Rechtbank Midden-Nederland, 21-06-2017 / UTR 16/4472


ECLI:NL:RBMNE:2017:3801

Inhoudsindicatie
Mk, planschade, beroep ongegrond. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van planologisch nadeel. Onder het oude planologische regime was het planologisch al mogelijk om (zonder bouwmogelijkheden) een verkeersverbinding over de rivier de Angstel te realiseren. Het nieuwe planologische regime heeft alleen bouwmogelijkheden voor een brug gecreëerd. Dat het zonder een brug te bouwen mogelijk was om een verkeersverbinding te maken, bijvoorbeeld door gedeeltelijke indamming van de Angstel, was niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten. Verweerder is dus terecht uitgegaan van de maximale planinvulling en heeft een juiste planvergelijking uitgevoerd. De rechtbank komt niet meer toe aan beoordeling van de vraag of sprake is van voorzienbaarheid, omdat er geen sprake is van schade die het directe gevolg is van de planologische wijziging.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-21
Publicatiedatum
2017-07-28
Zaaknummer
UTR 16/4472
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/4472


uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , te [woonplaats] , eisers

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder

(gemachtigde: mr. A de Vink).



Procesverloop


Bij besluit van 26 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om tegemoetkoming in planschade voor het perceel gelegen aan [adres] te [woonplaats] afgewezen.


Bij besluit van 23 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2017. Namens eisers is [eiser] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. [A] , werkzaam bij [adviesbureau] .



Overwegingen


1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eisers hebben op 2 september 1988 de juridische eigendom verkregen van het perceel gelegen aan [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend als [woonplaats] [perceel] (het perceel). Door Abcoude loopt de rivier de Angstel. Gedurende langere tijd waren er in het dorp twee bruggen over de rivier. Op 13 maart 2008 heeft de raad van (toen nog) de gemeente Abcoude het bestemmingsplan Meerlanden / De Weert-Zuid, 2e partiele herziening (derde brug) (het bestemmingsplan voor de derde brug) vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van een derde brug over de Angstel, ten noorden van het centrum van Abcoude . Met het plan heeft de raad beoogd een bijdrage te leveren aan een oplossing voor de verkeersproblematiek in Abcoude , door de voorheen bestaande verkeersroute via het centrum in westelijke richting te verleggen, via onder meer De Weert. Het bestemmingsplan voor de derde brug is op 16 december 2009 in werking getreden en met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 februari 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL3333) onherroepelijk geworden. De brug is inmiddels gebouwd en de doorgaande verkeersroute is aangepast: deze loopt nu langs de woning van eisers. In 2012 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen de waardebeschikking in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) met betrekking tot hun op het perceel gerealiseerde woning, naar de waardepeildatum 1 januari 2011. In het bezwaarschrift hebben eisers onder meer gewezen op de hinder die zij toen ondervonden door de openstelling van de derde brug. De heffingsambtenaar van de gemeente De Ronde Venen heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 september 2012 de vastgestelde waarde verlaagd.

Op 27 januari 2015 hebben eisers bij verweerder een verzoek ingediend om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van het bestemmingsplan voor de derde brug. Eisers hebben hun aanvraag onderbouwd met een taxatierapport van 24 februari 2015 van [onderneming] , waarin de hoogte van de planschade, bestaande uit een waardevermindering van het eigendom van eisers, minus 2% normaal maatschappelijk risico, berekend is op € 9.200. Bij de aanvraag hebben eisers tevens een eerder uitgevoerd akoestisch onderzoek gevoegd, waaruit blijkt dat het aantal verkeersbewegingen en de geluidhinder is toegenomen. Vervolgens heeft verweerder de onder ‘procesverloop’ vermelde besluiten genomen.


2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van het verzoek om planschade gehandhaafd. Daarbij heeft hij zich gebaseerd op het advies van de door hem ingeschakelde deskundige [adviesbureau] van 24 december 2015 en op het nader advies in bezwaar van 21 juli 2016 van [adviesbureau] . In het advies van 24 december 2015 heeft [adviesbureau] de maximale mogelijkheden binnen het bestemmingsplan Abcoude West uit 1968 (het oude planologische regime) vergeleken met de mogelijkheden binnen het bestemmingsplan voor de derde brug en geconcludeerd dat de wegenstructuur die in de nieuwe planologische situatie planologisch mogelijk is gemaakt ook in de oude planologische situatie al aanwezig was. De plankaart van het bestemmingsplan Abcoude West voorzag ter plaatse van de locatie van de derde brug al in een bestemming “Verkeer”. Onder het oude planologische regime kon ter hoogte van de derde brug dus al een verkeersverbinding worden gemaakt. Er is alleen sprake van een verruiming van de bebouwingsmogelijkheden ter plaatse van de brug, maar dit leidt niet tot planologisch nadeel voor eisers omdat zij daar vanuit hun woning geen zicht op hebben. In het nader advies van 21 juli 2016 heeft [adviesbureau] , naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie, tevens geconcludeerd dat, voor zover er schade is, deze voorzienbaar was, omdat uit het bestemmingsplan Abcoude West een voldoende concreet beleidsvoornemen blijkt om een verkeersverbinding over de Angstel te realiseren, die noord en zuid Abcoude met elkaar verbindt. In aansluiting op deze adviezen heeft verweerder aan het bestreden besluit primair ten grondslag gelegd dat eisers als gevolg van het bestemmingsplan voor de derde brug niet in een nadeliger positie zijn komen te verkeren en subsidiair, dat de planologische wijziging voor hen voorzienbaar was.


3. Niet in geschil is dat vóór inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor de derde brug voor deze locatie het bestemmingsplan Abcoude West, vastgesteld op 22 augustus 1968, van toepassing was. Verweerder heeft zich daarom terecht gebaseerd op de door [adviesbureau] gemaakte vergelijking tussen deze twee bestemmingsplannen. Daarbij heeft [adviesbureau] , en daarmee verweerder, terecht 16 december 2009 als peildatum aangehouden, omdat dit de datum is waarop het bestemmingsplan voor de derde brug in werking is getreden. Ter zitting heeft de rechtbank – aan de hand van de plankaart behorende bij het oude bestemmingsplan – vastgesteld dat op de gehele rivier de Angstel, alsmede op een langwerpige strook aan beide zijden van de rivier een verkeersbestemming rustte. Blijkens de legenda wordt onder de bestemming “Verkeer” verstaan: rijweg, water, trottoir, voetpad en groen. Vast staat voorts dat het op grond van het plan binnen deze bestemming verboden is te bouwen.


4. Eisers voeren aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat zij niet in een nadeliger positie zijn komen te verkeren als gevolg van de planologische wijziging. Realisering van de derde brug en de daarmee samenhangende aanpassing van de verkeersroute heeft tot een toename van verkeer geleid. Hoewel inmiddels de bussen niet meer voor hun woning langs rijden, ervaren zij nog steeds geluidsoverlast van vracht- en ander verkeer. Volgens eisers is dit het directe gevolg van het bestemmingsplan voor de derde brug. Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen eisers op het rapport van [onderneming] en op de uitspraak op bezwaar in de Wet woz-procedure uit 2012. Verder wijzen eisers op de in 1988 verleende bouwvergunning voor hun woning dicht op de weg. Deze bouwvergunning zou volgens eisers niet verleend zijn, als het destijds mogelijk zou zijn geweest om het doorgaande verkeer via deze weg te laten rijden.


5. Op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), voor zover hier van belang, kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.


6. Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden (maximale invulling). Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het oude planologisch regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 29 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV7254).


7. De rechtbank stelt voorop dat eisers de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde adviezen van [adviesbureau] en de daarin gemaakte planvergelijking op zich niet betwisten. Tussen partijen is verder niet in geschil dat eisers geen nadeel ondervinden van de bouwmogelijkheden voor de derde brug op zichzelf. Het door eisers gestelde nadeel vloeit uitsluitend voort uit de verkeerssituatie die is ontstaan na de bouw van de derde brug. De rechtbank stelt met [adviesbureau] en daarmee met verweerder vast dat zowel onder het oude als onder het nieuwe planologische regime op de locatie waar inmiddels de derde brug is gebouwd een verkeersbestemming rust en dat in het nieuwe planologische regime enkel bouwmogelijkheden voor een brug zijn toegevoegd. De rechtbank ziet zich, naar aanleiding van de beroepsgrond van eisers, daarom voor de vraag gesteld of de hiervoor door de ABRvS beschreven uitzondering zich voordoet, namelijk of de realisering van een verkeersverbinding over de Angstel op grond van het oude planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten. Als dat het geval is dan kan dit tot het oordeel leiden dat verweerder bij de planvergelijking niet moest uitgaan van de maximale invulling van het oude bestemmingsplan (namelijk: een verkeersfunctie over de Angstel), maar juist moest uitgaan van de feitelijke situatie die voorheen bestond (namelijk: een rivier zonder verkeersverbinding). Wat de rechtbank daarom concreet moet beoordelen is of het direct voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor de derde brug (de peildatum) denkbaar was dat daar ook zonder een brug een verkeersverbinding kon worden gemaakt.


8. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat een verkeersverbinding op de plek van de derde brug over de Angstel kon worden gerealiseerd zonder dat daarvoor een brug gebouwd hoefde te worden, bijvoorbeeld door demping van de vaart of door indamming met behulp van duikers. Eisers hebben niet gesteld of onderbouwd welk beleid in 2009 ten aanzien van de scheepvaart over de Angstel werd gevoerd waardoor dit niet uitvoerbaar zou zijn geweest of waarom anderszins sprake was van belemmeringen om zonder brug een verkeersverbinding te realiseren. Evenmin is het de rechtbank gebleken dat een dergelijke oeververbinding feitelijk of technisch niet mogelijk zou zijn. De enkele omstandigheid dat sprake is van een rivier waar (op het moment van de peildatum in 2009) voornamelijk pleziervaart plaatsvond, is onvoldoende voor het oordeel dat deze technisch mogelijke verbinding nooit zou worden gerealiseerd. Het door eisers overgelegde taxatierapport leidt niet tot een andere uitkomst, omdat hierin bij de vergelijking van een onjuist oud planologisch regime is uitgegaan. Het feit dat aan eisers in 1988 een bouwvergunning is verleend voor het bouwen van hun woning maakt ook niet dat realisering van een verkeersverbinding over de Angstel onwaarschijnlijk was, omdat deze bouwvergunning enkel betrekking heeft op wat eisers op hun perceel mochten realiseren. Deze ziet niet op de locatie waar de verkeersverbinding over de Angstel gerealiseerd zou kunnen worden. Bovendien heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de bouwvergunning op grond van het bestemmingsplan Abcoude West is verleend, onder welk regime het al mogelijk was om de verkeersverbinding te realiseren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten dat (kort) voor de peildatum een verkeersverbinding (zonder brug) over de Angstel kon worden gerealiseerd. Omdat de uitzonderingssituatie zich niet voordoet, is verweerder met [adviesbureau] terecht uitgegaan van de maximale invulling van het oude planologische regime. Dit brengt met zich mee dat verweerder met [adviesbureau] ook terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van schade die het directe gevolg is van de planologische wijziging. De beroepsgrond van eisers slaagt dus niet.


9. Omdat er geen sprake is van planologische nadeel heeft verweerder het verzoek van eisers reeds hierom terecht afgewezen.


10. De rechtbank komt niet meer toe aan bespreking van de beroepsgrond van eisers, dat zij ten tijde van de aankoop van het perceel geen rekening konden houden met de kans dat de planologische situatie voor hen op de peildatum in 2009 nadelig zou veranderen zodat de schade voor hen niet voorzienbaar was. Hiervoor is immers al geoordeeld dat er geen sprake is van schade die het directe gevolg is van de planologische wijziging. De vraag of sprake is van voorzienbaarheid komt pas aan de orde als vaststaat dat er schade is door een planologische wijziging. Verder kan de overgelegde uitspraak op bezwaar in het kader van de Wet woz eisers niet baten, omdat ook die pas een rol kan spelen als er schade is, bij de vaststelling van de hoogte van de schade.


11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.





Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. N.M.H. van Ek en mr. N.M. Spelt, leden, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2017.






griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.