Rechtbank Midden-Nederland, 26-07-2017 / C/16/383732 / HA ZA 15-34


ECLI:NL:RBMNE:2017:3812

Inhoudsindicatie
Vordering tot uittreding ex 2:343 BW in conventie afgewezen. Overtreding concurrentie- en geheimhoudingsbeding in reconventie niet komen vast te staan.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-26
Publicatiedatum
2017-08-04
Zaaknummer
C/16/383732 / HA ZA 15-34
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Ondernemingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/383732 / HA ZA 15-34

Vonnis van 26 juli 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. Th.H.A. Teeuwen te Tiel,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 5] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 6] B.V.,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gevestigd te [vestigingsplaats]

advocaat mr. A.L. Wolters-van Soest te Rhenen.

Partijen zullen hierna [eiseres] BV en [gedaagde sub 1] BV c.s. genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk aangeduid worden als [gedaagde sub 1] BV, [gedaagde sub 2] BV, [gedaagde sub 3] BV, [gedaagde sub 4] BV, [gedaagde sub 5] BV en [gedaagde sub 6] BV.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de rolbeslissing van 15 februari 2017
  • - de akte overlegging producties van de zijde van [gedaagde sub 1] BV c.s. van 1 maart 2017
  • - de akte uitlating producties van de zijde van [eiseres] BV van 15 maart 2017

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

[eiseres] BV, [gedaagde sub 1] BV, [gedaagde sub 2] BV, [gedaagde sub 3] BV en [gedaagde sub 4] BV zijn persoonlijke houdstervennootschappen van de broers [A] , [B] , [C] , [D] en [E] . Via deze vennootschappen houden zij ieder 20% van de aandelen in [gedaagde sub 5] BV, die op haar beurt enig aandeelhouder is van [gedaagde sub 6] BV en [bedrijfsnaam 1] B.V. Het familiebedrijf houdt zich bezig met goederenvervoer over de weg, landschapsinrichting, de groothandel in hout en primaire houtbewerking. Het bedrijfsterrein is gelegen aan de [adres] in [vestigingsplaats] . [A] woont naast het bedrijfsterrein, aan de [adres] .


2.2.

Tot 2 april 2014 werd het bestuur van [gedaagde sub 5] BV en [gedaagde sub 6] BV gevormd door de vijf houdstervennootschappen van de broers [gedaagde sub 6] . Op 2 april 2014 zijn zij vrijwillig teruggetreden als bestuurder en is de heer [F] (hierna: [F] ) aangetreden als bestuurder van [gedaagde sub 5] BV en [gedaagde sub 6] BV.


2.3.

Op basis van managementovereenkomsten (gesloten met de rechtsvoorgangster van [gedaagde sub 6] BV) verrichtten de broers via hun houdstervennootschappen tegen vergoeding (management)werkzaamheden in opdracht van [gedaagde sub 6] BV.


2.4.

In de managementovereenkomst (hierna: de Overeenkomst) tussen (de rechtsvoorgangster van) [gedaagde sub 6] BV, die in de Overeenkomst wordt aangeduid als “de Vennootschap” en [eiseres] BV, die in de Overeenkomst wordt aangeduid als “de Management-BV” staat onder meer vermeld:

Artikel 1 Opdracht

1.1

De Vennootschap geeft hierbij aan de Management-BV opdracht om naast en ter ondersteuning van het statutaire bestuur van de Vennootschap mede de directie over de Vennootschap en de Onderneming te voeren, (…)

1.2

De Management-BV verplicht zich daartoe haar huidige statutair directeur, de heer [A] (hierna ook te noemen: “de Manager”) gedurende maximaal 40 uur per week aan de Vennootschap ter beschikking te stellen. (…)

(…)

De Manager is evenwel niet bevoegd de Vennootschap in haar verhouding tot de Management-BV te vertegenwoordigen.

[..]

Artikel 3 Geheimhouding en concurrentie

3.1

De Management-BV is verplicht tot geheimhouding van al hetgeen haar tijdens of door de uitvoering van de opdracht bekend wordt betreffende de gang van zaken in en rond de Vennootschap en de Onderneming. Deze verplichting geldt met betrekking tot alle gegevens waarvan de Management-BV weet of redelijkerwijs kan weten dat kennisneming daarvan door een derde het belang van de Vennootschap kan schaden.

3.2

De Management-BV is zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Vennootschap niet bevoegd directie te voeren over, of anderszins een leidinggevende functie te bekleden binnen, dan wel op enigerlei andere wijze zeggenschap uit te oefenen in, of adviseurswerkzaamheden te verrichten ten behoeve van een andere onderneming, waarin dezelfde of soortgelijke activiteiten worden uitgeoefend als in de Onderneming van de Vennootschap.

3.3

Voorts is het de Management-BV niet toegestaan om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Vennootschap gedurende één jaar na beëindiging van deze overeenkomst, binnen een straal van 30 km te rekenen vanuit de vestigingsplaats van de Onderneming, zich bezig te houden, al dan niet in samenwerking met of in opdracht van derden, met soortgelijke werkzaamheden als die in het kader van de Onderneming van de Vennootschap worden uitgeoefend, of daarbij in enigerlei vorm rechtstreeks of indirect betrokken te zijn, daaronder mede begrepen de activiteiten als omschreven in artikel 3.2.

3.4

Indien de Management-BV tekortschiet in de nakoming van enige voor haar uit de artikelen 3.1, 3.2 en 3.3 voortvloeiende verplichting, verbeurt zij door dat enkele feit, zonder dat daartoe ingebrekestelling of inachtneming van enige ander formaliteit vereist is, aan de Vennootschap een boete van € 50.000 (zegge: vijftigduizend euro), onverminderd het recht van de Vennootschap op vergoeding van door die tekortkoming geleden schade.

3.5

Het bepaalde in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 geldt eveneens voor de Manager.

(…).

Artikel 4 Duur en beëindiging van de overeenkomst

(…)

4.4

Deze overeenkomst eindigt voorts in elk van de onderstaande gevallen door het enkele feit van het zich voordoen van de desbetreffende gebeurtenis:

(…)

(d) door verlies van de hoedanigheid van statutair bestuurder van de Vennootschap krachtens besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders;

(…).


2.5.

Op 16 juni 2012 en op 9 juli 2014 heeft [eiseres] BV aan [gedaagde sub 5] BV geldleningen verstrekt van in totaal € 60.000,-.


2.6.

Alle broers hebben een borgstelling afgegeven aan de huisbank van [gedaagde sub 5] BV, ieder voor een bedrag van € 50.000,-. Alle houdstervennootschappen hebben zich jegens die bank hoofdelijk verbonden voor het totaalbedrag van € 4.2 miljoen.


2.7.

Op 4 oktober 2014 heeft [eiseres] BV haar aandelen en het woonhuis van [A] te koop aangeboden aan de medeaandeelhouders. Het aanbod behelsde eveneens de bereidheid van [eiseres] BV en [A] om tegen vergoeding een non-concurrentiebeding aan te gaan.


2.8.

Bij brief van 18 oktober 2014 heeft [eiseres] BV aan [gedaagde sub 5] BV bericht het (onder 2.7 weergegeven) aanbod in te trekken en voorts dat zij haar werkzaamheden voor [gedaagde sub 5] BV per 4 oktober 2014 heeft neergelegd.


2.9.

De zoon van [A] , [G] (hierna: [G] ), heeft zijn werkzaamheden voor [gedaagde sub 6] BV eveneens in oktober 2014 beëindigd en heeft per 22 oktober 2014 het bedrijf [bedrijfsnaam 2] BV opgericht, dat zich bezig houdt met landschapsverzorging, verhuur en lease van landbouwmachines en -werktuigen en aannemen van groenvoorzieningsprojecten, handel in houtproducten en transport.


2.10.

Bij brief van 31 oktober 2014 heeft [gedaagde sub 5] BV aan [eiseres] BV en [A] geschreven dat zij heeft geconstateerd dat [A] (in strijd met het overeengekomen non-concurrentiebeding dan wel anderszins onrechtmatig) [gedaagde sub 6] BV concurrentie aandoet. [gedaagde sub 5] BV heeft ter zake aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 150.000,-. Voorts heeft zij in die brief gewezen op het geheimhoudingsbeding.


2.11.

Bij vonnis in kort geding van 2 juni 2015 is aan [A] , [eiseres] BV, [G] en [bedrijfsnaam 2] BV een verbod opgelegd om het bedrijfsterrein van [gedaagde sub 5] BV te betreden en te gebruiken, op straffe van verbeurte van een dwangsom.



3De vordering en het verweer

in conventie
3.1.

[eiseres] BV vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

A. Hoofdvorderingen

1. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om de aandelen van [eiseres] BV in [gedaagde sub 5] BV (subsidiair [gedaagde sub 5] BV te veroordelen een zodanig aantal van de aandelen als de rechtbank aanvaardbaar acht), in eigendom te aanvaarden binnen acht dagen na betekening van het vonnis, tegen een door de rechtbank vast te stellen waarde, en bij gelegenheid van de levering de koopprijs te betalen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,-, te vermeerderen met een bedrag van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij met de nakoming van het vonnis in gebreke blijft;

2. ( voorwaardelijk), namelijk voor het geval de vordering onder 1. wordt toegewezen, [eiseres] BV veroordeelt haar aandelen in [gedaagde sub 5] BV vrij en onbezwaard aan [gedaagde sub 1] BV c.s. dan wel [gedaagde sub 5] BV te leveren;

B. Nevenvorderingen

1. Primair [gedaagde sub 5] BV veroordeelt tot betaling aan [eiseres] BV van een bedrag groot € 60.000,-, te vermeerderen met 4% rente over een bedrag van € 40.000,- sedert 16 juni 2012 en over een bedrag van € 20.000,- sedert 9 juli 2014, tot aan de dag van algehele voldoening, althans (subsidiair) de medeaandeelhouders hoofdelijk veroordeelt tot betaling van voornoemde hoofdsom en renten aan [eiseres] BV, onder veroordeling van [eiseres] BV tot overdracht van haar vordering aan de medeaandeelhouders;

2. [gedaagde sub 1] BV c.s. hoofdelijk veroordeelt tot medewerking aan de tenietdoening van de borgstellingen door de Rabobank […] te [vestigingsplaats] , en voor het geval de bank daartoe niet bereid is, tot medewerking aan de overname van de Borgstellingen na goedkeuring daarvan door de bank, alles met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] BV c.s. om [eiseres] BV voor iedere aanspraak van de bank uit hoofde van deze borgstellingen te vrijwaren, zolang deze niet teniet zijn gegaan of met instemming van de bank zijn overgenomen;

3. [gedaagde sub 1] BV c.s. hoofdelijk, althans [gedaagde sub 5] BV en [gedaagde sub 6] BV hoofdelijk, althans [gedaagde sub 5] BV, veroordeelt om het woonhuis van [A] , kadastraal bekend Gemeente [gemeente] , sectie [sectieaanduiding] , nummer [nummeraanduiding] , groot 8 are en 4 centiare, binnen acht dagen na betekening van het vonnis in eigendom te aanvaarden, tegen een koopsom die getaxeerd wordt door een onafhankelijke deskundige, te benoemen door de rechtbank, daarbij geen rekening houdend met de waardedaling die door de bestemmingsplanwijziging van het betreffende perceel is ontstaan, subsidiair geen rekening houdend met de huidige ontsierende door of vanwege [gedaagde sub 5] BV of [gedaagde sub 6] BV aangebrachte omheining en camera’s, deze koopsom bij gelegenheid van de levering in contanten te betalen, op straffe van een dwangsom van € 50.000,-, te vermeerderen met een bedrag van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde sub 1] BV c.s. met de nakoming van dit onderdeel van het vonnis in gebreke blijft, onder veroordeling van [A] tot overdracht van deze onroerende zaak aan [gedaagde sub 1] BV c.s., vrij en onbezwaard;

C. Vermeerdering van eis

1. vernietigt de in productie 64 aangeduide besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: av) [gedaagde sub 5] BV, alsmede de besluiten tot vaststelling van de jaarrekeningen 2014 van [gedaagde sub 6] BV en [bedrijfsnaam 1] BV;

2. [gedaagde sub 5] BV gelast binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in deze zaak, hetzij tot de opmaak van de gebruikelijke geconsolideerde jaarrekening over het boekjaar 2014 over te gaan en deze binnen deze termijn in afschrift aan de raadsman van [eiseres] BV te verstrekken, hetzij haar zal gelasten binnen voormelde termijn afschriften te verstrekken van opgemaakte enkelvoudige jaarrekeningen 2014 van [gedaagde sub 5] BV, [gedaagde sub 6] BV en [bedrijfsnaam 1] BV, op straffe van een dwangsom van € 50.000,-, te vermeerderen met een bedrag van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde sub 5] BV met de nakoming van dit onderdeel van dit vonnis in gebreke blijft;

3. [gedaagde sub 5] BV, [gedaagde sub 6] BV en [bedrijfsnaam 1] BV zal gelasten binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis algemene vergaderingen bijeen te roepen met, telkens ten aanzien van de betreffende vennootschap, als agendapunten de agendapunten vermeld in productie 45, op straffe van een dwangsom € 50.000,-, te vermeerderen met een bedrag van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde sub 5] BV, [gedaagde sub 6] BV of [bedrijfsnaam 1] BV met de nakoming van dit onderdeel van het vonnis in gebreke blijft;

4. [gedaagde sub 5] BV, [gedaagde sub 6] BV en [bedrijfsnaam 1] BV gelast de raadsman van [eiseres] BV op voormelde vergaderingen toe te laten, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- voor het geval [gedaagde sub 5] BV, [gedaagde sub 6] BV of [bedrijfsnaam 1] BV met de nakoming van dit onderdeel van het vonnis in gebreke blijft.


3.2.

[eiseres] BV baseert haar hoofdvordering (zie 3.1 onder A) op het bepaalde in artikel 2:343 BW en stelt dat het aandeelhouderschap van [gedaagde sub 5] BV van haar niet langer gevergd kan worden. De nevenvorderingen (zie 3.1 onder B) zijn alle primair gebaseerd op het bepaalde in artikel 2:336 lid 5 BW. De terugbetaling van de lening is subsidiair gebaseerd op de opzegging van die lening door [eiseres] BV per de datum van overdracht van de door haar gehouden aandelen in [gedaagde sub 5] BV. De gevorderde vernietiging van de in productie 64 (van de zijde van [eiseres] BV) aangeduide besluiten van de av d.d. 29 juni 2015 (zie 3.1. onder C) baseert [eiseres] BV op schending van onder meer de artikelen 2:210, 212 en 227 BW, alsmede strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW.


3.3.

[gedaagde sub 1] BV c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd, hetgeen hierna - voor zover nodig - aan de orde komt.


in reconventie


3.4.

[gedaagde sub 6] BV vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [eiseres] BV het geheimhoudingsbeding en/of concurrentiebeding opgenomen in de managementovereenkomst heeft overtreden en daardoor de boete is verbeurd,

en/of te verklaren voor recht dat [eiseres] BV ten opzichte van [gedaagde sub 6] BV een onrechtmatige daad heeft gepleegd en de daardoor geleden schade dient te vergoeden,

en/of te verklaren voor recht dat [eiseres] BV aansprakelijk is ten opzichte van [gedaagde sub 6] BV ex artikel 2:9 BW en/of artikel 2:8 BW en de daardoor geleden schade dient te vergoeden;

II. [eiseres] BV te veroordelen tot betaling van een boete en/of schadevergoeding ten bedrage van € 350.000,- dan wel tot betaling van een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van de eis in reconventie tot aan de dag van algehele voldoening;

III. [eiseres] BV te verbieden om gedurende een periode van drie jaar na 30 september 2014, dan wel gedurende een door de rechtbank te bepalen periode, direct dan wel indirect tegen betaling of om niet klanten en relaties van [gedaagde sub 6] BV op welke wijze dan ook te benaderen, daarmee contact te hebben, daarbij betrokken te zijn, daarmee zaken te doen en werkzaamheden/diensten van welke aard dan ook te verrichten ten behoeve van klanten en relaties van [gedaagde sub 6] BV, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding en een dwangsom van € 1.500,00 voor elke dag dat deze overtreding voortduurt, dan wel op straffe van een door de rechtbank te bepalen bedrag aan dwangsom;

IV. [eiseres] BV te verbieden om gedurende een periode van drie jaar na 30 september 2014, dan wel gedurende een door de rechtbank te bepalen periode, direct dan wel indirect tegen betaling of om niet werkzaamheden/diensten van welke aard dan ook te verrichten voor of namens [bedrijfsnaam 2] BV dan wel een aan [bedrijfsnaam 2] direct of indirect gelieerde onderneming dan wel op welke wijze dan ook daarbij betrokken te zijn en/of belang daarbij te hebben, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding en een dwangsom van € 1.500,00 voor elke dag dat deze overtreding voortduurt, dan wel op straffe van een door de rechtbank te bepalen bedrag aan dwangsom;

V. [eiseres] BV te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder salaris advocaat en nakosten alsmede de wettelijke rente over de kostenveroordeling vanaf veertien dagen na de datum van vonniswijzing tot aan de dag van voldoening.


3.5.

[gedaagde sub 6] BV baseert haar vorderingen op een toerekenbare tekortkoming van [eiseres] BV door in strijd te handelen met de artikelen 1.3, 3.1 en 3.3 van de Overeenkomst en op onrechtmatige daad en/of bestuurdersaansprakelijkheid.


3.6.

[eiseres] BV heeft gemotiveerd verweer gevoerd, hetgeen hierna - voor zover nodig aan de orde komt.






4De beoordeling

in conventie

ad C. vernietiging van de besluiten van de av d.d. 29 juni 2015


4.1.

De rechtbank zal allereerst de (bij eisvermeerdering) gevorderde vernietiging van de op de av d.d. 29 juni 2015 van [gedaagde sub 5] BV genomen besluiten alsmede de besluiten tot vaststelling van de jaarrekeningen 2014 van [gedaagde sub 6] BV en [bedrijfsnaam 1] BV en de daarmee verband houdende vorderingen (zie 3.1 onder C.) beoordelen. Het feitencomplex dat [eiseres] BV aan die vorderingen ten grondslag heeft gelegd heeft zij ook als nadere onderbouwing van haar uittreedvordering aangevoerd.


4.2.

Ter beoordeling staat of de onder 4.1 genoemde besluiten vernietigd moeten worden vanwege schending van de geldende regels voor de totstandkoming van die besluiten, dan wel strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 sub a en b BW).


4.3.

[eiseres] BV stelt zich op het standpunt dat de op die av genomen besluiten niet behoorlijk zijn voorbereid, noch de vrucht zijn van onderling overleg. Daartoe voert zij - kort samengevat - aan dat zij op voorhand geen onbelemmerde inzage in en afschriften van de opgemaakte jaarrekeningen heeft kunnen verkrijgen. Een afspraak voor inzage kwam moeizaam tot stand en tijdens de inzage zijn [A] en diens accountant, de heer [H] , vijandig benaderd door [F] , die hen geen enkele privacy bood. In tegenstelling tot voorgaande jaren bleek het accountantsconcept geen geconsolideerde jaarrekening te betreffen (over welke wijziging geen overleg is geweest). Van de jaarrekening van [gedaagde sub 5] BV is weliswaar een afschrift aan [A] en diens accountant verstrekt, echter de concept jaarrekeningen van de deelnemingen ( [gedaagde sub 6] BV en [bedrijfsnaam 1] BV) konden alleen vluchtig op een laptop worden inzien. [eiseres] BV stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat [gedaagde sub 5] BV slechts holdingactiviteiten uitvoert en dat haar hele winst door haar deelnemingen wordt gegenereerd, maakt dat de aandeelhouders van [gedaagde sub 5] BV rechtstreeks belanghebbende zijn bij de (vaststelling van de) jaarrekeningen van die deelnemingen op grond waarvan hen ten aanzien van die jaarrekeningen de rechten als bedoeld in artikel 2:212 BW toekomen. [eiseres] BV stelt zich op het standpunt dat de jaarrekeningen 2014 diverse tekortkomingen bevatten (waaronder een onterechte bijstelling van haar rekeningcourantverhouding met [gedaagde sub 5] BV, een te lage in rekening gebrachte huur naar [gedaagde sub 6] BV, ten onrechte wordt niet afgeschreven op de wel in gebruik geweest zijnde activa en ten onrechte vindt een afwaardering van onroerende zaken van de Groep plaatst). [eiseres] BV heeft voorts aangevoerd dat op 29 juni 2015 haar raadsman met geweld verhinderd is de av bij te wonen, waarna ook zij en haar accountant zich genoodzaakt zagen de vergadering te verlaten. Ondanks deze totstandkomingsgebreken (schending van de artikelen 2:210, 212 en 227 BW) en ondanks strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW, heeft de av op 29 juni 2015 achtereenvolgens de jaarrekeningen van [gedaagde sub 5] BV en haar deelnemingen vastgesteld en decharge verleend aan het bestuur; deze besluiten dienen vernietigd te worden, aldus [eiseres] BV.


4.4.

[gedaagde sub 1] BV c.s. betwist dat de desbetreffende besluiten gebrekkig tot stand gekomen zijn. [eiseres] BV is voor de av van 29 juni 2015 tijdig opgeroepen, heeft alle jaarstukken (ook die van de deelnemingen) kunnen inzien en ook is gelegenheid geboden om verdere onderliggende stukken in te zien (van dit laatste is geen gebruik gemaakt). Van de jaarrekening van [gedaagde sub 5] BV is een afschrift verstrekt, van de jaarrekeningen van de deelnemingen niet, maar daarop heeft [eiseres] BV ook geen recht, nu zij alleen van [gedaagde sub 5] BV aandeelhouder is, aldus [gedaagde sub 1] BV c.s. Er is voorafgaande aan de av van 29 juni 2015 steeds tijdig - vrijwel omgaand - gereageerd op de vragen en opmerkingen van [eiseres] BV.


4.5.

Met betrekking tot de gang van zaken op de av van 29 juni 2015 stelt [gedaagde sub 1] BV c.s. dat [eiseres] BV en haar accountant geheel uit eigen beweging zijn vertrokken. Deze eigen keuze kan niet aan de andere aandeelhouders worden tegengeworpen en evenmin heeft dat vertrek gevolgen gehad voor de rechtsgeldigheid van de tijdens die av genomen besluiten. Het klopt dat [F] voorafgaande aan dat vertrek de advocaat van [eiseres] BV verzocht heeft de vergadering te verlaten, maar dat verzoek was in de gegeven omstandigheden niet onredelijk. In dit verband is van belang dat aan alle aandeelhouders tevoren herhaaldelijk is verzocht om aanwezigen tijdig vooraf schriftelijk aan te kondigen. [eiseres] BV had de aanwezigheid van haar accountant tevoren aangekondigd, echter niet die van haar advocaat. De medeaandeelhouders hadden juist in verband met het soepel laten verlopen van de vergadering hun advocaat niet meegenomen en werden overvallen door de onaangekondigde aanwezigheid van de raadsman van [eiseres] . Volgens [gedaagde sub 1] BV c.s. was sprake van een overvaltactiek, die in strijd is met de gedragsnorm van artikel 2:8 BW.


4.6.

[gedaagde sub 1] BV c.s. wijst er voorts nog op dat de av van [gedaagde sub 5] BV in 2016 exact hetzelfde verlopen is als die in 2015. De wijze van oproeping en agendering, de inzagemogelijkheden, de beantwoording van de vooraf gestelde vragen en het verzoek om aanwezigen vooraf schriftelijk aan te melden, zijn in 2015 en 2016 identiek geweest. Ten aanzien van de gang van zaken voorafgaande aan de av van 21 juni 2016 is geen enkele opmerking van [eiseres] BV gekomen. Evenmin is tijdens de av in 2016 enige opmerking geplaatst over de vermeende ongeldigheid van enkele aandeelhoudersbesluiten van 29 juni 2015. Evenmin heeft [eiseres] BV een procedure bij de Ondernemingskamer (conform de artikelen 2:447 e.v. BW) opgestart. Het stilzitten van [eiseres] BV leidt in dezen dan ook tot rechtsverwerking, aldus [gedaagde sub 1] BV c.s. Ten aanzien van de in 2016 genomen besluiten, waaronder de vaststelling van de jaarrekeningen 2015 die voortborduren op de jaarrekeningen van 2014, heeft [eiseres] BV geen enkele opmerking geplaatst, laat staan geprotesteerd. [gedaagde sub 1] BV c.s. concludeert hieruit dat hetgeen [eiseres] BV heeft aangevoerd tegen de in 2015 genomen aandeelhoudersbesluiten slechts is geschied om processuele redenen: om te trachten een vermeend handelen van de zijde van [gedaagde sub 1] BV c.s. te kunnen schetsen ter onderbouwing van haar uittreedvordering.


4.7.

Ten aanzien van de totstandkoming van de besluiten, stelt de rechtbank vast dat [eiseres] BV voor de av van 29 juni 2015 tijdig (namelijk reeds bij brief van 15 mei 2015) een oproepingsbericht en agenda heeft ontvangen. De bij brief van 12 juni 2015 van [eiseres] BV ontvangen aanvullende agendapunten zijn direct verwerkt in de schriftelijke aanvulling op de oproeping d.d. 14 juni 2015. Ook blijkt uit de diverse overgelegde berichten van [F] dat op verschillende data mogelijkheid gegeven is tot inzage en dat [A] samen met de accountant van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt. Vast staat dat zowel de jaarrekening van [gedaagde sub 5] BV als die van haar deelnemingen bij die gelegenheid zijn ingezien en dat van de jaarrekening van [gedaagde sub 5] BV een kosteloos uittreksel is verstrekt. Partijen verschillen over de vraag of [eiseres] BV ook recht had op afschriften van de jaarrekeningen van de deelnemingen. Het recht op een kosteloos afschrift komt in beginsel alleen toe aan de aandeelhouders (en de overige vergadergerechtigden). [eiseres] BV behoort niet tot die (eerste) kring. De vraag of aan [eiseres] BV als rechtstreeks belanghebbende bij de vaststelling van de jaarrekeningen van [gedaagde sub 6] BV en [bedrijfsnaam 1] BV ook afschrift verstrekt had moeten worden, kan in het midden blijven. Vast staat immers dat [eiseres] BV en haar accountant alle jaarrekeningen hebben ingezien en gelet op de vrij uitvoerige lijst van opmerkingen en vragen van de heer [H] bij deze jaarrekeningen, moet die inzage veel uitgebreider zijn geweest dan een vluchtige blik onder het dwingende toeziende oog van [F] , zoals [eiseres] BV heeft gesuggereerd. Vast staat voorts dat [F] omgaand een reactie op die vragen en opmerkingen heeft gegeven. [eiseres] BV kan worden nagegeven dat [F] in die reactie veelvuldig volstaat met de mededeling dat specificatie op kantoor is in te zien, echter [eiseres] BV heeft niet betwist dat zij vervolgens geen gebruik meer heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om de onderliggende stukken in te zien. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank afdoende inzage in de jaarstukken aan [eiseres] BV verstrekt en is onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van schending van artikel 2:212 BW.


4.8.

De gang van zaken rondom het weigeren van de toegang van de raadsman van [eiseres] BV is (gelet op het bepaalde in artikel 2:227 BW) discutabel, echter in het licht van (i) het herhaaldelijk gedane verzoek van [F] om aanwezigen tijdig schriftelijk met naam en toenaam aan te kondigen, (ii) het feit dat [eiseres] BV wel de aanwezigheid van haar accountant had aangekondigd (iii) het feit dat de andere aandeelhouders vanwege de geëscaleerde verhoudingen er juist voor hadden gekozen hun advocaat niet mee te nemen en zij daarom overvallen werden door de onaangekondigde raadsman van [eiseres] BV, rechtvaardigt de weigering om de raadsman tot de vergadering toe te laten naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat de nadien genomen besluiten vernietigbaar zijn wegens strijd met de wettelijke bepalingen en/of eisen van redelijkheid en billijkheid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [A] zelf besloten heeft om samen met de heer [H] uit de vergadering te vertrekken. Dat vervolgens besluiten zijn genomen buiten zijn aanwezigheid kan [eiseres] BV niet aan de andere aandeelhouders tegenwerpen (die [A] overigens uitdrukkelijk hebben gevraagd wel te blijven).


4.9.

Met betrekking tot de jaarrekeningen 2014 van [gedaagde sub 5] BV en haar deelnemingen heeft [eiseres] BV niet meer weersproken dat deze zijn vastgesteld volgens de wettelijke regels. Evenmin is weersproken dat de jaarrekeningen 2015 op exact dezelfde wijze zijn vastgesteld en dat tegen die laatste jaarrekeningen verder geen bezwaren meer zijn ingebracht. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] BV een jaarrekeningprocedure (artikel 2:447 BW) tegen [gedaagde sub 5] BV en haar deelnemingen heeft ingesteld. Nu de voor die procedure geldende vervaltermijn is verstreken kan ook langs die weg geen correctie meer plaatsvinden. [eiseres] BV heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de besluiten tot stand zijn gekomen in strijd met wettelijke bepalingen, dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. De enkele omstandigheid dat, in afwijking van eerdere jaren, ervoor is gekozen om geen geconsolideerde jaarrekening op te stellen, is in dat verband onvoldoende. De stelling van [eiseres] BV dat alleen voor deze wijziging van beleid is gekozen om haar te treffen (teneinde de door de rechtbank vast te stellen overnameprijs neerwaarts bij te stellen), is niet nader onderbouwd.


4.10.

Op grond van hetgeen de rechtbank onder 4.7 t/m 4.9 heeft overwogen zal de gevorderde vernietiging van de diverse besluiten van de av op 29 juni 2015 worden afgewezen. Deze afwijzing brengt mee dat ook de overige onder 3.1 sub C ingestelde vorderingen afgewezen zullen worden, aangezien deze onverbrekelijk samenhangen met de gevorderde vernietiging.


ad A. de uittreedvordering


4.11.

Op grond van artikel 2:343 lid 1 BW geldt dat een aandeelhouder in een besloten vennootschap overname van de door hem gehouden aandelen kan vorderen van zijn medeaandeelhouders en/of de vennootschap indien hij door gedragingen van één of meer van zijn medeaandeelhouders en/of de vennootschap zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Voor beoordeling van een dergelijke vordering moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval.


4.12.

Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiseres] BV - kort samengevat - de volgende gedragingen en gebeurtenissen aan:

a. het toebrengen van schade aan de vennootschap

[gedaagde sub 3] BV heeft het welslagen van het investeringsprogramma van [gedaagde sub 5] BV (bestaande uit de verwerving van een bedrijfsterrein van 4 hectare naast de woning van [A] aan de [adres] te [woonplaats] , dat geschikt werd gemaakt voor op- en overslag en waarop een grote loods werd gerealiseerd, hierna te noemen: het Project), in gevaar gebracht door onder meer in strijd met het bestemmingsplan en vooruitlopend op het gewijzigde plan een overeenkomst aan te gaan strekkende tot overslag van teerhoudend asfaltgranulaat. Uiteindelijk moesten de gemeente en enkele naburige bedrijven, die ook profiteerden van de bestemmingsplanwijziging die door deze overslag in gevaar kwam, ingrijpen met het dringende verzoek dit na te laten.

b. lasterlijke uitlatingen

De broers van [A] hebben op diverse momenten roddels verspreid over de echtgenote van [A] , onder meer dat zij vreemd zou gaan met een van de chauffeurs en van de betreffende chauffeur zwanger zou zijn.

c. lichamelijk geweld

Op 4 november 2013 heeft een handgemeen plaatsgevonden tussen [A] en [D] , waarbij andere broers tussen beiden zijn gekomen. De rijen sloten zich wederom tegen [A] en het wangedrag van [D] werd goedgepraat.

d. blokvorming leidend tot gedwongen ontslag

Vanaf begin februari 2014 hebben de medeaandeelhouders het functioneren van [A] enkele malen geagendeerd onder de mededeling dat alle broers het ontslag van [A] nastreefden. Uiteindelijk heeft [A] onder deze druk en op advies van de huisbankier, meegewerkt aan de benoeming van [F] . Enkele maanden later heeft [eiseres] BV vanwege de onhoudbare situatie besloten niet langer werkzaam te zijn voor [gedaagde sub 6] BV.




e. carrière van zoon en dochter van [A] binnen familiebedrijf

[D] heeft gaandeweg alle broers tegen [A] opgezet en hierdoor werd [G] en de dochter van [A] uiteindelijk het recht ontnomen om ook een door hen gewenste carrière in het familiebedrijf te kunnen ontwikkelen.

f. schending privacy gezin van [A] / uitlaatverbod honden van [A] /ontzegging betreding bedrijfsterrein

Door de plaatsing van enkele camera’s wordt de privacy van [A's] gezin geschonden en worden voorheen vanzelfsprekende zaken als het uitlaten van de honden op het bedrijfsterrein verboden. Enkel door gram gedreven, heeft [gedaagde sub 6] BV in een kort geding een aan [A] en [G] opgelegd verbod verkregen om het bedrijfsterrein nog langer te betreden. Ondanks het feit dat dit verbod niet wordt overtreden, werd een deurwaarder geïnstrueerd het vonnis te executeren op basis van vage camerabeelden.

g. oprichting betonnen afscheiding

Zonder aankondiging is door of vanwege [gedaagde sub 5] BV een intimiderende ontsierende betonnen afscheiding opgetrokken tussen het bedrijfsterrein en de woning van [A] .

h. dreigen met onzinnige vorderingen

[eiseres] BV en [A] hebben op 31 oktober 2014 grotendeels gelijkluidende brieven ontvangen van de bestuurder van [gedaagde sub 5] BV en de medeaandeelhouders, waarin ten onrechte gesteld wordt dat sprake is van schending van een concurrentiebeding en een geheimhoudingsbeding. Geheel ten onrechte werd aanspraak gemaakt op niet overeengekomen boetes en ten onrechte werden rechtsmaatregelen in het vooruitzicht gesteld.

i. onrechtmatige en onnodige geluids- en stofoverlast

[A] heeft diverse keren ernstig hinderlijke gedragingen door of vanwege [gedaagde sub 5] BV gemeld bij de Omgevingsdienst. Ten onrechte wordt gesteld dat de klachten van [A] bij de Omgevingsdienst geen ander doel dienden dan het schaden van [gedaagde sub 5] BV. Het is volstrekt begrijpelijk dat [A] zijn uiterste best doet zijn persoonlijke leefomgeving te beschermen. Zijn woning en perceel bevinden zich zodanig nabij de bedrijfsgebouwen en het bedrijfsterrein van [gedaagde sub 5] BV dat iedere overtreding van de op zich al ruime normen [A] en zijn gezin erg raakt. Inmiddels heeft [A] ook diverse keren de politie moeten inschakelen.

j. aankondiging afsluiting van de energievoorziening van de woning van [A]

Ten aanzien van deze energievoorziening geldt dat uit een akte van 21 december 1995 tussen voormalige eigenaren van het perceel te [woonplaats] een derdenbeding blijkt ten behoeve van het perceel [adres] van [A] , dat inhoudt levering van energie aan dit perceel. De aangekondigde afsluiting was daarmee onrechtmatig evenals het dreigen met afsluiting ter verkrijging van een vergoeding.

k. de gang van zaken rondom de av van 29 juni 2015

(zie hiervoor onder 4.3)


4.13.

[eiseres] BV stelt zich op het standpunt dat deze gedragingen kwalificeren als gedragingen van de medeaandeelhouders en/of [gedaagde sub 6] BV en [gedaagde sub 5] BV die haar zodanig in haar rechten of belangen schaden dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar gevergd kan worden. Zij tekent daarbij aan dat in dit geval nauwelijks onderscheid gemaakt kan worden tussen de gedragingen van de medeaandeelhouders en die van [gedaagde sub 6] BV en [gedaagde sub 5] BV nu zij in feite alle met één mond spreken en het bestuur van [gedaagde sub 5] BV kennelijk instrumenteel is voor de medeaandeelhouders. Gezien voormelde voorvallen is het illusoir dat binnen [gedaagde sub 5] BV de norm van artikel 2:8 BW jegens [eiseres] BV of haar aandeelhouder [A] in de toekomst in acht zal worden genomen. De betreffende gedragingen hebben een behoorlijke samenwerking op bestuurlijk terrein en binnen de av van [gedaagde sub 5] BV onmogelijk gemaakt. Voor zover aanleiding of impasse daarbij een overwegende rol speelt heeft te gelden dat de voorvallen waarop de diverse overgelegde producties betrekking hebben aantonen dat niet [eiseres] BV, maar [gedaagde sub 1] BV c.s. aangewezen dient te worden als de veroorzakende partij daarvan. Het feit dat het in dezen een familiebedrijf betreft is een verzwarende omstandigheid, aangezien één en ander een enorme weerslag heeft op de familieverhoudingen, alsmede op het gezin en de private leefomgeving van [A] . Bovendien maakt het feit dat de aandelen een minderheidsbelang in een familievennootschap betreffen dat deze niet tegen een reële waarde aan een buitenstaander kunnen worden verkocht. Dit alles brengt [eiseres] BV en [A] als middellijk aandeelhouder in een ernstig benarde situatie, waaraan zij alleen door de gevorderde voorziening kunnen ontkomen, aldus [eiseres] B.V.


4.14.

[gedaagde sub 1] BV c.s. stelt voorop dat de vordering tot uittreding niet kan worden ingesteld tegen (de dochtervennootschap) [gedaagde sub 6] BV, nu [eiseres] BV daarin geen aandelen houdt.


4.15.

Voor zover de vordering is ingesteld tegen haar medeaandeelhouders en [gedaagde sub 5] BV dient deze afgewezen te worden, aangezien de rechten of belangen van [eiseres] BV niet zijn geschaad, niet vóór 2 april 2014 en ook niet nadien. Daartoe voert zij aan dat per 2 april 2014 de vijf broers vrijwillig zijn teruggetreden als (middellijk) bestuurders en dat toen is afgesproken het verleden te laten rusten en met een schone lei te beginnen. Tussen het moment van neerleggen van het bestuur en het opstappen van [eiseres] BV zit slechts een korte periode van zes maanden, waarin de nieuwe bestuurder, [F] , telkens overleg voerde met alle aandeelhouders alvorens een besluit te nemen. Zijn besluiten waren in overeenstemming met de wens van de meerderheid van de aandeelhouders. Het enkele feit dat [eiseres] BV (evenals de medeaandeelhouders) is teruggetreden als bestuurder betekent niet dat het voortduren van het aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Bijkomende zwaarwegende omstandigheden, die zich in deze zaak niet voordoen, zijn daarvoor vereist. Daarbij stelt [gedaagde sub 1] BV c.s. zich op het standpunt dat zij zich ten opzichte van [eiseres] BV gedragen heeft conform hetgeen de redelijkheid en billijkheid vereist.


4.16.

Ter weerlegging van de door [eiseres] BV aangevoerde gedragingen heeft [gedaagde sub 1] BV c.s. het volgende aangevoerd.

a. schade toebrengen aan vennootschap

Zij betwist dat zij niet voortvarend heeft bijgedragen aan het Project. Ten onrechte claimt [A] dat de realisering van het Project geheel zijn verdienste is. De broers hebben de onderneming feitelijk gerund, waarmee [A] was vrijgemaakt voor het Project. Spanningen zijn onder meer ontstaan door overschrijding van het budget. Naar aanleiding van een verzoek tot het laden van teerhoudend afval via de nieuw aangelegde loswal (dat bij [D] was binnengekomen) heeft [D] na overleg met zijn broers bij de gemeente geïnformeerd of dit wettelijk zou zijn toegestaan. De onderneming kreeg het advies om die activiteiten (op dat moment nog) niet te ontplooien. De aandeelhouders hebben toen gezamenlijk besloten deze klus niet door te laten gaan.

b. lasterlijke uitlatingen

Zij betwist dat er van haar zijde smakeloze en smadelijke mededelingen zouden zijn gedaan. Zij betwist de inhoud van de verklaringen van [A] , diens vrouw [I] en dochter [J] , die [eiseres] BV in dit kader heeft overgelegd en wijst erop dat de verklaringen niet zijn getekend en in de derde persoonsvorm zijn opgesteld.

c. lichamelijk geweld

Zij erkent dat er een handgemeen tussen [A] en [D] heeft plaatsgevonden, maar dat ontstond nadat [A] tijdens een vergadering diezelfde avond [D] verschillende keren bedreigd had met fysiek geweld. Het wangedrag van beide broers is door niemand goedgepraat.

d. blokvorming leidend tot gedwongen ontslag

Hiervan is geen sprake geweest. De broers zijn immers vrijwillig teruggetreden. Juist is dat [D] (dus niet de andere medeaandeelhouders) het functioneren en aanblijven van [A] als agendapunt een keer heeft voorgesteld maar dit vloeide voort uit het feit dat [G] tijdens een lopend mediationtraject een concurrerend bedrijf was gestart. Uiteindelijk is dit agendapunt niet meer tijdens een av behandeld en hebben de broers na voltooiing van het mediationtraject het externe advies opgevolgd om een externe bestuurder voor [gedaagde sub 6] BV en [gedaagde sub 5] BV aan te stellen.

e. carrière van zoon en dochter van [A] binnen familiebedrijf

De kinderen van [A] hebben volop de mogelijkheid gehad om zich binnen het familiebedrijf te ontplooien en het bedrijf heeft ook aanzienlijk in hen geïnvesteerd (in de vorm van voor betaalde studiekosten), ook nog na 2 april 2014.

f. schending privacy gezin van [A] / uitlaatverbod honden van [A] /ontzegging betreding bedrijfsterrein

Met betrekking tot het uitlaatverbod van de honden wijst [gedaagde sub 1] BV op bijtincidenten die in 2013 hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan zijn volgens haar afspraken gemaakt, die [A] en zijn gezin tot dusverre niet naleven. Om die reden is [A] en zijn gezin gesommeerd om niet meer het bedrijfsterrein te betreden zonder voorafgaande toestemming van de directie.

Met betrekking tot het camerasysteem voert zij aan dat het nota bene [A] zelf is geweest die dit systeem heeft voorgesteld. Diverse posities op het terrein zijn nu met camera’s beveiligd. De camera’s staan niet gericht op het woonhuis of erf van [A] (hetgeen ook blijkt uit de verklaring van [bedrijfsnaam 8] B.V.).

g. oprichting betonnen afscheiding

De betonnen blokken achter de woning van [A] zijn tijdelijk geplaatst in afwachting van de definitieve bestemming. Inmiddels is een deel van de blokken al verplaatst naar de definitieve locatie op het bedrijfsterrein. Achter de betonblokken stonden en staan oude bouw-/dranghekken en een zeecontainer (geplaatst door [A] ), die zeker geen fraaier uitzicht vanuit de woning van [A] bieden. [A] heeft ook niet gereageerd op het verzoek van zijn broers om met een alternatief plan voor de erfafscheiding te komen.

h. dreigen met onzinnige vorderingen

Van onzinnige vorderingen is geen sprake. [gedaagde sub 1] BV c.s. heeft in dit verband in reconventie diverse vorderingen ingesteld.

i. onrechtmatige en onnodige geluids- en stofoverlast

Niet uit het oog mag worden verloren dat de woning van [A] de status van bedrijfswoning heeft en over de werkzaamheden vóór oktober 2014 nimmer van de kant van [eiseres] BV, [A] of zijn gezin is geklaagd. Inmiddels wordt het hout binnen gechipt, zodat er zelfs minder geluidshinder is dan vóór oktober 2014. De Omgevingsdienst heeft geoordeeld dat geen sprake is van overtreding door [gedaagde sub 5] BV en/of [gedaagde sub 6] BV. De onterechte klachten van [eiseres] BV en [A] dienen geen ander doel dan het schaden van [gedaagde sub 5] BV en [gedaagde sub 6] BV.


j. aankondiging afsluiting van de energievoorziening van de woning van [A]

Navraag bij het kadaster heeft uitgewezen dat er geen sprake is van enig recht op gratis levering van gas, water en licht ten behoeve van de bedrijfswoning van [A] . [eiseres] BV heeft dit zonder toestemming van [gedaagde sub 5] BV geruime tijd genoten en laatstgenoemde was daarom gerechtigd om daarmee per 1 oktober 2015 te stoppen.

k. de gang van zaken rondom de av van 29 juni 2015

(zie hiervoor onder 4.4 t/m 4.6).


4.17.

[gedaagde sub 1] BV c.s. voegt daaraan toe dat het juist [eiseres] BV en [A] zijn geweest die de rechten en belangen van de andere aandeelhouders en de vennootschap hebben geschaad en nog steeds schaden. Niet alleen door schending van het non-concurrentiebeding en het geheimhoudingsbeding (waarop de reconventionele vorderingen betrekking hebben) maar ook door andere gedragingen. Zo heeft [A] zonder overleg omstreeks november 2014 de Rabobank ingelicht over het conflict tussen de aandeelhouders en heeft [A] de afdeling Handhaving (en ook de politie) meerdere keren afgestuurd op [gedaagde sub 5] BV en/of [gedaagde sub 6] BV, welke gedragingen niet in het belang van laatstgenoemde vennootschappen zijn. Daarnaast zoekt [A] bewust de confrontatie door het kortgedingvonnis van 2 juni 2015 ondanks diverse sommaties niet te respecteren en het bedrijfsterrein toch steeds weer te betreden.

Al deze gedragingen van [eiseres] BV en/of [A] mogen niet beloond worden met een gedwongen overname van de aandelen. Dat zou in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Temeer nu door hun onrechtmatige concurrentie de waarde van [gedaagde sub 5] BV en [gedaagde sub 6] BV minder wordt. Daar komt bij dat er ook geen financiële mogelijkheden zijn voor gedwongen overname, aldus [gedaagde sub 1] BV c.s.


4.18.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 1] BV c.s. alle aan haar verweten gedragingen en omstandigheden, waarop de uittreedvordering is gebaseerd, gemotiveerd heeft betwist en een geheel andere toedracht van de gedragingen en gebeurtenissen heeft gegeven. Daarbij heeft [gedaagde sub 1] B.V. c.s. uitgebreid feiten en omstandigheden gesteld die volgens haar tot de conclusie leiden dat het juist [eiseres] BV en [A] zijn, die de rechten en belangen van [gedaagde sub 1] BV c.s. schaden, hetgeen [eiseres] BV op haar beurt weer heeft betwist. De rechtbank stelt vast dat de (persoonlijke) relatie tussen de aandeelhouders zwaar verstoord is, waarbij partijen elkaar via brieven, procedures en anderszins beschuldigen van misdragingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] BV echter onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van een situatie dat zij door gedragingen van de medeaandeelhouders zodanig in haar rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Gelet op de over en weer gestelde feiten en omstandigheden is in rechte niet vast komen te staan dat de positie waarin [eiseres] BV verkeert, het gevolg is van gedragingen van de medeaandeelhouders.

Bovendien heeft [eiseres] B.V. onvoldoende gemotiveerd gesteld dat haar positie zodanig benard is dat het aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden verlangd. Weliswaar staat vast dat sprake is van een totaal geëscaleerde familieruzie met als gevolg een zekere mate van “blokvorming” (in die zin dat [B] , [C] , [D] en [E] samen optrekken met de nieuwe bestuurder en [A] zich uit het familiebedrijf heeft teruggetrokken), maar dat enkele gegeven brengt niet mee dat van [eiseres] BV in redelijkheid niet langer gevergd kan worden dat zij aandeelhouder in [gedaagde sub 5] BV blijft. De constatering dat de persoonlijke verhoudingen danig zijn verstoord en dat een uiteengaan van partijen de meest wenselijke of aangewezen oplossing lijkt, is onvoldoende om een vordering op basis van artikel 2:343 BW (met vergaande gevolgen voor de aandeelhouders die worden verplicht om de aandelen over te nemen) toe te wijzen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat alle aandeelhouders op hetzelfde moment vrijwillig als bestuurder zijn teruggetreden, gezamenlijk hebben besloten om [F] als extern bestuurder aan te stellen, de aandeelhoudersverdeling ongewijzigd is gebleven, [eiseres] BV exact hetzelfde als de andere aandeelhouders wordt behandeld, niet wordt buitengesloten en haar rechten als aandeelhouder haar op geen enkele wijze worden ontzegd. De rechtbank wijst er nog eens op dat [gedaagde sub 1] B.V. c.s. in dat kader onweersproken heeft gesteld dat [eiseres] B.V. als aandeelhouder niet anders wordt behandeld dan de medeaandeelhouders. Ook de stelling dat het illusoir is dat de norm van artikel 2:8 BW jegens haar in de toekomst in acht genomen zal worden, heeft [eiseres] BV in dat licht onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet voldaan is aan het wettelijke vereiste van artikel 2:343 BW. Het feit dat [gedaagde sub 5] BV een familiebedrijf betreft, alsmede het feit dat [A] naast het bedrijf woont, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Op grond van het voorgaande zal de hoofdvordering van [eiseres] BV afgewezen worden.


ad B. de nevenvorderingen


4.19.

Afwijzing van de hoofdvordering brengt mee dat ook de daarmee samenhangende nevenvorderingen afgewezen moeten worden.


4.20.

[eiseres] BV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] BV c.s. worden begroot op:

  • - griffierecht € 1.909,-
  • - salaris advocaat € 3.129,- (3,5 punt x tarief IV: € 894,-)

totaal € 5.038,-,

te vermeerderen met de nakosten (als bepaald onder 5) en de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van het vonnis.


in reconventie


overtreding geheimhoudingsbeding/ concurrentiebeding? (vorderingen onder 3.4 I. en II.)


4.21.

[gedaagde sub 6] BV baseert haar vorderingen op toerekenbare tekortkoming van [eiseres] BV c.q. [A] bestaande uit het handelen in strijd met het geheimhoudings- en concurrentiebeding (artikel 3.1 en 3.3 van de Overeenkomst). Zij heeft diverse verklaringen overgelegd van onder meer de firma’s [bedrijfsnaam 3] , [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] , die hebben verklaard dat zij benaderd zijn door [A] om zaken te gaan doen met [bedrijfsnaam 2] B.V. Voorts stelt zij van haar relaties te hebben gehoord dat [eiseres] BV in de persoon van [A] voor relaties van [gedaagde sub 6] BV (het betreft de firma’s [bedrijfsnaam 6] en [bedrijfsnaam 7] ) werkzaamheden heeft verricht. Dat [eiseres] BV concurrerende werkzaamheden verricht ten behoeve van [bedrijfsnaam 2] BV blijkt ook uit de website van die firma, nu [A] op die website als contactpersoon wordt genoemd. Het geheimhoudingsbeding heeft [eiseres] BV overtreden doordat [A] in een kortgedingprocedure tussen [gedaagde sub 5] BV en […] ten behoeve van laatstgenoemde een verklaring heeft afgelegd. [gedaagde sub 6] BV stelt dat door het handelen van [A] ook [eiseres] BV de onder 3.4 sub II. gevorderde boete verschuldigd is. Als alternatieve grondslag doet [gedaagde sub 6] BV nog een beroep op onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijkheid.


4.22.

Als verweer doet [eiseres] BV een beroep op vernietiging van de betreffende bedingen. Zij stelt zich op het standpunt dat het nooit de bedoeling is geweest (noch van haar, noch van [gedaagde sub 6] BV) om postcontractueel werkende bedingen af te spreken. De Overeenkomst had uitsluitend als fiscale achtergrond de bedoeling om de heffing van loonbelasting te voorkomen. Voor zover zij daarin niet gevolgd wordt, betwist zij dat zij het geheimhoudingsbeding en/of het concurrentiebeding heeft overtreden. Zij erkent wel dat [A] vanaf eind oktober 2014 gefungeerd heeft als kraanmachinist en vrachtwagenchauffeur op werken van [bedrijfsnaam 2] B.V, maar die werkzaamheden betreffen in haar visie geen concurrerende werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.3 van de Overeenkomst. Het betreffende beding moet restrictief worden uitgelegd en ziet slechts op managementwerkzaamheden. Ook verschilt de aard van de bedrijven wezenlijk: [bedrijfsnaam 2] B.V. houdt zich voornamelijk bezig met het rooien van bomen, terwijl [gedaagde sub 6] BV zich bezig houdt met het verwerken en verhandelen van hout. Voorts betwist zij dat [A] en / of [eiseres] BV geheimen die betrekking zouden hebben op [gedaagde sub 6] BV aan derden hebben onthuld.


4.23.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De stelling dat [eiseres] BV concurrerende werkzaamheden heeft verricht en of geheimen betreffende [gedaagde sub 6] BV aan derden heeft onthuld, is weersproken. [gedaagde sub 6] BV had deze stelling nader moeten onderbouwen. Voor zover deze stelling erop is gebaseerd dat [A] voor [bedrijfsnaam 2] B.V. werkzaamheden heeft verricht (hetgeen op zichzelf niet is betwist) geldt dat [A] geen procespartij is. Voor zover [gedaagde sub 6] B.V. heeft willen stellen dat die werkzaamheden door [A] in juridische zin door [eiseres] BV zijn verricht, is die stelling niet onderbouwd omdat zij niet heeft aangevoerd op welke feitelijkheden dat standpunt is gebaseerd. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op de stelling dat door het handelen van [A] ook [eiseres] BV de boete verschuldigd is (hetgeen door [eiseres] BV is weersproken) hebben [gedaagde sub 1] BV c.s. nagelaten enige onderbouwing te geven, hetgeen wel op haar weg lag.


4.24.

De alternatieve grondslagen onrechtmatige daad en bestuurdersaansprakelijk zijn nagenoeg niet onderbouwd en kunnen alleen al daarom niet tot aansprakelijkheid van [eiseres] BV leiden.


4.25.

Op grond hiervan zullen de vorderingen onder 3.4 I. en II worden afgewezen.


gevorderde verboden onder 3.4 III en IV


4.26.

Ter bescherming van haar bedrijfsdebiet vordert [gedaagde sub 6] BV aan [eiseres] BV een verbod tot het benaderen van relaties en een concurrentieverbod op te leggen voor de periode 1 oktober 2014 tot 1 oktober 2017. Zij stelt zich op het standpunt dat, mede omdat [eiseres] BV alles in eigen hand had en in strijd met het bepaalde in artikel 1.3 van de Overeenkomst namens [gedaagde sub 6] BV de Overeenkomst heeft getekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de beperkende bedingen slechts tot 2 april 2015 gelden en beperkt worden uitgelegd. Een redelijke uitleg van het concurrentiebeding in artikel 3.3 van de Overeenkomst brengt mee dat de aandeelhouders bedoeld hebben dat in het geheel geen concurrentie toegebracht mag worden aan [gedaagde sub 6] BV en dat niet bedoeld is om de duur van dat verbod te beperken tot 1 jaar na het einde van de Overeenkomst.


4.27.

[eiseres] BV betoogt het tegendeel. Als de beperkende bedingen niet vernietigd worden, bestaat er geen enkele reden om op grond van een redelijke uitleg en/of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid geen beperking in duur aanwezig te achten en de bedingen geldig te achten voor onbepaalde tijd, dan wel drie jaar. Omdat de overeenkomst per 2 april 2014 is beëindigd, gold het concurrentiebeding tot 2 april 2015.


4.28.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 1.3 van de Overeenkomst had [A] deze niet mogen ondertekenen voor [gedaagde sub 6] BV. [gedaagde sub 6] BV verbindt aan deze onbevoegde vertegenwoordiging echter niet de consequentie dat de Overeenkomst niet tot stand gekomen is, maar dat vanwege die onbevoegdheid het beding (anders dan in 3.3 van de Overeenkomst is vastgelegd) moet gelden voor onbepaalde duur (althans minimaal voor drie jaar) omdat een beperktere duur nimmer de bedoeling van de andere aandeelhouders is geweest. Die stelling volgt de rechtbank echter niet. [gedaagde sub 6] BV heeft de stelling van [eiseres] BV dat de medeaandeelhouders gelijkluidende managementovereenkomsten (met gelijkluidende bedingen) hebben gesloten immers niet weersproken. Daarmee is de stelling van [gedaagde sub 6] BV dat zij beperkende bedingen heeft beoogd voor onbepaalde duur, dan wel langere duur dan expliciet is vastgelegd in de overeenkomsten, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank oordeelt dat de Overeenkomst op basis van het bepaalde in artikel 4.4. sub d van de Overeenkomst eindigt door verlies van de hoedanigheid van statutair bestuurder van [gedaagde sub 6] BV. Vast staat dat [eiseres] BV evenals de andere vier medeaandeelhouders per 2 april 2014 zijn afgetreden als bestuurder. Daarmee is het concurrentiebeding vervallen per 2 april 2015 en bestaat geen grondslag voor de vordering onder IV van [gedaagde sub 6] BV. Ook het onder III gevorderde verbod tot het benaderen van relaties mist een deugdelijke grondslag, nu de Overeenkomst geen relatiebeding behelst.


4.29.

De vorderingen van [gedaagde sub 6] BV zullen worden afgewezen.


4.30.

[gedaagde sub 6] BV zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] BV worden begroot op:

- salaris advocaat 4.000,00 (2 punten x tarief VI: € 2.000,-)

Totaal € 4.000,00



5De beslissing

De rechtbank


in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,


5.2.

veroordeelt [eiseres] B.V. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] B.V. c.s. tot op heden begroot op € 5.038,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;


5.3.

veroordeelt [eiseres] B.V., onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagde sub 1] B.V. c.s. volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,


5.4.

verklaart de kostenveroordeling in conventie uitvoerbaar bij voorraad,


in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,


5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 6] BV in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] B.V. tot op heden begroot op € 4.000,-.



Dit vonnis is gewezen door mr. N.V.M. Gehlen, mr. R.A. Steenbergen en mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2017.

1 type: NG