Rechtbank Midden-Nederland, 19-07-2017 / C/16/411938 / HA ZA 16-220


ECLI:NL:RBMNE:2017:3701

Inhoudsindicatie
Beschikking; gezag van gewijsde
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-19
Publicatiedatum
2017-08-01
Zaaknummer
C/16/411938 / HA ZA 16-220
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTHR 2017, afl. 5, p. 307
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht


zaaknummer / rolnummer: C/16/411938 / HA ZA 16-220


Vonnis van 19 juli 2017


in de zaak van


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. B.A. Sturm te Alphen aan den Rijn,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.J. Bijleveld te Utrecht.



Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het incidenteel vonnis van 1 juni 2016
  • - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
  • - de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie
  • - de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie
  • - de conclusie van dupliek in reconventie
  • - de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[eiseres sub 1] c.s. en [gedaagde] vormden de maatschap [maatschap 1] en de maatschap [maatschap 2] (hierna: de maatschappen). Partijen houden samen alle aandelen in de besloten vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: de besloten vennootschap). [eiseres sub 1] c.s. heeft de beide maatschappen ieder bij brief van 29 november 2007 opgezegd tegen 1 september 2008. Daarnaast hebben partijen de samenwerking binnen de besloten vennootschap beëindigd.


2.2.

Over de afwikkeling van de maatschappen en de besloten vennootschap zijn tussen partijen geschillen gerezen die hebben geleid tot gerechtelijke procedures. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de wijze van afdoening van die geschillen. Op 3 februari 2011 hebben de ingeschakelde partijdeskundigen van beide partijen ( [A] AA namens [eiseres sub 1] c.s. en [B] AA namens [gedaagde] ) die overeenstemming in een opdrachtbevestiging (hierna aangeduid als: de overeenkomst) vastgelegd. Daarin staat onder meer:

“(…)

Onderwerp: opdrachtbevestiging ter zake bindend advies en eventueel aanvullend een arbitrage uitspraak over gerezen geschillen bij ontvlechting van de maatschappen.


(…)

Alle geschillen, die tussen de partijen (waaronder ook: de erfgenamen en rechtverkrijgenden) mochten bestaan, zowel juridische als feitelijke, ongeacht de aard van het geschil, en ongeacht als een geschil slechts door één der partijen als zodanig wordt aangemerkt, zullen met uitsluiting van de gewone rechterlijke macht ter beslissing worden onderworpen aan de arbiters.

De uitspraak van de arbiters is bindend voor partijen.

(…)

De overeengekomen werkzaamheden zijn:

  • - Een poging om de geschillen te beslechten vooralsnog zonder gebruik te maken van een 3e arbiter;
  • - Indien 2 arbiters geheel of op zelfstandige onderdelen, tot gemeenschappelijke uitspraak komen zal deze (deel) uitspraak bindend zijn voor partijen en zullen partijen deze uitspraak onmiddellijk tot uitvoering moeten brengen.
  • - Indien geen invulling wordt gegeven aan de uitvoering van het gezamenlijke bindend advies door de 2 arbiters door een van de partijen, dan kan de andere partij de 2 arbiters opdracht geven alsnog een 3e arbiter te benoemen om te komen tot uitspraak van de arbiters die juridisch afdwingbaar is. De kosten hieraan verbonden komen volledig voor rekening van de partij die in gebreke is gebleven;
  • - Eerst indien de 2 arbiters niet tot gemeenschappelijk standpunt kunnen komen wordt een 3e arbiter benoemd.

(…)”

Ingevolge de overeenkomst zijn de beide partijdeskundigen (verder ook: [A] en [B] ) de twee arbiters/bindend adviseurs.


2.3.

In februari 2011 zijn [A] en [B] begonnen met hun werkzaamheden. Bij brief van 17 december 2012 heeft de advocaat van [gedaagde] meegedeeld de overeenkomst te ontbinden, onder meer wegens onvrede met de werkwijze van [B] . [eiseres sub 1] c.s. heeft in kort geding gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot voortzetting van de bindend advies procedure. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland van 9 mei 2014 is [gedaagde] veroordeeld tot het benoemen van een nieuwe bindend adviseur, die in de plaats zal treden van [B] . Daarnaast is [gedaagde] veroordeeld tot het uitvoering blijven geven aan de opdracht tot bindend advies van 3 februari 2011. [gedaagde] heeft vervolgens [C] AA (verder: [C] ) als bindend adviseur benoemd.


2.4.

Tussen [C] en [A] heeft overleg plaatsgevonden op 2 en op 21 juli 2014, gevolgd door e-mailcontact op 25 en op 31 juli 2014. Op 25 juli 2014 schreef [A] aan [C] :

“ (…) De conclusie was dat er onderling op hoofdlijnen van de aanpak geen essentiële knelpunten zijn vastgesteld m.b.t. de bindend advies procedure.”

Op 31 juli 2014 schreef [A] echter in een e-mail aan [C] :

“Hallo [voornaam van C] ,

Tot op heden heb ik geen reactie van je gehad op onderstaande mail van 25 juli jl. Al eerder heb ik uitgesproken dat de opstart voor 1 augustus a.s. zijn beslag dient te krijgen. Gezien het vorenstaande en eerdere twijfels die je kenbaar hebt gemaakt, kan ik niets anders concluderen dat wij niet op een lijn zitten met betrekking tot de voortgang van de bindend advies procedure. (…) Gelet op de hiervoor vermelde conclusie stel ik voor, in belang van de voortgang van de bindend advies procedure, nu een derde arbiter te benoemen. (…)”


2.5.

[A] is in april 2015 om gezondheidsredenen als bindend adviseur van [eiseres sub 1] c.s. teruggetreden. In zijn plaats heeft [eiseres sub 1] c.s. [D] RA (verder: [D] ) benoemd.


2.6.

[eiseres sub 1] c.s. heeft bij verzoekschrift van 23 september 2014 verzocht om een derde arbiter te benoemen. Bij beschikking van 3 juni 2015 (hierna: de beschikking) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden Nederland onder meer het volgende overwogen:

“(…)

De voorzieningenrechter is, gelet op het tijdsverloop tussen 3 februari 2011 en 21 april 2015 en de standpunten van de huidige bindend adviseurs [C] en [D] , van oordeel dat zij niet anders kan dan constateren dat de bindend adviseurs inhoudelijk van mening verschillen, zodat op zichzelf de situatie zich voordoet als bedoeld in de overeenkomst van 3 februari 2011. Bij de mondelinge behandeling hebben [C] en [D] verklaard nog met hun werkzaamheden te moeten beginnen.

Vastgesteld kan worden dat de twee bindend adviseurs (arbiters) niet tot een gemeenschappelijk standpunt en ook niet tot benoeming van een derde arbiter kunnen komen. Daarbij moet mede in aanmerking worden genomen dat beide partijen al een keer van bindend adviseur zijn gewisseld. De voorzieningenrechter acht het dan ook gelet op alle omstandigheden van het geval gerechtvaardigd om een derde arbiter te benoemen.

Het verzoek is toegewezen en de voorzieningenrechter heeft mr. [E] benoemd tot arbiter.


2.7.

Op 4 september 2015 heeft [E] aan partijen en de rechtbank meegedeeld dat hij zijn benoeming niet kan aanvaarden omdat partijen het niet eens zijn geworden over de bevoegdheid en de door het scheidsgerecht te beslissen geschilpunten.


3Het geschil

in conventie 3.1.

[eiseres sub 1] c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht verklaart dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van 3 februari 2011 een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst is;

voor recht verklaart dat, gelet op de (inmiddels in kracht van gewijsde gegane) beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2015, de afwikkeling van de tussen partijen gerezen geschillen betreffende de ontvlechting van de tussen hen bestaand hebbende maatschappen en de besloten vennootschap dient plaats te vinden middels arbitrage, eindigend met één (of meer) arbitraal/arbitrale vonnis(sen);

voor recht verklaart dat arbiters – derhalve zowel de door partijen benoemde/te benoemen arbiters, als de door de Rechtbank Midden-Nederland benoemde/te benoemen (derde) arbiter – mitsdien bevoegd zijn over de geschillen te oordelen;

voor recht verklaart dat partijen zijn gehouden hun volledige medewerking aan de afwikkeling van de arbitrage door de arbiters te verlenen en daartoe aan alle verzoeken van arbiters – zoals onder meer, doch niet uitsluitend, tot het geven van informatie, het overleggen van stukken en/of het betalen van voorschotten en/of kosten – gehoor te geven;

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.


3.2.

[gedaagde] voert verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.


in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet dat toestaat uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht verklaart dat de beslechting van de geschillen omtrent de afwikkeling van de tot 1 september 2008 tussen partijen bestaande maatschappen op grond van de overeenkomst op dit moment en totdat, nadat de bindend adviseurs op zijn minst een serieuze poging hebben gedaan tot een bindend advies aangaande de geschillen te komen, eventueel mocht blijken dat de bindend adviseurs niet tot een bindend advies aangaande de geschillen kunnen komen, in een bindend adviesprocedure, zoals die in de overeenkomst is geregeld, dient plaats te vinden;

[eiseres sub 1] c.s. veroordeelt tot correcte nakoming van de overeenkomst;

[eiseres sub 1] c.s. veroordeelt om binnen acht dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de benoeming van [D] als bindend adviseur te beëindigen en in zijn plaats een gecertificeerde accountant die daadwerkelijk bereid is als bindend adviseur op te treden, tot bindend adviseur te benoemen en aan deze de opdracht te geven om zich samen met [C] in te spannen om conform het bepaalde in de overeenkomst tot een bindend advies in de tussen partijen bestaande geschillen omtrent de afwikkeling van de tot 1 september 2008 tussen partijen bestaande maatschappen te komen;

[eiseres sub 1] c.s. veroordeelt in de proceskosten.


3.5.

[eiseres sub 1] c.s. voert verweer.


3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.



4De beoordeling

in conventie 4.1.

Met het teruggeven van zijn opdracht door [E] is de geschilbeslechting tussen partijen, die toch al moeizaam vorderde, uit de rails gelopen. Inzet van deze procedure is het terug op het spoor krijgen van het proces, met als einddoel de definitieve ontvlechting van de belangen van partijen. Wat [eiseres sub 1] c.s. betreft gebeurt dat met de benoeming van een derde arbiter, die tezamen met [C] en [D] een arbitraal vonnis zal wijzen. [gedaagde] verzet zich daartegen en stelt zich op het standpunt dat voorafgaand daaraan nog een serieuze poging moet worden ondernomen door beide partij-arbiters om te komen tot een gezamenlijk bindend advies aan partijen.


4.2.

[eiseres sub 1] c.s. voert aan dat de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2015 (zie hiervoor onder 2.6) in kracht van gewijsde is gegaan en dat daaraan ook gezag van gewijsde toekomt. Daaruit volgt dat inmiddels vaststaat dat de bindend adviseurs niet tot een gezamenlijk standpunt konden komen en dat de benoeming van een derde arbiter en daarmee het in gang zetten van de overeengekomen arbitrage aangewezen is.

[gedaagde] betwist dat aan een beschikking als de onderhavige gezag van gewijsde toekomt. Aan beschikkingen die tot stand zijn gekomen in procedures die niet de waarborgen bieden van een dagvaardingsprocedure, komt geen gezag van gewijsde toe, volgens [gedaagde] , omdat op grond van artikel 1070 Rv geen hoger beroep en cassatie openstaat. Verder gelden de normale bewijsregels niet en is er minder ruimte voor het processuele debat.


4.3.

Artikel 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindend kracht hebben. Onder omstandigheden leent artikel 236 Rv zich voor een analogische toepassing op beschikkingen in een verzoekschriftprocedure. Voorwaarde is dat er beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen. In dat geval kan in een vorderingsprocedure een beroep worden gedaan op een eerdere beslissing over de rechtsbetrekking in geschil die is vervat in een beschikking die kracht van gewijsde heeft (Hoge Raad 30-10-1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2759). Terughoudendheid bij deze analogische toepassing kan geboden zijn, als een beschikking tot stand is gekomen in een procedure die niet de waarborgen biedt van een vorderingsprocedure, zoals met betrekking tot het processuele debat, rechtsmiddelen en bewijs. Op zichzelf is juist, dat tegen de beschikking geen hoger beroep openstond. Dat enkele feit maakt echter niet dat de tussen partijen gewezen beschikking in de onderhavige procedure geen bindende kracht kan hebben. Daarvoor is nodig dat de verzoekschriftprocedure in haar geheel bezien niet de waarborgen biedt van een vorderingsprocedure. Daarvan is niet gebleken. Er is namelijk sprake geweest van een beoordeling van een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen. Uit de beschikking blijkt bovendien dat de uitspraak is gegeven op basis van een feitenonderzoek, op vergelijkbare wijze als in een dagvaardingsprocedure. Partijen hebben een verzoekschrift, een verweerschrift en nadere stukken ingediend en de zaak is vervolgens op zitting behandeld. Het oordeel heeft ook geen provisioneel karakter. [gedaagde] heeft wel aangevoerd dat de procedure niet met de waarborgen van een dagvaardingsprocedure was omkleed, maar zij heeft niet concreet gemaakt waar het haar in dit geval aan heeft ontbroken, qua processueel debat en/of de mogelijkheid tot bewijslevering.

De omstandigheden van dit geval overziend is de rechtbank daarom van oordeel dat artikel 236 Rv zich leent voor analogische toepassing op de beschikking. Dit brengt mee dat tussen partijen vast staat dat de twee bindend adviseurs niet tot een gemeenschappelijk standpunt zijn gekomen en evenmin tot benoeming van een derde arbiter, zodat een derde arbiter moest worden benoemd. Daarmee is definitief de ‘tweede fase’ aangebroken in de tussen partijen overeengekomen wijze van geschilbeslechting.


4.4.

Het voorgaande brengt voor de vorderingen in conventie het volgende mee:


Ad a: verklaring voor recht dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van 3 februari 2011 een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst is;

Deze vordering ligt voor toewijzing gereed, nu [gedaagde] de rechtsgeldigheid van de arbitrageovereenkomst niet betwist. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat het ging om een arbitrageovereenkomst onder een opschortende voorwaarde. De rechtbank stelt vast dat, als dit juist is, de voorwaarde gezien het voorgaande als vervuld moet worden beschouwd.


Ad b: verklaring voor recht dat, gelet op de (inmiddels in kracht van gewijsde gegane) beschikking, de afwikkeling van de tussen partijen gerezen geschillen betreffende de ontvlechting van de tussen hen bestaand hebbende maatschappen en de besloten vennootschap dient plaats te vinden middels arbitrage, eindigend met één (of meer) arbitraal/arbitrale vonnis(sen);

Ook deze vordering zal worden toegewezen. Zoals hiervoor onder 4.3 aan het slot is overwogen komt de beschikking gezag van gewijsde toe en is de arbitrale fase van geschilbeslechting tussen partijen aangewezen.

Ten aanzien van het verweer van [gedaagde] dat de omvang van de aan arbitrage te onderwerpen geschillen door partijen verschillend wordt geduid, oordeelt de rechtbank als volgt. De overeenkomst bepaalt: “Alle geschillen, die tussen de partijen (waaronder ook: de erfgenamen en rechtverkrijgenden) mochten bestaan, zowel juridische als feitelijke, ongeacht de aard van het geschil, en ongeacht als een geschil slechts door één der partijen als zodanig wordt aangemerkt, zullen met uitsluiting van de gewone rechterlijke macht ter beslissing worden onderworpen aan de arbiters.” Verder is op pagina 5 van de overeenkomst vermeld dat “z.s.m. de aangedragen limitatieve geschillen waarover arbiters moeten oordelen door partijen (…) wordt aangedragen”. Dat de ontvlechting van de belangen van partijen in de besloten vennootschap niet kan worden meegenomen in de arbitrage volgt niet uit deze afspraken. In het inbrengdocument van [eiseres sub 1] c.s. van 1 maart 2011 en de notitie van [A] (respectievelijk productie 8 en 7 bij conclusie van repliek in conventie) zijn namelijk geschilpunten met betrekking tot de besloten vennootschap vermeld die beslechting behoeven. Er waren dus tijdig geschilpunten met betrekking tot de besloten vennootschap aangedragen.

Dat er voor het overige nog geschilpunten zijn waarvan – gelet op de door partijen gemaakte (hierboven geciteerde) afspraken – onduidelijk is of zij in de arbitrage mogen worden meegenomen is niet (voldoende onderbouwd) gesteld of gebleken.


Ad c: verklaring voor recht dat arbiters – derhalve zowel de door partijen benoemde/te benoemen arbiters, als de door de Rechtbank Midden-Nederland benoemde/te benoemen (derde) arbiter – mitsdien bevoegd zijn over de geschillen te oordelen;

Deze vordering wordt afgewezen. Ingevolge artikel 1052 Rv is het scheidsgerecht gerechtigd over zijn bevoegdheid te oordelen. Partijen kunnen de vraag of het scheidsgerecht bevoegd is pas aan de gewone rechter voorleggen als het scheidsgerecht vonnis heeft gewezen. Daarop kan dus niet worden vooruitgelopen in dit vonnis, nog daargelaten dat een derde arbiter op dit moment niet in functie is, zodat over diens bevoegdheid nu geen oordeel kan worden gegeven.


Ad d: verklaring voor recht dat partijen zijn gehouden hun volledige medewerking aan de afwikkeling van de arbitrage door de arbiters te verlenen en daartoe aan alle verzoeken van arbiters – zoals onder meer, doch niet uitsluitend, tot het geven van informatie, het overleggen van stukken en/of het betalen van voorschotten en/of kosten – gehoor te geven;

Deze vordering wordt toegewezen. Artikel 1036 Rv bepaalt dat, onverminderd de bepalingen van dwingend recht van titel 1, Boek IV Rv, het geding wordt gevoerd op de wijze als door de partijen is overeengekomen. Voor zover de partijen niet in de regeling van het arbitraal geding hebben voorzien, wordt dit gevoerd op de wijze als door het scheidsgerecht bepaald. Partijen zijn dus gehouden aan de procedureregels zoals die bindend in de wet zijn bepaald. In de overeenkomst is in beperkte mate voorzien in de procedure, zodat partijen voor het overige gehouden zijn zich te voegen naar de door de arbiters te bepalen procedurevoorschriften. Hoewel de verplichting dus strikt genomen al uit de wet voortvloeit acht de rechtbank, gezien de voorgeschiedenis van partijen, toch voldoende belang aanwezig om de gevraagde verklaring voor recht te geven.


4.5.

[gedaagde] zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 82,75

- griffierecht 619,00

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.509,75


in reconventie

4.6.

Uit het hiervoor in conventie gegeven oordeel volgt dat de vordering sub 1 in reconventie zal worden afgewezen. De vordering sub 2 in reconventie heeft geen zelfstandige betekenis en zal om die reden ook worden afgewezen. De vordering sub 3 in reconventie wordt afgewezen omdat [D] , gezien het voorgaande, geen bindend adviseur is maar arbiter.


4.7.

[gedaagde] zal als de in reconventie het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. worden begroot op: € 904,00 voor salaris advocaat (4,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00).



5De beslissing

De rechtbank


in conventie

5.1.

verklaart voor recht:

  • - dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van 3 februari 2011 een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst is;
  • - dat, gelet op de inmiddels in kracht van gewijsde gegane beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 3 juni 2015, de afwikkeling van de tussen partijen gerezen geschillen betreffende de ontvlechting van de tussen hen bestaand hebbende maatschappen en de besloten vennootschap dient plaats te vinden middels arbitrage, eindigend met één (of meer) arbitraal/arbitrale vonnis(sen);
  • - dat partijen zijn gehouden hun volledige medewerking aan de afwikkeling van de arbitrage door de arbiters te verlenen en daartoe aan alle verzoeken van arbiters – zoals onder meer, doch niet uitsluitend, tot het geven van informatie, het overleggen van stukken en/of het betalen van voorschotten en/of kosten – gehoor te geven;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 2.509,75,


5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,


5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,


in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,


5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 904,00,


5.7.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, mr. R.J. Verschoof en mr. F.C. Burgers en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.

1 type: FB/4723