Rechtbank Midden-Nederland, 19-07-2017 / 5553791


ECLI:NL:RBMNE:2017:3620

Inhoudsindicatie
verhaal kosten overtreding gemeentelijke afvalstoffenregeling art. 5.26 Wabo
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-19
Publicatiedatum
2017-08-02
Zaaknummer
5553791
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Utrecht


zaaknummer: 5553791 UC EXPL 16-17825 IbdV/


Vonnis van 19 juli 2017


inzake


de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Zeist,

gevestigd te Zeist,

verder ook te noemen gemeente,

eisende partij,

gemachtigde: mr. A.W.J.M. Lemmers,


tegen:


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.


1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Op dinsdag 31 mei 2016 omstreeks 10:26 uur heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat [gedaagde] op de [straatnaam] te [vestigingsplaats] ter hoogte van de ondergrondse vuilniscontainers twee vuilniszakken met daarin afval had geplaatst.


2.2.

Bij brief van 31 mei 2016 heeft de gemeente [gedaagde] onder meer bericht dat zij met het hiervoor in 2.1 omschreven plaatsen van vuilniszakken de gemeentelijke afvalstoffenverordening heeft overtreden en dat de kosten ter opheffing van die overtreding ten bedrage van € 100,-- (hierna: de kosten) bij [gedaagde] in rekening worden gebracht.


2.3.

Bij brief van 7 juni 2016 heeft [gedaagde] daarop als volgt gereageerd:


“Wij zijn al sinds januari 2015 op zoek naar een goede manier om ons restafval aan te bieden:

Een restafvalcontainer kunnen wij niet bij onze toegangsdeur neerzetten, aangezien we recht van overpad moeten verlenen aan de bewoners achter ons pand en zij er dan niet meer met de auto door kunnen.

Een restafvalcontainer binnen plaatsen kan ook niet, omdat de container als hij vol is te zwaar is om de trap bij onze voordeur af te rollen.

Van de ondergrondse afvalcontainer voor onze deur mogen wij als bedrijf geen gebruik maken.

Inmiddels hebben wij diverse keren telefonisch contact met de gemeente Zeist waarin wij een oplossing vragen voor dit probleem. De laatste keer heeft een mannelijke medewerker van de Gemeente Zeist ons geadviseerd een particulier recyclingbedrijf in te schakelen. Hij zei dat meer bedrijven (zoals bijvoorbeeld winkels aan de [straatnaam] ) dit probleem hebben en dit regelen via “ [bedrijfsnaam] ”.

Wij hebben nu een overeenkomst met [bedrijfsnaam] afgesloten, waarin zij zelf aangeven (zie bijgevoegde mail) dat wij het afval op de ophaaldag (dinsdag) kunnen aanbieden op de straat.

Ik heb hen gebeld en verteld dat wij deze boete hebben gekregen, en hoe zij dat bij de rest van de bedrijven in Zeist doen. Zij geven aan dat het voor de chauffeur best lastig is om op ieder adres te stoppen en aan te bellen om de vuilniszak te pakken.

Wij hebben te allen tijde te goeder trouw gehandeld en vragen u dan ook deze boete in te trekken. Wellicht heeft de gemeente een goed alternatief.”


2.4.

Bij brief van 15 juni 2016 heeft de gemeente [gedaagde] als volgt geantwoord:


“Op basis van de door u aangedragen argumenten zal de aanschrijving niet worden ingetrokken. De gemeente heeft als beleid dat er geen zakken met restafval langs de weg mogen worden aangeboden. [bedrijfsnaam] heeft in het centrum daarom ook toegezegd dat zij het afval uit de winkel of bedrijf halen. Het is lastiger voor het bedrijf maar het is mogelijk. Wij zijn genoodzaakt de door of namens de gemeente Zeist gemaakte kosten om de, al dan niet met opzet veroorzaakte, overtreding op te heffen op u te verhalen.”


3Het geschil

3.1.

De gemeente vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan de gemeente te voldoen € 100,-- aan hoofdsom, € 0,83 aan rente tot en met 14 november 2016 en € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten (incl. BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 15 november 2016 tot de voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. De gemeente stelt daartoe dat [gedaagde] art. 12 lid 1 van de “Nadere regels aan een ander dan de inzameldienst aangeboden bedrijfsafvalstoffen” (hierna: ASV 23.1) heeft overtreden en dat de gemeente op de voet van art. 5.26 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bevoegd is om de kosten die zij heeft gemaakt ter opheffing van die overtreding op [gedaagde] te verhalen.

3.2.

[gedaagde] brengt daar - kort samengevat - tegenin dat zij niet wist dat zij het afval niet mocht aanbieden aan het particuliere recyclingbedrijf op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. Bij het aanbieden van het afval is [gedaagde] , zo betoogt zij, afgegaan op mededelingen van het recyclingbedrijf dat zij mede op aanraden van de gemeente had ingeschakeld. Volgens [gedaagde] handelt de gemeente in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur en de redelijkheid en billijkheid doordat zij [gedaagde] niet eerst heeft gewaarschuwd en in de gelegenheid heeft gesteld het afval op de juiste manier aan te bieden. Dat geldt volgens [gedaagde] nog meer omdat de gemeente niet (deugdelijk) heeft gereageerd op de bezwaren die [gedaagde] heeft aangevoerd tegen de beslissing van de gemeente om de kosten op [gedaagde] te verhalen. Bij dit alles acht [gedaagde] mede van belang dat er voor 31 mei 2016 veelvuldig contact is geweest tussen [gedaagde] en de gemeente over (het probleem van [gedaagde] met betrekking tot) het opslaan en afvoeren van het afval van [gedaagde] .

4De beoordeling

4.1.

In art. 12 lid 1 ASV 23.1 heeft de gemeente bepaald dat bedrijfsafval dat aan een ander dan de inzameldienst wordt aangeboden, uitsluitend in containers op de dag van inzamelen ter inzameling op de openbare weg mag worden geplaatst. Op de voet van art. 5.26 Wabo kan de gemeente - kort gezegd - de kosten voor het beheer van afvalstoffen als gevolg van een overtreding van een bepaling als art. 12 lid 1 ASV 23.1, verhalen op degene die voor de gevolgen daarvan (buitencontractueel) aansprakelijk is.

4.2.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] in strijd met art. 12 lid 1 ASV 23.1 heeft gehandeld door op 31 mei 2016 twee losse vuilniszakken, dat wil zeggen vuilniszakken die niet in containers zaten, op de openbare weg te plaatsten. De vraag in deze kwestie is of de gemeente de kosten op [gedaagde] kan verhalen.

4.3.

Het verweer van [gedaagde] dat zij niet aansprakelijk is voor de kosten omdat zij niet wist dat zij het afval niet mocht aanbieden op de wijze waarop zij dat op 31 mei 2016 heeft gedaan en derhalve “te goeder trouw” was, gaat niet op. Voor aansprakelijkheid voor de kosten is niet vereist dat sprake is van opzet op de overtreding. Ook als [gedaagde] niet wist dat afval uitsluitend in containers mocht worden aangeboden, is [gedaagde] aansprakelijk voor de kosten die de gemeente heeft moeten maken ter opheffing van de overtreding.

4.4.

Voor zover [gedaagde] aanvoert dat zij voor het plaatsen van de losse vuilniszakken op de openbare weg op 31 mei 2016 is afgegaan op mededelingen van het particuliere recyclingbedrijf, geldt dat die mededelingen niet aan de gemeente kunnen worden toegerekend. [gedaagde] heeft niet gesteld dat de gemeente bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat het plaatsen van afval op de wijze waarop zij dat heeft gedaan, was toegestaan. Eventuele (onjuiste) mededelingen van het recyclingbedrijf kunnen niet afdoen aan de aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens de gemeente.

4.5.

De gemeente handelt met het verhalen van de kosten ook niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur of de redelijkheid en billijkheid. De gemeente is belast met toezicht en controle op de naleving van - onder veel meer - art. 12 lid 1 ASV 23.1. Bij de constatering van een overtreding heeft de gemeente de keuze tussen waarschuwen en handhaven. Een overtreder heeft geen recht op een waarschuwing.

4.6.

Dat [gedaagde] herhaaldelijk contact heeft gehad met de gemeente in verband met haar zorgen over of problemen met het opslaan en afvoeren van afval (de gestelde onmogelijkheid om een afvalcontainer op of in de omgeving van haar kantoor op te slaan), leidt niet tot een ander oordeel. Uit dat contact volgt juist dat [gedaagde] wist of in elk geval behoorde te begrijpen dat het verboden is om afval in losse vuilniszakken op de openbare weg te plaatsen.

4.7.

Zoals [gedaagde] terecht aanvoert, is de gemeente - zelfs in deze procedure - niet of nauwelijks ingegaan op de inhoud van de bezwaren van [gedaagde] tegen de beslissing van de gemeente om de kosten op [gedaagde] te verhalen. Hoewel de wijze waarop de gemeente op de bezwaren van [gedaagde] heeft gereageerd niet de schoonheidsprijs verdient, kan ook dat niet afdoen aan de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de kosten.

4.8.

De vordering tot betaling van de kosten zal dan ook, inclusief de gevorderde rente, worden toegewezen.


4.9.

De gemeente heeft verder nog gesteld buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt en heeft daarvan vergoeding gevorderd. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing, nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gemeente heeft voldoende gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De hoogte van het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit en worden geacht redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar.


4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 102,62

- griffierecht € 117,00

- salaris gemachtigde € 60,00 (2 punten x tarief € 30,00)

Totaal € 279,62


5De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan de gemeente tegen bewijs van kwijting te betalen € 149,23 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 100,-- vanaf 15 november 2016 tot de voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de gemeente, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 279,62, waarin begrepen € 60,-- aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C. Bij de Vaate, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.