Rechtbank Midden-Nederland, 09-05-2017 / 652121-17


ECLI:NL:RBMNE:2017:3880

Inhoudsindicatie
Handelen van verdachte te kwalificeren als een begin van uitvoering van een inbraak, nu de gedragingen naar uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-05-09
Publicatiedatum
2017-07-27
Zaaknummer
652121-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/652121-17 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 9 mei 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [postcode] [woonplaats] [adres]

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 april 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. F. Rethmeier en van hetgeen naar voren is gebracht door mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen, die heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om hem ter terechtzitting te verdedigen.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


Primair: op 28 januari 2017 te Hilversum heeft gepoogd met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening door middel van braak en/of verbreking (zonne)brillen en/of goederen van zijn gading weg te nemen.


Subsidiair: op 28 januari 2017 te Hilversum een ruit heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.


4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, nu de handelingen van verdachte er op waren gericht om goederen weg te nemen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er contra-indicaties zijn dat er sprake is van een poging tot inbraak, namelijk dat verdachte zijn gezicht niet bedekte en geen moker bij zich had om de winkelruit kapot te slaan. Bovendien is het niet aannemelijk dat verdachte zou proberen in te breken bij een winkel in het centrum, waar op dat moment veel politie aanwezig was. De raadsman heeft opgemerkt dat verdachte uit frustratie de winkelruit heeft vernield. Verdachte bekent hierdoor de subsidiair ten laste gelegde vernieling.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen

Door. [slachtoffer] is aangifte gedaan van een poging tot inbraak in zijn winkel, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , op 28 januari 2017.


Hetgeen verbalisant [woonplaats] op de beelden van de beveiligingscamera van de winkel waarneemt verbaliseert zij als volgt:

‘Om 02.08 uur is te zien dat er vanaf de [straatnaam] een persoon rustig komt aanlopen. (..) De persoon stapt de portiek in terwijl hij met zijn linkerhand zijn gezicht afschermt. Hij stapt direct de portiek uit en staat voor de stellage met zonnebrillen en brillen aan de rechterzijde van de voordeur. Hierop stapt hij weer de portiek in terwijl zijn linkerhand zijn gezicht blijft afschermen.


Hij blijft 8 seconden stil staan in de portiek terwijl er een fietser passeert. Nadat de fietser is gepasseerd kijkt hij vanaf de portiek weer naar de glazen stellage met zijn linkerhand nog steeds bij zijn gezicht. Dit doet hij via de later ingeslagen ruit. Hierop neemt hij twee passen naar achteren, haalt zijn linkerhand weg bij zijn gezicht en gooit met zijn rechterhand iets hard en met kracht tegen het raam aan. De kracht van het gooien is te zien aan de rechterarm van de verdachte die ver naar achteren wordt gehaald. (..)


Er wordt 4 maal hard een voorwerp tegen het raam aangegooid waarbij te zien is dat er barsten in het glas ontstaan en er glas van het raam af spat. Alle vier de keren wordt er hard en met kracht tegen het raam gegooid. Hierop slaat de verdachte 3 keer met het voorwerp kort en met kracht tegen de ruit aan. Hierop wordt door hem weer 2 maal iets hard en met kracht tegen de ruit aangegooid. Hierop worden er twee harden trappen tegen de ruit aangegeven (..). Hierop wordt het voorwerp weer opgepakt en wordt er weer eenmaal hard tegen de ruit aangegooid.(..) Alle trappen en het gooien van het voorwerp gebeurt op dezelfde plaats in het raam. (..) De persoon loopt rustig en beweegt rustig (..).’


Verdachte heeft verklaard dat hij het glas van de winkel heeft vernield.


Bewijsoverwegingen

Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van verdachte, zoals dit uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt (te weten onder meer het afschermen van zijn gezicht, het wachten tot het moment dat een passerende fietser verdwenen is en vervolgens twaalf keer op dezelfde plaats op het raam trappen, slaan en gooien met een steen) te kwalificeren als een begin van uitvoering van een inbraak, nu de gedragingen naar uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van dat misdrijf. Zodoende acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot inbraak.


De verklaring van verdachte, inhoudende dat zijn handelen een uiting van frustratie was, acht de rechtbank gelet op bovenstaande vaststellingen, niet aannemelijk geworden.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


Primair


hij op of omstreeks 28 januari 2017 te [woonplaats] ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen (zonne)brillen en/of goederen van zijn gading, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die /dat weg te nemen (zonne)brillen en/of goederen van zijn

gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking ,

immers heeft verdachte meermalen met kracht met een steen tegen de ruit van de

winkel van die [slachtoffer] geslagen en gegooid en meermalen met kracht tegen die

ruit geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:


Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van drie maanden, met aftrek van het voorarrest.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd verdachte een gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest op te leggen.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak. Dit is een ergerlijk feit, waarmee overlast en schade voor de gedupeerde is veroorzaakt. Met zijn handelen heeft verdachte geen respect getoond voor andermans eigendom.


De rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsrapportage van 13 april 2017. Verdachte heeft geen medewerking aan de totstandkoming daarvan verleend.


De rechtbank heeft bij de strafoplegging voorts rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 31 januari 2017 waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld, eveneens voor soortgelijke zaken. De recidive weegt de rechtbank ten nadele van verdachte mee.


Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken passend en geboden.

9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 27, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 weken;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.




Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. R.B. Eigeman en H. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 mei 2017.


Mr. H. Bakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.




Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


Primair


hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Hilversum ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening weg te nemen (zonne)brillen en/of goederen van zijn gading, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen (zonne)brillen en/of goederen van zijn

gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,

immers heeft verdachte meermalen met kracht met een steen tegen de ruit van de

winkel van die [slachtoffer] geslagen en gegooid en meermalen met kracht tegen die

ruit geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht


Subsidiair


hij op of omstreeks 28 januari 2017 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk

een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield

en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar opzettelijk

en wederrechtelijk meermalen met kracht een steen tegen die ruit gooien en

meermalen met kracht met een steen tegen die ruit slaan;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 januari 2017, genummerd PL0900-2017028488, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd tot en met registratienummer PL0900-2017028488-19.
2 Pagina 5.
3 Pagina 16.
4 Pagina 35.