Rechtbank Midden-Nederland, 21-07-2017 / 659247-16


ECLI:NL:RBMNE:2017:3930

Inhoudsindicatie
Eendaadse samenloop. Ontucht met minderjarige. Vrijspraak verleiding art 248a Sr. Detentieongeschiktheid is niet nader onderbouwd. De rechtbank houdt er wel rekening mee dat detentie voor verdachte door gezondheidsklachten zwaarder is.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-21
Publicatiedatum
2017-08-03
Zaaknummer
659247-16
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/659247-16 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

wonende te [postcode] [woonplaats] [adres]

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 maart 2017 en 7 juli 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kamper en van hetgeen verdachte en diens raadsvrouw mr. M. Heere-Helmink, advocaat te Rotterdam, alsmede de raadsman van de benadeelde partij, mr. G.J.M. Kruizinga, advocaat te Amsterdam naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


1. in de periode van 4 mei 2009 tot en met 4 mei 2012 in Lelystad met [slachtoffer] die de leeftijd van twaalf jaar, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;


2. in de periode van 4 mei 2009 tot en met 4 mei 2012 in Lelystad met [slachtoffer] die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd;


3. in de periode van 4 mei 2009 tot en met 4 mei 2014 in Lelystad [slachtoffer] , van wie hij wist dat zij nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, door middel van giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of te dulden.


3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4VRIJSPRAAK


De officier van justitie acht het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


De raadsvrouw heeft algehele vrijspraak bepleit omdat de verschillende verklaringen terug te voeren zijn naar één bron, te weten aangeefster. De verklaring van aangeefster is volgens de raadsvrouw niet betrouwbaar. Verder is er geen steunbewijs in het dossier.


Hoewel de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend is gebleken dat aangeefster geld, kleding en een laptop heeft gekregen van verdachte, is echter onvoldoende gebleken dat zij door deze goederen is bewogen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Daarmee is het verband tussen het krijgen van de goederen en het geld en de ontuchtige handelingen niet bewezen.


De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder drie ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.


5WAARDERING VAN HET BEWIJS


5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Zij heeft daartoe gewezen op het informatief gesprek en de aangifte. Tevens heeft zij als bewijs de verklaringen van [A] , [getuige 2] en de moeder van aangeefster gebruikt en het proces-verbaal bevindingen over het chatgesprek dat is aangetroffen bij het onderzoek aan de tablet die in gebruik was bij aangeefster.


5.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verschillende verklaringen over de vermeende ontuchtige handelingen terug te voeren zijn op één bron, te weten aangeefster. Aangeefster heeft geen spontane verklaring afgelegd en niet consistent verklaard. De verklaringen van aangeefster bevatten daarnaast meerdere tegenstrijdigheden en onduidelijkheden, waardoor de aangifte niet geloofwaardig is.








5.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen

Aangeefster heeft verklaard dat zij tussen haar dertiende en haar zeventiende jaar ongeveer vier keer per week bij de zoon van verdachte logeerde en dat zij dan bij verdachte in bed sliep. Verdachte begon seksuele handelingen te verrichten toen zij een jaar of dertien was. Toen zij veertien jaar was, was zij zich bewust van de seksuele handelingen. Verdachte masseerde haar lichaam toen zij dertien of veertien jaar oud was. Hij maakte draaiende bewegingen op haar borsten en aan de zijkanten van haar been. Af en toe gleed hij dan ook naar haar schaamlippen en aaide die. Zij had niets aan op dat moment. Toen aangeefster veertien jaar was, heeft hij haar geslachtsdelen betast. Zij lagen in bed en hij deed zijn arm over haar heen en zijn hand raakte haar borst aan over haar kleding heen. Toen aangeefster weer wakker werd waren haar pyjamabroek en onderbroek uit en haar vagina deed zeer. Zij voelde iets ronds tussen haar benen, in de buurt van de ronding van haar kont. Zij denkt dat dit zijn geslachtsdeel was want het voelde groter dan zijn vingers. Zij heeft het niet gezien. Toen aangeefster vijftien jaar was is verdachte met zijn geslachtdeel in haar vagina geweest. Dit was de eerste keer dat aangeefster en verdachte seks hadden. Verdachte heeft haar t-shirt naar boven gedaan en haar onderbroek omlaag tot onder haar knieën. Hij zat toen met zijn hand aan haar vagina en maakte ronde bewegingen. Hij kietelde met zijn vingers. Daarna ging hij er met zijn geslachtdeel in. Hij ging ongeveer vijf of tien minuten heen en weer.

Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster verklaard dat na de eerste keer seks in december, toen zij vijftien jaar was, er nog een keer seks is geweest voordat zij zestien jaar werd. Dit vond plaats in maart en was volledige gemeenschap. Toen zij tussen vijftien en achttien jaar oud was sliep zij vier keer per week bij verdachte en hadden zij twee keer per week seks.


De moeder van aangeefster, [getuige 1] , heeft verklaard dat toen aangeefster dertien à veertien jaar was, zij op het toilet vertelde dat het van onderen zeer deed. Aangeefster vertelde dat het ruw was van onderen. Nadat [getuige 1] van een vriend, [A] , had gehoord dat er iets met aangeefster aan de hand was, heeft zij in januari 2015 aan aangeefster gevraagd in hoeverre er iets op seksueel gebied is gebeurd tussen haar en verdachte. Aangeefster vertelde toen in tranen dat verdachte haar, toen zij veertien jaar was, zou hebben verkracht.

Toen aangeefster achttien jaar was en een vriendje kreeg, heeft zij afscheid genomen van de kleinkinderen van verdachte. [getuige 1] heeft toen ook met verdachte gesproken. Verdachte vertelde toen dat aangeefster volgens hem een volwassen rijpere man nodig heeft, omdat zij op seksueel gebied veel verder was dan een gemiddelde tiener.

Toen verdachte op vakantie was, zag [getuige 1] dat hij en aangeefster via Skype contact hadden met elkaar. Aangeefster schrok en trok toen snel haar vestje over haar schouders om haar borsten niet te laten zien. [getuige 1] zag dat aangeefster niets onder het vestje droeg. Zij zag het hoofd van verdachte in beeld en wist daardoor dat aangeefster met verdachte Skype-contact had.


[getuige 2] heeft verklaard dat toen aangeefster en hij voor de eerste keer seks hadden, zij ook dingen deed waarvan [getuige 2] dacht dat een meisje die de eerste keer seks had, zulke dingen niet deed. Zij wilde allerlei standjes. Zij was minder terughoudend dan te verwachten was.


Bewijsoverweging

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.


Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster wel betrouwbaar. Zij heeft op hoofdlijnen consistent en eenduidig verklaard. Dat in de details verschillen zitten is gelet op het tijdsverloop onvermijdelijk. Dat enkele gegeven maakt de verklaringen van aangeefster dan ook niet onbetrouwbaar.


De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de verklaring van haar moeder die heeft verklaard dat aangeefster pijn van onderen had toen zij dertien à veertien jaar oud was. Dit komt overeen met de verklaring van aangeefster dat zij op veertienjarige leeftijd bij verdachte in bed lag en toen zij wakker werd haar pyjamabroek en onderbroek uit waren en haar vagina zeer deed. Ook het feit dat verdachte tegen de moeder van aangeefster heeft gezegd dat aangeefster seksueel veel verder was dan een gemiddelde tiener en dat de moeder van aangeefster heeft gezien dat aangeefster met ontblote borsten een Skypegesprek voerde met verdachte, ondersteunen de verklaring van aangeefster dat sprake was van een seksuele relatie tussen aangeefster en verdachte.

Dat aangeefster seksuele ervaring had, blijkt ook uit de verklaring van [getuige 2] , terwijl de rechtbank uit het dossier heeft afgeleid dat na de seksuele contacten met verdachte aangeefster geen seksuele relatie heeft gehad met anderen totdat zij deze kreeg met [getuige 2] .


De rechtbank is gesterkt in haar overtuiging door het chat-gesprek tussen aangeefster en verdachte dat op de tablet is aangetroffen. Verdachte zegt in dat gesprek dat aangeefster niet alles weg kan gooien omdat zij verliefd is op een ander. Zij hebben al jaren geheimen samen en zijn te goed samen qua gevoel, begrip en omgang. Verder zegt verdachte daarin tegen aangeefster dat zij niet weet wat hij allemaal van plan was met haar dat jaar.



Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

6BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1.

op tijdstippen in de periode van 4 mei 2009 tot en met 4 mei 2012 in de gemeente Lelystad, met [slachtoffer] , geboren op [1996] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij verdachte meermalen zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;


2.

op tijdstippen in de periode van 4 mei 2009 tot en met 4 mei 2012 in de gemeente Lelystad, met [slachtoffer] , geboren op [1996] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- uittrekken van de kleding en het ondergoed van die [slachtoffer] en

- meermalen betasten van de met kleding bedekte borsten en de blote borsten en de blote schaamstreek van die [slachtoffer] en

- meermalen betasten van de vagina van die [slachtoffer] .


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

7STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


De eendaadse samenloop van:


feit 1: met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;


en


feit 2: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

8STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9OPLEGGING VAN STRAF


9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.


Zij heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat de ontucht meerdere jaren heeft plaatsgevonden, dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de situatie waar het slachtoffer zich in bevond en dat het slachtoffer nog altijd de gevolgen van de ontucht ondervindt.

Ook heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft, er geen geweld is gebruikt en er sprake is van eendaadse samenloop. De vraag of verdachte gelet op zijn gezondheidsklachten detentiegeschikt is, moet bij de executie worden beoordeeld.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gelet op de door haar bepleite vrijspraak, geen standpunt over de oplegging van straf ingenomen.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft meerdere malen ontuchtige handelingen gepleegd met het slachtoffer. Hij heeft misbruik gemaakt van de situatie dat het slachtoffer wegens problemen thuis regelmatig in zijn huis logeerde. Hij heeft met zijn handelen haar seksuele ontwikkeling verstoord en een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en seksuele integriteit. Hierdoor is zij geschaad in haar verdere ontwikkeling, zoals onder meer blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de vordering van de benadeelde partij. Verdachte is volledig voorbij gegaan aan de schade die zijn handelen voor het slachtoffer zou kunnen hebben.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 28 april 2017, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld;

- een reclasseringsadvies van 9 februari 2017, uitgebracht door [B] , reclasseringswerker van Reclassering Nederland.


Uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte arbeidsongeschikt is vanwege eerdere ongelukken. Hij is permanent aangewezen op een rolstoel en kan slechts korte stukken lopen met twee krukken. Verdachte heeft dag en nacht pijn en is nog onder behandeling bij het ziekenhuis. De reclassering heeft geen strafadvies gegeven, omdat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept en de reclassering onvoldoende aanknopingspunten heeft om een plan van aanpak op te stellen. Wel heeft de reclassering opgemerkt dat verdachte vanwege zijn gezondheid mogelijk niet detentiegeschikt is, hij vanwege zijn fysieke beperkingen niet in staat wordt geacht een werkstraf uit te voeren en hij beperkte financiële middelen heeft.

Een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt door de reclassering mogelijk geacht.


De aard en de ernst van de feiten rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zekere duur. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte in de periode na de zestiende verjaardag van aangeefster een seksuele relatie met haar heeft onderhouden van een ongelijkwaardig karakter, die pas is geëindigd toen aangeefster achttien jaar was. Dit heeft bijgedragen aan de gevolgen die de feiten voor aangeefster hebben gehad. Door de reclassering is aangegeven dat verdachte mogelijk detentieongeschikt is. Dit is echter niet nader onderbouwd met (bijvoorbeeld) een medische verklaring van een arts, zodat de rechtbank hierin geen aanleiding ziet om geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. Het is echter wel onmiskenbaar dat detentie voor verdachte, gelet op zijn gezondheidsklachten, zwaarder zal zijn dan voor iemand in goede gezondheid. De rechtbank zal, rekening houdend met het voorgaande en met het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, aan verdachte een lagere onvoorwaardelijke straf opleggen dan geëist. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.


De rechtbank heeft ook rekening gehouden met het feit dat sprake is van eendaadse samenloop en baseert de straftoemeting op artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.


Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

10BENADEELDE PARTIJ


[slachtoffer] heeft zich, vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Kruizinga, advocaat te Amsterdam, als benadeelde partij in het geding gevoegd en een bedrag van € 23.600,- gevorderd. Dit bedrag bestaat uit € 16.100,- materiële schade wegens studievertraging en uit € 7.500,- immateriële schade.


10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering volledig toegewezen kan worden met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.


10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.


10.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De verdediging heeft de schade en de hoogte daarvan niet betwist, zodat het gehele bedrag zal worden toegewezen. De rechtbank waardeert deze schade derhalve op € 23.600,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 16.100,- vanaf 1 juli 2015, zijnde het moment van het bindend negatief studieadvies, en over het bedrag van € 7.500,- vanaf 23 februari 2015, zijnde de dag van de eerste melding bij de politie door aangeefster, in beide gevallen tot de dag van volledige betaling.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.600,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over het bedrag € 16.100,- vanaf 1 juli 2015 en over het bedrag van € 7.500,- vanaf 23 februari 2015, tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden vervangen door 153 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 27, 36f, 55, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12BESLISSING


De rechtbank:


Vrijspraak

- verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;


- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld;


- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;


- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;


- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;


- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;


- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;


Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 23.600,-;


- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag € 16.100,- vanaf 1 juli 2015 en over het bedrag van € 7.500,- vanaf 23 februari 2015 tot de dag van volledige betaling;


- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;


- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 23.600,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag € 16.100,- vanaf 1 juli 2015 en over het bedrag van € 7.500,- vanaf 23 februari 2015 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 153 dagen hechtenis;


- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.




Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mrs. R.C.J. Hamming en

P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juli 2017.


Mrs. C.A. de Beaufort en P.K. Oosterling-van der Maarel en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 mei 2009 tot en met 4 mei 2012 in de gemeente Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [1996] , die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij verdachte (meermalen) zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;


2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 mei 2009 tot en met 4 mei 2012 in de gemeente Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [1996] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- uittrekken van de kleding en/of het ondergoed van die [slachtoffer] en/of

- ( meermalen) betasten van de met kleding bedekte borst(en) en/of de blote borst(en) en/of de blote schaamstreek van die [slachtoffer] en/of

- ( meermalen) betasten van de vagina van die [slachtoffer] ;


3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 mei 2009 tot en met 4 mei 2014 te Lelystad, één of meermalen door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, [slachtoffer] , geboren op [1996] , waarvan hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat deze [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden, immers heeft verdachte door goederen (te weten een laptop en/of geld en/of kleding en/of sieraden) aan die [slachtoffer] te geven en/of door het feitelijk overwicht dat hij op haar had door het leeftijdsverschil en/of omdat [slachtoffer] zich in een kwetsbare positie bevond omdat zij veel bij verdachte thuis verbleef en hij voor haar zorgde, [slachtoffer] bewogen te dulden dat hij, verdachte,

- ( meermalen) zijn vinger en/of penis in haar vagina bracht en/of

- ( meermalen) zijn penis in haar mond en/of in haar anus bracht en/of

- ( meermalen) haar vagina en/of billen betastte en/of haar borsten betastte en/of kneedde en/of

- ( meermalen) haar vagina likte.


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 27 januari 2016, genummerd 2015.057.982, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 159. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 86.
3 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 88.
4 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 89.
5 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 92.
6 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 94.
7 Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] bij de rechter-commissaris mr. M.A.A.T. Engbers op 8 juni 2017, pagina’s 3 en 4.
8 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 128.
9 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 129.
10 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 130.
11 een door [C] , brigadier van politie Midden-Nederland op 11 augustus 2016 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer PL0900-2015057982-14, inhoudende een verhoor van getuige [getuige 2] , pagina’s 4 en 5.