Rechtbank Midden-Nederland, 28-06-2017 / UTR 17 / 296


ECLI:NL:RBMNE:2017:3206

Inhoudsindicatie
Trefwoorden: Planschadeverzoek achterliggende perceel van [straatnaam 1] [nummer] [woonplaats] Samenvatting: Op 23 januari 2001 is het bestemmingsplan “[straatnaam 1]-[straatnaam 2], 1e wijziging wijzigingsplan ex. artikel 4, lid 8 (beëindiging agrarisch bedrijf [straatnaam 1] [nummer])” vastgesteld (het wijzigingsplan). Bij besluit van 5 november 2002 heeft verweerder eiser vrijstelling verleend van het wijzigingsplan, voor de opslag van bouwmaterialen in de grote loods (de vrijstelling). Op 25 juni 2012 is het bestemmingsplan “[straatnaam 1]-[straatnaam 2] 2012” vastgesteld (het bestemmingsplan 2012) dat bij uitspraak van 22 januari 2014 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), ECLI:NL:RVS:2014:95, onherroepelijk is geworden. De voor de grote loods verleende vrijstelling kan geen verandering brengen in de planologische status van de kleine loods die in het wijzigingsplan niet is bestemd. Onder het wijzigingsplan was niet meer dan 80 m2 aan bijgebouwen behorende bij eengezinshuizen op het perceel van eiser toegestaan. Op het perceel van eiser staat geen eengezinshuis, zodat er onder het wijzigingsplan in het geheel geen bijgebouwen toegestaan waren op eisers perceel. In de vergelijking met het bestemmingsplan 2012 (waarin de kleine loods niet is bestemd) is dus geen sprake is van een wijziging, en dus geen sprake van planologisch nadeel. Dat verweerder het strijdig gebruik van de kleine loods jarenlang zou hebben gedoogd brengt geen verandering in de planologische status van de kleine loods. Onder het wijzigingsplan was parkeren op eisers perceel toegestaan voor zover dat was gerelateerd aan de woonbestemming, zodat eiser niet mocht parkeren ten behoeve van zijn (aannemers)bedrijf. Op grond van de voor de grote loods verleende vrijstelling voor opslag, is het eiser ten hoogste toegestaan om de bouwmaterialen te laden en te lossen. In de vergelijking met het bestemmingsplan 2012 (waarin parkeren vergunningvrij is toegestaan tot 50 m2 behorende bij de hoofdgebouwen die op de aangrenzende gronden zijn gelegen) is dus geen sprake van een wijziging ten aanzien van parkeren ten behoeve van eisers (aannemers)bedrijf, en dus geen sprake van planologisch nadeel.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-28
Publicatiedatum
2018-06-20
Zaaknummer
UTR 17 / 296
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 17 / 296


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. van Domselaar),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes, verweerder

(gemachtigde: mr. A.F. Testor).



Procesverloop


Bij besluit van 19 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een tegemoetkoming in planschade voor het perceel achter de woning op nummer [nummer] aan de [straatnaam 1] in [woonplaats] , afgewezen.


Bij besluit van 13 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.



Overwegingen


1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 23 januari 2001 is het bestemmingsplan “ [straatnaam 1] - [straatnaam 2] , 1e wijziging wijzigingsplan ex. artikel 4, lid 8 (beëindiging agrarisch bedrijf [straatnaam 1] [nummer] )” vastgesteld (het wijzigingsplan). Het wijzigingsplan had betrekking op het perceel [straatnaam 1] [nummer] in [woonplaats] en op het achterliggende perceel. Op het achterliggende perceel staan twee loodsen; een grote loods en een kleine loods. Voordat het wijzigingsplan werd vastgesteld gold voor deze percelen het bestemmingsplan “ [straatnaam 1] - [straatnaam 2] 1999” (het oude bestemmingsplan). Het wijzigingsplan voorzag in een functiewijziging van het toenmalige agrarische bedrijf naar een woonbestemming.


1.2

Eiser heeft op 12 juli 2002 het juridisch eigendom verkregen van het achterliggende perceel met de twee loodsen. Dit perceel is kadastraal geregistreerd onder sectie [sectie] nummers [nummer] en [nummer] . Bij besluit van 5 november 2002 heeft verweerder eiser vrijstelling verleend van het wijzigingsplan, voor de opslag van bouwmaterialen in de grote loods (de vrijstelling).


1.3

Op 25 juni 2012 is het bestemmingsplan “ [straatnaam 1] - [straatnaam 2] 2012” vastgesteld (het bestemmingsplan 2012) dat bij uitspraak van 22 januari 2014 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), ECLI:NL:RVS:2014:95, onherroepelijk is geworden. Op 1 september 2014 heeft eiser een verzoek ingediend voor de door hem als gevolg van het bestemmingsplan 2012 geleden schade. In het verzoek heeft eiser toegelicht dat hij schade ondervindt van € 215.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente, omdat de kleine loods in het plan is wegbestemd en op de gronden rondom de grote loods nu de bestemming ‘Tuinen’ rust zodat hij daarop geen motorvoertuigen meer mag stallen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder Thorbecke B.V. ingeschakeld om over het planschadeverzoek advies uit te brengen. Thorbecke heeft een conceptadvies uitgebracht en daarin vastgesteld dat geen sprake is van planologisch nadeel voor eiser. Hierop heeft eiser bij brief van 20 december 2015 zijn zienswijze ingediend. Op 10 februari 2016 heeft Thorbecke definitief advies uitgebracht, en verweerder daarin geadviseerd het planschadeverzoek af te wijzen omdat er geen sprake is van planologisch nadeel voor eiser.


1.4

Op 25 april 2016 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet nemen van een besluit op zijn planschadeverzoek. Verweerder is vervolgens overgegaan tot het onder “Procesverloop” genoemde primaire besluit, waarin verweerder eisers planschadeverzoek en zijn verzoeken om de uitbetaling van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen, heeft afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op het advies van Thorbecke van 10 februari 2016. Op 28 juni 2016 heeft eiser tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Het beroep van eiser wordt van rechtswege geacht te zijn gericht tegen het primaire besluit. Bij de behandeling van het beroep op zitting zijn eiser en verweerder met betrekking tot de dwangsommen en proceskosten tot een schikking gekomen. Ten aanzien van de inhoudelijke afwijzing van eisers planschadeverzoek heeft de rechtbank de zaak vervolgens terugverwezen naar verweerder om inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.


1.5

Op verzoek van de Adviescommissie voor bezwaarschriften van verweerder (de bezwaarcommissie) heeft Thorbecke op 9 december 2016 nader geadviseerd, waarbij Thorbecke tot de conclusie komt dat de aan eiser voor de grote loods verleende vrijstelling ziet op een oppervlakte van 216 m2, in plaats van de in het eerdere advies gehanteerde 100 m2. Volgens Thorbecke leidt dit niet tot een andere conclusie ten aanzien van de planvergelijking. Naar aanleiding daarvan is verweerder overgegaan tot het onder “Procesverloop” genoemde bestreden besluit.


2.1

Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kent het bestuursorgaan degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.


2.2

Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar dat wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd ongeacht of verwezenlijking daarvan feitelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank verwijst hiervoor naar vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zoals de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582.


2.3

Het oude planologische regime wordt gevormd door het wijzigingsplan en de vrijstelling. Op grond van het wijzigingsplan rust op het perceel van eiser de bestemming ‘Woondoeleinden-C’. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor eengezinshuizen met daarbij behorende bijgebouwen, aanbouwen, andere bouwwerken, tuinen, erven, paden en parkeerplaatsen. Ingevolge het zesde lid, onder 5e van dit artikel mogen - voor zover hier van belang - bij elk eengezinshuis-C bijgebouwen worden gebouwd, tot een totale oppervlakte van niet meer dan 80 m2. Ingevolge artikel 22 van de planregels en de bij het wijzigingsplan behorende verbeelding zijn beide loodsen op het perceel van eiser onder het overgangsrecht gebracht. Op grond van de vrijstelling is de opslag van bouwmaterialen in de grote loods toegestaan tot 216 m2.


2.4

Op grond van het nieuwe planologische regime, het bestemmingsplan 2012, rust op de grote loods de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘Opslag’. Ingevolge artikel 4.1, onder e van de planregels zijn deze gronden uitsluitend bestemd voor opslag ten behoeve van een aannemersbedrijf. Op de bij het bestemmingsplan 2012 behorende verbeelding is de kleine loods op het perceel niet meer ingetekend en dus niet bestemd. Op de rest van het perceel rust de bestemming ‘Tuinen’. Op grond van artikel 10.1, onder a van de planregels zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor tuinen behorende bij de hoofdgebouwen die op de aangrenzende gronden zijn gelegen. Op grond van artikel 21.1 en artikel 21.4 van de planregels is voor deze gronden - voor zover hier van belang - het aanleggen, verbreden en verharden van parkeergelegenheden vanaf 50 m2 verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.


3. Tussen partijen is niet in geschil dat de grote loods - nadat eerder vrijstelling is verleend - in het bestemmingsplan 2012 positief is bestemd en dat dit bestemmingsplan op dit punt geen planologisch nadeel voor eiser tot gevolg heeft gehad. Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast, dat met bepalingen van overgangsrecht geen rekening mag worden gehouden in een planologische vergelijking, zo volgt uit vaste rechtspraak van de ABRvS, zoals de uitspraak van 28 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1686. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser beaamd en tussen partijen is daarom ook niet in geschil, dat de vrijstelling niet ziet op de kleine loods. Tot slot stelt de rechtbank vast dat het perceel van eiser (geregistreerd onder sectie [sectie] nummers [nummer] en [nummer] ), voordat eiser het perceel aankocht, kadastraal is afgescheiden van het perceel aan de [straatnaam 1] [nummer] (geregistreerd onder sectie [sectie] nummer [nummer] ) waarop een eengezinshuis staat.


4. Eiser voert aan dat de door Thorbecke uitgevoerde vergelijking tussen het oude en het nieuwe planologische regime die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, onjuist is. Hij wijst daarbij op de voor hem nadeligere situatie ten aanzien van de kleine loods en de parkeermogelijkheden op het perceel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door Thorbecke gemaakte planvergelijking wel juist is en dat eiser voor wat betreft de kleine loods en de parkeermogelijkheden geen nadeel heeft ondervonden. De rechtbank zal beide onderwerpen hierna bespreken.



Kleine loods


5.1

Eiser voert in de eerste plaats aan dat de kleine loods was gelegaliseerd onder het oude bestemmingsplan dat gold vóór het wijzigingsplan. Eiser voert verder aan dat de kleine loods niet onder het overgangsrecht van het wijzigingsplan valt omdat de vrijstelling immers tot direct gevolg heeft gehad dat de grote loods niet meer valt onder de planregels, zodat de kleine loods van 126 m2 in zijn geheel was toegestaan. Subsidiair voert eiser aan dat de kleine loods in ieder geval tot 80 m2 was toegestaan, omdat er 80 m2 aan bijgebouwen was toegestaan op het perceel zodat slechts een gedeelte van 46 m2 van de kleine loods onder het overgangsrecht viel. Tot slot voert eiser aan dat hij er als redelijk denkend en handelend koper van uit mocht gaan dat het feitelijk gebruik van de kleine loods in deze omvang mocht worden voortgezet omdat die al meer dan 40 jaar op het perceel staat en daartegen nooit handhavend is opgetreden door verweerder.


5.2

De rechtbank oordeelt als volgt. Wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van het oude bestemmingsplan (het plan van 1999) kan de rechtbank niet volgen, nu dit plan geen onderdeel uitmaakt van de planvergelijking die ter beoordeling voorligt. Het planologische regime dat gold op de peildatum van 22 januari 2014 is, als gezegd, het wijzigingsplan samen met de vrijstelling. Deze vormen het uitgangspunt voor de vergelijking. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de kleine loods niet onder het overgangsrecht van het wijzigingsplan zou vallen vanwege de voor de grote loods verleende vrijstelling. De vrijstelling is namelijk van een latere datum dan het wijzigingsplan, zodat de vrijstelling naar het oordeel van de rechtbank geen verandering meer kon brengen in de planologische status van de kleine loods die in het wijzigingsplan niet is bestemd. Bovendien was in het wijzigingsplan bepaald dat niet meer dan 80 m2 aan bijgebouwen behorende bij eengezinshuizen op het perceel van eiser was toegestaan. Nu het perceel van eiser echter kadastraal is afgescheiden van het perceel aan de [straatnaam 1] [nummer] (waarop het eengezinshuis staat), bevond zich dus geen eengezinshuis op het perceel van eiser. Vanwege het ontbreken van een huis waren er onder het wijzigingsplan dus in het geheel geen bijgebouwen toegestaan op eisers perceel. Gelet daarop kan de rechtbank eisers stelling dat de kleine loods in zijn geheel of voor een gedeelte van 80 m2 was toegestaan, ook niet volgen.


5.3

Het voorgaande betekent dat er in de vergelijking met het nieuwe planologische regime (waarin de kleine loods niet is bestemd) geen sprake is van een wijziging. Dat verweerder het strijdig gebruik van de kleine loods jarenlang zou hebben gedoogd brengt geen verandering in de planologische status van de kleine loods, zodat de rechtbank eiser daarin ook niet kan volgen. Uit het voorgaande volgt dat ten aanzien van de kleine loods het nieuwe planologische regime geen nadeel voor eiser met zich brengt. De beroepsgronden slagen niet.


Parkeren


6.1

Eiser voert aan dat de artikelen 21.1 en 21.4 van de planregels van het bestemmingsplan 2012, niet bij de vergelijking mogen worden betrokken omdat door de rechtbank en door de ABRvS is geoordeeld dat het bestemmingsplan 2012 het parkeren van gemotoriseerde voertuigen op het perceel van eiser niet toestaat. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 6 november 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BY2213, en van de ABRvS van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:861. Eiser voert verder aan dat hij onder het wijzigingsplan op het gehele perceel van circa 2000 m2 gemotoriseerde voertuigen mocht parkeren, en dat dit onder het bestemmingsplan 2012 slechts vergunningvrij mogelijk is tot 50 m2. Dit betekent een forse afname van de parkeermogelijkheid. Bovendien is 50 m2 voor eisers (aannemers)bedrijf te gering om meerdere (vracht)wagens te parkeren. Tot slot heeft eiser betoogd dat de voor de grote loods verleende vrijstelling tevens een vrijstelling voor het parkeren ten behoeve van zijn (aannemers)bedrijf impliceert.


6.2

De rechtbank overweegt dat onder het oude planologische regime (het wijzigingsplan) parkeren op het perceel was toegestaan, voor zover dat was gerelateerd aan de woonbestemming. Dit betekent dat eiser onder het wijzigingsplan niet mocht parkeren ten behoeve van zijn (aannemers)bedrijf. De stelling van eiser dat de voor de grote loods verleende vrijstelling voor opslag ook een vrijstelling voor parkeren op het terrein impliceert, kan de rechtbank niet volgen. Uit de verleende vrijstelling blijkt immers niet dat die betrekking heeft op parkeren: in het vrijstellingsbesluit gaat het specifiek om opslag in de loods. Verweerder heeft hierover ter zitting toegelicht dat eiser ten hoogste is toegestaan om de bouwmaterialen die hij in de grote loods wil opslaan op het perceel te laden en te lossen. De rechtbank kan die toelichting volgen. De Rechtbank ziet overigens ook niet, dat het gebruik van de grote loods - met mogelijkheid tot laden en lossen - zonder de mogelijkheid te kunnen parkeren, onmogelijk zou zijn zodat parkeren om die reden besloten zou moeten worden geacht in de vrijstelling.


6.3

Onder het nieuwe planologische regime is parkeren op het perceel vergunningvrij toegestaan tot 50 m2 behorende bij de hoofdgebouwen die op de aangrenzende gronden zijn gelegen. Onder het nieuwe planologische regime is parkeren dus ook alleen toegestaan in relatie tot woondoeleinden. In zoverre volgt de rechtbank eiser dat parkeren onder het bestemmingsplan 2012 niet is toegestaan, maar om een andere reden dan op basis van de verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraken. Het voorgaande betekent dat het voor eiser zowel onder het oude als onder het nieuwe planologische regime niet is toegestaan om te parkeren op zijn perceel ten behoeve van zijn (aannemers)bedrijf. Uit het voorgaande volgt dat er ook ten aanzien van het parkeren geen wijziging is opgetreden door het nieuwe planologische regime. Dit betekent dat er ten aanzien van het parkeren geen sprake kan zijn van nadeel voor eiser. De beroepsgronden slagen niet.


7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen planologisch nadeel heeft ondervonden van het bestemmingsplan 2012. Dit betekent dat er geen sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende planschade, zodat verweerder het planschadeverzoek van eiser terecht heeft afgewezen.


8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. K. de Meulder en mr. G.C.W. van der Feltz, leden, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.






griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.