Rechtbank Midden-Nederland, 03-03-2017 / 16/659709-16


ECLI:NL:RBMNE:2017:3686

Inhoudsindicatie
Veroordeling ivm mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer verworpen.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-03-03
Publicatiedatum
2017-07-21
Zaaknummer
16/659709-16
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/659709-16 (P)



Vonnis van de meervoudige strafkamer van 3 maart 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .



1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2016 en op 17 februari 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere. Als benadeelde partij is [slachtoffer] verschenen, bijgestaan door mr. E.A.L. Ponjee, advocaat te Veenendaal .


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.



2Tenlastelegging


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 23 april 2016 te [woonplaats] aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

subsidiair: op 23 april 2016 te [woonplaats] [slachtoffer] heeft mishandeld, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.



3Voorvragen


De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.








4Waardering van het bewijs


4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Naar de mening van de officier van justitie blijkt uit het dossier onvoldoende dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer] .

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde feit, namelijk de mishandeling van [slachtoffer] , ten gevolge waarvan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak gevraagd voor het primair ten laste gelegde feit omdat niet kan worden bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .

Ter zake van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


vrijspraak primair ten laste gelegde feit

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, te weten de zware mishandeling. De rechtbank acht het goed mogelijk dat verdachte zich niet realiseerde dat hij een glas in zijn hand had toen hij met zijn linkerarm een zwaai naar aangever maakte, nu uit het dossier blijkt dat deze handeling in een fractie van een seconde heeft plaatsgevonden.


bewijsmiddelen

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.


[slachtoffer] heeft op 23 april 2016 aangifte gedaan van mishandeling, waarbij een man met een glas in zijn gezicht heeft geslagen. In een aanvullend verhoor heeft aangever verklaard dat hij op 23 april 2016 in de kantine van [naam] te [woonplaats] naar een man is gelopen, dat hij de man op zijn bovenarm tikte en de man vroeg wat er aan de hand was. Op dat moment kreeg aangever een klap op zijn oog. Aangever zag meteen niets meer met zijn rechteroog en voelde dat het bloedde.


Verdachte heeft verklaard dat hij op 23 april 2016 in de kantine van [naam] te [woonplaats] stond en daar zijn glas oppakte om het leeg te drinken. Even later zag hij een man komen. Verdachte reageerde door met zijn linkerarm te zwaaien. Verdachte zwaaide naar voren en raakte de man aan de rechterkant van zijn gezicht. Verdachte had het glas nog in zijn hand, de bovenkant van het glas was kapot.


Aangever heeft op 23 april 2016 een oogoperatie ondergaan, te weten het sluiten van de oogbol en het hechten van het bovenooglid na traumatisch letsel.

Uit het schrijven van [oogarts] , oogarts bij het UMC Utrecht, van 9 februari 2017 blijkt dat de verwachting is dat de gezichtsscherpte van het rechteroog laag zal blijven.



5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte


op 23 april 2016 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] in/tegen het oog/gezicht heeft geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (gedeeltelijk verdwenen zicht in het rechteroog) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.



6De strafbaarheid van het feit en van verdachte


De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet strafbaar is omdat hij heeft gehandeld uit noodweer(exces).

De officier van justitie heeft betoogd dat er geen sprake was van een noodweersituatie.


Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daarvan is onder omstandigheden ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of verdachte, toen hij het slachtoffer sloeg, heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer.

Op grond van het strafdossier en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een aanranding door aangever of de dreiging daarvan. Op grond van de dossierstukken en wat ter terechtzitting is besproken, is aannemelijk geworden dat aangever verdachte tegen de bovenarm heeft getikt of hem aan een mouw heeft gepakt. Deze gedraging door aangever kan niet worden aangemerkt als een aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Volgens de verklaring van verdachte ter zitting zat de dreiging veeleer in de wijze waarop aangever naar verdachte kwam toelopen, in samenhang met de lengte en het postuur van aangever. Het enkele toelopen naar iemand kan echter niet worden beschouwd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Daarbij betrekt de rechtbank nog dat verdachte niet verstond wat het slachtoffer zei en dat hij dit dus evenmin als dreigend heeft kunnen opvatten. Van belang is verder dat verdachte zich bevond in een voor hem bekende omgeving en dat hij was omringd door vrienden en bekenden. Ten slotte is van belang dat verdachte meerdere keren door de politie is verhoord en nimmer heeft verklaard over gedragingen door aangever die aanvallend waren. Gelet op al deze omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een (onmiddellijk dreigend gevaar voor een) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen. Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.

Hetzelfde geldt voor het beroep van de verdediging op noodweerexces dan wel putatief noodweer. Ook een beroep daarop kan alleen slagen, indien aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een situatie bevond waarin hij (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moest afwenden. Nu daarvan geen sprake is, wordt zowel het beroep op noodweerexces als het beroep op putatief noodweer verworpen.


Concluderend zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Verdachte is ook strafbaar.


Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.



7Motivering van de straffen en maatregelen


7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.


7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak respectievelijk ontslag van rechtsvervolging bepleit. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan heeft de verdediging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van het voorarrest bepleit alsmede een werkstraf.


7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, als gevolg waarvan aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit blijvend oogletsel. Uit de medische verklaring blijkt dat de verwachting is dat de gezichtsscherpte van het rechteroog van aangever laag zal blijven. Aangever zal de rest van zijn leven hiermee moeten leven en zal daardoor ook de rest van zijn leven herinnerd worden aan deze mishandeling. Het handelen van verdachte heeft aangever, zoals blijkt uit zijn slachtofferverklaring, niet alleen schrik en angst aangejaagd, maar heeft ook geleid tot woede en frustratie. Bovendien is het voor aangever niet zeker of hij zijn werk zal kunnen blijven doen. Ook is onzeker wat de financiële consequenties zijn voor hem en zijn gezin. Duidelijk is dat aangever en zijn gezin sinds de mishandeling in alle opzichten een zware tijd hebben gehad.

De rechtbank rekent dit verdachte aan.


De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 5 december 2016, waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Verder houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat dit incident ook op verdachte een enorme impact heeft gehad en dat hij het heel erg vindt wat hij heeft gedaan.


De rechtbank is van oordeel dat, gelet op deze omstandigheden een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden passend en geboden is.



8Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel


[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, voor een bedrag van € 36.955,70. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 22.500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 14.455,70 aan materiële schade.


De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet voldoet aan de criteria van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, nu primair sprake is van ‘in pari delicto’ en subsidiair van eigen schuld. Meer subsidiair is de hoogte van de schade betwist voor wat betreft de posten (i) ziektekosten, (ii) verlies van arbeidsvermogen, (iii) smartengeld en (iv) wettelijke rente.


Uit de hiervoor weergegeven bewezenverklaring en verwerping van het beroep op noodweer(exces) volgt dat geen sprake is van zogenoemde ‘in pari delicto’ of van zodanige eigen schuld aan de zijde van de benadeelde dat dit toewijzing van de vordering in de weg staat. Voor wat betreft de meer subsidiair betwiste posten geldt (i) dat uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat benadeelde in 2016 geen ander beroep op zijn zorgverzekering heeft gedaan. Uit de overgelegde stukken volgt verder (ii) dat benadeelde (minimaal) voor een aantal maanden arbeidsongeschikt is geweest. Er worden geen toekomstige kosten gevorderd. Bij de beoordeling van de vraag of het voor benadeelde gedurende deze reeds verstreken zeven maanden niet mogelijk is geweest zijn werkzaamheden uit te voeren, is niet noodzakelijk dat een beoordeling plaatsvindt door een arbeidskundige en/of verzekeringsgeneeskundige. Met de door benadeelde overgelegde medische- en bedrijfsinformatie is zijn vordering op dit punt voldoende onderbouwd. Met betrekking tot (iii) het gevorderde smartengeld oordeelt de rechtbank dat aan het vaststellen en toewijzen van een bedrag aan smartengeld niet in de weg staat dat nog geen medische eindtoestand is bereikt. Op basis van de overgelegde stukken en het gestelde ter zitting is voldoende duidelijk dat benadeelde (minimaal) driekwart van zijn zicht in het rechteroog definitief kwijt is. Met betrekking tot (iv) de gevorderde wettelijke rente geldt dat deze voor wat betreft de materiële schade zal worden toegewezen (steeds) vanaf het moment van het ontstaan van de betreffende betalingsverplichting.


Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij niet inhoudelijk betwist.


Het is daarmee komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op het gevorderde bedrag van € 36.955,70, te weten een bedrag van € 22.500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 14.455,70 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in het dictum vermeld.


Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.



9Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



10Beslissing


De rechtbank:


Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;


Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen, zodanig als hiervoor onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;


Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;


Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast;

- de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich niet houdt aan de

algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht (in totaal 4 dagen), op de taakstraf in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van 2 uur per dag in verzekering;


Vordering benadeelde partij [slachtoffer]

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 36.955,70, te weten

€ 22.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en € 14.455,70 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, steeds vanaf het moment van het ontstaan van de betalingsverplichting ten aanzien van de betreffende schadepost(en), tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] ;

- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 36.955,70 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 219 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op. Dit bedrag wordt ververmeerderd met de wettelijke rente op een wijze zoals hiervoor is aangegeven

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.


Dit vonnis is gewezen door

mr. R.P. den Otter, voorzitter,

mrs. C.E.M. Nootenboom-Lock en P.A.M. Wijffels, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2017.


BIJLAGE : De tenlastelegging


Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat



Primair

hij op of omstreeks 23 april 2016 te [woonplaats] , aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (geheel of gedeeltelijk verdwenen zicht in het rechteroog), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met een glas in/tegen het oog/gezicht te slaan;


art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair

hij op of omstreeks 23 april 2016 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] met een glas in/tegen het oog/gezicht heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (geheel/gedeeltelijk verdwenen zicht in het rechteroog), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier PL0900-2016124525 (sluitingsdatum 9 mei 2016) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 105. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2 Het proces-verbaal van aangifte van 23 april 2016, pagina 21-11, in het bijzonder pagina 21.
3 Het proces-verbaal van verhoor van aangever van 25 april 2016, pagina 23-25, in het bijzonder pagina 23.
4 Het proces-verbaal van verhoor van aangever van 25 april 2016, pagina 23-25, in het bijzonder pagina 24.
5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 24 april 2016, pagina 85-90, in het bijzonder pagina 87.
6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 26 april 2016, pagina 99-102, in het bijzonder pagina 101.
7 Geneeskundige verklaring d.d. 24 april 2016, pagina 71.
8 Verklaring oogarts d.d. 9 februari 2017, bijlage bij de vordering benadeelde partij.