Rechtbank Midden-Nederland, 17-07-2017 / UTR 15/5676


ECLI:NL:RBMNE:2017:3774

Inhoudsindicatie
MK. Loonsanctie is opgelegd, omdat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie inspanningen heeft verricht in spoor 2. De rechtbank volgt het oordeel van de door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundige in beroep. Verweerder heeft – gelet op het belastende loonsanctiebesluit – onvoldoende aannemelijk gemaakt dat werknemer met zijn beperkingen in staat was om 8 uur per dag activiteiten te verrichten en dus over volledig benutbare mogelijkheden beschikte. Daarmee heeft verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsarts tekort is geschoten in zijn beoordeling, door aan te nemen dat werknemer op de datum in geding geen benutbare mogelijkheden had. Eiseres mocht het advies van de BA dus opvolgen en de re-integratie staken. Loonsanctie is ten onrechte opgelegd. Beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit; herroeping primair besluit. PKV: vergoeding voor rechtsbijstand, deskundigenkosten; arts-gemachtigde kosten en reiskosten werknemer.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-17
Publicatiedatum
2017-07-25
Zaaknummer
UTR 15/5676
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 15/5676


uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigden: mr. J.W. Janse-Velema en drs. [A] ) ,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. F.A.M. Delfgaauw).


Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] .

Procesverloop


Bij besluit van 15 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het tijdvak waarin werknemer, [derde-partij] (werknemer), jegens eiseres als zijn werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken, tot 11 februari 2016 (loonsanctie), en de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van werknemer daarom niet in behandeling genomen.


Bij besluit van 30 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Werknemer heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan eiseres, zijn voormalige werkgever. De rechtbank heeft bepaald dat kennisneming van de medische stukken uitsluitend wordt toegestaan aan de door eiseres ingeschakelde gemachtigden mr. J.W. Janse-Velema, als advocaat-gemachtigde en drs. [A] , als arts-gemachtigde.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote, [B] .


De behandeling van het beroep is ter zitting geschorst omdat de rechtbank aanleiding zag om een deskundige te benoemen.


De rechtbank heeft in de periode na de zitting tot en met 21 november 2016 verschillende deskundigen, onder wie de door partijen voorgestelde deskundigen, benaderd met het verzoek om de specifieke aandoening van werknemer te onderzoeken en een rapport uit te brengen van de bevindingen. Geen van de zes benaderde deskundigen was bereid of in staat om de opdracht te aanvaarden.

Op 21 november 2016 heeft de rechtbank dr. [C] ( [C] ), specialist, benaderd. Hij heeft de rechtbank op 5 december 2016 bericht dat hij bereid is het onderzoek te doen, maar dat pas definitief kan toezeggen als hij het dossier heeft gezien. Op 7 december 2016 heeft de rechtbank [C] het dossier toegezonden en hem verzocht om de rechtbank uiterlijk voor 21 december 2016 te berichten of hij bereid is het onderzoek te doen. De rechtbank heeft partijen vervolgens op 21 december 2016 bericht dat [C] als deskundige wordt benoemd voor het instellen van een medisch onderzoek. Op 1 februari 2017 heeft [C] een rapport met daarin zijn bevindingen aan de rechtbank uitgebracht. Partijen hebben hun zienswijze met betrekking tot dit rapport naar voren gebracht, waarbij eiseres heeft meegedeeld zich te kunnen vinden in de conclusies van [C] .


Met toestemming van partijen heeft de rechtbank besloten dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek op 4 mei 2017 gesloten.



Overwegingen


1. Zoals hiervoor is vermeld, heeft werknemer geen toestemming gegeven om medische gegevens te delen met eiseres, zijn voormalige werkgever. Om te voorkomen dat deze gegevens alsnog bij eiseres bekend raken, wordt het vermelden van medische gegevens hierna zo veel als mogelijk vermeden.


2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Werknemer is op 14 februari 2013 uitgevallen voor zijn werk als voorzitter van het college van bestuur bij eiseres, vanwege medische klachten. Vanaf 14 februari 2013 heeft werknemer in het kader van zijn re-integratie diverse advieswerkzaamheden verricht. Begin 2014 is werknemer volledig gestopt met het uitvoeren van werkzaamheden voor eiseres in verband met bijkomende andere medische problematiek. Op 8 april 2014 heeft de bedrijfsarts van eiseres geadviseerd de re-integratie tijdelijk te staken, omdat werknemer op dat moment geen arbeidsmogelijkheden heeft. Op 7 mei 2014 heeft verweerder op aanvraag van eiseres een oordeel uitgebracht. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de bedrijfsarts van eiseres ten onrechte heeft aangenomen dat werknemer geen benutbare mogelijkheden heeft. Daarna heeft eiseres in juli 2014 het tweede spoor ingezet. Op 8 september 2014 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat de functionele mogelijkheden van werknemer slechter lijken te worden en dat werknemer alleen kan oriënteren in het tweede spoor. Vervolgens heeft de bedrijfsarts in zijn rapport van 6 oktober 2014 geconcludeerd dat werknemer arbeidsongeschikt is en dat er op korte termijn geen re-integratiemogelijkheden zijn te verwachten, op basis waarvan hij in het actueel oordeel bij de probleemanalyse heeft genoteerd dat de werknemer niet meer aan het werk kan. De door eiseres ingeschakelde arbeidsdeskundige heeft in een rapport van 19 november 2014 geconcludeerd dat de re-integratieactiviteiten ter oriëntatie in spoor 2 zijn gedaan en dat de voorbereidende stappen voor het opnieuw betreden van de arbeidsmarkt, in het geval de belastbaarheid van werknemer toeneemt, zijn gezet. Op 20 november 2014 heeft werknemer een WIA-aanvraag ingediend. Vervolgens heeft verweerder de onder ‘procesverloop’ vermelde besluiten genomen. Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapportages.


2.1

Nadien heeft verweerder bij besluit van 15 februari 2016 aan werknemer per 11 februari 2016 een WIA-uitkering toegekend, naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 76,18%. Bij beslissing op bezwaar van 14 oktober 2016 heeft verweerder werknemer alsnog gewijzigd voor 78,61% arbeidsongeschikt geacht en de WIA-uitkering ongewijzigd voortgezet.


3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opgelegde loonsanctie gehandhaafd, omdat eiseres zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht door het onbenut laten van kansen in spoor 1 en in spoor 2. Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat in beroep uitsluitend nog de vraag voorligt of eiseres voldoende re-integratie- inspanningen in spoor 2 heeft verricht.


4. Eiseres voert - samengevat - aan dat zij voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, maar dat re-integratie van werknemer in eigen of in aangepast werk en ook in het tweede spoor niet mogelijk was vanwege zijn medische beperkingen. Eiseres betoogt dat met name de noodzaak tot een urenbeperking door verweerder onjuist wordt beoordeeld, waarmee de belastbaarheid en de arbeidsmogelijkheden van werknemer zijn overschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft grotendeels dezelfde beperkingen aangenomen als de bedrijfsarts, maar houdt ten onrechte geen rekening met de gevolgen van de aandoening van werknemer die een urenbeperking noodzakelijk maken vanwege energieverlies en noodzakelijke rustperiodes. Volgens eiseres lijkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep uit te gaan van een te enge interpretatie van de relatie tussen een urenbeperking en de bijbehorende mogelijke ziektebeelden. Eiseres voert verder aan dat het de vraag is of er nog functies te duiden zijn als een toereikende urenbeperking wordt aangenomen, aangezien die kans volgens het re-integratiebureau nihil is. Ter onderbouwing van haar standpunt dat werknemer zeer beperkte of marginale arbeidsmogelijkheden had, heeft eiseres diverse stukken overgelegd van medisch specialisten.


5. Voor werknemers die een aanvraag indienen voor een WIA-uitkering wordt voorafgaand aan de beoordeling van het recht op uitkering door verweerder eerst de zogenoemde Poortwachterstoets uitgevoerd. De grondslag voor deze toets is onder meer te vinden in de artikelen 7:658a en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA.


Artikel 25 van de Wet WIA heeft betrekking op de re-integratieverplichtingen van de werkgever. In het negende lid van dit artikel is, kort samengevat, bepaald dat verweerder het tijdvak waarover de werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.


Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt, voor zover hier van belang, dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.


Verweerder heeft het kader dat wordt gehanteerd bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen uiteengezet in de ‘Beleidsregels beoordelingskader poortwachter’ (Besluit van 3 december 2002, Stcrt 2002, 236, zoals nadien gewijzigd) (de Beleidsregels).

In de Beleidsregels staat het met de re-integratie bereikte resultaat voorop. Een bevredigend resultaat is voldoende. Er wordt dan geen loonsanctie opgelegd. Hiervan is in beginsel sprake wanneer de werknemer (gedeeltelijk) hervat heeft in structureel werk dat min of meer aansluit bij zijn resterende functionele mogelijkheden. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, maar worden de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende geacht dan wordt evenmin een loonsanctie opgelegd. Ten slotte wordt ook afgezien van het opleggen van een loonsanctie in het geval sprake is van onvoldoende inspanningen, mits de werkgever daar een deugdelijke grond voor heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.


6. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat de werknemer ten tijde van de WIA-aanvraag niet werkte. Partijen verschillen van mening over de vraag of de re-integratie-inspanningen van eiseres in spoor 2 voldoende waren en verweerder dus bevoegd was om een loonsanctie op te leggen. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht op de datum die hier in het geding is, 6 oktober 2014, te weten de datum van het actuele oordeel, geen urenbeperking heeft aangenomen.


7. De rechtbank overweegt dat het besluit tot oplegging van een loonsanctie een ambtshalve genomen belastend besluit is, zodat het aan verweerder is om voldoende aannemelijk te maken dat eiseres zich zonder deugdelijke grond onvoldoende heeft ingespannen. De rechtbank verwijst in dit verband bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717.


8. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens en dat wat op zitting besproken is, aanleiding gezien [C] als deskundige te benoemen. In antwoord op vragen van de rechtbank merkt [C] in zijn rapport van 1 februari 2017 over de – in de beschikbare medische informatie beschreven – aandoening van werknemer op dat deze niet altijd tot klachten hoeft te leiden en dat de ervaren klachten afhankelijk zijn van de oorzaak van de aandoening. Hoewel de oorzaak bij werknemer nooit is opgehelderd, concludeert [C] dat meerdere onderzoekers in 2014 melding hebben gemaakt van een bepaalde oorzaak en dat een deel van de door werknemer geclaimde klachten (waaronder de vermoeidheidsklachten) terug te voeren kan zijn op deze oorzaak. [C] kan de aandoening zoals in de rapporten beschreven tijdens zijn eigen onderzoek echter niet met zekerheid vaststellen vanwege de complexiteit van het onderzoek. Wel constateert hij beperkingen die niet vanuit een bepaald ziektebeeld verklaard kunnen worden. Volgens [C] is sprake van uitgebreide, moeilijk te duiden stoornissen. Uitgaande van de eigen bevindingen in combinatie met de in de rapporten beschreven oorzaak en onderzoeken kunnen de rond de datum in geding geclaimde klachten van werknemer het gevolg zijn geweest van de aandoening, waardoor werknemer volgens [C] beperkt was in zijn mogelijkheden tot het verrichten van arbeid. De mate waarin werknemer op de datum in geding als gevolg van deze klachten taken kon verrichten, hangt volgens [C] af van de aard en intensiteit van de verrichtingen, zodat de bedrijfsarts de aangewezen persoon is om hierover uitspraken te doen.


9. In vaste rechtspraak van de CRvB ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. In dit geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bijzondere situatie waarin van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de ingeschakelde onafhankelijke en onpartijdige arts bij uitstek de deskundigheid bezit om beperkingen te onderkennen en dat hij zijn oordeelsvorming heeft gebaseerd op eigen onderzoek van werknemer en de verkregen informatie van de reeds in het dossier aanwezige medische gegevens. Hoewel [C] tijdens zijn onderzoek moeilijk een diagnose kan stellen omdat sprake is van uitgebreide, moeilijk te duiden, stoornissen heeft hij wel beperkingen bij werknemer geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hij voldoende gemotiveerd toegelicht dat de bevindingen van zijn onderzoek, mede bezien in het licht van de in de medische rapporten beschreven aandoening, op de datum in geding de door werknemer ervaren klachten tot gevolg konden hebben. Voor de mate waarin werknemer op de datum in geding als gevolg van deze klachten taken kon verrichten, heeft hij opgemerkt dat het aan de bedrijfsarts is om hierover uitspraken te doen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de door [C] getrokken conclusies en ziet in de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gegeven reactie van 28 maart 2017 op de rapportage van [C] onvoldoende aanknopingspunten om het oordeel van de deskundige niet te volgen.


9.1.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande en alle omstandigheden van dit geval in overweging genomen, van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfsarts tekort is geschoten in zijn beoordeling van de medische toestand op

6 oktober 2014, door aan te nemen dat werknemer op dat moment geen benutbare mogelijkheden had. Blijkens het deskundigenoordeel is bij werknemer sprake van uitgebreide, moeilijk te duiden, stoornissen die gepaard gaan met klachten. De rechtbank ziet in het deskundigenoordeel onvoldoende bevestiging voor het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een urenbeperking in dit geval geheel niet aan de orde is, nu [C] op dit punt verwijst naar de deskundigheid van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft, mede bezien in het licht van de bevindingen van de deskundige, mogen aannemen dat werknemer als gevolg van de aandoening en de daarmee gepaard gaande klachten op 6 oktober 2014 over onvoldoende functionele mogelijkheden beschikte om in spoor 2 werkzaamheden te verrichten. Eiseres heeft mogen afgaan op het advies van de bedrijfsarts. Er was geen reden daaraan te twijfelen. De enkele omstandigheid dat [C] niet met zekerheid een diagnose bij werknemer heeft kunnen vaststellen, behoort niet voor rekening en risico van eiseres te komen. Nu verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat werknemer met de aangenomen beperkingen in staat was om 8 uur per dag activiteiten te verrichten en dus over volledig benutbare mogelijkheden beschikte, konden van eiseres geen re-integratie-inspanningen in spoor 2 meer worden verlangd. De beroepsgrond slaagt.


10. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat de medische rapportage die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt dit belastende besluit niet kan dragen. Het bestreden besluit berust hierdoor op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag. Nu de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor zijn oordeel dat eiseres re-integratiekansen in het tweede spoor heeft gemist, is uitgegaan van deze medische rapportage berust het bestreden besluit reeds daarom ook op een onjuiste dan wel ondeugdelijke arbeidskundige grondslag.


11. Het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen.


12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1980,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 495,00, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1).


13.1

De rechtbank overweegt ten aanzien van de door eiseres verzochte vergoeding voor de door haar ingeschakelde arts [A] het volgende. Vast staat dat werknemer op 28 november 2015 aan de rechtbank heeft laten weten geen toestemming te geven om eiseres inzage te geven in de medische gegevens die van belang zijn in deze procedure, zodat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1, aanhef onder f, van het Bpb. De rechtbank stelt de kosten voor [A] , voor zover hij in de hoedanigheid van arts-gemachtigde heeft opgetreden, vast aan de hand van voornoemd artikel gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder f, van het Bpb en de bijlage bij het Bpb. Nu voor de arts-gemachtigde de helft van het aantal uit de bijlage bij het Bpb voortvloeiende punten wordt toegekend, kent de rechtbank voor het verschijnen ter hoorzitting 0,5 punt toe met een waarde per punt van € 495,00, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,25 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag van het deskundigenonderzoek met een waarde per punt van € 495,00, waardoor de proceskostenvergoeding voor het inschakelen van de arts-gemachtigde € 618,75 bedraagt.


13.2

Daarnaast stelt de rechtbank de kosten die eiseres heeft moeten maken voor het inschakelen van [A] als deskundige vast aan de hand van artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Bpb, gelezen in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, en derhalve met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Eiseres heeft desgevraagd na de zitting alsnog een factuur en een urenspecificatie van [A] aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank stelt vast dat de deskundige € 5009,40 heeft gefactureerd, waarin in totaal 20 uren zijn gedeclareerd voor bezwaar en beroep tegen een tarief van € 250,47 per uur. De rechtbank is van oordeel dat deze factuur volstaat ter onderbouwing van de gemaakte uren. De genoemde factuur komt op grond van de eerdergenoemde bepalingen echter niet geheel voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft de vergoeding aan de hand van het ten hoogste geldende tarief (€ 121,95) (forfaitair) vastgesteld op 20 uur (10 uur bezwaar en 10 uur beroep) x € 121,95 = € 2.439,00. Inclusief BTW is dit € 2.951,19.


13.3

Gelet op voorgaande bedragen de totaal te vergoeden proceskosten van eiseres dus (€ 1980,- + 618,75 + € 2.951,19 =) € 5.549,94.


13.4

Derde-partij heeft een vergoeding gevraagd voor reiskosten van hemzelf en van zijn echtgenote omdat hij niet alleen kan reizen en deze kosten begroot op € 64,44. Gelet op artikel 1, onder c, van het Bpb, komen reis- en verblijfkosten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank stelt de vergoeding voor de gemaakte reiskosten overeenkomstig deze begroting vast op € 64,44.



Beslissing


De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 5.549,94;

- veroordeelt verweerder in de kosten van derde-partij tot een bedrag van € 64,44.





Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en mr. N.M.H. van Ek, leden, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2017.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.