Rechtbank Midden-Nederland, 28-06-2017 / 5369112 UC EXPL 16-13272 JH/1050


ECLI:NL:RBMNE:2017:3199

Inhoudsindicatie
Consumentenrecht. Annuleringskosten na opzegging onderwijsovereenkomst. Er is sprake van overeenkomst van opdracht. Op grond van artikel 7:408 BW kan te allen tijde worden opgezegd zonder dat een schadevergoeding verschuldigd is. Het annuleringsbeding in de algemene voorwaarden is in strijd met deze dwingende wettelijke regeling en is daarom vernietigbaar. Het staat de kantonrechter niet vrij de vordering toe te wijzen op grond van artikel 7:411 BW.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-28
Publicatiedatum
2017-06-30
Zaaknummer
5369112 UC EXPL 16-13272 JH/1050
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Utrecht


zaaknummer: 5369112 UC EXPL 16-13272 JH/1050


Vonnis van 28 juni 2017


inzake


[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.G.W. Bors,


tegen:


de stichting

Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn,

gevestigd te Zeist,

verder ook te noemen het Pensioenfonds,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W. van Heest.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 22 maart 2017
  • - de akte overlegging productie van [eiseres]
  • - de akte na comparitie na antwoord van het Pensioenfonds van 3 mei 2017
  • - de antwoordakte van [eiseres] van 31 mei 2017
  • - de antwoordakte van het Pensioenfonds van 31 mei 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen in het tussenvonnis van 22 maart 2017 is opgenomen.


2.2.

[eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het Pensioenfonds onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door in strijd met haar wettelijke verplichting na te laten [eiseres] in te lichten en op de hoogte te houden van haar pensioenaanspraken.

[eiseres] stelt dat zij als gevolg van het onrechtmatig handelen en/of nalaten van het Pensioenfonds schade heeft geleden, bestaande uit € 4.678,90 aan wettelijke rente over het te laat uitgekeerde ouderdomspensioen en € 2.579,-- in verband met de terugvordering en vermindering van de zorgtoeslag over 2015 en 2016 als gevolg van betaling van het ouderdomspensioen ineens.

Het Pensioenfonds heeft de grondslag van de vordering en de door [eiseres] gestelde schade uitdrukkelijk betwist.


2.3.

De kantonrechter stelt voorop dat pensioen in juridische zin in beginsel een haalschuld betreft. Dat betekent dat het de verplichting is van de deelnemer om ervoor te zorgen dat de pensioenuitvoerder ervan op de hoogte blijft hoe de pensioenuitkering dient plaats te vinden. [eiseres] had er derhalve zelf voor moeten zorgen dat de opgebouwde pensioenaanspraken zouden worden uitgekeerd door haar adreswijziging(en) door te geven en zich in 2003 te wenden tot het Pensioenfonds met een aanvraag tot toekenning van pensioen. [eiseres] heeft weliswaar gesteld dat zij niet op de hoogte was van de pensioenopbouw, maar dit komt de kantonrechter niet waarschijnlijk voor. Vast staat immers dat het gaat om een verplicht bedrijfstakpensioenfonds, dat de werkgever [eiseres] heeft aangemeld en dat [eiseres] pensioenpremie heeft afgedragen. Ter zitting heeft [eiseres] bovendien verklaard dat zij niet meer beschikt over de arbeidsovereenkomst en zich ook niet kan herinneren of er in de arbeidsovereenkomst iets stond over pensioenopbouw.


2.4.

De hiervoor genoemde verantwoordelijkheid van de deelnemer zelf om zijn adreswijzigingen door te geven en een aanvraag in te dienen tot toekenning van pensioen, laat onverlet dat op de pensioenuitvoerder de plicht rust om, als de deelnemer zich daar niet aan houdt, zich in te spannen om het juiste adres van haar deelnemer te achterhalen. De aansprakelijkheid van de pensioenuitvoerder beperkt zich tot deze inspanningsverplichting. Als via de GBA (thans: BRP) het juiste adres niet is te achterhalen, geldt er geen verdere verplichting voor de pensioenuitvoerder (vergelijk Kamerstukken II 1997/1998, 881 sub 4 (Kv/Ah) en Kamerstukken II 2005/2006, 30 413, 17, p. 42/43).


2.5.

Het Pensioenfonds heeft gesteld dat zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan door de GBA te raadplegen. Dit heeft volgens haar niet tot resultaat geleid, omdat zij niet beschikte over een oud adres van [eiseres] . Zelfs als het beginadres bekend zou zijn geweest, dan had de GBA geen uitsluitsel kunnen geven, omdat [eiseres] in verschillende gemeenten heeft gewoond, aldus het Pensioenfonds. In het tussenvonnis van 22 maart 2017 heeft de kantonrechter het Pensioenfonds opgedragen om stukken over te leggen waaruit blijkt welke gegevens zij destijds heeft ontvangen van de werkgever(s) van [eiseres] , om te stellen en met stukken te onderbouwen wat er vanaf 2003 door haar precies is ondernomen om het adres van [eiseres] te achterhalen en wat de uitkomst daarvan is geweest. De kantonrechter heeft het Pensioenfonds tot slot opgedragen om stukken over te leggen waaruit blijkt dat de aansluiting op het landelijke GBA-netwerk voor 2012 niet zou hebben geleid tot het achterhalen van een adres als er geen beginadres bekend was of als er buiten de gemeente was verhuisd.


2.6.

Bij akte na comparitie heeft het Pensioenfonds aangegeven dat zij niet meer heeft kunnen achterhalen welke gegevens haar rechtsvoorgangster destijds van de werkgever(s) van [eiseres] heeft ontvangen. Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden vastgesteld dat, zoals het Pensioenfonds heeft betoogd, (de rechtsvoorgangers van) het Pensioenfonds nimmer over adresgegevens van [eiseres] heeft/hebben beschikt.

Hoewel daarom uitdrukkelijk in het tussenvonnis verzocht, heeft het Pensioenfonds geen stukken overgelegd waaruit blijkt wat er vanaf 2003 door haar is gedaan om het adres van [eiseres] te achterhalen. Het Pensioenfonds heeft slechts gesteld dat zij “de gebruikelijke stappen intern” heeft doorlopen. Door het Pensioenfonds is niet nader gemotiveerd waaruit deze “gebruikelijke stappen intern” hebben bestaan, wanneer deze zijn uitgevoerd en wat de uitkomsten daarvan zijn geweest. Zij stelt slechts in algemene zin dat een zoekopdracht met alleen naam en geboortedatum in 2003 niet mogelijk was en dat een dergelijke zoekopdracht vanaf 2007 een grote kans op een foutmelding opleverde. Ter onderbouwing hiervan verwijst het Pensioenfonds naar een e-mail van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens van 21 april 2017. Door het Pensioenfonds is niet gesteld dat een zoekopdracht naar het juiste adres van [eiseres] op enig moment ook daadwerkelijk is gegeven en dat deze tot een foutmelding heeft geleid. Uit de e-mail van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens blijkt bovendien onvoldoende duidelijk dat eventuele acties van het Pensioenfonds hoe dan ook geen hit opgeleverd zouden hebben, omdat [eiseres] naar een adres buiten de gemeente was verhuisd.

Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat het Pensioenfonds nimmer over adresgegevens van [eiseres] heeft beschikt, kan op grond van het door het Pensioenfonds gestelde derhalve niet worden vastgesteld dat zij in en na 2003 voldoende pogingen in het werk heeft gesteld om het juiste adres van [eiseres] te achterhalen.


2.7.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het Pensioenfonds in gebreke is gebleven bij de nakoming van haar inspanningsverplichting om in 2003 en daarna het juiste adres van [eiseres] te achterhalen. Aldus heeft het Pensioenfonds in strijd gehandeld met haar zorgplicht jegens [eiseres] en daarmee onrechtmatig jegens haar gehandeld.

Het Pensioenfonds dient de schade die [eiseres] lijdt als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden.


2.8.

Artikel 6:119 lid 1 BW bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:83 aanhef en onder b BW is het Pensioenfonds vanaf 1 september 2003 zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt en is zij dit tot 4 september 2015 ook gebleven. De vordering tot vergoeding van wettelijke rente over het achterstallige ouderdomspensioen is derhalve toewijsbaar vanaf 1 september 2003 steeds vanaf de datum dat bij de juiste nakoming pensioen zou zijn toegekend tot het moment waarop is betaald, te weten op 4 september 2015. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. Nu dit schadebedrag op 4 september 2015, tegelijk met de uitbetaling van het achterstallige pensioen ineens, aan [eiseres] uitgekeerd had dienen te worden, is de wettelijke rente hierover toewijsbaar vanaf 4 september 2015 tot de voldoening. De vordering van [eiseres] tot vergoeding van wettelijke rente is in zoverre toewijsbaar.


2.9.

[eiseres] heeft voorts een bedrag van € 2.579,-- gevorderd in verband met de terugvordering en vermindering van de zorgtoeslag over 2015 en 2016 als gevolg van betaling van het ouderdomspensioen ineens. Gelet op de uitdrukkelijke betwisting door het Pensioenfonds had het op de weg van [eiseres] gelegen om de (financiële) gegevens over te leggen die ten grondslag liggen aan de door de Belastingdienst gegeven beschikkingen betreffende de zorgtoeslag over 2015 en 2016. Nu [eiseres] dit heeft nagelaten, kan niet worden vastgesteld dat de terugvordering en vermindering van de zorgtoeslag over 2015 en 2016 geheel of gedeeltelijk het gevolg is van de betaling van het ouderdomspensioen ineens. De gevorderde schadevergoeding in verband met de terugvordering en vermindering van de zorgtoeslag over 2015 en 2016 is dan ook niet toewijsbaar.


2.10.

[eiseres] maakt voorts aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 636,84. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn zal worden getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II, nu het verzuim voor 1 juli 2012 is ingetreden. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. [eiseres] heeft onvoldoende gesteld, gespecificeerd en/of onderbouwd dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en/of moeten worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten, reden waarom de kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert, moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De kantonrechter zal dit onderdeel van de vordering afwijzen.


2.11.

Nu [eiseres] het Pensioenfonds in rechte heeft moeten betrekken teneinde vergoeding van haar schade te verkrijgen, wordt het Pensioenfonds veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eiseres] . Deze kosten worden begroot op:


- dagvaarding € 94,08

- griffierecht € 79,00

- salaris gemachtigde € 500,00 (2,5 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 673,08


De nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten zijn toewijsbaar als na te melden.



3De beslissing

De kantonrechter:


veroordeelt het Pensioenfonds om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen:

de wettelijke rente over het achterstallige ouderdomspensioen vanaf 1 september 2003 steeds vanaf de datum dat bij de juiste nakoming pensioen zou zijn toegekend tot 4 september 2015, waarbij telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente;

de wettelijke rente over het hiervoor onder a. toegewezen schadebedrag vanaf 4 september 2015 tot de voldoening;


veroordeelt het Pensioenfonds tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 673,08, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;


veroordeelt het Pensioenfonds, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening;


verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.