Rechtbank Midden-Nederland, 26-07-2017 / C/16/387762 / HA ZA 15-220


ECLI:NL:RBMNE:2017:3715

Inhoudsindicatie
In deze zaak beoordeelt de rechtbank naar Italiaans recht of een consultancy-overeenkomst rechtsgeldig is beëindigd.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-26
Publicatiedatum
2017-08-03
Zaaknummer
C/16/387762 / HA ZA 15-220
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Internationaal privaatrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht


zaaknummer / rolnummer: C/16/387762 / HA ZA 15-220


Vonnis van 26 juli 2017


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B.A. Boer te 's-Gravenhage,


tegen


1. de vennootschap naar Italiaans recht

[gedaagde sub 1] S.P.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Italië,

2. de vennootschap naar Italiaans recht

[gedaagde sub 2] S.P.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] , Italië,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.



Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. (afzonderlijk: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het incidenteel vonnis van 27 mei 2015
  • - de rolbeslissing van 8 juli 2015, inhoudende de afwijzing van het verzoek tot het openstellen van tussentijds hoger beroep
  • - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
  • - het tussenvonnis van 2 september 2015 waarbij een comparitie van partijen is gelast,
  • - het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 20 april 2016, ter gelegenheid waarvan door beide partijen producties zijn overgelegd en [eiseres] een conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen
  • - de brief van [gedaagde sub 1] c.s. van 9 mei 2016 waarbij opmerkingen over het proces-verbaal zijn gemaakt
  • - de conclusie van repliek in conventie
  • - de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens houdende akte vermeerdering van eis
  • - de conclusie van dupliek in reconventie
  • - de akte uitlating producties van [gedaagde sub 1] c.s.
  • - de rolbeslissing van 25 januari 2017 strekkende tot toewijzing van het verzoek om een pleidooi te houden
  • - de op 11 mei 2017 gehouden pleidooien.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

Op 1 juli 2012 heeft [eiseres] met [gedaagde sub 1] een consultancy-overeenkomst gesloten, die – voor zover relevant – luidt als volgt:

“(…)

1. Consulting services. Consultant [ [eiseres] ; toevoeging rechtbank] shall furnish the Company with his best advice, information, judgment and knowledge with respect to changing into a marketing oriented sales organization with a more structured cooperation and grip on its sales agents and further objectives as described in Annex I.

(…)

7. Termination.

a. This agreement may be terminated by either party upon written notice if and when it finds and claims circumstances which are a breach of contract such as damaging to its interests, person, reputation or otherwise by the other party and the breaching party fails to cure such breach within thirty (30) days of notice after such breach. However it should be noted that any claim to an alleged breach will have to be substantiated by the claiming party with valid motivation and evidence. lf the substantiation does not prove to be valid or does not stand up against scrutiny by Arbitration or in a court of Law, the termination of this Agreement is reversed and the wronged party automatically has a right to claim / sue for damages.”

b. Discontinuance of business as termination of contract. Anything herein contained to the contrary notwithstanding:

1. (…)

2. In the event that the Company shall discontinue operations with the consultant, in the region mentioned in Annex I and no other fitting and/or suitable alternative is to be found within the Company or its successors and assigns, the Company will notify consultant of such event by registered mail and give a 10 months notice during the first three years and as of the 4th year a notice of 6 months.

3. (…)

The damages are estimated and limited, but not restricted in such manner as stated in Annex IV.

(…)

13. Governing law. This Agreement will be governed by and interpreted in accordance with the substantive laws of Italy. Any other matter, not specifically treated in this Agreement, will refer to the above mentioned governing laws.

(…)”


Annex I bij de overeenkomst luidt als volgt:

Operational duty and functional purpose

During the lifespan of this agreement, the Consultant will assume the duties of the Area Export Manager (AEM) North-Northwestern Europe. These will span the enhancement of sales performance by the Sales agents, Dealer network and their staff in the region stated in Annex II. The Consultant will device, propose and when agreed upon implement new strategies in order to further the cooperation with the existing dealer network and modify, expand or alternate the dealer structure in such fashion that a new energetic dealer organization is formed“.


Annex IV bij de overeenkomst heeft de volgende inhoud:

Limited compensation for damages

-A- In case of termination of agreement under article 7b-2:

Company will pay Consultant:

1 For every year the agreement lasted, the sum of two months fixed retainer (annex III a) and for every part of a year a proportional percentage of this sum.

2 For the total of 2 month periods a proportional part of the sum stated under Annex III b. (for example 3 1/2 years equals 7 months’ salary plus 7/12 of both Anx.III b)

This amount is payable within one month of termination, in one lump sum or in a manner and time table as indicated by Consultant in writing. If the Company does not comply with these terms it is liable for compensation of any damages or negative effects it has for Consultant. The terms in this section do not exclude the regulations of the national legislation provided they do not result in a lesser compensation for the Consultant.

-B- In case of termination of the agreement under article 7 a:

If the grounds on which termination of this agreement took place prove to be faulty, in appropriate, false or otherwise do not stand up against scrutiny by arbitration or in a court of law then the termination is reversed. The wronged party has the right on compensation for material and immaterial damages:

1 Full payment of all the remuneration elements over the time span the termination lasted plus 100% bonus for said damages, regardless whether these materialized or not.

2 The right to sue for full compensation if not voluntary offered by the terminating party, including all costs made by wronged party to exercise these claims, both legal costs and non legal costs.

3 Continuation on the terms as laid down in this agreement or discontinuation with a full and undisputed claim to compensation under Annex IV A. This does not limit in anyway the rights stated under 1 and 2 above.”


2.2.

Op dezelfde datum heeft [eiseres] een vrijwel gelijkluidende consultancy-overeenkomst gesloten met een groepsvennootschap van [gedaagde sub 1] : [gedaagde sub 2] .


2.3.

Bij brieven van 15 september 2014 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de consultancy-overeenkomsten beëindigd. De door [gedaagde sub 2] verzonden brief luidt – voor zover relevant – als volgt:

“We herewith wish to follow up on the various verbal communications, as well as e-mail correspondence, that we exchanged in the last few months.

In light of the reiterative, poor sales performance recorded in the territories assigned to the consultancy activity of [eiseres] B.V (as further evidence of this subject, please find herewith attached the sales statistics chart), [gedaagde sub 2] , regretfully, is forced to terminate with immediate effect the contract currently in force with [eiseres] .

In any case, the nature of Consulting Services till now provided by [eiseres] , also in consideration of the overall costs generated by such activity, does not correspond to the current needs of [gedaagde sub 2] , and hence [gedaagde sub 2] will not appoint any other Consultant.

However, considering our good business relations and the seriousness of [gedaagde sub 2] and the [naam gedaagde sub 1] Group, we herewith express our willingness in evaluating a possible alternative form of collaboration between the Group and [eiseres] .

We look forward to receiving soon your kind acknowledgement of this communication in order to define the latest outstanding issues related to the terminated contract.”

De door [gedaagde sub 1] verzonden brief heeft een gelijkluidende inhoud, waarbij in plaats van [gedaagde sub 2] als beëindigende partij, [gedaagde sub 1] is genoemd.


2.4.

Op 16 oktober 2014 heeft de raadsman van [gedaagde sub 1] c.s. aan [eiseres] – voor zover relevant – een brief verzonden met onder meer de volgende inhoud:

“(…) I confirm the legitimacy of the termination of the consulting agreements executed between the parties (hereinafter the “Agreements”) carried out by [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] .

First of all, it is necessary to point out that the improvement of the performances in the assigned region was one of the obligations undertaken by [eiseres] [ [eiseres] ; toevoeging rechtbank] pursuant to the Agreements. However, said performances were not improved. In fact, the last statistic charts supplied by [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] show a constant turnover decrease in the region assigned to [eiseres] (and this region includes some of the most solid European economies).

The aforesaid circumstances were and are well-known to [eiseres] and to Mrs. [A] , as they were the subject of several reprimands by [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] during the current year (see e-mail sent by Mr. [B] , General Manager of [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] , on 6 June 2014).

In any case, the breach of [eiseres] was not limited to the facts described above. Indeed, [eiseres] did neither take the initiative nor give the necessary warnings with reference to the bad results registered in the region under its responsibility. In fact, [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] had to take care by themselves of identifying and replacing non-performant agents, without any warning of [eiseres] on this matter.

Also this criticism was punctually addressed to [eiseres] by [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] in the aforesaid e-mail dated 6 June 2104.

Moreover, in the two years of life span of the Agreements, [eiseres] did not identify possible agents to be engaged by the companies for the Scandinavian area although the problem has been highlighted by [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] and restated in the e-mail dated 3 June 2014 sent by Mr. [B] . In addition, even if Mrs. [A] rendered several reassurances, she did not improve her French language skills and caused troubles in the relationships with the Belgian clients. This circumstance was highlighted by my clients and it is well known to Mrs. [A] .

All the fact described above - both jointly and severally considered - legitimate the right of [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] to terminate the Agreements, as they effectively did.

Therefore, as the Agreements have been legitimately terminated for breach of [eiseres] , no compensation is due to [eiseres] by [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] pursuant to Annex IV of the Agreements.

The justifications described above have an absorbing nature. This being the case, we can not even consider the possibility to pay in favour of [eiseres] an indemnity in lieu of notice, as - with letters dated 15 September 2014 - [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] stated that they would not avail themselves of the consulting services of the kind supplied by [eiseres] and, therefore, in any case the first part of art. 7.2 of the Agreements should be applicable.

(…)”


2.5.

Op 28 november 2014 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam aan [eiseres] verlof verleend om ten laste van [gedaagde sub 1] conservatoir derdenbeslag te leggen. Vervolgens zijn bij exploten van 5 januari 2015 diverse derdenbeslagen gelegd.



3Het geschil

in conventie 3.1.

[eiseres] vordert samengevat - dat de rechtbank:

Primair

1) [gedaagde sub 1] op de voet van artikel 7a van de overeenkomst jo Annex IV.B.1 en 3 veroordeelt tot betaling van:

a. een bedrag ter hoogte van de maandelijkse remuneratie onder het contract (€ 10.700) over de maanden vanaf 15 september 2014 tot aan de dag waarmee deze procedure door een eindvonnis wordt afgesloten, vermeerderd met 100% bonus ten titel van boete;

b. een bedrag ter hoogte van € 47.314,52 (€ 42.800,00 + € 4.514,52), ofwel 2 maandelijkse betalingen voor elk gewerkt jaar (vanaf 1 juli 2012 tot aan 30 juni 2014) plus een proportioneel deel (77:365 x € 21.400) voor de periode van 1 juli 2014 tot 15 september 2014,

2) [gedaagde sub 2] op de voet van artikel 7a van de overeenkomst jo Annex IV.B.1 en 3 veroordeelt tot betaling van:

a. een bedrag ter hoogte van de maandelijkse remuneratie onder het contract (€ 1.000), over de maanden vanaf 15 september 2014 tot aan de dag waarop deze procedure door een eindvonnis wordt afgesloten, vermeerderd met 100% bonus ten titel van boete;

b. een bedrag ter hoogte van € 4.421,92 (€ 4.000,00 + € 421,92), ofwel 2 maandelijkse betalingen voor elk gewerkt jaar (vanaf 1 juli 2012 tot aan 30 juni 2014) plus een proportioneel deel (77:365 x € 2.000) voor de periode van 1 juli 2014 tot 15 september 2014,

3) [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag ter hoogte van € 15.419,78 aan buitengerechtelijke kosten, en tot betaling van de kosten van dit geding waaronder begrepen de nakosten,

4) de onder 1 en 2 vermelde bedragen vermeerderd met de wettelijke handelsrente, ingaande 14 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening,

Subsidiair

5) [gedaagde sub 1] op de voet van artikel 7b van de overeenkomst jo Annex IV.A.1 en 2 veroordeelt tot betaling van:

a. een bedrag van € 107.000, gelijk aan 10 maanden opzegtermijn,

b. een bedrag ter hoogte van € 47.314,52 (€ 42.800,00 + € 4.514,52) ofwel 2 maandelijkse betalingen voor elk gewerkt jaar (vanaf 1 juli 2012 tot aan 30 juni 2014) plus een proportioneel deel (77:365 x € 21.400) voor de periode van 1 juli 2014 tot 15 september 2014,

6) [gedaagde sub 2] op de voet van artikel 7b van de overeenkomst jo Annex IV.A.1 en 2 veroordeelt tot betaling van:

a. een bedrag van € 10.000, gelijk aan 10 maanden opzegtermijn

b. een bedrag ter hoogte van € 4.421,92 (€ 4.000,00 + € 421,92) ofwel 2 maandelijkse betalingen voor elk gewerkt jaar (vanaf 1 juli 2012 tot aan 30 juni 2014) plus een proportioneel deel (77:365 x € 2.000) voor de periode van 1 juli 2014 tot 15 september 2014,

7) [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 15.419,78 aan buitengerechtelijke kosten,

8) [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding, waaronder begrepen de nakosten,

9) de onder 5 en 6 vermelde bedragen vermeerderd met de wettelijke handelsrente, ingaande 14 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.


3.2.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer.


3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


in reconventie

3.4.

[gedaagde sub 1] c.s. vordert - samengevat - na eiswijziging dat de rechtbank:

  • - voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] c.s. de overeenkomst met [eiseres] op juiste gronden heeft beëindigd per 15 september 2014, althans (voor het geval de vorderingen van [eiseres] in conventie toewijsbaar zijn) de overeenkomst met [eiseres] ontbindt per 15 september 2014 of een door de rechtbank te bepalen datum,
  • - bepaalt dat [eiseres] gehouden is de door [gedaagde sub 1] c.s. geleden schade te betalen, begroot op € 808.852,--,
  • - de door [eiseres] gelegde beslagen opheft, althans [eiseres] veroordeelt deze op te heffen,
  • - [eiseres] veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.5.

[eiseres] voert verweer.


3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

Nu [gedaagde sub 1] c.s. in het buitenland gevestigd is, dragen de vorderingen van partijen een internationaal karakter en dient de rechter ambtshalve te bepalen welk recht op de vorderingen van toepassing is. Die beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Vo), nu de betreffende overeenkomst gesloten is op/na 17 december 2009. Partijen hebben - overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van deze Verordening - in de tussen hen gesloten overeenkomst een expliciete keuze gedaan voor de toepasselijkheid van het Italiaanse recht. Derhalve is op de onderhavige vorderingen, zowel in conventie als in reconventie, Italiaans recht van toepassing. Anders dan [eiseres] stelt, wordt ook de bewijslastverdeling beheerst door dit toepasselijke recht (artikel 18 Rome I-Vo).

in conventie

4.2.

Ter onderbouwing van haar vorderingen in conventie heeft [eiseres] aangevoerd dat [gedaagde sub 1] c.s. met de brief van 15 september 2014 de consultancy-overeenkomst niet rechtsgeldig heeft beëindigd, zodat zij (primair) de vergoeding verschuldigd is die voortvloeit uit het bepaalde in artikel 7a van die overeenkomst in combinatie met Annex IV onder B en (subsidiair) de vergoeding die voortvloeit uit het bepaalde in artikel 7b van die overeenkomst in combinatie met Annex IV onder A.


4.3.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft zich tegen de vorderingen verweerd met kort gezegd de volgende stellingen:

- primair: dat zij de consultancy-overeenkomst rechtsgeldig heeft beëindigd op de voet van artikel 7a van die overeenkomst,

- subsidiair: dat zij de overeenkomst met terugwerkende kracht heeft beëindigd op basis van het bestaan van een ‘giusta causa’,

- meer subsidiair: dat de overeenkomst beëindigd is op neutrale grond op de voet van artikel 7b van de consultancy-overeenkomst.


4.4.

Op grond van artikel 1372 van het Italiaans Burgerlijk Wetboek (hierna: Italiaans BW) heeft een overeenkomst kracht van wet tussen partijen en kan deze niet worden ontbonden behalve met wederzijds goedvinden of op door de wet toegestane gronden. De in dit vonnis opgenomen Italiaanse wetteksten zijn ontleend aan de website www.normattiva.it en de Duitse vertaling daarvan aan de website www.provinz.bz.it.


Il contratto ha forza di legge tra le parti. Non puo' essere sciolto che per mutuo consenso o per cause ammesse dalla legge. Zwischen den Parteien hat der Vertrag Gesetzeskraft. Er kann nur durch gegenseitige Einwilligung oder wegen eines gesetzlich zugelassenen Grundes aufgelöst werden.

4.5.

Nu [eiseres] zich tegen beëindiging van de consultancy-overeenkomst heeft verzet, en er derhalve van een beëindiging met wederzijds goedvinden geen sprake is, moet beoordeeld worden of, en zo ja onder welke voorwaarden, de Italiaanse wet beëindiging toestaat op de door [gedaagde sub 1] c.s. ingeroepen gronden. De rechtbank zal deze beoordeling verrichten aan de hand van de door [eiseres] ingestelde vorderingen.


Primaire vordering: beëindiging op grond van artikel 7a van de consultancy-overeenkomst


4.6.

Artikel 1456 van het Italiaanse BW stelt de volgende voorwaarden aan beëindiging van een overeenkomst op basis van een contractuele bepaling (de zogenaamde ‘clausola risolutiva espressa’):


I contraenti possono convenire espressamente che il contratto si risolva nel caso che una determinata obbligazione non sia adempiuta secondo le modalita' stabilite. In questo caso, la risoluzione si verifica di diritto quando la parte interessata dichiara all'altra che intende valersi della clausola risolutiva. Die Vertragsteile können ausdrücklich vereinbaren, dass der Vertrag aufgehoben wird, falls eine bestimmte Verpflichtung nicht auf die festgelegte Art und Weise erfüllt wird. In diesem Fall erfolgt die Aufhebung kraft Gesetzes, wenn die Partei, die ein Interesse daran hat, der anderen erklärt, sich der Aufhebungsklausel bedienen zu wollen.

4.7.

Eén van de vereisten van deze bepaling is derhalve dat de contractuele bepaling verwijst naar een specifieke verplichting die bij niet-nakoming leidt tot beëindiging van het contract.


4.8.

[gedaagde sub 1] c.s. stelt - onder verwijzing naar adviezen van het Asser Instituut en professor [C] van de Universiteit van Molise (overgelegd door [gedaagde sub 1] c.s. als producties 18 en 20) - dat ook bij gebreke van een uitdrukkelijke verwijzing naar een specifieke verplichting, een dergelijke contractuele bepaling geldig is. In deze adviezen wordt evenwel onvoldoende aandacht besteed aan de vaste jurisprudentie van de Italiaanse Hoge Raad (Corte di Cassazione), waarin strikt wordt vastgehouden aan de eis van een verwijzing naar een “specifieke verplichting”. Deze lijn blijkt onder meer uit de arresten van 12 februari 1982 (nr. 851) en 5 juni 1984 (nr. 3398), waaruit volgt dat clausules zonder dergelijke specifieke verwijzing “ontdaan blijven van elke juridische relevantie” (“rimanganono prive di qualsiasi significato giuridico a cagione della loro genericità ed indeterminatezza”). Dat die jurisprudentie ook nu nog geldt, blijkt uit het arrest van 11 maart 2016 (nr. 4796 ( […] / […] ), waarin de Italiaanse Hoge Raad heeft overwogen (onderstreping door rechtbank):


“Ciò premesso, va rilevato che, secondo la giurisprudenza di questa Corte, per la configurabilità della clausola risolutiva espressa, le parti devono aver previsto la risoluzione di diritto del contratto per effetto dell'inadempimento di una o più obbligazioni specificamente determinate, costituendo al contrario clausola di mero stile, estranea alla norma di cui all'art. 1456 cod. civ., quella redatta con generico riferimento alla violazione di tutte le obbligazioni contrattuali.” “Dat gezegd hebbende, moet worden opgemerkt dat volgens de jurisprudentie van het Hof voor de toepasselijkheid van de clausola risolutiva espressa partijen moeten voorzien in beëindiging van het contract wegens wanprestatie in een of meerdere specifiek bepaalde verbintenissen, bij gebreke waarvan sprake is van een inhoudsloze standaardclausule die in algemene zin refereert aan de niet nakoming van alle contractuele verbintenissen, die buiten het bereik van de norm van artikel 1456 valt.

4.9.

In dit arrest werd een clausule die verwees naar “ernstige en herhaalde niet-nakoming van verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst” (“le violazione agli obblighi (indistintamente) discendenti dal contratto fossero “gravi e reiterate”) door de Italiaanse Hoge Raad onvoldoende bepaald geacht.

Hieruit volgt dat voor de geldigheid van een clausola risolutiva espressa nog steeds vereist is dat er één of meerdere “specifieke verplichtingen” zijn aangewezen die bij schending tot beëindiging van het contract leiden.

De rechtbank zal deze lijn toepassen op het onderhavige geval.


4.10.

Artikel 7a van de consultancy-overeenkomst luidt als volgt:

"This agreement may be terminated by either party upon written notice if and when it finds and claims circumstances which are a breach of contract such as damaging to its interests, person, reputation or otherwise by the other party and the breaching party fails to cure such breach within thirty (30) days of notice after such breach. However it should be noted that any claim to an alleged breach will have to be substantiated by the claiming party with valid motivation and evidence. lf the substantiation does not prove to be valid or does not stand up against scrutiny by Arbitration or in a court of Law, the termination of this Agreement is reversed and the wronged party automatically has a right to claim / sue for damages.”


4.11.

In deze bepaling wordt als grond voor beëindiging alleen verwezen naar “circumstances which are a breach of contract” met (als voorbeelden) “damaging to its interests, person, reputation or otherwise”. Daarmee wordt niet verwezen naar een specifieke, uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenis.

De vergelijking die door het Asser Instituut is gemaakt met het arrest van het Hof van Justitie in de zaak SNUA (C-69/97) gaat niet op. In die zaak was immers wel sprake van een bepaling waarin, weliswaar via een andere bepaling, werd verwezen naar een specifieke verplichting die bij schending tot beëindiging van het contract zou leiden.


4.12.

Het gevolg van het hiervoor gegeven oordeel is dat artikel 7a “ontdaan blijft van elke juridische relevantie”, en derhalve nietig is. De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] c.s. niet in haar stelling dat de rechter bij gebreke van een verwijzing in een contractuele bepaling naar een bepaalde verplichting, het belang van een niet-nakoming dient te beoordelen, en dat dan alsnog de buitengerechtelijke ontbinding kan worden bereikt. Immers, in de arresten uit 1982 en 1984 die hiervoor zijn genoemd, heeft de Italiaanse Hoge Raad een dergelijke bepaling nietig geacht. En in het arrest uit 2016 is het cassatiemiddel dat inhield dat het beding “giuridicamente inesistente” en/of “inefficace” (juridisch non-existent en/of ineffectief) was, gegrond bevonden (“fondato”). Dit duidt niet op ruimte voor de rechter om de contractuele bepaling toch nog in de beoordeling te betrekken.


4.13.

Evenmin volgt de rechtbank [eiseres] in haar bij pleidooi ingenomen stelling dat er sprake is van slechts partiële nietigheid, namelijk alleen van de eerste zin van artikel 7a. De tweede en derde zin van deze bepaling hebben geen zelfstandige betekenis zonder de eerste zin. In deze twee zinnen wordt immers een uitwerking gegeven van hetgeen een partij moet doen als er sprake is van een “claim to an alleged breach”. Het beroep van [eiseres] op de slotzin van artikel 7 (“The damages are estimated and limited, but not restricted in such manner as stated in Annex IV”) brengt hierin geen verandering, omdat deze bepaling alleen iets zegt over de omvang van de schade bij contractuele beëindiging, en geen zelfstandige grondslag bevat voor contractuele beëindiging.


4.14.

Het gevolg van de nietigheid van artikel 7a is dat [eiseres] geen beroep kan doen op de vergoedingsregeling die is opgenomen in Annex IV onder B van de overeenkomst, omdat deze regeling uitgaat van beëindiging van de overeenkomst op de voet van deze bepaling. Dit betekent dat de primaire vordering, die op (onterechte) beëindiging op de voet van artikel 7a is gebaseerd, dient te worden afgewezen.


Subsidiaire vordering: beëindiging op neutrale gronden op de voet van artikel 7b


4.15.

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [gedaagde sub 1] c.s. ook de beëindiging van de consultancy-overeenkomst heeft ingeroepen op grond van artikel 7b van die overeenkomst, dat wil zeggen op neutrale gronden. [eiseres] stelt van wel, [gedaagde sub 1] c.s. stelt van niet.


4.16.

Artikel 7b van de consultancy-overeenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Discontinuance of business as termination of contract. Anything herein contained to the contrary notwithstanding:

(…)

2 In the event that the Company shall discontinue operations with the consultant, in

the region mentioned in Annex I and no other fitting and/or suitable alternative is to

be found within the Company or its successors and assigns, the Company will notify

consultant of such event by registered mail and give a 10 months notice during the

first three years and as of the 4th year a notice of 6 months.”


4.17.

De rechtbank constateert dat [gedaagde sub 1] c.s. in haar brief van 15 september 2014, waarin zij de beëindiging van de overeenkomst met onmiddellijke ingang aan [eiseres] kenbaar maakt, enerzijds aangeeft dat zij gedwongen is om dit te doen vanwege de “poor sales performance” van [eiseres] , maar ook (in de tweede alinea van de brief) “in any case” vanwege het feit dat de aard van de door [eiseres] geleverde diensten gelet op de daarmee samenhangende kosten niet overeenkomt met de behoeftes van [gedaagde sub 1] c.s., zodat zij om die reden geen nieuwe consultant zal benoemen.

Deze tweede alinea duidt op een beroep op artikel 7b, omdat daarin geen verwijt aan [eiseres] wordt gemaakt, en derhalve sprake is van beëindiging op neutrale grond.


4.18.

Uit de brief van 19 september 2014 (productie 8B van [eiseres] ) blijkt dat [eiseres] deze alinea ook als een beroep op artikel 7b heeft beschouwd. Haar advocaat schrijft immers:

“Despite of the above, in view of the statement contained in the second paragraph of your letter, my client in any case acknowledges that you wish to unilaterally withdraw from the agreement in force.

In this respect, I highlight that your unilateral withdrawal is subject to a notice period of 10 months starting from the date of your letter (15.09.14), as set forth by art. 7b-2, and, pursuant to Annex IV-A, compensation for damages, including the legal expenses borne by mi client due to your unlawful conduct shall become due.”


4.19.

Op deze brief reageert [gedaagde sub 1] c.s. vervolgens bij brief van 16 oktober 2014 (productie 10 van [eiseres] ), en deelt zij onder meer het volgende aan [eiseres] mee:

“Therefore, as the Agreements have been legitimately terminated for breach of [eiseres] , no compensation is due to [eiseres] by [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] pursuant to Annex IV of the Agreements.

The justifications described above have an absorbing nature. This being the case, we can not even consider the possibility to pay in favour of [eiseres] an indemnity in lieu of notice, as - with letters dated 15 September 2014 - [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] stated that they would not avail themselves of consulting services of the kind supplied by [eiseres] and, therefore, in any case the first part of art. 7.2 of the Agreements should be applicable.”


4.20.

In deze brief verwijst [gedaagde sub 1] c.s. naar artikel 7.2 van de overeenkomst die volgens haar “in any case” van toepassing zou moeten zijn. Die bepaling ziet op beëindiging om neutrale redenen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze passage dan ook niet anders worden begrepen dan dat [gedaagde sub 1] c.s. naast een beroep op beëindiging “for breach of [eiseres] ” (artikel 7a), ook een beroep doet op beëindiging om neutrale redenen (artikel 7b).


4.21.

Vervolgens is de vraag of het op een dergelijke wijze opgeven van alternatieve gronden voor beëindiging mogelijk is. [eiseres] stelt dat dat niet het geval is en betoogt dat artikel 7 keuzedwang impliceert.


4.22.

De uitleg van een overeenkomst is in het Italiaanse recht geregeld in artikel 1362 van het Italiaanse BW:


Nell'interpretare il contratto si deve indagare quale sia stata la comune intenzione delle parti e non limitarsi al senso letterale delle parole. Per determinare la comune intenzione delle parti, si deve valutare il loro comportamento complessivo anche posteriore alla conclusione del contratto. Bei der Auslegung des Vertrages hat man zu erforschen, was die gemeinsame Absicht der Parteien gewesen ist, und darf sich nicht auf den buchstäblichen Sinn der Worte beschränken. Zur Bestimmung der gemeinsamen Absicht der Parteien ist ihr gesamtes Verhalten auch nach Vertragsabschluss zu bewerten.

4.23.

Hieruit blijkt dat bij de uitleg van een overeenkomst de gezamenlijke wil van partijen doorslaggevend is, en dat bij de bepaling van die wil ook het handelen na het sluiten van de overeenkomst van belang is.


4.24.

De rechtbank constateert dat in de tekst van artikel 7 geen keuzedwang valt te lezen. Partijen hebben niet gesteld dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst over de alternativiteit of exclusiviteit van beide gronden hebben gesproken, zodat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de overeenkomst geen gezamenlijke wil op dat punt af te leiden is. Uit hetgeen daarna voorgevallen is wel. In de brieven die partijen over en weer hebben gestuurd naar aanleiding van de beëindigingsbrief van 15 september 2014 spreken partijen, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, over beide gronden zonder dat één van hen bezwaar maakt tegen het alternatief inroepen daarvan. Daaruit leidt de rechtbank af dat partijen met artikel 7 niet hebben beoogd om de partij die tot beëindiging van de overeenkomst wil overgaan, te dwingen een keuze te maken tussen grond a of grond b. De rechtbank wijst de andersluidende stelling van [eiseres] dan ook af.


4.25.

Met het opnemen van artikel 7b in de consultancy-overeenkomst hebben partijen het mogelijk gemaakt om op neutrale gronden de overeenkomst te beëindigen. De Italiaanse wet staat een dergelijke vorm van beëindiging toe. Zie artikel 1373:


Se a una delle parti e' attribuita la facolta' di recedere dal contratto, tale facolta' puo' essere esercitata finche' il contratto non abbia avuto un principio di esecuzione. Nei contratti a esecuzione continuata o periodica, tale facolta' puo' essere esercitata anche successivamente, ma il recesso non ha effetto per le prestazioni gia' eseguite o in corso di esecuzione. Qualora sia stata stipulata la prestazione di un corrispettivo per il recesso, questo ha effetto quando la prestazione e' eseguita. E' salvo in ogni caso il patto contrario. Ist einer der Parteien die Befugnis erteilt worden, vom Vertrag zurückzutreten, so kann diese Befugnis nur so lange ausgeübt werden, als mit der Durchführung des Vertrags nicht begonnen worden ist. Bei den auf dauernde oder regelmäßig wiederkehrende Durchführung gerichteten Verträgen kann diese Befugnis auch später ausgeübt werden, doch hat der Rücktritt auf jene Leistungen, die bereits erbracht worden sind oder deren Erfüllung bereits im Gange ist, keine Wirkung. Wurde für den Rücktritt die Leistung eines Entgelts vereinbart, so ist dieser wirksam, sobald die Leistung erbracht wird. In jedem Fall bleibt eine gegenteilige Abmachung unberührt.

4.26.

Bij beëindiging op de voet van artikel 7b dient [gedaagde sub 1] c.s. evenwel een opzegtermijn van 10 maanden in acht te nemen, en de vergoeding te betalen als bedoeld in Annex IV onder A. Vaststaat tussen partijen dat [gedaagde sub 1] c.s. heeft nagelaten aan deze verplichtingen te voldoen, zodat de subsidiaire vordering, die strekt tot voldoening van hetgeen [gedaagde sub 1] c.s. op deze grond verschuldigd is, in beginsel toewijsbaar is.


Onmiddellijke beëindiging op basis van de aanwezigheid van een ‘giusta causa’


4.27.

Dit is alleen anders, indien [gedaagde sub 1] c.s. gerechtigd is om, zoals zij heeft betoogd, de overeenkomst te beëindigen op basis van de aanwezigheid van een gegronde reden (giusta causa).


4.28.

[eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 1] c.s. haar recht verwerkt heeft om daarop een beroep te doen, omdat zij deze grond pas twee jaar na de opzegging (bij brief van 15 september 2014) heeft ingeroepen, namelijk bij conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie. Zij heeft in dit kader verwezen naar het arrest van de Italiaanse Hoge Raad van 28 april 2009, nummer 9924. Voorts hebben partijen volgens [eiseres] naast de contractueel vastgelegde vormen van beëindiging bewust overige (wettelijke) vormen uitgesloten.


4.29.

In het door [eiseres] aangehaalde arrest heeft de Italiaanse Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:


Dall'art. 1175, che assoggetta il creditore alle regole della correttezza, e dall'art. 1375 c.c., che impone alle parti di eseguire il contratto secondo buona fede, nonchè dalla comparazione con ordinamenti prossimi al nostro, la giurisprudenza di questa Corte da tempo valuta il comportamento del contraente titolare di una situazione creditoria o potestativa, che per lungo tempo trascuri di esercitarla e generi così un affidamento della controparte nell'abbandono della relativa pretesa, come idoneo a determinare la perdita della stessa situazione soggettiva. (vrije vertaling van [eiseres] ) Wanneer een partij met een recht, in het licht van de goede trouw en de correctheid, krachtens artikelen 1175 en 1375 Italiaans BW, dit recht voor lange tijd niet uitoefent en op dergelijke wijze een vertrouwen bij de wederpartij wekt dat het recht niet zal worden uitgeoefend, dan zal dit recht als verloren worden gekwalificeerd.

4.30.

Uit dit arrest blijkt dat indien een partij gedurende lange tijd zijn rechten niet uitoefent, hij zijn recht heeft verwerkt om dat alsnog te doen. De rechtbank begrijpt de uitspraak echter aldus dat dat ziet op een situatie waarin een partij zijn recht in het geheel niet heeft uitgeoefend. In het onderhavige geval heeft [gedaagde sub 1] c.s. haar recht wel uitgeoefend (namelijk de overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd), maar pas in een laat stadium de grondslag daarvoor aangevuld. Aan dat uitoefenen doet niet af dat [gedaagde sub 1] c.s. daarbij niet de desbetreffende rechtsfiguur van de giusta causa expliciet heeft benoemd. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat bij [eiseres] het vertrouwen is gewekt dat [gedaagde sub 1] c.s. geen beroep meer zou doen op een beëindiging met onmiddellijke ingang op grond van de aanwezigheid van een giusta causa. De rechtbank wijst het beroep op rechtsverwerking dan ook af.


4.31.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd waarom uit artikel 7 van de overeenkomst moet worden afgeleid dat zij naast de contractueel vastgelegde vorm van beëindiging bewust overige vormen hebben uitgesloten. Uit het door [gedaagde sub 1] c.s. aangehaalde arrest van de Italiaanse Hoge Raad van 9 februari 2016 (nr. 2519) blijkt dat ook in het geval een overeenkomst de mogelijkheid van voortijdige beëindiging uitsluit, de mogelijkheid blijft bestaan om een overeenkomst te beëindigen op grond van de aanwezigheid van een giusta causa. In het verlengde hiervan ligt het voor de hand om te oordelen dat indien een overeenkomst wel in voortijdige beëindiging voorziet, daarnaast ook de mogelijkheid resteert van beëindiging op basis van giusta causa.


4.32.

De beëindiging van een overeenkomst op basis van giusta causa is geregeld in artikel 2119 van het Italiaanse BW. De betreffende bepaling ziet weliswaar op arbeidsovereenkomsten, maar in voormelde uitspraak van de Italiaanse Hoge Raad van

9 februari 2016 is overwogen dat deze bepaling ook ziet op andere overeenkomsten, zoals een agentuurovereenkomst. Gelet op de verwantschap tussen een agentuurovereenkomst en de onderhavige consultancy-overeenkomst ziet de rechtbank geen aanleiding om ten aanzien van deze overeenkomst anders te oordelen.


4.33.

Artikel 2119 Italiaans BW luidt als volgt:


Ciascuno dei contraenti puo’ recedere dal contratto prima della scadenza del termine, se il contratto e' a tempo determinato, o senza preavviso, se il contratto e' a tempo indeterminato, qualora si verifichi una causa che non consenta la prosecuzione, anche provvisoria, del rapporto. Se il contratto e' a tempo indeterminato, al prestatore di lavoro che recede per giusta causa compete l'indennita' indicata nel secondo comma dell'articolo precedente. Non costituisce giusta causa di risoluzione del contratto il fallimento dell'imprenditore o la liquidazione coatta amministrativa dell'azienda. Jeder der Vertragsteile kann, falls ein Grund eintritt, der eine auch nur einstweilige Fortsetzung des Arbeitsverhältnisses nicht zulässt, vor dem Ablauf der Zeit zurücktreten, wenn es sich um einen Vertrag auf bestimmte Zeit handelt, oder ohne Vorankündigung, wenn es sich um einen Vertrag auf unbestimmte Zeit handelt. Bei einem Vertrag auf unbestimmte Zeit steht dem Arbeitnehmer, der aus einem wichtigen Grund zurücktritt, die im zweiten Absatz des vorhergehenden Artikels angegebene Entschädigung zu. Keinen wichtigen Grund für die Aufhebung des Vertrages bilden der Konkurs des Unternehmers oder die Zwangsliquidation des Betriebes im Verwaltungsweg.

4.34.

Uit deze bepaling blijkt dat het bij een beroep op beëindiging wegens een giusta causa moet gaan om omstandigheden op basis waarvan de voortzetting van de overeenkomst, zelfs een tijdelijke voortzetting, niet kan worden gevergd. Hieruit - alsmede uit de ernst van de gevolgen van onmiddellijke beëindiging (het stoppen van de voor de werkzaamheden verschuldigde vergoeding) - leidt de rechtbank af dat niet alleen een enkele tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst voldoende is voor een dergelijke beëindiging, maar dat deze tekortkoming voldoende ernstig van aard moet zijn, en ook niet op andere wijze te redresseren moet zijn om onmiddellijke beëindiging te rechtvaardigen.


4.35.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft de beëindiging van de consultancy-overeenkomst gegrond op de volgende tekortkomingen van [eiseres] in de nakoming van de consultancy-overeenkomst:

het niet behalen van de doelstelling tot verbetering van de verkoopcijfers

het binnen enkele maanden ontwikkelen van conflicten met alle agenten van [gedaagde sub 1] c.s.

het ontbreken van communicatie met de in België werkzame agent, omdat [eiseres] de Franse taal onvoldoende beheerste

de door [gedaagde sub 1] c.s. ervaren problemen in de interne communicatie met [eiseres]

het gedrag van [eiseres] tijdens diverse gelegenheden, in de vorm van huilbuien en handtastelijkheden jegens de algemeen directeur

het slechts realiseren van twee nieuwe verkooppunten

het ontbreken van ruime ervaring met A-merken.


4.36.

Naar het oordeel van de rechtbank zou alleen de onder 1 bedoelde tekortkoming, indien deze zou komen vast te staan, voldoende ernstig van aard kunnen zijn om de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst te rechtvaardigen. De overige genoemde tekortkomingen, indien deze zouden komen vast te staan, zouden immers voor herstel vatbaar zijn, indien [gedaagde sub 1] c.s. [eiseres] daarop duidelijk zou hebben aangesproken en gedurende een redelijke termijn de gelegenheid zou hebben gegeven om haar handelwijze te verbeteren. Voor zover [eiseres] al op de gestelde tekortkomingen is aangesproken, is niet gesteld of gebleken dat dat eerder dan juni 2014 is gebeurd, 3 maanden vóór de beëindigingsbrief. Dat is geen reële termijn om tekortkomingen als hiervoor bedoeld te herstellen.

Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat een onmiddellijke beëindiging noodzakelijk was en een (tijdelijke) voortzetting van de overeenkomst niet van [gedaagde sub 1] c.s. kon worden gevergd.


4.37.

Zoals gezegd zou de onder 1 gestelde tekortkoming een onmiddellijke beëindiging wel kunnen rechtvaardigen. Die tekortkoming was blijkens de brief van 15 september 2014 ook in de kern de reden van [gedaagde sub 1] c.s. om de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.


4.38.

Voor beëindiging op deze grond is naar het oordeel van de rechtbank wel vereist dat er op dit punt sprake was van een tekortkoming van [eiseres] in de uitvoering van haar taken. Daarvoor is het noodzakelijk dat [eiseres] ter zake van het verbeteren van de verkoopcijfers een resultaatsverbintenis op zich had genomen in de vorm van concrete targets die binnen een bepaalde periode moesten worden gehaald. Immers, alleen in dat geval is een verdere voortzetting van de overeenkomst zinloos, omdat het afgesproken resultaat dan niet meer kan worden bereikt. Niet gebleken is dat er in het onderhavige geval sprake is geweest van dergelijke concrete targets.


4.39.

Integendeel, uit de overeenkomst moet worden afgeleid dat tussen partijen slechts een inspanningsverbintenis is overeengekomen.


4.40.

Volgens vaste jurisprudentie van de Italiaanse Hoge Raad is een verbintenis die in verband staat met het uitoefenen van een specifiek beroep, in de regel een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis, omdat de professional zich verbindt bij het aanvaarden van de opdracht om zijn arbeid verrichten om een resultaat te benaderen, maar daarom niet per se om dit resultaat te bereiken (Corte di Cassazione 5 augustus 2013, nr. 18612).


4.41.

De taakomschrijving in de overeenkomst duidt niet op een uitzondering op deze regel. Op grond van artikel 1 van de overeenkomst was het de taak van [eiseres] om [gedaagde sub 1] c.s. te voorzien van haar ”best advice, information, judgment and knowledge”. Voor zover de verwijzing naar Annex I van de overeenkomst al als een extra taak kan worden beschouwd, brengt dat in de kwalificatie van de verplichtingen van [eiseres] geen verandering. In die Annex is weliswaar vermeld dat het in zijn algemeenheid de taak is van een Export Manager om de verkoop te verbeteren, maar deze taak wordt in die zin geconcretiseerd dat [eiseres] nieuwe strategieën moet ontwikkelen, voorstellen en “when agreed upon” uitvoeren. Van autonomie om het dealernetwerk naar eigen inzicht aan te sturen en aan te passen was dan ook geen sprake. Bij gebreke van dergelijke autonomie kan het niet verbeteren van de verkoopresultaten niet als het niet voldoen aan een eigen verantwoordelijkheid door [eiseres] worden beschouwd.


4.42.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake was van een zodanig ernstige tekortkoming van [eiseres] in het nakomen van de consultancy-overeenkomst dat daardoor voortzetting van de overeenkomst niet van [gedaagde sub 1] c.s. mocht worden gevergd.


Conclusie


4.43.

Dit betekent dat de subsidiaire vordering van [eiseres] voor toewijzing vatbaar is. Voor de vorderingen onder 3.1 sub 5 en 6 geldt dat niet gesteld is dat deze niet correct zijn berekend op basis van artikel 7b en Annex IV onder A van de overeenkomst, zodat deze vorderingen zullen worden toegewezen. Nu Italiaans recht op de vorderingen van toepassing is, zal over deze bedragen de naar Italiaans recht geldende wettelijke handelsrente worden toegewezen.


Buitengerechtelijke kosten


4.44.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is naar het oordeel van de rechtbank eveneens in beginsel toewijsbaar op grond van Annex IV onder A, nu daarin is bepaald dat indien [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig de verschuldigde vergoedingen betaalt, zij aansprakelijk is voor vergoeding van “any damages or negative effects it has for Consultant”. Het maken van kosten voor juridische bijstand kan worden begrepen onder deze bepaling. De gevorderde kosten komen de rechtbank niet onredelijk voor, met dien verstande dat een deel van de kosten moet worden toegerekend aan het verkrijgen van een vergoeding op basis van Annex IV onder B van de overeenkomst. Nu die vergoeding in het onderhavige vonnis wordt afgewezen, is het niet redelijk om de daarvoor gemaakte kosten ten laste van [gedaagde sub 1] c.s. te brengen. Die kosten worden begroot op 50% van het gevorderde bedrag, zodat zal worden toegewezen een bedrag van € 7.709,89. Nu een deel van de buitengerechtelijke kosten kan worden beschouwd als kosten ter voorbereiding van de inleidende dagvaarding, zal ter voorkoming van dubbele vergoeding van deze kosten bij de proceskosten geen punt worden toegekend voor de dagvaarding.


Beslagkosten, proceskosten en nakosten


4.45.

De rechtbank begrijpt dat [eiseres] de beslagkosten van [gedaagde sub 1] wil terugvorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 569,23 voor verschotten en € 1.421,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 1.421,00).


4.46.

[gedaagde sub 1] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag, en wel op:

- dagvaarding € 121,84

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 3.864,00

- salaris advocaat 5.684,00 (4,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 9.669,84


Uitvoerbaarheid bij voorraad


4.47.

Het bezwaar van [gedaagde sub 1] c.s. tegen uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van het vonnis wordt afgewezen, nu [eiseres] als partij die een veroordeling tot betaling van een geldsom heeft verkregen, wordt vermoed het vereiste belang daarbij te hebben (Hoge Raad 27 februari 1998, NJ 1998/512) en [gedaagde sub 1] c.s. het aangevoerde restitutierisico onvoldoende heeft geconcretiseerd (zoals vereist door Hoge Raad 17 juni 1994, NJ 1994/591).


in reconventie

4.48.

Uit hetgeen in conventie is overwogen vloeit voort dat [gedaagde sub 1] c.s. de consultancy-overeenkomst niet rechtmatig heeft beëindigd per 15 september 2014. Immers, zij had conform artikel 7b en Annex IV onder A van de overeenkomst een opzegtermijn in acht moeten nemen alsmede de overeengekomen vergoeding moeten betalen.



Aangezien het beroep op ontbinding op basis van giusta causa eveneens is afgewezen, is er evenmin een grondslag aanwezig voor de in reconventie gevorderde ontbinding.

De reconventionele vorderingen worden derhalve afgewezen.


4.49.

[gedaagde sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten voor het geding in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- salaris advocaat € 3.552,50 (5,0 punten × factor 0,5 × tarief € 1.421,00)

Totaal € 3.552,50


5De beslissing

De rechtbank


in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 154.314,52 (éénhonderdvierenvijftigduizend driehonderdveertien euro en tweeënvijftig eurocent), vermeerderd met de naar Italiaans recht geldende wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag met ingang van 14 oktober 2014 tot de dag van volledige betaling,


5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.990,23,


5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 14.421,92 (veertienduizend vierhonderdéénentwintig euro en tweeënnegentig eurocent), vermeerderd met de naar Italiaans recht geldende wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag met ingang van 14 oktober 2014 tot de dag van volledige betaling,


5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, zodat indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.709,89 aan buitengerechtelijke kosten,


5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, zodat indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 9.669,84,


in reconventie

5.6.

wijst de vorderingen af,


5.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 3.552,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,


in conventie en reconventie


5.8.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s., onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 205,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,


5.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,


5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

1 type: WV (4208) coll: