Rechtbank Midden-Nederland, 24-07-2017 / C/16/431875 / FL RK 17-177


ECLI:NL:RBMNE:2017:3806

Inhoudsindicatie
bijstandsverhaal en verzoek om kinderalimentatie
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-24
Publicatiedatum
2017-07-31
Zaaknummer
C/16/431875 / FL RK 17-177
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2017-0225
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht


Locatie Lelystad


zaaknummer: C/16/431875 / FL RK 17-177

datum:


beschikking van de enkelvoudige familiekamer

inzake


[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. G.G. Kempenaars,

hierna als de vrouw aangeduid,

verzoekster,


en


[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. C.M.E. Schreinemacher,

hierna als de man aangeduid,

belanghebbende.


Het procesverloop

De vrouw heeft op 27 januari 2017 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift tot het vaststellen van kinderalimentatie ingediend.


De man heeft op 23 maart 2017 een verweerschrift ingediend.


De rechtbank heeft verder kennisgenomen van:

  • - een brief van 30 maart 2017, met bijlage, namens de man;
  • - een faxbericht van 3 juli 2017, met bijlagen, namens de vrouw, en
  • - een faxbericht van 3 juli 2017, met bijlagen, namens de man.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren op 4 juli 2017. Daarbij zijn partijen met hun advocaten verschenen.


Tijdens de zitting is de vrouw in de gelegenheid gesteld nadere informatie over te leggen. Dit heeft zij gedaan bij faxbericht van 11 juli 2017. De rechtbank heeft hiervan kennisgenomen.


Vaststaande feiten

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.


Het minderjarige kind van de man en de vrouw is [naam minderjarige], geboren op [2005] in de gemeente [geboorteplaats] .


De minderjarige is door de man erkend.


Bij beschikking van 28 maart 2017 van deze rechtbank is bepaald dat de man aan de gemeente Almere (hierna: de gemeente) als bijdrage in de kosten die de gemeente heeft (gehad) in verband met bijstandsverlening aan de vrouw een bijdrage voldoet van € 185,00 per maand over de periode maart en april 2016 en met ingang van 1 juni 2017.


Beoordeling van de zaak


Kinderbijdrage


De vrouw heeft een met ingang van 13 november 2015 door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige verzocht van € 247,00 per maand, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift dan wel de datum van de te geven beschikking en een zodanige bijdrage als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.


De man heeft verweer gevoerd.


Ontvankelijkheid

De man heeft gesteld dat de vrouw niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek. Tijdens de indiening van het verzoekschrift van de vrouw liep er al een procedure tussen de gemeente en de man betreffende een verhaalsbijdrage. De man is met de gemeente tot een minnelijke regeling gekomen zoals is opgenomen in voormelde beschikking van

28 maart 2017. De man heeft tijdens de zitting verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten betreffende de onderhavige procedure.


De vrouw heeft betwist dat zij niet ontvankelijk is in haar verzoek. Zij heeft van de gemeente begrepen dat zij, ondanks dat er aan de man een verhaalsbijdrage is opgelegd, om vaststelling van kinderalimentatie kan verzoeken. De gemeente zal stoppen met het incasseren van de verhaalsbijdrage zodra de rechtbank aan de man een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige heeft vastgesteld. De vrouw heeft een e-mail van de gemeente overgelegd waarin dit is bevestigd. De vrouw heeft gesteld dat zij belang heeft bij het vaststellen van kinderalimentatie omdat zij dan een bijdrage in de kosten van de minderjarige ontvangt zodra haar bijstandsuitkering zal eindigen. Verder heeft de vrouw verweer gevoerd tegen het verzoek van de man betreffende de proceskosten. Op het moment dat de vrouw de onderhavige procedure is gestart was zij niet bekend met de omstandigheid dat tussen de gemeente en de man een procedure aanhangig was betreffende bijstandsverhaal. Daarbij komt dat de gemeente de vrouw te kennen heeft gegeven dat zij de onderhavige procedure kan voortzetten ondanks de minnelijke regeling inzake het bijstandsverhaal.


De rechtbank overweegt als volgt.


Allereerst is de rechtbank van oordeel dat de vrouw op dit moment geen belang heeft bij het vaststellen van kinderalimentatie nu zij een bijstandsuitkering ontvangt. Indien aan de man het betalen van kinderalimentatie wordt opgelegd, zal de vrouw een lagere uitkering ontvangen nu die zal worden gekort met de opgelegde kinderalimentatie. Hierbij wordt opgemerkt dat de omstandigheid dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt niet meebrengt dat de man niet gehouden is tot het betalen van een bijdrage in de kosten van de minderjarige. Door het betalen van de verhaalsbijdrage, voldoet de man aan zijn onderhoudsverplichting.


De rechtbank zal de vrouw niet volgen in het door haar gestelde belang bij het vaststellen van kinderalimentatie. Het door de vrouw gestelde belang ziet op de toekomst. Niet duidelijk is of, en zo ja wanneer de bijstandsuitkering van de vrouw zal eindigen. Hierbij is van belang dat de vrouw naar haar zeggen al acht/negen jaar een bijstandsuitkering ontvangt en zich thans slechts aan het oriënteren is op de arbeidsmarkt. Er is derhalve sprake van een onzekere toekomstige gebeurtenis. Daarbij komt dat thans niet duidelijk is hoe de financiële situaties van partijen eruitzien op het moment dat de bijstandsuitkering van de vrouw eindigt, zodat thans niet kan worden bepaald of en zo ja, hoeveel de man in die situatie moet bijdrage in de kosten van de minderjarige.


Verder acht de rechtbank van belang dat, indien de rechtbank thans zal overgaan tot het vaststellen van door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, de beschikking van 28 maart 2017 zal blijven gelden. Dit brengt mee dat de man zowel aan de vrouw als aan de gemeente een bijdrage dient te voldoen betreffende de kosten van de minderjarige. Dit is uiteraard niet de bedoeling. De enkele toezegging van de gemeente dat zij dan niet tot tenuitvoerlegging van voormelde beschikking zal overgaan, maakt niet dat die beschikking geen gelding meer heeft.


Op grond van het bovenstaande zal de rechtbank de vrouw niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie.


De rechtbank ziet geen aanleiding de vrouw te veroordelen in de proceskosten, zodat het verzoek van de man daartoe zal worden afgewezen.


Beslissing

De rechtbank:


verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie,


wijst het verzoek van de man tot het veroordelen van de vrouw in de proceskosten af.



Aldus gegeven door mr. M.A.A. ter Meer-Siebers, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.K. Franken, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van







Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de verschenen belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. De termijn is voor andere belanghebbenden drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden. Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een advocaat verplicht.