Rechtbank Midden-Nederland, 19-06-2017 / C/16/435971 / JE RK 17-697


ECLI:NL:RBMNE:2017:2984

Inhoudsindicatie
Moeder verzoekt MUHP in te trekken, subsidiair aanhouding voor onderzoek naar bijplaatsing in netwerkpleeggezin en uiterst subsidiair geschilbeslechting 1:262b BW. Afwijzing: kind doet het goed en bijplaatsing levert een te grote taak op voor grootouders.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-19
Publicatiedatum
2017-06-22
Zaaknummer
C/16/435971 / JE RK 17-697
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JPF 2017/120
Uitspraak

beschikking



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht


Locatie Utrecht


Zaakgegevens: C/16/435971 / JE RK 17-697


Datum uitspraak: 19 juni 2017



beschikking conflictbehandeling uithuisplaatsing in de zaak van
[verzoeksters] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. C.C. Sneper,


betreffende


[minderjarige] , geboren op [2012] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .


De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:


William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te [vestigingsplaats] .



Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 15 maart 2017, ingekomen bij de griffie op 15 maart 2017.


Op 26 april 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder,

- mr. C.C. Sneper, raadsvrouw van de moeder,

- mevrouw [A] , namens de GI.


Bijzondere toegang is verleend aan de opa en oma moederszijde (hierna: de opa en oma mz.) van [voornaam minderjarige] .


Na de zitting is op 16 mei 2017 een verweerschrift van de GI ontvangen.


Op 30 mei 2017 is een schriftelijke reactie van mr. Sneper op het verweerschrift van de GI ontvangen.



De feiten


Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.


Bij beschikking van 11 augustus 2016 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 9 september 2017.


De kinderrechter heeft bij deze beschikking tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 9 september 2017.


[voornaam minderjarige] heeft van maart 2016 tot oktober 2016 bij de opa en oma mz. gewoond. Op dit moment verblijft zij met voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing in een neutraal pleeggezin.


De moeder heeft op 15 februari 2017 aan de GI verzocht om de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in het pleeggezin te beëindigen, dan wel te bekorten tot drie maanden en dat er met de moeder en de opa en oma mz. een veiligheidsplan wordt gemaakt om [voornaam minderjarige] terug te plaatsen bij de opa en oma mz.


De GI heeft op 1 maart 2017 schriftelijk gereageerd en besloten dat zij geen aanleiding ziet om de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te bekorten en/of te beëindigen.



De verzoeken


De moeder heeft verzocht:

- primair om het besluit van de GI van 1 maart 2017 te vernietigen, en daarna rechtdoende te beslissen dat de machtiging tot uithuisplaatsing geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken voor zover dit de machtiging betreft dat deze geldt voor de voorziening van pleegzorg, en de machtiging af te geven voor een plaatsing bij opa en oma mz.;

- subsidiair om de zaak voor twee maanden aan te houden, en dat de rechtbank de GI de opdracht geeft om bij de oma mz. aanvullend onderzoek te doen of opa en oma in staat zijn om naast [B] ook [voornaam minderjarige] in hun gezin weer op te nemen, en indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, dat de machtiging wordt omgezet naar een machtiging uithuisplaatsing bij opa en oma mz.;

- uiterst subsidiair om dit geschil te beslechten conform artikel 1:262b BW;

- dan wel zoals de rechtbank in goede justitie juist acht, en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



De standpunten


De moeder stelt zich op het standpunt dat er gewijzigde omstandigheden zijn, namelijk dat zij ziet dat [voornaam minderjarige] niet goed in haar vel zit bij de pleegouders, teruggetrokken is, haar biologische familie veel minder ziet en dat [voornaam minderjarige] meerdere malen heeft aangegeven niet in het pleeggezin te willen wonen. De moeder werkt hard aan haar problematiek en zij heeft een netwerk waarop zij kan terugvallen. [voornaam minderjarige] is aan de moeder en de oma gehecht en de oma heeft uitdrukkelijk de wens uitgesproken om weer voor haar te zorgen. De moeder en de oma staan open voor hulp en ondersteuning vanuit de ondertoezichtstelling om de plaatsing van [voornaam minderjarige] bij de grootouders zo rustig mogelijk voor [voornaam minderjarige] te maken. De moeder heeft ook de uitdrukkelijke wens uitgesproken dat [voornaam minderjarige] bij de oma geplaatst kan worden en deze optie


dient dan ook onderzocht te worden. Als [voornaam minderjarige] net als [B] ook bij de grootouders mz. komt wonen, zijn zij bereid om extra hulp in te zetten indien dat nodig wordt geacht.

Bij reactie van 30 mei 2017 is aan het voorgaande toegevoegd dat de moeder het erg belangrijk vindt dat er vanuit Pleegzorg een actueel onderzoek komt over de vraag of de opa en oma mz. voor [voornaam minderjarige] en [B] samen kunnen zorgen. De moeder verzoekt om de zaak voor drie maanden aan te houden, zodat Pleegzorg dit onderzoek alsnog kan starten.


Ter zitting van 26 april 2017 heeft mevrouw [A] namens de GI naar voren gebracht dat het goed gaat met [voornaam minderjarige] in het pleeggezin. Zij ontwikkelt zich positief en zij zit daar op haar plek. De school van [voornaam minderjarige] heeft aangegeven dat het met [voornaam minderjarige] erg goed gaat in het pleeggezin. [voornaam minderjarige] maakt een blije en vrolijke indruk en de samenwerking met de pleegvaders is goed. De school maakt zich volgens de GI wel zorgen over de wijze waarop de opa en oma mz. – en met name de oma mz. – zich opstellen naar [voornaam minderjarige] en wat dit betekent voor haar loyaliteit. De GI is van mening dat de wijze waarop de opa en oma mz. zich opstellen richting het pleeggezin en met name richting [voornaam minderjarige] niet in haar belang is en dat dit een loyaliteitsconflict vergroot. De GI kent de wens om [voornaam minderjarige] bij de opa en oma mz. te plaatsen, waar ook [B] geplaatst is. In overleg met William Schrikker Pleegzorg is onderzoek gedaan, waaruit gebleken is dat bijplaatsing niet in het belang van zowel [voornaam minderjarige] als [B] is. De GI is van mening dat de moeder niet voor [voornaam minderjarige] kan zorgen gelet op haar opvoedingsvaardigheden en het feit dat zij haar handen vol heeft aan de verzorging en opvoeding van haar driejarige zoon [C] .

Bij verweerschrift van 16 mei 2017 heeft de GI verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen.



De beoordeling


De kinderrechter stelt voorop dat, anders dan namens de moeder is gesteld, de GI een verweerschrift mocht indienen, nu zij niet eerder dan op de zitting op de hoogte was van het inhoudelijke verzoekschrift van de moeder.


Het primaire verzoek van de moeder


Ingevolge artikel 1:265d, tweede lid, BW kunnen de met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder of een ander die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt de GI wegens gewijzigde omstandigheden onder andere verzoeken de uithuisplaatsing te beëindigen en/of de duur ervan te bekorten. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel geeft de GI binnen twee weken na ontvangst van het verzoek een schriftelijke beslissing. Vervolgens kan de kinderrechter op grond van het vierde lid op verzoek van een van de hierboven genoemde personen de machtiging geheel of gedeeltelijk intrekken of de duur ervan bekorten.


De GI heeft binnen twee weken na 15 februari 2017, te weten op 1 maart 2017, schriftelijk gereageerd op het verzoek van de moeder. Vervolgens heeft de moeder op 15 maart 2017 het verzoek bij de kinderrechter ingediend, waardoor zij ontvankelijk is in haar verzoek.


De kinderrechter begrijpt het verzoek aldus dat wordt verzocht dat de machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] wordt beëindigd. De kinderrechter zal dat verzoek afwijzen, omdat uit de overgelegde e-mails van de school vanaf oktober 2016 tot en met mei 2017 blijkt dat [voornaam minderjarige] het goed doet en vrolijk is in het huidige pleeggezin en dat zij vooruit gaat. Wel wordt

op school gezien dat [voornaam minderjarige] vermoeid terug komt van een omgangsweekend (bij opa en oma mz) en dat de school daarom de therapieën heeft verplaatst naar de vrijdag.

Uit het verslag van [naam instelling] van januari 2017 komt naar voren dat het zorgelijk wordt geacht dat de opa en oma mz. moeite hebben met de plaatsing van [voornaam minderjarige] in het pleeggezin. Ook op school wordt dit gezien, zoals blijkt uit de e-mail van 17 februari 2017. De kinderrechter acht

het in het belang van [voornaam minderjarige] dat zij in het pleeggezin blijft wonen en dat de volwassenen om haar heen, die belangrijk zijn voor haar, laten weten aan [voornaam minderjarige] dat het goed is dat zij in het pleeggezin woont. Als de moeder en de opa en oma (mz) aan [voornaam minderjarige] kunnen laten zien dat zij het goed vinden dat [voornaam minderjarige] bij de pleegvaders woont, geeft dat aan [voornaam minderjarige] de ruimte om met alle volwassenen om haar heen een gezonde relatie op te bouwen.


Het subsidiaire verzoek van de moeder


Het verzoek van de moeder om aanhouding wordt eveneens afgewezen. Zoals ook ter zitting van 26 april 2017 door de GI is uitgelegd, is in de loop van 2016 door pleegzorg geconcludeerd dat [voornaam minderjarige] om inhoudelijke redenen die ook nu nog gelden niet bijgeplaatst kan worden bij de opa en oma mz.. Deze visie in de brief van William Schrikker Pleegzorg van 23 februari 2017 neergelegd. De kinderrechter is van oordeel dat de GI haar conclusie om geen nader onderzoek te doen naar de vraag of [voornaam minderjarige] , naast [B] , bijgeplaatst kan worden bij de opa en oma mz, deugdelijk heeft onderbouwd. [B] heeft een belast verleden en vertoont symptomen van onveilige hechting en ze laat zelfbepalend gedrag zien. Ze heeft moeite met onderscheid maken tussen bekende en onbekende mensen. [B] heeft alle tijd en aandacht nodig van opa en oma volgens pleegzorg. De dagelijkse zorg van [B] komt vooral op de oma neer. Als ook [voornaam minderjarige] bij opa en oma geplaatst zou worden, dan zou [B] tekort komen in tijd, aandacht en zorg. [B] heeft een ontwikkelingsachterstand in haar motorische ontwikkeling, haar spraak-taalontwikkeling en op sociaal-emotioneel gebied. Ook op andere terreinen heeft [B] veel ondersteuning en stimulering van de opa en oma mz nodig. Pleegzorg is tot de conclusie gekomen dat bijplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de opa en oma mz een te zware taak wordt voor de opa en oma mz.

Er wordt dan ook geen aanleiding gezien om de behandeling van het verzoek aan te houden voor een nader onderzoek naar de geschiktheid van de opa en oma mz met betrekking tot bijplaatsing van [voornaam minderjarige] .


Het meer subsidiaire verzoek van de moeder


Ingevolge artikel 1:262b BW kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter worden voorgelegd, met uitzondering de geschillen omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1. van de Jeugdwet. De kinderrechter neemt op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de zorgaanbieder of de aanbieder van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet waar de minderjarige is geplaatst, een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt. Hij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.


De moeder verzoekt langs deze weg de GI te bewegen onderzoek te doen naar de plaatsingsmogelijkheid van [voornaam minderjarige] bij de opa en oma mz.. Een vergelijk tussen de betrokkenen is ter zitting beproeft, maar is niet mogelijk gebleken. Inhoudelijk ziet dit verzoek op dezelfde materie als waarover hiervoor een inhoudelijk oordeel is gegeven. Om dezelfde redenen als hierboven zal de kinderrechter dan ook dit verzoek afwijzen.








De beslissing


De kinderrechter:


wijst de verzoeken van de moeder af.



Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D.B.T. Koster als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2017.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden