Rechtbank Midden-Nederland, 10-07-2017 / UTR 17/882


ECLI:NL:RBMNE:2017:3474

Inhoudsindicatie
Op 26 juni 2017 zijn de verzoeken om voorlopige voorziening en de beroepszaken van bewoners en de eigenaar van de camping ter zitting behandeld. Bewoners zijn door het college van burgemeester en wethouders aangeschreven de permanente bewoning op de camping te beëindigen en de eigenaar is gesommeerd de puinhoop op het terrein op te ruimen. In haar uitspraak van vandaag (10 juli 2017) beslist de voorzieningenrechter dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd is om handhavend op te treden tegen de permanente bewoning en de eigenaar heeft mogen aanschrijven het terrein op te ruimen. De voorzieningenrechter heeft, vanwege de bijzondere omstandigheden waarin de diverse bewoners verkeren, wel beslist dat het college de bewoners een ruimere termijn had moeten gunnen om andere woonruimte te zoeken. Bewoners krijgen van de voorzieningenrechter tot en met 6 oktober 2017 de gelegenheid om met hulp van onder andere Humanitas die woonruimte te vinden. De beroepen worden, indien nodig, opnieuw behandeld op een zitting op 6 oktober 2017.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-10
Publicatiedatum
2017-07-10
Zaaknummer
UTR 17/882
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 17/882


Beslissing van de meervoudige kamer van 10 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.P. Seger),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder

(gemachtigden: mr. K. van Aken en A. van Dort).


Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen: [derde-partij 1] , [derde-partij 2] ,

[derde-partij 3] , [derde-partij 4], [derde-partij 5], [derde-partij 6], [derde-partij 7],

[derde-partij 8] , [derde-partij 9], [derde-partij 10], [derde-partij 11] en [derde-partij 12],

(gemachtigden: mr. A.F.M. Oudijk en mr. J.D.W. Roozemond).



Procesverloop


Bij besluit van 8 juni 2016, verzonden op 10 juni 2016 aan eisers gemachtigde (het primaire besluit), heeft verweerder eiser aangeschreven om op het perceel [adres] te [woonplaats] :

  • - de opgeslagen materialen en niet-bewoonde stacaravans, woonunits, kampeermiddelen, containers en overige bouwwerken vóór 15 juli 2016 te verwijderen en verwijderd te houden;
  • - de bewoning van de stacaravans, woonunits en andere kampeermiddelen vóór

15 december 2016 te (laten) stoppen en gestopt te (laten) houden;

  • - de niet langer bewoonde stacaravan, woonunit of andere kampeermiddelen binnen twee weken na de constatering dat de bewoning ervan is gestopt, maar uiterlijk 15 december 2015 (bedoeld zal zijn 2016) te verwijderen en verwijderd houden;
  • - de voor huisvesting van seizoenarbeiders bedoelde verrijdbare caravans vóór 15 juli 2016 te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 20 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De begunstigingstermijn voor de bewoning van de caravans, woonunits of andere kampeermiddelen heeft verweerder gewijzigd in 5 juni 2017 en de begunstigingstermijn voor de verwijdering van niet meer bewoonde stacaravans, woonunits of andere kampeermiddelen heeft verweerder gewijzigd in twee weken na 15 juni 2017.


Bij besluit van 22 maart 2017 heeft verweerder voor een aantal onderdelen de begunstigingstermijnen opnieuw verlengd.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het door hem ingediende verzoek om een voorlopige voorzienig te treffen (procedurenummer UTR 17/1068), heeft eiser ingetrokken nadat verweerder opnieuw begunstigingstermijnen heeft verlengd.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2017. Op deze zitting zijn ook de verzoeken om voorlopige voorziening en beroepszaken van derde-partijen behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen [derde-partij 2] , [derde-partij 3] , [derde-partij 5] , [derde-partij 8] , [derde-partij 9] , [derde-partij 10] , [derde-partij 11] en [derde-partij 12] , zijn persoonlijk verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De overige derde-partijen hebben zich op zitting laten vertegenwoordigen door deze gemachtigden.


Ter zitting heeft eiser zijn beroep met procedurenummer UTR 17/1867, gericht tegen verweerders besluit op bezwaar over het verlengen van de begunstigingstermijnen ten aanzien van het verwijderen van uiteenlopende andere zaken van het terrein, ingetrokken.



Overwegingen


1. Eiser is eigenaar en exploitant van het perceel aan de [adres] , waar voorheen een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) was gevestigd met als nevenactiviteit een minicamping. Op 3 augustus 2005 is door de milieudienst Zuidoost Utrecht een controle uitgevoerd op het perceel, waarbij is geconstateerd dat er bedrijfsmatig geen vee meer werd gehouden en dat de aanwezige camping is uitgebreid naar 40 standplaatsen. In januari 2007 is bij een controle geconstateerd dat de situatie nagenoeg ongewijzigd was. In 2011 heeft verweerder een aantal brieven verzonden aan eiser en een aantal (toenmalige) bewoners over de op het perceel aangetroffen illegale situatie, waaronder met name het niet toegestane permanente wonen in de kampeermiddelen. Vervolgens zijn controles uitgevoerd op

7 mei 2013, 17 juni 2013 en 26 mei 2014 maar die hebben, ondanks het constateren van diverse overtredingen, zoals permanente bewoning, niet geleid tot het inzetten van een handhavingstraject door verweerder.


1.2

Bij een op 23 oktober 2015 uitgevoerde controle is geconstateerd dat een groot aantal stacaravans, woonunits of andere kampeermiddelen permanent bewoond wordt zonder vergunning, dat een groot aantal illegale bouwwerken op het perceel is aangetroffen, dat zonder toestemming huisvesting wordt geboden aan seizoenarbeiders en dat de gronden in strijd met de bestemming worden gebruikt als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten (een uitgebreide beschrijving van de controle is opgenomen in het rapport van het legalisatieonderzoek van 13 november 2015). Bij brief van 23 februari 2016 heeft verweerder een vooraankondiging van een last onder bestuursdwang aan eiser gestuurd. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.


2. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij een begin heeft gemaakt met het opruimen van zijn terrein zoals door verweerder voorgeschreven en dat hij is gestopt met het huisvesten van seizoenarbeiders. Wat betreft de permanente bewoning is bij eiser uiteraard bekend dat verweerder derde-partijen heeft aangeschreven om de permanente bewoning van de kampeermiddelen vóór 15 juli 2017 omgedaan te maken. Ten aanzien van het (laten) stoppen en gestopt (laten) houden van de bewoning van de stacaravans, woonunits en andere kampeermiddelen heeft eiser betoogd dat hij het niet in zijn macht heeft de illegale bewoning te beëindigen. Met betrekking tot het verwijderen en verwijderd te houden van de niet langer bewoonde stacaravan, woonunit of ander kampeermiddelen na de constatering dat de bewoning ervan is gestopt, heeft eiser betoogd dat hij voor het voldoen aan deze last afhankelijk is van de uitkomst van de procedures die derde-partijen hebben aangespannen.


3. Bij uitspraak van vandaag (10 juli 2017) heeft de voorzieningenrechter in de verzoeken om een voorlopige voorziening van derde-partijen de begunstigingstermijn om een eind te maken aan de permanente bewoning van diverse kampeermiddelen verlengd tot en met

6 oktober 2017 (procedurenummers UTR 17/1776, UTR 17/2404, UTR 17/2405, UTR 17/2409, UTR 17/2410, UTR 17/2412 t/m UTR 17/2416, UTR 17/2418 en UTR 17/2419).


4. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak ziet de rechtbank aanleiding om bij wijze van ordemaatregel in eisers zaak een tweetal voorzieningen te treffen om te voorkomen dat eiser voor een onuitvoerbare last wordt gesteld. Ten aanzien van het (laten) stoppen en gestopt (laten) houden van de bewoning van de stacaravans, woonunits en andere kampeermiddelen verlengt de rechtbank de begunstigingstermijn tot en met 6 oktober 2017. Ten aanzien van het verwijderen en verwijderd houden van de niet langer bewoonde stacaravan, woonunit of ander kampeermiddelen stelt de rechtbank de termijn op vier weken na de constatering dat de bewoning ervan is gestopt. In het geval de bewoning niet is gestaakt op 7 oktober 2017, geldt een termijn van vier weken na 7 oktober 2017.


5. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij geen aanleiding ziet voor een ordemaatregel ten aanzien van de overige lasten. Eiser heeft immers ter zitting verklaard te willen voldoen aan deze lasten en hiermee ook al een begin te hebben gemaakt. Het is aan eiser om hierover het verdere overleg met verweerder te zoeken, indien gewenst.


6. Een inhoudelijke beoordeling van de door eiser tegen het bestreden besluit ingediende beroepsgronden zal nog plaats dienen te vinden. Eisers beroepszaak wordt hiertoe, indien nodig, samen met de nog lopende beroepszaken van derde-partijen op vrijdag 6 oktober 2017 vanaf 9.30 uur op zitting besproken. Betrokken partijen ontvangen hier nog een afzonderlijke uitnodiging voor.


7. Gelet op het feit dat nu alleen bij wijze van ordemaatregel een voorziening wordt getroffen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. In de uitspraak op het beroep zal over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht worden beslist.


Beslissing


De rechtbank:

- treft als ordemaatregel de volgende voorzieningen:

1. de begunstigingstermijn ten aanzien van het (laten) stoppen en gestopt (laten) houden van

de bewoning van de stacaravans, woonunits en andere kampeermiddelen wordt verlengd

tot en met 6 oktober 2017;

2. de begunstigingstermijn ten aanzien van het verwijderen en verwijderd houden van de

niet langer bewoonde stacaravan, woonunit of ander kampeermiddelen wordt bepaald op

vier weken na de constatering dat de bewoning ervan is gestopt. In het geval de bewoning

niet is gestaakt op 7 oktober 2017, geldt een termijn van vier weken na 7 oktober 2017.

- houdt de beroepszaak aan.


Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. R. in ’t Veld, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. H. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2017.







griffier voorzitter




Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.