Rechtbank Midden-Nederland, 16-05-2017 / 16/652071-17


ECLI:NL:RBMNE:2017:3693

Inhoudsindicatie
Veroordeling in verband met een woninginbraak en verzet bij aanhouding. Gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren, al. en bijz. voorwaarden. Werkstraf van 60 uren.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-16
Publicatiedatum
2017-07-20
Zaaknummer
16/652071-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/652071-17 (P)



Vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 mei 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] , [adres] .



1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.C. Vermeul, advocaat te Utrecht.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.



2Tenlastelegging


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 2 november 2016 te Abcoude zich schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak;

2. op 17 januari 2017 te Amsterdam zich heeft verzet tegen zijn aanhouding.



3Voorvragen


De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van feit 2 op de dagvaarding. Daartoe heeft de verdediging betoogd dat sinds de bewaring dat feit van de dagvaarding is verwijderd en dat op de zitting van de rechter-commissaris van 19 januari 2017 is besproken dat het feit helemaal van de tenlastelegging af zou gaan.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat een dergelijke toezegging niet is gedaan. Feit 2 is van de vordering tot inbewaringstelling gehaald, omdat dit geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Dat feit 2 niet aan verdachte ten laste gelegd zou worden is niet door een officier van justitie toegezegd. Dat kon ook helemaal niet, want tijdens de voorgeleiding op 19 januari 2017 was geen officier van justitie aanwezig.


De rechtbank stelt vast dat feit 2 is doorgestreept op de vordering tot inbewaringstelling en dat de rechter-commissaris op 19 januari 2017 alleen de bewaring heeft bevolen met betrekking tot feit 1. De rechtbank stelt tevens vast dat artikel 67 van het Wetboek van Strafordering het geven van een bevel tot voorlopige hechtenis in geval van verdenking van een misdrijf omschreven in artikel 180, zoals feit 2, niet toestaat.

Dat op 19 januari 2017 is toegezegd dat feit 2 niet (meer) ten laste zou worden gelegd, heeft de verdediging niet onderbouwd, noch is de rechtbank daarvan gebleken.

Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.


De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennismening van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.



4Waardering van het bewijs


4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het strafdossier en op de bekennende verklaring van verdachte met betrekking tot feit 2.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 omdat - samengevat - er geen ander bewijs is dan de bloedsporen in de woning die mogelijk via een handschoen in de woning zijn gekomen. Mocht de rechtbank tot een ander doordeel komen, dan dient verdachte op onderdelen van de tenlastelegging te worden vrijgesproken en wel van het binnengaan in de woning, de verbreking, de inklimming, en het wegnemen van goederen omdat daarvoor geen bewijs is, en zeker niet voor het wegnemen van meerdere camera’s, 3 armbanden, sieraden, tafelzilver en geld.

Mocht de rechtbank de officier van justitie ten aanzien van feit 2 ontvankelijk verklaren, dan is de verdediging van mening dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.


4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.


bewijsmiddelen feit 1

Op 2 november 2016 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van een inbraak in zijn woning te Abcoude op 2 november 2016 tussen 10:15 uur en 16:00 uur. Aangever zag op 2 november 2016 omstreeks 16:00 uur dat de tuindeur van zijn woning openstond, dat er glas in de woning op de grond lag, en dat er een gat in de ruit van de tuindeur zat ter hoogte van de deurklink. Aangever zag dat er meerdere kasten en laden openstonden en dat de woonkamer en de slaapkamers waren doorzocht. In de woning trof aangever bloedsporen aan. Uit de woning zijn weggenomen een fotocamera, een Macbook, en 3 armbanden.

Op 11 november 2016 zijn bloedsporen in de woning veiliggesteld voor nader onderzoek, te weten een bloedspoor op een A4-papier op een kastje in de slaapkamer (SIN: AAIZ1786NL), een bloedspoor op het deksel van een make-up doos (SIN: AAIZ1785NL) en een bloedspoor op de binnen vensterbank van een slaapkamer (SIN: AAIZ1784NL).

De sporen met voornoemde nummers bevatten een match met het DNA-profiel van verdachte, met een matchkans van kleiner dan één op één miljard.


bewijsoverwegingen feit 1

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde woninginbraak. Gelet op de berekende matchkans van het DNA-profiel, gaat de rechtbank er van uit dat het bloed dat in de woning van aangever is aangetroffen afkomstig is van verdachte. Gelet op de plaats waar en het moment waarop het bloed is aangetroffen, kan worden vastgesteld dat het bloed door de inbreker in de woning is achtergelaten. Verdachte kan niet verklaren hoe zijn bloed daar terecht is gekomen. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat verdachte de inbraak heeft gepleegd en de goederen uit de woning van aangever heeft weggenomen. Hieruit volgt dat het verweer van de verdediging, namelijk dat niet bewezen kan worden dat verdachte de inbraak heeft gepleegd en goederen heeft gestolen, wordt verworpen.


bewijsmiddelen feit 2

Op 17 januari 2017 heeft een aantal verbalisanten, allen dienst doende bij de politie-eenheid Amsterdam, district […] , basisteam […] , zich belast met de aanhouding van verdachte in zijn woning.

Verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent, heeft verklaard dat hij verdachte bij zijn rechterhand pakte en dat hij voelde dat verdachte zijn arm aanspande en met veel kracht zich in tegengestelde richting bewoog dan dat verbalisant [verbalisant 1] hem wilde bewegen.

Verbalisant [verbalisant 2] , brigadier, heeft verklaard dat hij verdachte bij zijn lichaam vast pakte, dat hij voelde dat verdachte zich met veel kracht los trok en weg wilde draaien.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voelden dat verdachte zijn lichaam aanspande en er alles aan deed om los te komen.

Verbalisant [verbalisant 3] , brigadier, heeft verklaard dat hij zag dat het zijn collega’s [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet lukte om verbalisant onder controle te krijgen en dat hij zag dat verdachte krachtige trekkende bewegingen maakte met zijn armen waardoor zijn collega’s verdachte met moeite vast konden houden. Hierop heeft hij verdachte bij zijn rechterarm gepakt. Hij voelde dat verdachte zich fysiek bleef verzetten.

Verbalisant [verbalisant 4] , brigadier, heeft verklaard dat hij verdachte bij zijn linkerarm pakte en dat hij voelde dat verdachte zijn linkerarm met kracht naar zijn borst probeerde te trekken.

Verbalisant [verbalisant 5] , brigadier, heeft verklaard dat hij zag dat verdachte in zijn hand beet ter hoogte van zijn pink.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in een andere richting heeft bewogen dan de richting waarin de verbalisanten hem wilden bewegen, dat hij een verbalisant heeft gebeten in zijn pink, dat hij niet heeft meegewerkt aan zijn aanhouding en dat hij wilde voorkomen dat beide handen op zijn rug werden gelegd.


bewijsoverwegingen feit 2

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met geweld heeft verzet tegen zijn aanhouding.


De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.



5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte


1.

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Abcoude, gemeente de Ronde Venen althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer goederen, te weten (onder meer) een of meer fotocamera's en/of een macbook en/of armbanden en/of sieraden en/of tafelzilver en/of een of meer geldbedrag(en) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen en/of het geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;


2.

hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Amsterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [verbalisant 1] , hoofdagent en/of [verbalisant 2] , brigadier en/of [verbalisant 4] , brigadier en/of [verbalisant 3] , brigadier en/of [verbalisant 5] allen dienstdoende politie Eenheid Amsterdam, District […] , basisteam […] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte ,zich door geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen voornoemde politieambtena(ar(en), immers heeft hij, verdachte,

- zich uit de greep van verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] geprobeerd los te rukken en/of zich heeft losgetrokken uit de greep van die verbalisanten en/of

- zich in tegengestelde richting heeft bewogen van de richting waarin verbalisanten hem, verdachte, wilden bewegen en/of

- terwijl verbalisant [verbalisant 4] de linkerarm van hem, verdachte, had vastgepakt zijn, verdachtes, linkeram met kracht naar zijn, verdachtes, borst probeerde te trekken en/of

- geprobeerd te bijten in de hand van verbalisant [verbalisant 4] en/of

- in de hand van verbalisant [verbalisant 5] gebeten;


is hij weggerend in de richting van die [verbalisant3] en/of [verbalisant4] en

is hij, verdachte (vervolgens) nadat die [verbalisant4] hem had vastgepakt,

althans had getracht vast te pakken, met zijn armen gaan zwaaien en heeft hij

zich losgerukt en/of losgetrokken en is hij (vervolgens) tegen die

[verbalisant3] aangerend, tengevolge waarvan die [verbalisant3] zwaar

lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel (een meervoudige

beenbreuk) heeft bekomen;oor ;


Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.



6De strafbaarheid van de feiten


De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2. wederspannigheid.


Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.



7De strafbaarheid van verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.



8Motivering van de straffen en maatregelen


8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Voorts heeft de officier van justitie gevraagd de schorsing van de voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen.


8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van de voorlopige hechtenis en een werkstraf van 60 uren een passende straf.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit. Mocht de rechtbank daar anders over denken, dan is de verdediging van mening dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Omdat verdachte bij de aanhouding pittig letsel heeft opgelopen, acht de verdediging een rechterlijk pardon op zijn plaats.

De verdediging heeft gevraagd de reeds geschorste voorlopige hechtenis bij vonnis op te heffen.




8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak.

Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners en veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid. Het is voor slachtoffers vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar heeft alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

Daarnaast heeft verdachte zich verzet tijdens zijn aanhouding, waarbij hij onder meer een politieagent in de gehandschoende hand heeft gebeten. Met deze reactie op zijn aanhouding heeft verdachte het ambtelijk gezag aangetast en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de betreffende politieagent.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank ook acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 21 februari 2017, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

In het rapport van Reclassering Nederland van 16 maart 2017 is opgemerkt dat verdachte aangeeft mee te willen werken bij hulp van de reclassering bij het vinden van betaald werk, het op orde brengen van zijn financiën en het afronden van zijn scholing. Geadviseerd is het jeugdstrafrecht toe te passen en het toezicht uit te laten voeren door de volwassen reclassering, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, en het verplicht meewerken aan toeleiding naar dagbesteding en schuldhulpverlening.


De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er geen aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde strafbare feiten 20 jaar. Hij is pedagogisch niet te bereiken door zijn ouders, hij woont al geruime tijd zelfstandig en heeft een eigen inkomen. Om aan zijn copingsvaardigheden te werken is toepassing van het jeugdrechte niet nodig.


De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten zonder meer een gevangenisstraf rechtvaardigen en dat niet kan worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich meebrengt. De eis van de officier is daarbij een passend uitgangspunt. Echter, in de hiervoor genoemde omstandigheden, met name de omstandigheid dat verdachte bereid is mee te werken aan hulp van de reclassering, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere gevangenisstraf op te leggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. Ook ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.


De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van vier maanden opleggen, waarvan twee maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zullen aan verdachte bijzondere voorwaarden worden opgelegd, zoals die zijn geadviseerd. De tijd dat verdachte in voorarrest heeft gezeten zal in mindering worden gebracht op genoemde gevangenisstraf, waardoor verdachte zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft ondergaan.

Voorts zal aan verdachte een taakstraf van 60 uur worden opgelegd. Als verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht, zal deze worden vervangen door 30 dagen hechtenis.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 63, 180, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.


De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.



10Beslissing


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;


Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2. wederspannigheid.

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;


Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, waarvan 2 (twee) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- stelt als algemene voorwaarden:

* de verdachte zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

* de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* de verdachte zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

* de verdachte zal tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden naleven;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* de verdachte moet zich binnen één werkdag volgend op de datum waarop dit vonnis onherroepelijk is, melden bij Reclassering Nederland, [adres] , [postcode] [vestigingsplaats] . Hierna moet verdachte zich gedurende de door Reclassering Nederland aangegeven periode blijven melden zolang de reclassering dit nodig acht;

* de verdachte is verplicht mee te werken aan toeleiding naar dagbesteding en toeleiding naar schuldhulpverlening, zolang de reclassering dit nodig acht;

- draagt de reclasseringsinstelling Reclassering Nederland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;


- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;


Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.














































Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Moed, voorzitter, mrs. P.J.M. Mol en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 mei 2017.



Mr. P.J.M. Mol en mr. R.C. Moed zijn buiten staat het vonnis mee te ondertekenen.



BIJLAGE : De tenlastelegging


Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat


1.

hij op of omstreeks 2 november 2016 te Abcoude, gemeente de Ronde Venen althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer goederen, te weten (onder meer) een of meer fotocamera's en/of een macbook en/of armbanden en/of sieraden en/of tafelzilver en/of een of meer geldbedrag(en) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen en/of het geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;


art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht


2.

hij op of omstreeks 17 januari 2017 te Amsterdam, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtenaren, te weten [verbalisant 1] , hoofdagent en/of [verbalisant 2] , brigadier en/of [verbalisant 4] , brigadier en/of [verbalisant 3] , brigadier en/of [verbalisant 5] allen dienstdoende politie Eenheid Amsterdam, District […] , basisteam […] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte ,zich door geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen voornoemde politieambtena(ar(en), immers heeft hij, verdachte,

- zich uit de greep van vebalisant [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] geprobeerd los te rukken en/of zich heeft losgetrokken uit de greep van die verbalisanten en/of

- zich in tegengestelde richting heeft bewogen van de richting waarin verbalisanten hem, verdachte, wilden bewegen en/of

- terwijl verbalisant [verbalisant 4] de linkerarm van hem, verdachte, had vastgepakt zijn, verdachtes, linkeram met kracht naar zijn, verdachtes, borst probeerde te trekken en/of

- geprobeerd te bijten in de hand van verbalisant [verbalisant 4] en/of

- in de hand van verbalisant [verbalisant 5] gebeten;


Sr 180


is hij weggerend in de richting van die [verbalisant3] en/of [verbalisant4] en

is hij, verdachte (vervolgens) nadat die [verbalisant4] hem had vastgepakt,

althans had getracht vast te pakken, met zijn armen gaan zwaaien en heeft hij

zich losgerukt en/of losgetrokken en is hij (vervolgens) tegen die

[verbalisant3] aangerend, tengevolge waarvan die [verbalisant3] zwaar

lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel (een meervoudige

beenbreuk) heeft bekomen;oor ;

art 180 Wetboek van Strafrecht


1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier PL0900-2016340963 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 46. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2 Het proces-verbaal van aangifte van 2 november 2016, pagina 16-19, in het bijzonder pagina 16.
3 Het proces-verbaal van aangifte van 2 november 2016, pagina 16-19, in het bijzonder pagina 17.
4 Bijlage goederen bij het proces-verbaal van aangifte van 2 november 2016, pagina 19.
5 Het proces-verbaal sporenonderzoek van 11 november 2016, pagina 20-22, in het bijzonder pagina 21.
6 Het proces-verbaal sporenonderzoek van 11 november 2016, pagina 20-22, in het bijzonder pagina 22.
7 Het NFI-rapport van 29 november 2016, pagina 23-26, in het bijzonder pagina 24.
8 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2017, pagina 27-29, in het bijzonder pagina 27.
9 Het proces-verbaal van bevindingen van 17 januari 2017, pagina 27-29, in het bijzonder pagina 28.
10 Het proces-verbaal van de zitting van 2 mei 2017.