Rechtbank Midden-Nederland, 28-07-2017 / 16/659489-17 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:3937

Inhoudsindicatie
Een 26-jarige vrouw uit Haaksbergen en een 32-jarige man hebben in 2017 in Hilversum met een babbeltruc geprobeerd om een hoogbejaarde man in zijn huis te beroven. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de 32-jarige verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden. De 26-jarige vrouw heeft bij een andere bejaarde man, ook met een babbeltruc, een Swarovski sieraad uit zijn woning gestolen. Zij krijgt een celstraf opgelegd van 9 maanden. Bij de poging tot diefstal deed de vrouw zich voor als een medewerker van het Rode Kruis. Zij maakte het slachtoffer wijs dat zij vragen wilde stellen over de bevrijding. Tijdens het gesprek werd zij gebeld. Zij deed alsof haar telefoon stoorde en liep de gang op. Na een minuut ging het slachtoffer polshoogte nemen. Plotseling kwam de 32-jarige man uit de slaapkamer rennen. Niet veel later kon de politie beide verdachten aanhouden. De man die bestolen is van een sieraad was in zijn tuin bezig toen hij werd aangesproken door de 26-jarige vrouw. Zij zei dat ze haar kat kwijt was en in zijn tuin wilde zoeken. Na 10 minuten samen zoeken liep de man naar binnen en hoorde iemand van de trap afkomen. Hij pakte de man bij de pols, maar werd toen zelf hardhandig vastgepakt. De onbekend gebleven man ging naar buiten en liep samen met de vrouw weg. De vrouw werd ook verdacht van een derde poging tot diefstal. Op basis van het dossier en de behandeling op zitting kan niet met zekerheid worden gezegd dat zij dit feit heeft gepleegd. De rechtbank spreekt haar vrij van deze verdenking. De rechtbank wijkt mede daarom enigszins af van de eis van de officier van justitie. Ook wilde de officier van justitie de vrouw een gebiedsverbod opleggen voor alle bejaardencomplexen en seniorenwoningen. De rechtbank vindt deze ruim geformuleerde maatregel in deze zaak vooralsnog niet passend. Bovendien is zo’n maatregel praktisch moeilijk te handhaven.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-28
Publicatiedatum
2017-07-28
Zaaknummer
16/659489-17 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/659489-17 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juli 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren op [1991] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis.

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. drs. T. van Haaren-Paulus en van hetgeen verdachte en mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


1: op of omstreeks 5 mei 2017 te Hilversum, tezamen en in verenigen met (een) ander(en), heeft gepoogd goederen en/of geld weg te nemen van de (hoogbejaarde) [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en/of haar mededader(s) de woning van die [slachtoffer 1] hebben doorzocht na een babbeltruc.


2: op of omstreeks 30 april 2017 te Hilversum, tezamen en in verenigen met (een) ander(en), heeft gepoogd goederen en/of geld weg te nemen van [slachtoffer 2] door bij de woning van die [slachtoffer 2] aan te bellen en zich voor te stellen als een afgevaardigde van de Ouderenbond en die woning binnen te treden.


3: op of omstreeks 25 april 2017 te Hilversum, tezamen en in verenigen met (een) ander(en), met geweld (bestaande uit het hardhandig vastpakken en knijpen in de pols) een Swarovski sieraad, toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen.




2.1

VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3VRIJSPRAAK FEIT 2


3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en heeft daartoe verwezen naar de verklaring van aangeefster/getuige [slachtoffer 2] , die verdachte op 5 mei 2017 heeft herkend als de persoon die op 30 april 2017 met een bos bloemen bij haar binnen is geweest. Voorts heeft de officier van justitie verwezen naar de modus operandi zoals weergeven op pagina 12 (onderaan) van het dossier.


3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde en daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Getuige [slachtoffer 2] heeft geen melding gemaakt

– laat staan aangifte gedaan – van hetgeen zich op 30 april 2017 zou hebben afgespeeld. Verdachte heeft stellig ontkend daar op 30 april 2017 te zijn geweest. Op 5 mei 2017 zou aangeefster verdachte hebben herkend als de vrouw die bij haar binnen is geweest met een bos bloemen op 30 april 2017. Er is niet voldaan aan het bewijsminimum en indien dat wel zo zou zijn, dan is de verklaring van [slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar en niet objectief toetsbaar.


3.3

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en het verder ter terechtzitting verhandelde is niet buiten gerede twijfel vast te stellen dat verdachte de dader is van het onder 2 tenlastegelegde. De verklaring van [slachtoffer 2] (afgelegd als aangeefster en als getuige) vindt onvoldoende steun in overige bewijsmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank is de modus operandi niet dermate uitzonderlijk dat het niet anders kan dan dat verdachte dit feit heeft begaan.

De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen en heeft daartoe aangevoerd, zakelijk weergegeven:


Ten aanzien van feit 1:

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan en heeft verdachte aangewezen als de vrouw die bij hem aan de deur stond, aan hem vragen stelde en daarvan aantekeningen maakte. Op de verdieping waar verdachte is aangehouden heeft de politie een propje papier met aantekeningen gevonden die overeen komen met de antwoorden die aangever heeft gegeven op de vragen van de vrouw tegen wie hij aangifte heeft gedaan. Bij verdachte is een blocnootje aangetroffen, waarop de tekst van het propje papier is doorgedrukt. Uit de slaapkamer van aangever [slachtoffer 1] rende – naar later bleek – medeverdachte [medeverdachte 1] weg. De verklaring van verdachte dient als kennelijk leugenachtig terzijde te worden geschoven.


Ten aanzien van feit 3:

De officier van justitie verwijst ten aanzien van dit feit naar de aangifte van [slachtoffer 3] , waarbij hij verdachte aanwijst op een foto en de herkenning van verdachte door diverse verbalisanten.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van al hetgeen verdachte ten laste is gelegd en heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd.


Ten aanzien van feit 1:

Verdachte was daar met [medeverdachte 2] . De mogelijkheid bestaat dat [medeverdachte 2] degene is die die woning is binnen gegaan. [medeverdachte 2] heeft ongeveer hetzelfde signalement als verdachte. Mogelijk heeft aangever zich vergist.


Ten aanzien van feit 3:

De herkenning van aangever [slachtoffer 3] is niet betrouwbaar. Hij geeft aan dat hij een slecht korte termijn geheugen heeft en het signalement dat [slachtoffer 3] geeft van de vrouw die hij in de tuin had gezien, is beperkt. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat de vrouw in de tuin mevrouw [medeverdachte 2] is geweest. Zij past in de omschrijving die door [slachtoffer 3] is gegeven. De herkenning van verdachte is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.



4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen


Ten aanzien van feit 1:

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan van poging tot diefstal uit zijn woning, gelegen aan

[adres] te [woonplaats] , gepleegd op 5 mei 2017. Aangever [slachtoffer 1] heeft onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Omstreeks 20.15 uur ging de deurbel. Een jonge vrouw stond bij de voordeur die zei dat zij van het Rode Kruis was en dat zij mij vragen wilde stellen over de bevrijding.

De vrouw kwam binnen. Zij vroeg hoe oud ik was en ik vertelde dat ik geboren was in 1926 en dus 91 jaar oud ben. Ik zag dat zij aantekeningen maakte op een klein blocnootje. Toen ging haar telefoon, ze deed alsof de telefoon stoorde. Ze liep de woonkamer uit de gang op. Na ongeveer een minuut ging ik kijken, zij was niet meer op de gang. Plotseling kwam er uit één van mijn slaapkamers een man gerend. Ik zag de deur van de provisiekast een klein stukje open staan, dus daar heeft de man in gekeken. Ik zag deze man later in de boeien geslagen worden door de politie. Ik zag even later twee agenten met twee vrouwen staan. Eén van die twee vrouwen was bij mij binnen geweest. Ik ben er van overtuigd dat het een babbeltruc is geweest.


Verbalisanten kregen op 5 mei 2017 omstreeks 20.30 uur de melding te gaan naar de [adres] te [woonplaats] en zij hebben onder meer gerelateerd, zakelijk weergegeven:

“Wij kwamen omstreeks 20.35 uur ter plaatse. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag een man de trap aflopen die nog net iets boven op de vloer van de tweede etage legde. Het signalement van deze persoon kwam overeen met het signalement dat de melder opgaf. Die man had daar een panty met daarin een zwarte wollen handschoen neergelegd. Aangever kwam aangelopen en zei: “Ja dat is hem, hij stond net in mijn woning.” Deze man is aangehouden en dit betrof medeverdachte [medeverdachte 1] .

De aangever vertelde dat er ook een vrouw in zijn woning was geweest. Vervolgens kwam de melding een etage hoger te gaan. Daar zouden twee vrouwen druk aankloppen en vluchtgedrag vertonen. Deze twee vrouwen bleken verdachte en [medeverdachte 2] te zijn en zij werden aangehouden. Aangever zei over verdachte: ‘Dat is de vrouw die in mijn woning was’. Op de verdieping waar de vrouwen werden aangetroffen lag een wit propje papier, waarop onder meer stond “1926 91J heeft de oorlog wel meegemaakt Noord Zuid…”.


Eén van de verbalisanten heeft gerelateerd dat er in de tas van verdachte een blocnote is aangetroffen. Op de plek waar verdachte werd aangehouden is een propje papier aangetroffen van hetzelfde formaat als de blocnote, met dezelfde belijning en dezelfde scheurrand. Verbalisant zag op de blocnote exact dezelfde tekst ingedrukt staan als de tekst die op het losse papiertje stond. Verbalisant stelde vast dat het aangetroffen losse propje afkomstig is van de bij verdachte aangetroffen blocnote.


Bewijsoverwegingen feit 1

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij twee agenten met twee vrouwen zag staan en dat één van die twee vrouwen bij hem binnen was geweest. De andere van die twee vrouwen – uit het dossier volgt dat dit [medeverdachte 2] is – had hij niet eerder gezien, zo heeft aangever verklaard. Dat aangever zich vergist zou hebben tussen deze twee vrouwen, zoals door de raadsman als mogelijkheid is opgeworpen, wordt weersproken door hetgeen aangever daar over heeft verklaard. Bovendien vindt de herkenning van [slachtoffer 1] steun in de bij verdachte aangetroffen blocnote. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die bij aangever heeft aangebeld, bij aangever in de woning is geweest, hem vragen heeft gesteld over de bevrijding en dat zij daarvan aantekeningen heeft gemaakt op een blocnootje. De rechtbank merkt deze gang van zaken aan als een babbeltruc die haar mededader de kans heeft geboden (ongezien) de woning van aangever binnen te gaan met het oogmerk geld en/of goederen te stelen van aangever. De rechtbank acht, op grond van de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met een ander schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – een poging tot diefstal, zoals hierna onder 5 omschreven.


Ten aanzien van feit 3:

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van diefstal van een Swarovski sieraad uit zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] , gepleegd op 25 april 2017, tussen 15.30 uur en 15.53 uur. Aangever heeft voorts verklaard, zakelijk weergegeven:

‘Toen ik in mijn achtertuin bezig was, werd ik aangesproken door een vrouw die op zoek was naar haar kat en zij vroeg of zij in mijn tuin mocht zoeken naar haar ‘pussy’. Ik ben samen met de vrouw op zoek gegaan. Na tien minuten zoeken zijn wij gestopt, heb ik afscheid genomen van de vrouw en ben ik mijn woning in gegaan. Ik hoorde iemand van de trap af komen lopen. Ik stond op ongeveer één meter afstand van die man.

Ik pakte de man bij zijn pols. De man rukte zich los en pakte mij bij mijn pols vast.

Ik voelde dat de man mij hardhandig vastpakte. Ik voelde dat hij ontzettend hard in mijn pols kneep. Ik voelde dat de man mij pijn deed. De man liep naar buiten. Ik zag dat de vrouw die ik had geholpen met zoeken naar haar kat, nog steeds in mijn achtertuin stond. De man en de vrouw zijn samen weggelopen. Ik heb een foto gemaakt van deze twee personen.


De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen, heeft een foto gemaakt van het letsel van aangever.


In een proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd dat aangever [slachtoffer 3] heeft gezegd dat hij zeker weet dat de vrouw die uiterst links op de door hem gemaakte foto staat, de vrouw is die bij aangever in de tuin heeft gestaan en met hem heeft gesproken.


De buren van aangever, woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] , hebben camerabeelden verstrekt. Er zijn screenprints gemaakt van de camerabeelden op de datum

25 april 2017 vanaf 15.32.50 uur. Verbalisant heeft gerelateerd dat de vrouw links op de foto (de rechtbank begrijpt dat hiermee de door aangever gemaakte foto wordt bedoeld) sterk overeenkomt met de op de verstrekte camerabeelden omschreven ‘persoon 2’. Deze ‘persoon 2’ wordt onder meer door verbalisant [verbalisant 2] herkend als verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zij één van de personen is die op deze screenprints staat en dat zij ook op de door aangever gemaakte foto staat.


Bewijsoverwegingen feit 3

De rechtbank acht, op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met een (onbekend gebleven) man schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – diefstal met geweld. De rechtbank heeft geen redenen te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van aangever. Aangever heeft verklaard dat hij meteen zijn camera heeft gepakt om een foto van de betreffende personen te maken. Hij zag die twee personen samen weglopen. Bovendien geeft hij ten tijde van zijn aangifte aan dat er ook twee andere personen op de foto te zien zijn. Dat aangever op een later moment heeft medegedeeld aan de betreffende verbalisant dat zijn korte termijn geheugen niet meer goed is maakt niet dat de op op 11 mei 2017 door aangever afgelegde verklaring (zoals opgemaakt in een proces-verbaal van bevindingen), inhoudende dat hij zeker weet dat de persoon meest links op de door hem zelf gemaakte foto de persoon is geweest die hij in zijn tuin heeft gesproken, niet betrouwbaar is. Bovendien heeft verdachte verklaard dat zij op de door verdachte gemaakte foto staat. Uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat verdachte de persoon is die meest links op de door aangever gemaakte foto staat.


Verdachte heeft verklaard dat het zo kan zijn dat zij in de betreffende straat is geweest waar aangever woont, maar dat zij hem niet heeft aangesproken en ook niet in zijn tuin heeft gestaan. Verdachte heeft aangegeven dat zij niet wil toelichten wat zij daar deed. De rechtbank hecht geen geloof aan deze summiere, niet onderbouwde en niet te verifiëren verklaring van verdachte en zal deze als ongeloofwaardig terzijde schuiven. De gedragingen van verdachte en de onbekend gebleven man die aangever in zijn woning trof en die nadien samen weglopen duiden op een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de onbekend gebleven man.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1.

zij op 05 mei 2017 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] , tezamen en in vereniging met een ander, als volgt heeft gehandeld: hebben verdachte en/of haar mededader de woning van die (hoogbejaarde) [slachtoffer 1] na een babbeltruc betreden en doorzocht, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;


3.

zij op 25 april 2017 te Hilversum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Swarovski sieraad, toebehorende aan [slachtoffer 3] , welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat die [slachtoffer 3] hardhandig werd vastgepakt en in zijn pols werd geknepen.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder 1 of 3 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


Feit 1:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen.


Feit 3:

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd:

- verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest;

- dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd als bedoeld in artikel 38v lid 2 sub a van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat verdachte zich niet mag ophouden in een bepaald gebied, namelijk:

* in of in de directe omgeving van (een) woning(en) en/of (een) instelling(en)/ complex(en) die een bejaarden- en/of seniorenvoorziening is/zijn, ook niet bij de voordeur en/of toegangsdeur(en) en/of centrale hal en/of portiek en/of op het erf en/of in de tuin(en) van die dergelijke woning(en) en/of instelling(en) en/of complex(en), met een proeftijd van 2 jaren, bij niet voldoen, iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan: vervangende hechtenis voor de duur van 1 maand, met een totale duur van 6 maanden.

Ten aanzien van de aard en ernst van de feiten heeft de officier van justitie als strafverzwarend naar voren gebracht dat het hoogbejaarde slachtoffers betreffen die op slinkse wijze door verdachte zijn benaderd. Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor de door haar gepleegde strafbare feiten.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Indien enkel het onder 1 tenlastegelegde bewezen wordt geacht, dan dient aan verdachte een zelfde straf te worden opgelegd als aan haar medeverdachte. Er zijn onvoldoende redenen over te gaan tot het opleggen van een hogere straf aan verdachte ten opzichte van haar medeverdachte.

De gevorderde maatregel is praktisch niet uitvoerbaar.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal en een voltooide diefstal met geweld, waarbij (hoog)bejaarde personen het slachtoffer zijn geworden. De diefstallen hebben plaatsgevonden door middel van een zogenaamde babbeltruc. Verdachte leidde het slachtoffer af, terwijl haar mededader (ongezien) de woning van het slachtoffer betrad. Kwalijk is dat bij deze feiten kennelijk bewust oudere mensen als slachtoffer zijn uitgekozen. Verdachte heeft op lafhartige wijze deze door hun hoge leeftijd kwetsbare mensen als gemakkelijke prooi gezien en hun vertrouwen geschaad. Zij heeft ook het vertrouwen in de medemens, van wie oudere mensen in toenemende mate afhankelijk zijn, in ernstige mate geschaad. Tevens neemt de rechtbank in beschouwing dat strafbare feiten bij de slachtoffers thuis heeft plaatsgevonden, waardoor verdachte bij de slachtoffers het gevoel van veiligheid in en rond hun huis ernstig heeft beschadigd. Verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en zich kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin.


Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op oudere rapportages (onder meer een beknopt Reclasseringsadvies van 11 mei 2016 ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris in een andere strafzaak) en hetgeen verdachte en haar raadsman ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden naar voren hebben gebracht.


De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend Uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 mei 2017, waaruit volgt dat verdachte veelvuldig, ook in de afgelopen vijf jaren, is veroordeeld ter zake van (gekwalificeerde) vermogensdelicten.


De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Gelet op de aard en de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

. Er is sprake van een diefstal uit een woning en een poging daartoe De rechtbank weegt als strafverzwarend mee het samenwerkingsverband, de confrontatie met kwetsbare personen die door een babbeltruc zijn misleid, alsmede het geweld dat ten aanzien van één van de slachtoffers is toegepast. De rechtbank zal echter een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, aangezien verdachte van het haar onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.


Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden, passend en geboden.


De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel, naast de op te leggen gevangenisstraf, vooralsnog niet aan de orde en bovendien acht de rechtbank een dergelijke vrijheidsbeperkende maatregel in praktische zin moeilijk te handhaven. De rechtbank zal daarom niet overgaan tot het opleggen van een dergelijke maatregel.

9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 45, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.




10BESLISSING


De rechtbank:


Vrijspraak

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 en 3 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.



Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mrs. R.C.J. Elte-Hamming en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juli 2017.

Mr Oosterling-van der Maarel, voornoemd, is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

zij op of omstreeks 05 mei 2017, te Hilversum, althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebben hij/zij, verdachte, en/of (één of meer van) haar mededader(s) de woning van die (hoogbejaarde) [slachtoffer 1] na een babbeltruc betreden en/of doorzocht, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;


2.

zij op of omstreeks 30 april 2017, te Hilversum, althans in het arrondissement Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, bij die woning van die [slachtoffer 2] aangebeld en/of zich aan die [slachtoffer 2] voorgesteld als een afgevaardigde van de Ouderenbond en/of die woning binnengetreden en/of gevraagd naar de gegevens van die [slachtoffer 2] , zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid;


3.

zij op of omstreeks 25 april 2017, te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen een Swarovski sieraad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [slachtoffer 3] hardhandig werd vastgepakt en/of in zijn pols werd geknepen.


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL0900-2017136840, opgemaakt door Politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 21, 100 tot en met 128, 200 tot en met 229, 300 tot en met 319, 1000 tot en met 1028, 2000 tot en met 2001 en 3000 tot en met 3056. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Pagina’s 1000 en 1001.
3 Pagina 1017.
4 Pagina 3000. Pagina 3001, de laatste alinea. Pagina 3002, alinea’s 3 tot en met 6. Pagina 3007 (de door aangever [slachtoffer 3] gemaakte foto).
5 Pagina 3006 (foto).
6 Pagina 3046.
7 Pagina 3013, alinea’s 2 en 3. Pagina’s 3015 tot en met 3018 (screenprints).
8 De verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2017.