen het belang van de minderjarige om in een rustige en stabiele opvoedingssituatie op te groeien en daarbij de mogelijkheid tot contact met [verzoeker] als niet-verzorgende ouder te behouden, het belang van [verweerster] om een nieuw bestaan op te bouwen en het belang van [verzoeker] om deel te blijven uitmaken van het leven van de minderjarige.


3.7.

De rechtbank overweegt dat een verandering van de woon- en sociale leefomgeving voor kinderen in beginsel ingrijpend is en een beroep doet op hun aanpassingsvermogen. In het onderhavige geval verblijft [kind] al regelmatig in [woonplaats] en heeft hij daar ook vriendjes. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om aan te nemen dat een verandering van omgeving voor [kind] te belastend zou zijn. Bovendien acht de rechtbank aannemelijk dat de door [verweerster] beoogde nieuwe gezinssituatie kan bijdragen aan een stabiele omgeving voor [kind] . De rechtbank is verder van oordeel dat [verweerster] haar wens om te verhuizen naar [woonplaats] en de persoonlijke noodzaak daarvan, gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt, voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bestendige relatie met haar nieuwe partner. Zij heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat haar nieuwe partner door zijn werk gebonden is aan de omgeving van [woonplaats] . De rechtbank is daarom van oordeel dat [verweerster] een zwaarwegend belang heeft bij een verhuizing met [kind] . Het belang van [verzoeker] betreft de mate waarin hij bij de verzorging en opvoeding van [kind] betrokken kan zijn en de wijze waarop dat van invloed zal zijn op zijn relatie met hem. Ook dit is een zwaarwegend belang. Verhuizing van [verweerster] met [kind] zal naar het oordeel van de rechtbank niet behoeven te resulteren in een vermindering of beperking van het contact tussen [verzoeker] en [kind] . Dit geldt te meer nu de nieuwe partner en kind van [verzoeker] in [woonplaats] wonen en [verzoeker] het voornemen heeft geuit om met zijn nieuwe partner in deze omgeving te gaan samenwonen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing geen negatieve gevolgen hoeft te hebben voor de (kwaliteit van) de contacten tussen [verzoeker] en [kind] . Ten aanzien van de zorgen van [verzoeker] over de huidige huisvesting van [verweerster] met [kind] in [woonplaats] merkt de rechtbank op dat [verweerster] ter zitting heeft verklaard dat de huidige situatie van tijdelijke aard is en dat zij met haar nieuwe partner bezig is een (grotere) woning te kopen. Ook heeft [verweerster] toegezegd [verzoeker] een foto van de huidige woonsituatie te geven. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van [verweerster] om vervangende toestemming voor de verhuizing met [kind] naar de omgeving [woonplaats] toewijzen.

Zorgregeling

3.8.

[verzoeker] heeft oorspronkelijk verzocht een co-ouderschapsregeling te bepalen inhoudende dat [kind] de oneven weken bij [verweerster] verblijft en de even weken bij [verzoeker] , waarbij op zondag om 18.00 uur [verzoeker] [kind] ophaalt bij [verweerster] en andersom.


3.9.

[verweerster] voert hiertegen verweer en heeft (oorspronkelijk) verzocht te bepalen dat [kind] eens in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondag 18.00 uur bij [verzoeker] zal verblijven, waarbij [verzoeker] [kind] ophaalt bij school en op zondag [kind] terugbrengt naar [verweerster] .


3.10.

Ter zitting hebben partijen verklaard dat op dit moment [kind] elke dinsdagmiddag na school tot 19:00 uur bij [verzoeker] verblijft en een weekend per veertien dagen, waarbij [kind] op dinsdag- en op zondagavond door [verweerster] wordt opgehaald. Ter zitting heeft [verzoeker] - zo begrijpt de rechtbank - zijn verzoek gewijzigd. [verzoeker] verzoekt te bepalen dat het huidige omgangsweekend uitgebreid wordt met een overnachting. [verzoeker] zal [kind] alsdan op maandagochtend naar school brengen. [verweerster] voert hiertegen verweer. [verweerster] wil de zorgregeling houden zoals deze nu is. Deze regeling heeft rust gebracht bij partijen en de regeling loopt nu goed, aldus [verweerster] .


3.11.

De vertegenwoordiger van de Raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij, gelet op de huidige situatie van partijen waarbij [verweerster] in [woonplaats] woont en [verzoeker] een groot deel van zijn tijd in [woonplaats] is, geen belemmeringen ziet om de zorgtaken van [verzoeker] uit te breiden. De Raadsvertegenwoordiger heeft verder verklaard niet in te zien dat een uitbreiding van de zorgregeling tot onrust zou leiden. Bovendien zou het goed zijn als [verzoeker] , wanneer hij [kind] op vrijdag van school haalt en op maandagochtend weer naar school brengt, ook contact kan hebben met school, aldus de Raadsvertegenwoordiger.


3.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben ter zitting beiden verklaard dat de onderlinge communicatie is verbeterd en dat de huidige omgangsregeling goed verloopt. Partijen hebben onder meer afgesproken op 1 juni 2017 samen de nieuwe school van [kind] in [woonplaats] te bezoeken en zij hebben gezamenlijk met [kind] een avond de avondvierdaagse gelopen. De rechtbank vindt het positief dat de ouders in staat zijn op deze positieve wijze invulling te geven aan hun ouderschap. Voor [kind] is het belangrijk om te zien en te ervaren dat zijn ouders er samen voor hem kunnen zijn. De rechtbank zijn verder geen contra-indicaties gebleken voor de door [verzoeker] ter zitting verzochte uitbreiding van de zorgregeling. Ter zitting heeft [verzoeker] gesteld dat hij zijn werkzaamheden flexibel in kan delen en dat hij ook thuis kan werken. Daarnaast heeft [verzoeker] verklaard dat hij (op korte termijn) op slechts 4,5 km van de school van [kind] zal wonen. Gelet op de positieve ontwikkeling in de communicatie van partijen en de woonsituatie van partijen, acht de rechtbank een uitbreiding van het omgangsweekend tot de maandagochtend dan ook niet in strijd met het belang van [kind] . De rechtbank zal dit verzoek van [verzoeker] derhalve toewijzen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat [kind] op vrijdagmiddag door [verzoeker] bij school wordt opgehaald en op maandagochtend door vader naar school wordt teruggebracht. Alsdan zal [verzoeker] ook meer betrokken kunnen zijn bij, en de mogelijkheid hebben tot contact met, de school van [kind] .

Ten aanzien van de verdeling van de vakanties en de feestdagen hebben partijen overeenstemming bereikt. De rechtbank zal dienaangaande hierna beslissen zoals door partijen overeengekomen. In aanvulling hierop zal de rechtbank bepalen dat [verzoeker] [kind] vóór elk omgangsmoment ophaalt (bij school dan wel bij [verweerster] ) en [verweerster] [kind] na elk omgangsmoment ophaalt (bij school dan wel bij [verzoeker] ).

Kinderalimentatie

3.13.

[verweerster] heeft oorspronkelijk verzocht - bij wijze van zelfstandig verzoek - te bepalen dat [verzoeker] met een bedrag van € 200,-- per maand zal bijdragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van [kind] , met ingang van de datum van indiening van dit zelfstandig verzoek, te weten 29 augustus 2016. Per brief van 16 januari 2017 heeft [verweerster] haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij verzoekt te bepalen dat [verzoeker] een in rechtmatigheid te bepalen bedrag dient te betalen aan kinderalimentatie, dan wel een bedrag van € 500,-- per maand.


3.14.

[verzoeker] heeft per brief van 3 november 2016 verklaard dat hij zich refereert aan het (oorspronkelijke) verzoek van [verweerster] . Voor zover de rechtbank een berekening noodzakelijk acht, refereert [verzoeker] zich niet langer aan het verzoek van [verweerster] . [verzoeker] stelt in dat geval dat hij niet gehouden kan worden tot een betaling van € 200,-- per maand. Volgens hem zal uit de berekeningen volgen dat hij een lager bedrag zal dienen te voldoen.

3.15.

De rechtbank constateert dat partijen geen gegevens hebben overgelegd ten aanzien van het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan. De rechtbank kan dan ook de behoefte van [kind] niet vaststellen en aldus ook niet ieders aandeel van partijen in deze behoefte. Bij gebrek aan stellingen en onderbouwing en gelet op hun eerdere overeenstemming over een bedrag van € 200,-- stelt de rechtbank in redelijkheid vast dat [verzoeker] in staat kan worden geacht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] te voldoen van € 200,-- per maand.


Ingangsdatum

3.16.

[verzoeker] heeft per brief van 13 januari 2017 gesteld dat hij vanaf 1 mei 2016 € 200,-- per maand betaalt aan kinderalimentatie. De rechtbank zal dan ook aansluiten bij het (oorspronkelijke) verzoek van [verweerster] en de bijdrage vaststellen met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek, te weten 29 augustus 2016.


4Beslissing

De rechtbank:


4.1.

bepaalt dat [kind] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij [verweerster] ;


4.2.

verleent aan [verweerster] vervangende toestemming voor de ontbrekende instemming van [verzoeker] , om met de minderjarige [kind] te verhuizen naar de omgeving [woonplaats] ;


4.3.

stelt de navolgende zorgregeling vast, [kind] verblijft bij [verzoeker] :

  • - elke dinsdagmiddag uit school tot 19:00 uur, waarbij [verzoeker] [kind] ophaalt uit school en [verweerster] [kind] ophaalt bij [verzoeker] ;
  • - een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school, waarbij [verzoeker] [kind] haalt en brengt van school;
  • - ten aanzien van de vakanties en de feestdagen geldt de hiernavolgende regeling, waarbij [verzoeker] [kind] ophaalt vóór elk omgangsmoment en [verweerster] [kind] ophaalt na elk omgangsmoment:

o gedurende de zomervakantie zal [kind] in de even jaren de eerste drie weken bij [verzoeker] verblijven en de laatste drie weken bij [verweerster] , en in de oneven jaren de laatste drie weken bij [verzoeker] en de eerste drie weken bij [verweerster] ;

o gedurende de herfstvakantie zal [kind] de oneven jaren bij [verzoeker] verblijven en de even jaren bij [verweerster] ;

o gedurende de kerstvakantie zal [kind] de oneven jaren de eerste week bij [verzoeker] verblijven en de tweede week bij [verweerster] , en in de even jaren de eerste week bij [verweerster] en de tweede week bij [verzoeker] ;

o met oud- en nieuwjaarsdag zal [kind] in de even jaren bij [verzoeker] verblijven en op de oneven jaren bij [verweerster] ;

o met Pasen en Pinksteren zal [kind] in de oneven jaren bij [verzoeker] verblijven en de even jaren bij [verweerster] ;

o gedurende de meivakantie zal [kind] in de oneven jaren de eerste week bij [verzoeker] verblijven en de tweede week bij [verweerster] , en in de even jaren de eerste week bij [verweerster] en de tweede week bij [verzoeker] ;

o op Koningsdag zal [kind] in de oneven jaren van 10:00 uur tot 18:00 uur bij [verzoeker] verblijven en in de even jaren bij [verweerster] ;

o met Sinterklaas zal [kind] in de oneven jaren bij [verzoeker] verblijven en in de even jaren bij [verweerster] ;

o op zijn verjaardag zal [kind] in de oneven jaren bij [verzoeker] verblijven en in de even jaren bij [verweerster] ;

o met de verjaardagen van [verzoeker] , [verweerster] , de opa(’s) en de oma(’s) zal [kind] tot 18.00 uur bij de betreffende ouder verblijven dan wel met de betreffende ouder bij de opa en/of oma verblijven;

o op Vaderdag zal [kind] bij [verzoeker] verblijven;

o op Moederdag zal [kind] bij [verweerster] verblijven;


4.4.

bepaalt het bedrag dat [verzoeker] aan [verweerster] met ingang van 29 augustus 2016 zal verstrekken tot bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] op € 200,-- per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


4.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzitter, mr. E.J. van Rijssen en mr. V.M.M. van Amstel, allen kinderrechters, in aanwezigheid van de griffier, mr. R. van der Vaart en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017.