Rechtbank Midden-Nederland, 29-06-2017 / 16/659730-15 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:3234

Inhoudsindicatie
De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 30-jarige man uit Polen tot een gevangenisstraf van tien jaar voor poging tot moord op meerdere personen. De man schoot met een pistoolmitrailleur op een café in Hilversum op 5 september 2015. Poging moord De verdachte was eerder die avond uit het café gezet en is tot tweemaal toe terug gekomen, eerst met een mes en daarna met een pistoolmitrailleur. Toen de verdachte met een geladen automatisch vuurwapen naar het café terugkeerde, had hij volgens de rechtbank het vooropgezette plan om personen in het café van het leven te beroven. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van diverse (vuur)wapens, munitie, cocaïne en hennep. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan hij met een automatisch vuurwapen gericht op het café schoot waar niets vermoedende bezoekers aanwezig waren. Het risico dat de slachtoffers het handelen van verdachte met de dood hadden moeten bekopen was goed mogelijk geweest. Medeverdachten schietpartij Een 40-jarige medeverdachte heeft weliswaar erkend dat hij de auto bestuurde die betrokken was bij de schietpartij, maar dit is niet voldoende om te spreken van een dusdanige samenwerking met de schutter dat er sprake is van medeplegen of medeplichtigheid. Uit het dossier blijkt niet dat hij wist van het vuurwapen of dat er daadwerkelijk geschoten zou gaan worden. Deze verdachte wordt daarom vrijgesproken. Een 22-jarige medeverdachte wordt veroordeelt tot negen maanden gevangenisstraf voor het bezit van een verboden vuurwapen. Kort na het schietincident werd het pistoolmitrailleur bij hem aangetroffen. Uit het dossier is niet af te leiden dat deze verdachte als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest bij de schietpartij. Medeverdachten drugsbezit Twee mannen van 24 en 26 jaar worden veroordeeld tot gevangenisstraffen van 24 maanden voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezig hield met de productie van en (grensoverschrijdende) handel in drugs en het bezit van 12,5 kilo hennep, ruim een kilo cocaïne en het telen van 152 hennepplanten. Een 40-jarige medeverdachte krijgt een celstraf van 360 dagen voor het bezit van cocaïne en hennep.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-29
Publicatiedatum
2017-06-29
Zaaknummer
16/659730-15 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/659730-15 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 29 juni 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Polen)

zonder een bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[woonplaats] (Polen), [adres]



1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 januari 2016, 9 februari 2016, 3 mei 2016, 10 mei 2016, 26 juli 2016, 6 oktober 2016, 24 januari 2017 en 13 juni 2017. Op 15 juni 2017 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N.M. van Collenburg en van hetgeen mr. H.A. de Kroon, advocaat te Hilversum, namens verdachte naar voren heeft gebracht.


2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


1.op of omstreeks 13 oktober 2015 in Hilversum in vereniging opzettelijk aanwezig heeft gehad 1.145 gram cocaïne;


2.op of omstreeks 13 oktober 2015 in Hilversum in vereniging opzettelijk aanwezig heeft gehad 12,52 kilo hennep;


3. op of omstreeks 13 oktober 2015 in Hilversum een geldbedrag van € 10.540,- heeft witgewassen.


3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Daartoe heeft zij voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde verwezen naar de aangetroffen drugs, het onderzoek door het NFI, de bekennende verklaring van verdachte en de diverse tapgesprekken gevoerd tussen [A] en [B] . Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde witwassen heeft de officier van justitie onder meer opgemerkt dat de door verdachte gegeven verklaring dat het geld uit legale bron afkomstig is onvoldoende is onderbouwd.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde


Bewijsmiddelen


Verdachte is op 13 oktober 2015 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aangehouden. Tijdens de doorzoeking van deze woning, die om 07:10 uur gestart is, zijn in slaapkamer 2 een plastic tas met daarin vier zakken wit poeder, een emmer met vier gesealde pakketten wit poeder, een doos met zes gesealde zakken hennep en een doos met twee vuilniszakken hennep aangetroffen en in beslag genomen. In de meterkast is een plastic zak met henneptoppen aangetroffen en ook in beslag genomen.


De inbeslaggenomen plantendelen zijn door verbalisant [verbalisant] op 14 oktober 2015 herkend als plantenmateriaal van het soort Cannabis. Uit de aangeboden hoeveelheid, met het totale gewicht van 12,52 kilo, is een representatief monster genomen. De daaropvolgende test geeft een duidelijke positieve kleurreactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hashish.


Een aantal monsters van het aangetroffen witte poeder (nummers AAIG7698, AAIG7632, AAIG7612 en AAIG7610) wordt - na onderzoek door de Forensische Opsporing, waaruit blijkt dat een hoeveelheid van 1.145 gram een reactie geeft op de indicatieve testen voor onder andere cocaïne - ingestuurd naar het NFI. Uit het rapport van het NFI van 6 november 2015 blijkt dat de desbetreffende ingestuurde monsters, cocaïne bevatten.

Verdachte heeft op 9 februari 2016 ter terechtzitting verklaard dat de aangetroffen drugs van hem zijn.


In de periode van 6 oktober 2015 tot en met 2 november 2015 zijn er diverse telefoongesprekken opgenomen en afgeluisterd van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Uit de afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat de gebruiker van dit nummer [A] is. Hij heeft veelvuldig contact met [B] , die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer] .


Op 13 oktober 2015 om 8:51:49 belt [B] naar [A] .

[B] : Sta op. De honden (De Politie) zijn ons huis binnengevallen.

[A] : Ga weg!

[B] : Maak je gereed. Verdomme. Ik ga me niet meer in die stad laten zien, verdomme.

[A] : Maar hoe weet je dat?

[B] : [D] heeft me geschreven.

[A] : Was [verdachte] in het huis?

[B] : Ja, [verdachte] , wie anders.


Op 13 oktober 2015 om 9:43:24 uur belt […] met [A] .

[…] : Als je er naartoe gaat, moet je mij bellen dan gaan we met elkaar praten, want voor het geval dat iemand open doet en dat ze je gaan oppakken, dat kan ik het horen. En als je binnen komt, dan moet je alles in de gat verstoppen.


Op 13 oktober 2015 om 10:03:27 belt [B] naar [A] . In dit getapte gesprek wordt er een gesprek over ‘ [verdachte] ’ gevoerd:

[B] : Hij weet het niet, dat het boven ligt.

[A] : Hoezo, ik heb het hem laatst verteld. Ik heb hem eergisteren gezegd, dat hij het moest verstoppen, want het lag daarboven.

[B] : En dat van gisteren?

[A] : Ik weet het niet of hij dat van gisteren heeft verstopt.


Op 13 oktober 2015 om 10:19:47 wordt [A] gebeld door […] .

[A] : De politieauto en de vrachtwagen staan er nog steeds. De politieman is niet te zien.

[…] : Het is kut, [A] . Als de deur open staat, dan is het gedaan, [A] . Er ligt daar hasj, wiet, alles.


Op 13 oktober 2015 om 13:47:48 belt [A] [C] ( [nummer] ).

[A] vertelt dat [verdachte] aangehouden is. [C] vraagt of [verdachte] hier of daar zit. Hier, zegt [A] . Dan gaat het maar even duren, zegt [C] . Nee, met wat daar lag, wordt het 2 jaar, zegt [A] .

[A] : Er was iets aan het groeien en er was iets afgesneden, je weet wel….en er lag ook iets anders, een nog andere soort … goed [C] , we bellen nog.


[A] heeft tijdens zijn verhoor door de politie op 9 november 2015 op de vraag of hij gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] geantwoord dat het best mogelijk is dat hij met dit nummer gebeld heeft. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 7 april 2017 heeft [A] verklaard dat hij het niet zeker weet, maar denkt dat hij dat nummer ook gebruikt heeft. Het telefoonnummer [telefoonnummer] herkent [A] als het telefoonnummer van [B] , omdat hij de eindcijfers van het telefoonnummer herkent. Over het gesprek van 13 oktober 2015, 08:51 uur heeft hij verklaard dat hij denkt dat het over [adres] gaat.


Op de vraag hoe het zit dat hij met [A] ( [A] ) op 13 oktober 2015 telefonisch gesproken heeft over de inval in de woning aan de [adres] , heeft [B] op 9 november 2015 bij de politie verklaard: “ Wat is daar vreemd aan. Ik heb dat gehoord van [A] ”.


Bewijsoverweging


De rechtbank is van oordeel dat gelet op voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen op 13 oktober 2015 opzettelijk 1.145 gram cocaïne en 12,52 kilo hennep in Hilversum voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen cocaïne en hennep alleen aan hem toebehoorden, maar uit de tapgesprekken gevoerd tussen onder meer [B] en [A] blijkt dat ook zij wetenschap en beschikkingsmacht hadden over de aangetroffen cocaïne en hennep. De wijze waarop [B] en [A] spreken over de cocaïne en hennep in de woning aan de [adres] geeft immers aan dat zij kennelijk wisten waar de drugs in de woning lagen en waar en door wie dit verstopt zou moeten worden in verband met de komst van de politie. [B] spreekt over de woning aan de [adres] als ‘ons huis’ en [A] krijgt een opdracht om ‘alles in de gat’ te verstoppen. Dit impliceert tevens dat niet alleen verdachte, maar ook [B] en [A] de beschikkingsmacht hadden over de aangetroffen verdovende middelen. Dit levert een nauwe en bewuste samenwerking op tussen verdachte en [B] en [A] .


De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.


Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde


Bewijsmiddelen


Tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres] in [woonplaats] op

13 oktober 2015 is in de slaapkamer waar verdachte is aangehouden, onder het matras een bedrag van € 10.540, - aangetroffen en in beslag genomen.


Verdachte heeft op 14 oktober 2015 bij de politie verklaard dat het aangetroffen geld van hem is .


Er is financieel onderzoek gedaan naar verdachte. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat verdachte in Nederland in 2010 bruto € 13.182 euro heeft verdiend, in 2011

€ 14.316, -, in 2012 € 9977, -, in 2013 € 1705, - en in 2014 € 1068, -. In Duitsland heeft verdachte in 2014 € 1095, - en in 2015 € 1380,25 verdiend.


Bewijsoverweging


De rechtbank overweegt dat het geldbedrag van € 10.540, - is aangetroffen bij een doorzoeking waarbij verdachte is aangehouden, terwijl er ook grote handelshoeveelheden van verschillende drugs zijn aangetroffen. Gelet op deze omstandigheden is er een vermoeden dat verdachte dit geldbedrag voorhanden had, terwijl hij wist dat dit afkomstig was uit enig misdrijf. Verdachte heeft over dit geldbedrag verklaard dat dit van hem was en dat hij dat gespaard heeft over een periode van 3 jaar, maar uit financieel onderzoek is gebleken dat de legale inkomsten van verdachte dusdanig laag zijn dat dit onmogelijk is.

De verklaring van verdachte dat het geld afkomstig is van zwart werken is onvoldoende concreet en niet verifieerbaar, zodat dit hoogst onwaarschijnlijk is en geconcludeerd moet worden dat het geldbedrag afkomstig is van enig misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen is.


5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1.

hij op 13 oktober 2015 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) 1.145 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.


2.

hij op 13 oktober 2015 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) 12,52 kilo hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.


3.

hij op 13 oktober 2015, te Hilversum, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 10.540 euro, heeft voorhanden gehad, terwijl hij wist dat het voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.


Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.


6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


1.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.


2.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.


3.

Witwassen.


7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.


8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 360 dagen, met aftrek van het voorarrest.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafoplegging opgemerkt dat zij zich kan vinden in de eis van de officier van justitie.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in vereniging aanwezig hebben van ruim een kilo cocaïne en 12,5 kilo hennep. Dit zijn dusdanig grote hoeveelheden, dat het niet anders kan zijn dan dat dit een handelsvoorraad betreft. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Cocaïne en hennep zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen. De verspreiding van en handel in cocaïne en hennep gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen. Tevens heeft verdachte een bedrag van € 10.540, - witgewassen. Hij heeft daarmee de integriteit van het financiële verkeer aangetast. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.


De rechtbank sluit wat betreft de strafoplegging aan bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS.


Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 30 maart 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.


Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, zoals geëist is door de officier van justitie, passend en geboden is. De rechtbank zal bevelen dat het reeds door verdachte ondergane voorarrest hiervan wordt afgetrokken.


9BESLAG


Verbeurdverklaring

De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten het geldbedrag van € 10.540, -, zoals is gevorderd door de officier van justitie en waar tegen de raadsvrouw geen verweer heeft gevoerd, verbeurd verklaren. Met betrekking tot dit geldbedrag is immers het onder 3 bewezen verklaarde feit begaan.


10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen

  • - 10, 27, 33, 33a, 47, 57, 91 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en
  • - 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.


11BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt

verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 360 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de

gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Beslag

- verklaart het geldbedrag van € 10.540, - verbeurd.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mrs. R.C.J Hamming en V.M.A. Sinnige, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2017.







Bijlage: de dagvaarding


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

hij op of omstreeks 13 oktober 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- (in totaal) ongeveer 935 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of

- (in totaal) ongeveer 710 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine

zijnde cocaïne en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 13 oktober 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8 kilo, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


3.

hij op of omstreeks 13 oktober 2015, te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 10.540 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

























Bijlage: de op 6 oktober 2016 gewijzigde tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

hij op of omstreeks 13 oktober 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 1.145 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


2.

hij op of omstreeks 13 oktober 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12,52 kilo, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


3.

hij op of omstreeks 13 oktober 2015, te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 10.540 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat het voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;



1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2015269829, opgemaakt door politie Midden-Nederland, district Gooi en Vechtstreek, doorgenummerd 01 tot en met 672. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Een proces-verbaal van doorzoeking, pagina’s 36, 38 en 39.
3 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 131.
4 Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 466-473 en 523.
5 Het rapport identificatie van drugs en precursoren, pagina’s 464 en 465.
6 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 9 februari 2016.
7 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 174.
8 Een tapgesprek 6727, pagina 196.
9 Een tapgesprek 6736, pagina 198.
10 Een tapgesprek 6742, pagina 200.
11 Een tapgesprek 6747, pagina 201.
12 Een tapgesprek 7036, pagina 206
13 Een proces-verbaal van verhoor van [A] , pagina 254.
14 Een proces-verbaal van verhoor van [A] , pagina 256.
15 Een proces-verbaal van verhoor van [B] , pagina 249.
16 een proces-verbaal van doorzoeking, pagina 38.
17 een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina’s 27 en 28.
18 een proces-verbaal financieel onderzoek [verdachte] , pagina’s 571 en 572.