Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2017 / 16/659089-17 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:3453

Inhoudsindicatie
Veroordeling voor afpersing door 3 personen waarbij een taser is gebruikt en het slachtoffer in zijn gezicht is geschopt en voor opzetheling. Verdachte heeft bekend. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-16
Publicatiedatum
2017-07-17
Zaaknummer
16/659089-17 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/659089-17 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 16 mei 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [2001] te [geboorteplaats]

wonende te [postcode] , [woonplaats] , [adres] .

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 mei 2017. Het onderzoek heeft plaatsgevonden achter gesloten deuren.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.J.S. Visser en van hetgeen verdachte en mr. L.D.H. Lesmeister, advocaat te Almere, alsmede de ouders van de benadeelde partij [slachtoffer] , gevolmachtigd om namens het slachtoffer ter zitting op te treden, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


1. op 22 januari 2017 te Almere op de openbare weg samen met anderen met geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van zijn portemonnee (met inhoud), een horloge en een mobiele telefoon;


2. op 22 januari 2017 te Almere een mobiele telefoon bij zich heeft gehad, terwijl hij wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.


4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen


Feit 1

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 2 mei 2017;

- de aangifte van [slachtoffer] van 22 januari 2017;


Feit 2

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 mei 2017;

- de aangifte van [A] namens [B] van 26 augustus 2016.


Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en

overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1.

hij op 22 januari 2017 te Almere op de openbare weg het [straatnaam] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (met inhoud) en een horloge (merk Casio) en een mobiele telefoon (iPhone 5SE), toebehorende aan [slachtoffer] , welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededaders

- voor die [slachtoffer] die op de fiets was op het fietspad is/zijn gaan staan en vervolgens de fiets van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en

- die [slachtoffer] tegen de hals heeft/hebben getaserd ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen en

- vervolgens terwijl die [slachtoffer] op de grond lag die [slachtoffer] met kracht heeft/hebben getrapt in het gezicht en

- dreigend tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd "geef mij je pokkie" en "wat heb je nog meer bij je"

- tegen zijn/hun mededaders heeft/hebben gezegd dat hij, die [slachtoffer] een horloge een Casio had en vervolgens "pak het maar";


2.

hij op 22 januari 2017 te Almere een goed, te weten een mobiele telefoon (iPhone 6) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


Feit 1: Afpersing door twee of meer verenigde personen.


Feit 2: Opzetheling.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.


Over verdachte is het volgende rapport opgemaakt:

- een psychologisch rapport Pro Justitia van 26 maart 2017, uitgebracht door drs. A. Dil, GZ-psycholoog.


Het rapport houdt onder meer het volgende in. Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een normoverschrijdende gedragsstoornis, een gebrekkige gewetensontwikkeling, een sociaal-emotionele achterstand en beperkte prosociale emoties. De deskundige heeft geadviseerd verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar te verklaren.


De rechtbank is gelet op deze conclusie van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.



8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een maatregel Toezicht en Begeleiding door [naam instelling 1] of een soortgelijke instelling, het meewerken aan behandeling bij [naam instelling 2] , het meewerken aan MST en het zich houden aan een avondklok voor de periode van 3 maanden;

- een taakstraf van 150 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 75 dagen jeugddetentie.


Hij heeft daarbij rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.


De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de voorlopige hechtenis op te heffen met ingang van het onherroepelijk worden van het vonnis.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte en met de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat een onvoorwaardelijke werkstraf, aangevuld met een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden een passende straf is.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan grove afpersing. Hij heeft met twee andere personen het slachtoffer midden in de nacht tegengehouden. Zij hebben vervolgens het slachtoffer getaserd en in het gezicht geschopt, waarna het slachtoffer enkele van zijn eigendommen heeft afgegeven aan verdachte en zijn mededaders. Dit is een zeer traumatische ervaring geweest voor het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring. Het slachtoffer bevindt zich momenteel in het buitenland en daar gaat het naar omstandigheden goed met hem, maar hij maakt zich zorgen over het moment dat hij weer naar Nederland terugkeert. Het gebeurde heeft nog altijd invloed op hem, maar ook op zijn ouders, zoals uit de slachtofferverklaring is gebleken. De gedragingen van verdachte dragen daarnaast bij aan een gevoel van onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft zich van dit alles geen rekenschap gegeven en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.


Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling door een telefoon aan te nemen terwijl hij wist dat de telefoon van diefstal afkomstig was.


De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor jeugdigen gaan voor een afpersing uit van een taakstraf voor de duur van 60 uur, dan wel een (dienovereenkomstige) jeugddetentie, waarbij voor iedere strafverzwarende omstandigheid in beginsel een taakstraf van 60 uur wordt opgeteld. In dit geval heeft de rechtbank als strafverzwarende omstandigheden het volgende meegewogen:

  • - het gebruiken van fysiek geweld;
  • - het gebruiken van een wapen;
  • - het ontstaan van letsel;
  • - de plaats van het delict, te weten op straat midden in de nacht;
  • - door meerdere personen.

Voor een opzetheling met een schadebedrag hoger dan € 150,- gaan de oriëntatiepunten van het LOVS voor jeugdigen uit van een taakstraf voor de duur van 30 uur.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 21 februari 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld;

- een advies van [naam instelling 1] van 28 april 2017, uitgebracht door [C] , medewerker [naam instelling 1] ;

- een advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 26 april 2017, uitgebracht door [D] , raadsonderzoeker;

- een psychologisch rapport Pro Justitia van 26 maart 2017, uitgebracht door drs. A. Dil, GZ-psycholoog.


De Raad voor de Kinderbescherming (hierna RvdK) heeft gerapporteerd dat verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft meegewerkt aan het ITB Harde Kern traject. Hij heeft laten zien dat hij zich aan afspraken kan houden en gedragsverandering mogelijk is. Zijn vrijetijdsbesteding is weinig gestructureerd. De RvdK heeft zorgen over de morele ontwikkeling van verdachte, omdat hij in zijn houding onverschillig overkomt. Hij lijkt zich onvoldoende bewust van de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer. De RvdK heeft geadviseerd om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich laat behandelen door [naam instelling 2] of een vergelijkbare instelling en zich houdt aan een avondklok voor de duur van drie maanden, waarbij aan [naam instelling 1] te Almere opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte daartoe te begeleiden. Daarnaast wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.


[naam instelling 1] (hierna [naam instelling 1] ) heeft gerapporteerd dat verdachte een normoverschrijdende gedragsstoornis en een gebrek aan empathie heeft en dat hij weinig tot geen berouw of schuldgevoel kent. Het recidiverisico is aanwezig en behandeling is nodig om dit risico te verkleinen. [naam instelling 1] heeft geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden een maatregel Toezicht en Begeleiding, meewerken aan individuele behandeling bij [naam instelling 2] of soortgelijke instelling en het houden aan een avondklok, exact te bepalen en aan te passen door de Jeugdreclassering. Daarnaast is geadviseerd om een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.


De psycholoog heeft geconcludeerd dat de kans op recidive zonder gerichte behandeling of training gemiddeld tot hoog is. De invulling van zijn vrije tijd is problematisch. De psycholoog heeft geadviseerd om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een behandeling bij [naam instelling 2] of soortgelijke instelling met de volgende aandachtspunten: behandeling gedragsproblematiek, emotieregulatieproblematiek, gebrekkige gewetensontwikkeling, communicatie/relatie verbeteren tussen verdachte en zijn moeder en de mogelijkheden onderzoeken voor herstel van de relatie met zijn vader.


De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal dit meewegen in de aan verdachte op te leggen straf.


Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 150 uren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Aan verdachte worden als bijzondere voorwaarden opgelegd de maatregel Toezicht en Begeleiding, het meewerken aan individuele behandeling bij [naam instelling 2] of soortgelijke instelling en het zich houden aan een avondklok, exact te bepalen en aan te passen door de Jeugdreclassering. De rechtbank ziet geen aanleiding om tevens Multi Systeem Therapie, zoals door de officier van justitie is geëist, op te leggen nu dit niet is geadviseerd en ook voor het overige van de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken.


De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat niet is gebleken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een strafbaar feit zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.


Ten slotte zal de rechtbank het verzoek van de officier van justitie, om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen met ingang van het tijdstip dat het vonnis onherroepelijk wordt, toewijzen.

9BENADEELDE PARTIJ


[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en heeft een bedrag van € 1.038,14 gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 38,14 materiële schade en € 1.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit.


9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, hoofdelijk met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de immateriële schade moet worden gematigd tot € 750,- omdat de aangehaalde jurisprudentie niet één op één van toepassing is op deze zaak en omdat psychologische hulp mogelijk niet nodig is. De verdediging heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de materiële schade.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 38,14 aan materiële kosten en € 1.000,- aan immateriële kosten en zal de vordering tot het totale bedrag van € 1.038,14 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 januari 2017 tot de dag van volledige betaling.


De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.038,14, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 22 januari 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 10 dagen jeugddetentie, waarbij toepassing van de jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 27, 24c, 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;



Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren;


- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen jeugddetentie;


- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;


- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 3 maanden;


- bepaalt dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;


- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding, zal melden bij [naam instelling 1] , [adres] te [vestigingsplaats] , en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;

* zich onder (individuele) behandeling zal stellen van [naam instelling 2] of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

* zich zal houden aan een avondklok voor de duur van 3 maanden, exact te bepalen en aan te passen door de jeugdreclassering.


- waarbij [naam instelling 1] opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;


- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop het vonnis onherroepelijk is geworden;


Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.038,14, bestaande uit € 38,14 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade;


- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;


- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;


- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 1.038,14 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2017 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen jeugddetentie;


- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde heeft vergoed.



Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. van de Streek, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. P.K. Oosterling-van der Maarel en G. van de Beek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 mei 2017.


Mr. Van de Beek en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

hij op of omstreeks 22 januari 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, op de openbare weg het [straatnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (met inhoud) en/of een horloge (merk Casio) en/of een mobiele

telefoon (iPhone 5SE), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- voor die [slachtoffer] (die op de fiets was) op het fietspad is/zijn gaan staan en/of (vervolgens) de fiets van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgepakt en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) heeft/hebben geduwd en/of (vervolgens) op/tegen de hals, althans op/tegen het lichaam heeft/hebben getaserd ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen en/of

- (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] (met kracht) heeft/hebben geschopt/getrapt in/op/tegen het gezicht en/of

- (dreigend) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd "geef mij je pokkie" en/of "wat heb je nog meer bij je" en/of dat hij, die [slachtoffer] , zijn spullen moest afgeven en dat hij, als hij dat niet zou doen, geslagen of geschopt zou worden en/of

- tegen zijn/hun mededader(s) heeft/hebben gezegd dat hij, die [slachtoffer] een een horloge een Casio had en/of (vervolgens) "pak het maar";


2.

hij op of omstreeks 22 januari 2017 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een goed, te weten een mobiele telefoon (iPhone 6) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2017022559 en 2016263620 (Rogers), opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 2030. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Een proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 2 mei 2017.
3 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina’s 1001 en 1002.
4 Een proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 2 mei 2017.
5 Een proces-verbaal van aangifte van [A] namens [B] , pagina’s 2003, 2004 en 2005.