Rechtbank Midden-Nederland, 30-05-2017 / UTR 17/254


ECLI:NL:RBMNE:2017:2955

Inhoudsindicatie
“Handhaving. Activiteiten in strijd met het bestemmingsplan ‘[...]’. Personal training/sportbegeleiding valt niet onder de bestemming publieksgerichte dienstverlening of maatschappelijke voorzieningen. Ook geen sprake van concreet zicht op legalisatie of andere bijzondere omstandigheden zodat verweerder gebruik heeft mogen maken van de bevoegdheid om tot handhaving over te gaan. Beroep ongegrond.”
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-30
Publicatiedatum
2017-06-23
Zaaknummer
UTR 17/254
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/3260
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 17/254


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2017 in de zaak tussen
[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.D. Arnold),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H. van Maaijen).



Procesverloop


Bij besluit van 9 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser gelast om binnen zes weken na de dag van verzending van het besluit het gebruik van het pand aan de [adres] (het pand) te [vestigingsplaats] ten behoeve van sportactiviteiten te staken en gestaakt te houden onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding na afloop van de begunstigingstermijn.


Bij besluit van 9 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. De rechtbank gaat voor haar beoordeling uit van de volgende feiten. Eiser exploiteert sinds 8 november 2013 op het perceel [adres] te [vestigingsplaats] zijn bedrijf [handelsnaam] .

Tijdens een bezoek aan [handelsnaam] verrichten klanten van het bedrijf fysieke activiteiten, waaronder ook het werken met apparaten en gewichten. In verband met klachten van geluidsoverlast heeft verweerder op 14 maart 2016 het pand geïnspecteerd. Op 24 juni 2016 heeft verweerder aan eiser het voornemen bekend gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom wegens met het bestemmingsplan strijdig gebruik en het overschrijden van de geluidsnormen. Hiertegen heeft eiser zienswijzen naar voren gebracht. Vervolgens heeft verweerder de onder ‘Procesverloop’ beschreven besluiten genomen. Op 24 augustus 2016 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik van het pand. Eiser heeft deze aanvraag op 4 oktober 2016 weer ingetrokken. [handelsnaam] is inmiddels verhuisd naar een ander pand.


2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het gebruik van het pand aan de [adres] voor sportactiviteiten in strijd is met de planvoorschriften van het geldende bestemmingsplan ‘ […] ’. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat [handelsnaam] weliswaar geen “traditionele” sportschool is waarbij leden vrij kunnen sporten met beschikbare materialen, maar dat wel sprake is van sportactiviteiten en het voeren van een sportschool. Verweerder baseert zich daarbij op informatie en foto’s op de website van [handelsnaam] .


3. Op grond van het bestemmingsplan ‘ […] ’ geldt voor het pand de bestemming ‘ […] 1’. Ingevolge artikel 4 van de planregels zijn, voor zover hier van belang, de begane grond en eerste verdieping van de voor ‘ […] 1’ aangewezen gronden bestemd voor publieksgerichte dienstverlening. Op de eerste verdieping zijn eveneens maatschappelijke voorzieningen met horeca van categorie 3 toegestaan.


In artikel 1.46 van de planregels is dienstverlening gedefinieerd als het bedrijfsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van prostitutie, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in zakelijke dienstverlening en publieksgerichte dienstverlening. Onder publieksgerichte dienstverlening wordt volgens dit artikel verstaan: dienst door een bedrijf of instelling dat in hoofdzaak baliewerkzaamheden verricht of andere diensten verleent gericht op het publiek, zoals stomerijen, wasserettes, kappers, pedicures, makelaars, reis- en uitzendbureaus, ateliers en dergelijke.


Op grond van artikel 1.69 van de planregels zijn maatschappelijke voorzieningen, voorzieningen in de vorm van welzijn, zorg, onderwijs, woonzorginstellingen, religie, openbare dienstverlening, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen voorzieningen.


4. Eiser voert aan dat het gebruik van het pand door [handelsnaam] niet in strijd is met het bestemmingsplan. [handelsnaam] biedt medische sportbegeleiding en personal training. Dit betekent dat klanten van [handelsnaam] kunnen sporten onder begeleiding, maar dat er ook diensten worden aangeboden zoals fysiotherapie, medische begeleiding, stress management en voedingsadvies. Volgens eiser vallen deze activiteiten binnen de toegestane bestemming ‘publieksgerichte dienstverlening’. Eiser voert verder aan dat uit de brede gebruiksmogelijkheden van gronden binnen de bestemming en uit de ruime definitie van ‘publieksgerichte dienstverlening’ in de planregels volgt dat verweerder juist de bedoeling heeft onder deze bestemming een breed aantal activiteiten toe te staan.


5.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de activiteiten van [handelsnaam] niet onder de bestemming ‘publieksgerichte dienstverlening’ vallen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 1.46 van de planregels volgt dat de essentie van ‘publieksgerichte dienstverlening’ bestaat uit het leveren van diensten aan het publiek, al dan niet met behulp van een balie. De rechtbank stelt met verweerder vast dat - ondanks dat geen sprake zou zijn van een traditionele sportschool - de kerntaak van [handelsnaam] eruit bestaat dat klanten zelf activiteiten verrichten om het lichaam fitter te krijgen. Ook eiser heeft ter zitting verklaard dat 70% van zijn klanten zelf bezig is met het verrichten van fysieke activiteiten. Van het leveren van diensten zoals bedoeld in artikel 1.46 van de planregels is bij [handelsnaam] in de kern dus geen sprake. Dat medewerkers van [handelsnaam] de klanten bij het verrichten van sportactiviteiten ook van advies voorzien en dat eisers filosofie achter [handelsnaam] niet is gericht op het drijven van een sportschool, leidt niet tot een ander oordeel. Relevant bij de beoordeling of er sprake is van ‘publieksgerichte dienstverlening’ is immers welke hoofdactiviteiten er feitelijk in het pand worden uitgevoerd, de achterliggende intentie speelt bij deze beoordeling geen rol.


5.2

Ten aanzien van het betoog van eiser dat de ruime bestemming en definitie in de planregels leidt tot de veronderstelling dat onder de bestemming ‘publieksgerichte dienstverlening’ veel activiteiten zijn toegestaan, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het geldende bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen. Dit heeft volgens verweerder tot gevolg dat gemengd bestemmen onder omstandigheden is toegestaan, maar dat geen sprake is van een systematiek waarin ruim bestemd wordt. Er is volgens verweerder juist sprake van het begrenzen van functies onder concrete bestemmingen wat in dit geval tot gevolg heeft dat een sportschool onder de bestemming ‘sport’ zou moeten vallen. Nu in het bestemmingsplan ‘ […] ’ helemaal geen bestemming ‘sport’ is opgenomen blijkt daaruit volgens verweerder juist de intentie om sportactiviteiten uit de beschermde omgeving van de […] te weren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat sportactiviteiten volgens de systematiek van het bestemmingsplan niet onder de bestemming publieksgerichte dienstverlening geschaard kunnen worden. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de activiteiten van [handelsnaam] vanwege de ruime formulering van de planregels wel zijn toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.


6. Eiser voert verder aan dat de activiteiten van [handelsnaam] vallen onder de begrippen welzijn en/of zorg zoals bedoeld in de definitie van maatschappelijke voorziening in artikel 1.69 van de planregels. Eiser stelt daartoe dat [handelsnaam] een oplossing biedt voor maatschappelijke problemen zoals fysieke of psychische gezondheidsklachten, bijvoorbeeld bij stress of in het kader van revalidatie.


7. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat onder maatschappelijke voorzieningen in de vorm van welzijn en zorg onder andere moet worden gedacht aan medische voorzieningen zoals de huisarts of andere voorzieningen ten behoeve van het verlenen van zorg. De onderneming van eiser kwalificeert niet als zodanig. Bij [handelsnaam] kunnen leden tegen betaling gebruik maken van bepaalde faciliteiten waardoor de bedrijfsvoering van eiser een commercieel karakter heeft. Van een maatschappelijke voorziening gericht op het verlenen van zorg is daarom geen sprake. De rechtbank volgt dit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat de activiteiten van [handelsnaam] niet zijn aan te merken als een maatschappelijke voorziening. De beroepsgrond slaag niet.


8. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift en dat verweerder, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, bevoegd, en in beginsel ook gehouden is, daartegen handhavend op te treden. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag een bestuursorgaan besluiten van deze bevoegdheid geen gebruik te maken. Hiervan kan sprake zijn indien er concreet zicht bestaat op legalisatie of wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van het opleggen van die last behoort te worden afgezien.


9. Eiser voert aan dat er sprake was van concreet zicht op legalisatie omdat hij in aanmerking komt voor een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik. Eiser heeft op 21 juli 2016 een akoestisch onderzoek laten verrichten door [naam adviesbureau] . Vervolgens heeft eiser de adviezen van [naam adviesbureau] opgevolgd om de geluidsoverlast voor omwonenden te beperken. Eiser heeft verweerder hiervan ook tijdig op de hoogte gesteld. Nu hij voldoet aan de geluidsnormen is er volgens eiser geen reden voor verweerder om hem een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik te weigeren.


10. De rechtbank stelt vast dat eiser op 24 augustus 2016 bij verweerder een aanvraag om omgevingsvergunning voor strijdig gebruik heeft ingediend. Eiser heeft deze aanvraag echter om hem moverende redenen op 4 oktober 2016 weer ingetrokken. Verweerder heeft hieruit mogen afleiden dat eiser afzag van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor strijdig gebruik, te meer nu op 4 oktober 2016 door verweerder een vergunning is verleend voor het gebruik van de nieuwe locatie van eiser aan de [adres] te [vestigingsplaats] . Gelet op het voorgaande was er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van concreet zicht op legalisatie. Wat eiser heeft gesteld over het akoestisch rapport en de maatregelen die hij heeft getroffen, kan bij de beoordeling door de rechtbank dan ook geen rol meer spelen. Van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhaving is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder gebruik heeft mogen maken van de bevoegdheid om tot handhaving over te gaan. De beroepsgrond slaagt niet.


11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.







Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.