Rechtbank Midden-Nederland, 19-07-2017 / 5544066 LC FORM 16-4641


ECLI:NL:RBMNE:2017:3761

Inhoudsindicatie
Europese verordening geringe vorderingen Vo. 861/2007; Pakketreis ex EG-richtlijn 90/314; Bevoegdheid bij vordering van consument ex Vo. 261/2004 tegen luchtvaartmaatschappij die door reisorganisator bij uitvoering pakketreis is ingeschakeld, artt. 4, 7, 17 leden 1 en 3, en 18 lid 1 Brussel I bis.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-19
Publicatiedatum
2017-07-21
Zaaknummer
5544066 LC FORM 16-4641
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Prg. 2017/260
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter


locatie Lelystad


zaaknummer: 5544066 LC FORM 16-4641

datum beslissing: 19 juli 2017


Beslissing op een vordering als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen


inzake


1 [verzoeker sub 1] E/V [verzoeker sub 2] ,

2. [verzoeker sub 2] E/V [verzoeker sub 1],

beiden wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

gemachtigden: mr. I.G.B. Maetzdorff, mr. M.J.R. Hannink en M.A.P. Duinkerke (LL.B),


tegen:


de rechtspersoon naar buitenlands recht

TUI AIRLINES BELGIUM N.V.,

tevens handelend onder de naam JETAIRFLY.COM,

gevestigd te Zaventem , België,

belanghebbende,

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer.



Partijen worden in deze beschikking hierna ook aangeduid als [verzoekers c.s.] , dan wel [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] , en TUI Airlines.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt – voor zover hier van belang – uit:

- het vorderingsformulier A met acht producties van [verzoekers c.s.] , als bedoeld in bijlage I van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen, ingekomen ter griffie van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort, op 27 oktober 2015;

- de doorzending naar de locatie Lelystad, aldaar ingekomen op 28 oktober 2016;

- het C-formulier en het incidenteel verweer tot onbevoegdheid inzake de Europese Procedure voor geringe vorderingen van TUI;

- de reactie op het incidenteel verweer tot onbevoegdheid inzake de Europese Procedure voor geringe vorderingen van [verzoekers c.s.]


1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.


2De feiten

2.1.

[verzoekers c.s.] heeft met het “reiskantoor WEBSHOP JETAIRCENTER”, thans TUI Belgium N.V. (hierna: TUI Belgium) een overeenkomst gesloten voor een 7-daagse reis naar Yucatan van 19 tot 26 december 2014 met verblijf in een hotel aldaar met inbegrip van een vlucht van Brussel naar Cancun, Mexico, en terug.


2.2.

De vlucht Brussel - Cancun op 19 december 2014 (hierna: de vlucht) is uitgevoerd door Jetairfly, thans TUI Airlines, onder vluchtnummer […] .


2.3.

De vlucht zou volgens de reisovereenkomst vanuit Brussel vertrekken op 19 december 2014 om 6:15 uur (lokale tijd) en in Cancun aankomen op 19 december 2014 om 10:55 uur (plaatselijke tijd).


2.4.

De vlucht is vanuit Brussel vertrokken op 19 december 2014 om 10:52 uur (lokale tijd) en in Cancun aangekomen op 19 december 2014 om 14:52 uur (plaatselijke tijd), 3 uur en 57 minuten later dan overeengekomen.


3De vordering in de hoofdzaak3.1. [verzoekers c.s.] vordert TUI Airlines te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.200,- aan hoofdsom, € 181,50 dan wel € 180,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,- vanaf 19 december 2014, en veroordeling van TUI in de proceskosten.


3.2.

Naast voormelde feiten heeft [verzoekers c.s.] , samengevat en voor zover relevant, het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. [verzoekers c.s.] had een bevestigde boeking voor de vlucht van Brussel naar Cancun op 19 december 2014. [verzoekers c.s.] heeft TUI Airlines verzocht voor genoemde langdurige vertraging een financiële compensatie te betalen van € 600,- per persoon, zulks op basis van Verordening (EG) nummer 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: Verordening 261/2004) en de daaraan door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in zijn jurisprudentie gegeven uitleg. TUI Airlines is niet overgegaan tot vergoeding. Op grond van artikel 18 lid 1 Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken EG/1215/2012 (hierna: Brussel I bis) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.


4De vordering in het incident

4.1.

TUI Airlines vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen zoals door [verzoekers c.s.] aanhangig zijn gemaakt in de hoofdzaak, met veroordeling van [verzoekers c.s.] in de kosten van het incident.


4.2.

TUI Airlines heeft daartoe, samengevat en voor zover relevant, het volgende aangevoerd. [verzoekers c.s.] heeft geen vervoerovereenkomst met TUIfly (voorheen Jetairfly; een handelsnaam van de luchtvaartmaatschappij TUI Airlines) gesloten, maar een reisovereenkomst voor een pakketreis in de zin van de Richtlijn Pakketreizen met een andere rechtspersoon, namelijk Jetair, thans TUI Belgium. TUI Belgium is een reisorganisator, die zich niet specifiek op de Nederlandse markt richt. TUI Belgium heeft ter uitvoering van de reisovereenkomst tussen haar en [verzoekers c.s.] stoelen geboekt aan boord van de vluchten die worden uitgevoerd door Jetairfly/TUI Airlines. TUI Airlines biedt geen pakketreizen aan, maar sluit uitsluitend vervoersovereenkomsten. Zij is enkel de feitelijk vervoerder en is op geen enkele wijze betrokken bij de reservering voor accommodatie of andere diensten, noch was zij daarmee bekend. De grondslag van de vordering is niet gelegen in enige tekortkoming in de uitvoering van verbintenissen uit overeenkomst, maar in Verordening 261/2004 die ongeacht enige contractuele verhouding verplichtingen oplegt aan de feitelijke luchtvervoerder. De vraag welk gerecht bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen dient te worden beoordeeld aan de hand van Brussel I bis. Volgens de hoofdregel van artikel 4 Brussel I bis is de Belgische rechter als de rechter van de vestigingsplaats van TUI Airlines als verweerder bevoegd om van de vordering tegen haar kennis te nemen. Daarvan kan gezien de jurisprudentie van het HvJ EU slechts worden afgeweken indien zich één van de limitatief in Brussel I bis opgenomen uitzonderingen voordoet, wat niet het geval is. Indien wordt geoordeeld dat wel sprake is van een vervoerovereenkomst tussen [verzoekers c.s.] en TUI Airlines, brengt artikel 17 lid 3 Brussel I bis mee dat afdeling 4 niet van toepassing is op vervoerovereenkomsten. Derhalve komt de kantonrechter op de voet van artikel 18 lid 1 Brussel I bis geen rechtsmacht toe.


4.3.

[verzoekers c.s.] heeft, samengevat en voor zover relevant, het volgende aangevoerd. [verzoekers c.s.] heeft reis en verblijf geboekt bij TUI Belgium, die haar activiteiten gezien de keuzemogelijkheid op haar website om ook vanaf de luchthavens Eindhoven en Rotterdam te vertrekken, richt op de Nederlandse markt. Uit de bewoordingen van Brussel I bis blijkt niet dat het vervoer en verblijf moeten worden aangeboden door of zijn overeengekomen met dezelfde partij als de partij met wie de passagiers een overeenkomst tot luchtvervoer hebben; er staat enkel dat het moet gaan om een overeenkomst waarbij beide elementen zijn betrokken. Volgens Verordening 261/2004 dient de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is uit te voeren door de passagiers te worden aangesproken voor de financiële compensatie bij annulering of langdurige vertraging. De overeenkomst tot luchtvervoer is onderdeel van de pakketreis (vervoer en verblijf). [verzoekers c.s.] vallen derhalve onder de in artikel 17 lid 3 Brussel I bis opgenomen uitzondering op de niet-toepasselijkheid van afdeling 4, zodat die afdeling in dit geval van toepassing is. De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (de kantonrechter beschouwt de vermelding van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kamer voor kantonzaken, locatie Middelburg, als een kennelijke vergissing), heeft dan op grond van artikel 18 lid 1 Brussel I bis rechtsmacht.


4.4.

Op de (overige) stellingen van partijen zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.


5De beoordeling in het incident

5.1.

[verzoekers c.s.] heeft haar vorderingen ingesteld in het kader van een procedure die is voorzien bij de Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: EPGV-Vo). De EPGV-Vo. is, kort gezegd, van toepassing in grensoverschrijdende gevallen in burgerlijke en handelszaken, indien de waarde van een vordering, alle rente, kosten en uitgaven niet meegerekend, op het tijdstip dat het vorderingsformulier ter griffie van de rechtbank wordt ontvangen, niet meer bedraagt dan € 2.000,00, en zowel verzoeker als verweerder in een lidstaat wonen waarvoor de verordening geldt (artikel 2, leden 1 en 3, EPGV-Vo), een en ander behoudens de in artikel 2 lid 2 van de EPGV-Vo genoemde uitzonderingen.


5.2.

De kantonrechter heeft geconstateerd dat [verzoekers c.s.] in Nederland woont en dat TUI Airlines is gevestigd in België. Voor beide landen geldt de EPGV-Vo en de bedoelde uitzonderingen doen zich niet voor. De vordering valt dan ook binnen het toepassingsbereik van de EPGV-Vo.


5.3.

In de EPGV-Vo ontbreekt een aparte bevoegdheidsregeling. Derhalve dient in deze zaak aan de hand van Brussel I bis, dat de bevoegdheid uitputtend en dwingend regelt, te worden bepaald of de kantonrechter als Nederlandse rechter bevoegd is. In artikel 4 Brussel I bis is als hoofdregel bepaald dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Derhalve is in ieder geval de rechter in België bevoegd, aangezien TUI Airlines daar is gevestigd. Gelet op de stellingen van partijen gaat het in dit incident dan om de vraag of de Nederlandse rechter ten aanzien van de vordering jegens TUI Airlines, hoewel TUI Airlines niet de contractuele wederpartij van [verzoekers c.s.] bij de reisovereenkomst is en in België is gevestigd, bevoegdheid kan ontlenen aan een specifieke of alternatieve bevoegdheidsgrond in de zin van de artikelen 10 tot en met 23, respectievelijk 7 tot en met 9 Brussel I bis.


5.4.

[verzoekers c.s.] is van mening dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 18 lid 1 in samenhang met artikel 17 lid 3 Brussel I bis. Volgens TUI Airlines mist artikel 18 lid 1 Brussel I bis toepassing en is alleen de Belgische rechter bevoegd, en wel op grond van artikel 4 lid 1 of artikel 7 Brussel I bis.


5.5.

Brussel I bis luidt, voor zover van belang:

“(…)

Overwegende hetgeen volgt:

(…)

(15) De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van partijen een ander aanknopingspunt wettigt. (…)

(16) Naast de woonplaats van verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. (…)

(…)

(18) In het geval van verzekerings-, consumenten- en arbeidsovereenkomsten moet de zwakke partij worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels.

(…)

(21) Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.

(…)

Artikel 4

1. Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.

(…)

Artikel 5

1. Degenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, kunnen slechts voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels.

(…)

Artikel 17

1. Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 6 en artikel 5, punt 7, wanneer:

(…)

c) in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in een lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.

(…)

3. Deze afdeling is niet van toepassing op vervoerovereenkomsten, behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf worden aangeboden.


Artikel 18

1. De rechtsvordering die dor een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij een overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op grondgebied waarvan die partij woonplaats, hetzij, ongeacht de woonplaats van de wederpartij, voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.

(…)

Artikel 28

(…)

3. Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

(…) ”


5.6.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voor beantwoording van de vraag naar zijn bevoegdheid van belang het arrest van het HvJ EU van 14 november 2013 inzake Maletic c.s. vs. ‘lastminute.com’ en TUI Österreich GmbH (zaak C-478/12; ECLI:EU:C:2013:735; NJ 2014/234; hierna: het Maletic-arrest). Hoewel dit arrest de uitleg betreft van artikel 16 lid 1 van de Verordening van de Raad van 22 december 2000, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna ook: Brussel I, of Verordening 44/2001), waarvoor het in de onderhavige procedure aan de orde zijnde artikel 18 lid 1 Brussel I bis in de plaats is gekomen, geldt de door het HvJ EU gegeven uitleg van genoemd artikel 16 lid 1 Brussel I ook voor artikel 18 lid 1 Brussel I bis, omdat beide bepalingen inhoudelijk met elkaar overeenstemmen en zij als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (vgl. HvJ EU 4 mei 2010, zaak C-533/08, TNT Express Nederland vs. AXA Versicherung AG, NJ 2014/234).


5.7.

Het Maletic-arrest betreft een door de echtelieden Maletic, wonende te Bludesch (Oostenrijk), bij ‘lastminute.com’ in München (Duitsland) geboekte pakketreis, die door ‘lastminute.com’ werd bevestigd en gefactureerd en vervolgens werd uitgevoerd door TUI Österreich GmbH, gevestigd te Wenen (hierna: TUI Österreich). Wegens onvolkomenheden in de uitvoering van de reis stelde Maletic op de voet van artikel 16 lid 1 Brussel I een vordering in voor de rechtbank van hun woonplaats (Bezirksgericht Bludenz) tegen zowel ‘lastminute.com’ als TUI Österreich. Ter zake van de vordering tegen TUI Österreich oordeelde de rechter in eerste aanleg dat volgens Oostenrijks procesrecht uitsluitend de rechter van de vestigingsplaats van TUI Österreich (Wenen) bevoegd is. Op een prejudiciële vraag daarover van de appelrechter, zoals opgevat door het HvJ EU, heeft het HvJ EU beslist dat het begrip ‘wederpartij bij de overeenkomst’ in artikel 16, lid 1 Brussel I aldus moet worden uitgelegd dat het, in de omstandigheden van die casuspositie, ook betrekking heeft op de in de woonstaat van de consument gevestigde contractpartner van de marktdeelnemer waarmee deze consument het desbetreffende contract heeft gesloten. Daarmee valt TUI Österreich, met wie ‘lastminute.com’ ter uitvoering van haar overeenkomst met Maletic een overeenkomst had gesloten, onder het begrip ‘wederpartij bij de overeenkomst’ in de zin van artikel 16 lid 1 Brussel I, zodat Maletic haar op de voet van die bepaling voor de rechter van zijn woonplaats in Oostenrijk kon dagvaarden, ofschoon TUI Österreich elders in Oostenrijk was gevestigd. Daartoe heeft het HvJ EU onder meer overwogen:




“(…)

24. Niet betwist wordt daarentegen dat verordening nr. 44/2001 van toepassing is op lastminute.com en dat de rechtbank van de woonplaats van de echtelieden bevoegd is om het hoofdgeding te beslechten voor zover dit betrekking heeft op die onderneming.


25. Derhalve moet worden onderzocht of in de omstandigheden van het hoofdgeding, verordening nr. 44/2001 van toepassing is op een contractpartner als TUI, en of er sprake is van een extraneïteitselement dat deze toepassing kan rechtvaardigen.

(…)

28. Wanneer, (…), het internationale karakter van de betrokken rechtsverhouding voor de toepassing van artikel 2 van het Verdrag van Brussel (thans artikel 2 van verordening nr. 44/2001) niet noodzakelijkwijs hoeft voort te vloeien uit de omstandigheid dat, wegens de grond van de zaak of de respectieve woonplaats van partijen bij het geding, meerdere lidstaten bij de zaak betrokken zijn, moet, (…), worden vastgesteld dat verordening nr. 44/2001 a fortiori van toepassing is in omstandigheden van het hoofdgeding, aangezien zich niet enkel een extraneïteitselement voordoet met betrekking tot lastminute.com, hetgeen niet wordt betwist, maar ook met betrekking tot TUI.


29. Zelfs wanneer zou worden aangenomen dat één enkele handeling, zoals die waarmee de echtelieden Maletic hun all-in reis op de homepage van lastminute.com hebben geboekt en betaald, kan worden verdeeld in twee afzonderlijke contractuele relaties, één met het online reisbureau lastminute.com en één met de reisorganisator TUI, dan nog immers kan laatstgenoemde contractuele relatie niet worden aangemerkt als ‘zuiver intern’, aangezien zij onlosmakelijk is verbonden met eerstgenoemde contractuele relatie, die tot stand is gekomen door bemiddeling van dit in een andere lidstaat gevestigde reisbureau.


30. Bovendien moet rekening worden gehouden met de in de punten 13 en 15 van de considerans van verordening nr. 44/2001 genoemde doelstellingen betreffende, respectievelijk, de bescherming van de consument als ‘zwakke partij’ bij het contract en het ‘zoveel mogelijk [beperken van] parallel lopende processen [teneinde te] voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven’.


31. Deze doelstellingen verzetten zich tegen een oplossing waarbij wordt toegestaan dat de echtelieden Maletic met samenhangende rechtsvorderingen parallelle procedures voeren — namelijk in Bludenz én in Wenen — tegen de twee marktdeelnemers die betrokken zijn geweest bij de boeking en organisatie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde all-in reis. (…)”


5.8.

In de onderhavige procedure staat vast dat [verzoekers c.s.] als consument ten behoeve van haar vakantie met TUI Belgium als haar (professionele) wederpartij een reisovereenkomst heeft gesloten waarbij tegen één enkele prijs zowel vervoer als verblijf werd aangeboden (hierna: de reisovereenkomst). Het betreft hier een pakketreis in de zin van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (hierna: de Richtlijn Pakketreizen; deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in Boek 7, Titel 7A BW). Onbetwist is dat TUI Belgium de reisovereenkomst heeft gesloten in het kader van haar commerciële activiteiten als reisorganisator. In het standpunt van TUI Airlines dat TUI Belgium zich met haar website niet specifiek op de Nederlandse markt richt, en de door [verzoekers c.s.] aangevoerde omstandigheid dat TUI Belgium in het kader van haar aanbiedingen voor pakketreizen ook de keuze biedt om per vliegtuig vanaf de luchthaven Eindhoven of Rotterdam te vertrekken, ligt besloten dat TUI Belgium zich met haar activiteiten mede op de Nederlandse markt richt. Dit wordt ook hierdoor bevestigd dat in de door ‘Webshop Jetaircenter’ aan [verzoekers c.s.] verstrekte reisbescheiden over de reisdocumenten die bij de accommodatie moeten worden getoond niet alleen een aanwijzing is opgenomen voor “Belgische burgers”, maar ook expliciet voor “niet-Belgische burgers” (bijlage bij vorderingsformulier A, productie 1, p. 2). Bij deze stand van zaken staat in deze procedure rechtens voldoende vast dat TUI Belgium zich met haar beroepsmatige activiteiten als reisorganisator mede op de Nederlandse markt richt en dat de reisovereenkomst met [verzoekers c.s.] onder die activiteiten valt. Mede gezien het arrest van het HvJ EU van 7 december 2010 in de gevoegde zaken C-585/08 (Pammer vs. Schlüter) en C-144/09 (Alpenhof vs. Heller), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 38 – 43 (ECLI:EU: C:2010:740, NJ 2011/164) is de reisovereenkomst tussen TUI Belgium en [verzoekers c.s.] derhalve een overeenkomst als bedoeld in artikel 17 lid 1, aanhef en onder c, Brussel I bis.

5.9.

Vast staat dat TUI Belgium ter uitvoering van de met TUI Belgium overeengekomen pakketreis TUI Airlines heeft gecontracteerd om een constituerend onderdeel daarvan, te weten het luchtvervoer van [verzoekers c.s.] , uit te voeren. Dit strookt ook met het standpunt van TUI Airlines dat zij met [verzoekers c.s.] geen vervoerovereenkomst heeft gesloten, maar dat TUI Belgium ter uitvoering van de met [verzoekers c.s.] gesloten reisovereenkomst betreffende een pakketreis in de zin van de Richtlijn Pakketreizen stoelen heeft geboekt aan boord van de vluchten die door TUI Airlines worden uitgevoerd. Dit betekent dat het door TUI Airlines te verzorgen luchtvervoer heeft plaatsgehad binnen het kader van de reisovereenkomst tussen [verzoekers c.s.] en TUI Belgium. De verhouding tussen [verzoekers c.s.] en TUI Airlines ter zake van dat luchtvervoer kan derhalve niet worden aangemerkt als een op zichzelf staande relatie die op haar eigen merites moet worden beoordeeld; zij is onlosmakelijk met de reisovereenkomst verbonden.


5.10.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat [verzoekers c.s.] een tegen TUI Belgium gerichte vordering ter zake van een tekortkoming in de nakoming van de reisovereenkomst omdat de reis niet verloopt overeenkomstig de verwachtingen die de reiziger op grond van de reisovereenkomst redelijkerwijs mocht hebben, ook ten aanzien van de door TUI Airlines uitgevoerde vlucht, voor de Nederlandse rechter zou kunnen brengen, en wel op grond van artikel 18 lid 1 in samenhang met artikel 17 lid 1, aanhef en onder c), en lid 3, Brussel I bis. TUI Belgium is immers in beginsel aansprakelijk voor gedragingen van (rechts)personen die zij bij de uitvoering van de overeenkomst als leverancier van diensten (bijvoorbeeld TUI Airlines voor het verzorgen van het luchtvervoer) inschakelt, waarbij TUI Belgium zich op een uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid kan beroepen die een verdrag aan een dienstverlener als zodanig toekent of toestaat in het geval op een in de reisovereenkomst begrepen dienst een dergelijk verdrag van toepassing is (artikel 5 lid 2 Richtlijn Pakketreizen; artikelen 7:507 lid 1, 7:508 lid 2 BW).


5.11.

Het standpunt van TUI Airlines houdt in dat onder de omstandigheden van dit geval uitsluitend de Belgische rechter als rechter van haar woonplaats als bedoeld in artikel 4 lid 1 Brussel I bis bevoegd is om van de onderhavige vordering ter zake van vertraging van de vlucht als onderdeel van de overeengekomen pakketreis kennis te nemen. In het licht van de relevante bepalingen en overwegingen van Brussel I bis in samenhang met het Maletic-arrest en de omstandigheid dat het in de onderhavige procedure een reisovereenkomst in de zin van de Richtlijn Pakketreizen betreft, kan dit standpunt niet worden gevolgd.


5.12.

Uit de tekst en de considerans van Brussel I bis volgt niet dat voor bevoegdheid op grond van artikel 18 lid 1 Brussel l bis ter zake van vervoer ter uitvoering van een reisovereenkomst in de zin van de Richtlijn Pakketreizen het vereiste is gesteld dat het vervoer moet worden uitgevoerd door dezelfde partij als degene met wie die reisovereenkomst is gesloten. Ook laat het standpunt van TUI Airlines onverlet dat Brussel I bis naast de woonplaats van verweerder alternatieve bevoegdheidsgronden bevat die zijn ingegeven door de noodzaak om een goede, harmonische rechtsbedeling te vergemakkelijken en dat in het geval van een consumentenovereenkomst “de zwakke partij [moet] worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regels” (Brussel I bis, considerans, overwegingen 16, 18 en 21). Die overweging speelde ook reeds bij een eerdere (concept)versie van Brussel I, waar blijkens een summiere toelichting van de Europese Commissie (deze kan tot een beter begrip van de bepalingen van Brussel I leiden) de uiteindelijk in artikel 16 Brussel I neergelegde wijziging ten opzichte van de daaraan voorafgaande bevoegdheidsregeling gerechtvaardigd werd geacht, omdat de consument daarmee de mogelijkheid wordt geboden de wederpartij zo dicht mogelijk bij huis te vervolgen (COM(1999)348 def. p. 19). Van een en ander is de directe bevoegdheidsgrond die is neergelegd in artikel 18 Brussel I bis en die de rechter van de woonplaats van de consument aanwijst, een uitvloeisel. Volgens het Maletic-arrest moet bij de beantwoording van de vraag of op grond van artikel 18 lid 1 Brussel I bis (voorheen artikel 16 lid 1 Brussel I) rechtsmacht bestaat “[b]ovendien” rekening worden gehouden met de doelstellingen van Brussel I bis die in haar hiervoor aangehaalde overwegingen zijn genoemd, kort gezegd de bescherming van de consument als ‘zwakke partij’ bij de overeenkomst en het zoveel mogelijk beperken van parallel lopende procedures in verschillende lidstaten om onverenigbare beslissingen te voorkomen. Die doelstellingen, aldus het HvJ EU in het Maletic-arrest, verzetten zich tegen een oplossing waarbij wordt toegestaan dat de consument met samenhangende rechtsvorderingen parallelle procedures voert – voor de rechter van zijn woonplaats en de rechter van de woonplaats van een van de gedaagden – tegen de twee marktdeelnemers die betrokken zijn geweest bij de boeking en organisatie van de ‘all-in’-reis.


5.13.

Het standpunt van TUI Airlines gaat daaraan ten onrechte voorbij. Indien het standpunt van TUI Airlines wordt gevolgd, kan een situatie ontstaan waarin [verzoekers c.s.] als consument, die als ‘zwakke partij’ bij een overeenkomst in beginsel het recht heeft om bij het gerecht van haar eigen woonplaats te procederen, ter zake van hetzelfde feitencomplex en geschilpunt gelijktijdig een procedure in zowel België als Nederland aanhangig moet maken tegen de professionele wederpartij bij de reisovereenkomst onderscheidenlijk de luchtvervoerder die een constituerend onderdeel van de reisovereenkomst heeft uitgevoerd: in België voor zover het betreft een vordering tegen TUI Airlines op grond van Verordening 261/2004 en in Nederland voor zover het betreft een eventuele vordering tegen TUI Belgium op grond van de reisovereenkomst. Daarmee ontstaat de situatie die Brussel I bis mede gezien het Maletic-arrest nu juist zoveel mogelijk wil vermijden, namelijk dat over de vraag of TUI Airlines de vlucht gelet op Verordening 261/2004 zonder of met vertraging heeft uitgevoerd en aldus al dan niet overeenkomstig de verwachtingen die [verzoekers c.s.] op grond van de met TUI Belgium overeengekomen pakketreis mocht hebben, onverenigbare beslissingen worden gegeven. In het licht van het gegeven dat het hier gaat om een rechtsverhouding waarbij een consument partij is, moet de consument ( [verzoekers c.s.] ) gelet op de doelstellingen van Brussel I (bis) zoals uitgelegd in het Maletic-arrest in een dergelijke situatie juist worden beschermd door bevoegdheidsregels die gunstiger zijn voor haar belangen dan de algemene regel dat TUI Airlines dient te worden opgeroepen voor de rechter van haar vestigingsplaats in België. Daaraan doet niet af dat het HvJ EU in het arrest van 9 juli 2009 (zaak C-204/08 iz. Rehder vs. Air Baltic, ECLI:EU:C: 2009:439; NJ 2013/314) heeft beslist dat artikel 5, aanhef en onder 1, sub b, tweede streepje, Brussel I (thans artikel 7, aanhef en onder 1, sub b, tweede streepje Brussel I bis) aldus moet worden uitgelegd dat tot kennisname van een vordering tot compensatie op grond van Verordening 261/2004 naar keuze van eiser bevoegd is het gerecht in het rechtsgebied waarvan de plaats van vertrek of de plaats van het aankomst, zoals deze in de vervoerovereenkomst zijn overeengekomen, zich bevindt. Een eventuele (on)bevoegdheid tot kennisname van een vordering op de voet van artikel 7, aanhef en onder 1, sub b, tweede streepje, Brussel I bis impliceert immers niet dat geen bevoegdheid meer kan worden ontleend aan artikel 18 lid 1 Brussel I bis. Daarbij komt dat de beslissing in dit arrest ziet op een vordering op grond van Verordening 261/2004 ter zake van luchtvervoer van personen van een lidstaat naar een andere lidstaat ter uitvoering van een overeenkomst die is gesloten “met één enkele luchtvaartmaatschappij, die de vlucht uitvoert” (waarop artikel 17 en volgende Brussel 1 bis, gelet op de uitzondering in artikel 17 lid 3, niet van toepassing is), terwijl het in deze procedure gaat om luchtvervoer van personen binnen het kader van een reisovereenkomst, welk luchtvervoer om die reden niet op zichzelf staat maar onlosmakelijk met de reisovereenkomst is verbonden (zie 5.9).


5.14.

Het voorgaande leidt de kantonrechter tot de slotsom dat onder de omstandigheden van dit geval TUI Airlines, als contractpartner van de marktdeelnemer met wie [verzoekers c.s.] de reisovereenkomst had gesloten (TUI Belgium), (mede) moet worden aangemerkt als ‘wederpartij bij de overeenkomst’ in de zin van artikel 18 lid 1 Brussel I bis. Dit betekent dat de stelling van TUI Airlines wordt verworpen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 18 lid 1 Brussel I bis omdat TUI Airlines geen overeenkomst met [verzoekers c.s.] heeft gesloten en dat voor zover tussen hen sprake is van een overeenkomst, dit een vervoerovereenkomst is als bedoeld in artikel 17 lid 3 Brussel I bis zodat afdeling 4 niet van toepassing is, en de vordering in het incident zal worden afgewezen. Nu [verzoekers c.s.] met toepassing van artikel 18 lid 1 Brussel I bis haar vordering tegen TUI Airlines voor het gerecht van haar woonplaats heeft ingesteld, heeft de kantonrechter heeft om die reden rechtsmacht en zal hij zich bevoegd verklaren om van die vordering kennis te nemen.


5.15.

TUI Airlines heeft het bevoegdheidsincident opgeworpen. Zij heeft nog niet inhoudelijk op de vordering van [verzoekers c.s.] geantwoord. Derhalve zal de kantonrechter TUI Airlines als na te melden in de gelegenheid stellen.


5.16.

TUI Airlines zal als de in het incident in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.


5.17.

Iedere verdere beslissing (in de hoofdzaak) zal worden aangehouden.



6De beslissing


De kantonrechter:


in het incident:

6.1

wijst de vordering af en verklaart zich bevoegd om van de door [verzoekers c.s.] tegen TUI Airlines ingestelde vordering kennis te nemen,


6.2.

veroordeelt TUI Airlines in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verzoekers c.s.] begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde,


in de hoofdzaak:

6.3.

stelt TUI Airlines in de gelegenheid om binnen zes weken na heden inhoudelijk op de vordering in te gaan,




6.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.



Deze beschikking is gegeven door mr. H. Manuel, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.