Rechtbank Midden-Nederland, 28-07-2017 / C/16/16/651 R


ECLI:NL:RBMNE:2017:3989

Inhoudsindicatie
In deze zaak is er op grond van artikel 350 lid 3 sub f Fw aanleiding om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Echter, vanwege de uitzonderlijke omstandigheden wordt de schuldsaneringsregeling niet beëindigd maar verlengd. De rechtbank acht namelijk voldoende aannemelijk dat de schuldenaar niet opzettelijk informatie over het ontstaan van zijn schulden heeft verzwegen. Schuldenaar heeft bij de aangifte van zijn faillissement melding gemaakt van de volledige schuld aan het Ministerie SZW. Bij de omzetting van faillissement naar schuldsaneringsregeling heeft de curator de bij hem (lagere) bekende schuld bij het Ministerie van SZW opgegeven. Vervolgens blijkt dat de betreffende schuld aanzienlijk hoger is dan waarvan de rechtbank is uitgegaan bij de beoordeling van het omzettingsverzoek.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-28
Publicatiedatum
2017-08-01
Zaaknummer
C/16/16/651 R
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Toezicht

locatie Utrecht


zaaknummer: C/16/16/651 R

uitspraakdatum: 28 juli 2017


uitspraak op grond van artikel 350 lid 3 van de Faillissementswet

(“tussentijdse beëindiging schuldsanering”)


enkelvoudige kamer


Bij vonnis van deze kamer van 16 juli 2013 is de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:


[schuldenaar] ,

geboren op [1962] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende [adres] [woonplaats] ,

hierna: [schuldenaar] ,

advocaat: mr. M. Mos.


1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de aangifte tot faillietverklaring van 16 juli 2013,
  • - de vonnissen van 31 augustus 2016 en de daarin genoemde stukken;
  • - de voordracht van de rechter-commissaris van 20 juni 2017;
  • - de behandeling van de voordracht ter zitting op 14 juli 2017.

1.2.

Ter terechtzitting zijn verschenen [schuldenaar] , vergezeld door zijn advocaat, mevrouw [B] (hierna: [B] ), echtgenote van [schuldenaar] , en de heer [bewindvoerder] , bewindvoerder.


2De beoordeling


2.1.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt het navolgende.


2.1.1.

Bij vonnis van 16 juli 2013 is op eigen aangifte het faillissement uitgesproken van [schuldenaar] en op 23 juli 2013 van [B] . Bij de aangifte tot faillietverklaring van [schuldenaar] is een schuldenlijst gevoegd. Hierop staan drie schulden aan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) voor bedragen van € 90.150,00, € 46.952,55 en € 23.135,21. De schulden zijn ontstaan tijdens de exploitatie door [schuldenaar] van een vennootschap onder firma [naam v.o.f. 1] ( [naam v.o.f. 1] ) en later een eenmanszaak onder de naam [bedrijfsnaam] . [schuldenaar] heeft bakkerijen gehad in [vestigingsplaats] , vervolgens [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] , daarna [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats] en tot slot alleen in [vestigingsplaats] . [schuldenaar] heeft de vestiging in [vestigingsplaats] moeten sluiten in verband met verontreinigde grond.


2.1.2.

[schuldenaar] en [B] hebben op 22 april 2016 verzocht om omzetting van hun faillissementen in schuldsaneringsregelingen. De curator heeft op 27 juni 2016 aan de rechtbank advies uitgebracht. Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 augustus 2016. Bij vonnis van 31 augustus 2016 is ten aanzien van [schuldenaar] en [B] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.


2.1.3.

Ten tijde van de toelating van [schuldenaar] en [B] tot de schuldsaneringsregeling waren bij de curator schulden aangemeld ten bedrage van € 25.297,00 aan een preferente schuldeiser (het Ministerie van SZW) en € 538.232,03 aan concurrente schuldeisers. De schuld aan het Ministerie van SZW heeft betrekking op boetes die in 2006 en 2007 zijn opgelegd. De advocaat van [schuldenaar] en [B] heeft in zijn pleitaantekeningen het volgende geschreven over de boetes:


Dit betreffen een tweetal boetes die door de arbeidsinspectie zijn opgelegd. Deze boetes zijn in 2006 en 2007 opgelegd aan [naam v.o.f. 2] , waarvan de heer [schuldenaar] één van de vennoten was. Er zijn zienswijzen ingediend en bezwaren. Helaas waren de bezwaarschriften buiten de termijn ingediend. De boeterapporten waren niet meer beschikbaar en zijn bij het ministerie opgevraagd. Een deel van het dossier werd toegezonden, doch dit was onvoldoende om een beeld te vormen van de achtergronden van deze boetes.


2.1.4.

In het vonnis van 31 augustus 2016 heeft de rechtbank over de schuld aan het Ministerie van SZW het volgende overwogen:


Nu de schulden aan het Ministerie SZW en Veemaal buiten bedoelde termijn van vijf jaar voor indiening van het verzoek zijn ontstaan en van de belastingschuld de ontstaansdatum niet bekend is, kunnen deze schulden het toelaten tot de schuldsaneringsregeling niet in de weg staan.


2.1.5.

Op 13 april 2017 heeft een verificatievergadering plaatsgevonden in de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar] en [B] . In het proces-verbaal van de verificatievergadering is het volgende opgemerkt ten aanzien van de schuld aan het Ministerie SZW:


Er is een, op 6 april 2017 bij de bewindvoerder ingediende, nagekomen concurrente vordering van € 76.717,39 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, hierna het Ministerie van SZW te noemen. Deze vordering betreft de schuldenaar ter zake van overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen opgelegde bestuurlijke boetes no. 70600209, 70602846, 70604885 en 70903884. De bewindvoerder heeft deze vordering opgenomen in zijn lijst van voorlopig erkende concurrente schuldvorderingen. Hiermee zijnde voorlopig erkende vorderingen van het Ministerie van SZW toegenomen van € 79.392,70 tot een bedrag van in totaal € 156.110,09.


2.1.6.

Het Ministerie van SZW heeft haar vordering in het faillissement onderbouwd met een toelichting in een e-mail van 6 april 2017. Bij deze e-mail zijn vier boetebeschikkingen gevoegd. Het Ministerie van SZW heeft melding in de e-mail melding gemaakt van in totaal 19 boetezaken:


Van de in totaal 19 boetezaken staan naast de 4 bij u reeds bekende zaken [rechtbank: hiermee doelt het Ministerie van SZW op de tijdens het faillissement bij de curator ingediende vorderingen], die betrekking hebben op de onderneming [naam v.o.f. 2] (totaal € 79.392,70) ook nog onderstaande zaken open. Deze zaken hebben betrekking op de voormalige VOF [naam v.o.f. 1] c.q. eenmanszaak [bedrijfsnaam] (totaal € 76.717,39):


2.1.7.

De rechter-commissaris heeft naar aanleiding van de constateringen op de verificatievergadering de schuldsaneringsregelingen van [schuldenaar] en [B] bij de rechtbank voorgedragen voor tussentijdse beëindiging.


2.2.

Artikel 350 lid 3, aanhef en onder f, Faillissementswet (Fw) bepaalt dat beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan geschieden indien feiten bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste of tweede lid, Fw. Voor zover in deze zaak van belang bepaalt artikel 288 lid 1, aanhef en onder b, Fw dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [schuldenaar] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.


2.3.

In deze zaak zal dus moeten worden beoordeeld of sprake is geweest van:

feiten en omstandigheden die ten tijde van de toelatingsbeslissing bestonden,

maar die toen niet bekend waren bij rechter, en

die reden zouden zijn geweest het verzoek tot toelating af te wijzen


Welke feiten bestonden ten tijde van de toelatingsbeslissing?


2.4.

Uit de schuldenlijst die [schuldenaar] heeft ingediend bij zijn aangifte tot faillietverklaring blijkt dat hij een schuld had aan het Ministerie van SZW. Deze schuld bestond uit de onder punt 2.1.1. genoemde bedragen. In totaal ging het om een bedrag van € 160.237,76. Deze schulden bestonden al ten tijde van de toelatingsbeslissing.


2.4.1.

Het ministerie heeft boetes opgelegd aan [naam v.o.f. 1] , [bedrijfsnaam] en een vennootschap onder firma [naam v.o.f. 2] . Het is onduidelijk of [schuldenaar] bij [naam v.o.f. 2] is betrokken. [schuldenaar] heeft ter zitting verklaard niet betrokken te zijn bij [naam v.o.f. 2] , maar zijn advocaat maakt in de behandeling van het verzoek tot toelating van [schuldenaar] wel melding van zijn betrokkenheid bij [naam v.o.f. 2] . In ieder geval is zeker dat de ondernemingen van [schuldenaar] begin 2012 werden overgedragen aan een vennootschap van de zoon van [schuldenaar] , namelijk een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam v.o.f. 3] Al deze feiten hebben zich voorafgaand aan de toelatingsbeslissing voorgedaan.


Welke feiten waren bij de rechter die over de toelating heeft beslist bekend?


2.5.

Uit het vonnis van 31 augustus 2016 blijkt welke processtukken aan de rechtbank zijn overgelegd. Onderdeel van deze stukken was niet de aangifte tot faillietverklaring van [schuldenaar] en de daarbij gevoegde schuldenlijst. Partijen en de rechtbank hebben zich bij het verzoek om omzetting van het faillissement in een schuldsanering uitsluitend gebaseerd op de bij de curator ingediende vorderingen. Dit betrof een viertal boetebeschikkingen voor een totaalbedrag van € 25.297,00. Uit het vonnis blijkt daarnaast dat deze boetes waren opgelegd in 2006 en 2007.


2.6.

Uit de hiervoor geciteerde e-mail van het Ministerie van SZW blijkt dat de schuld nu € 156.110,09 bedraagt. Het Ministerie van SZW heeft geschreven dat het zou gaan om in totaal 19 boetezaken. Bij de rechtbank was niet bekend dat er sprake was van dit aantal boetebeschikkingen voor een totaalbedrag van ten minste € 156.110,09.


2.7.

Bij deze vaststelling is niet van belang dat in de stukken bij de aangifte tot faillietverklaring wel melding is gemaakt van een hogere schuldenlast. Deze stukken waren immers geen onderdeel van de processtukken bij het verzoek tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling. Geen van partijen heeft deze stukken in de procedure gebracht, partijen hebben de rechtbank niet gevraagd daarvan kennis te nemen en de rechtbank heeft ook ambtshalve geen aanleiding gezien de stukken bij haar oordeel te betrekken. Daar komt bij dat in de bijlage bij de aangifte tot faillissement wel wordt gesproken van een hoger boetebedrag, maar dat daar het aantal van 19 boetebeschikkingen niet uit volgt.


Zouden de nu bekende feiten reden geweest zijn om het verzoek af te wijzen?


2.8.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [schuldenaar] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij met alle omstandigheden van het geval rekening kan worden gehouden. Bij de beoordeling zijn onder meer van belang de aard en omvang van de schulden, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin aan [schuldenaar] van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden een verwijt kan worden gemaakt en het gedrag van [schuldenaar] voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.


2.9.

De hiervoor bedoelde termijn van vijf jaar is gekoppeld aan het gedrag van [schuldenaar] met betrekking tot het niet betalen van schulden. Het gaat in artikel 288 Fw immers niet alleen gaat om het ontstaan, maar ook om het onbetaald laten van schulden. Het is dus in de eerste plaats van belang op welk moment een schuld is ontstaan en in de tweede plaats hoe het betalingsgedrag van [schuldenaar] nadien is geweest. Hieruit volgt dat bij toepassing van de termijn van vijf jaar de tijd dat [schuldenaar] in staat van faillissement verkeerde buiten beschouwing moet worden gelaten. Tijdens zijn faillissement bepaalt namelijk niet het gedrag van [schuldenaar] of schulden al dan niet onbetaald worden gelaten. Gedurende het faillissement is de curator met uitsluiting van [schuldenaar] belast met het beheer en de vereffening van het vermogen van [schuldenaar] .


2.10.

In het vonnis van 31 augustus 2016 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de schulden aan het Ministerie van SZW niet te goeder trouw zijn ontstaan. De boetes waarover de rechtbank destijds heeft geoordeeld waren allemaal ontstaan in 2006 en 2007. Dit is meer dan vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop de aangifte tot faillissement is ingediend, zodat de rechtbank [schuldenaar] desondanks tot de schuldsaneringsregeling heeft toegelaten.


2.11.

Nu doet zich de situatie voor dat naast de vier in het vonnis verdisconteerde boetes, van nog vier nieuwe boetes bekend is op welke data zij ontstaan zijn, namelijk:

- een boetebeschikking van 2 maart 2006 van € 24.000 heeft betrekking op een overtreding op 30 november 2005,

- een boetebeschikking van 7 februari 2007 van € 20.000 heeft betrekking op een overtreding op 14 september 2006,

- een boetebeschikking van 22 mei 2007 van € 16.000 heeft betrekking op een overtreding op 7 maart 2006,

- een boetebeschikking van 14 december 2009 van € 12.000 heeft betrekking op een overtreding op 16 juni 2009.


2.12.

Van in totaal acht boetebeschikkingen is dus nu de ontstaansdatum bekend. Er zijn in totaal 19 boetes opgelegd, zodat van nog 11 boetes onbekend is wanneer de overtredingen zijn begaan of de boete is opgelegd. Wel is bekend dat deze laatste 11 boetes moeten zijn ontstaan voorafgaand aan 2012. Begin 2012 draagt [schuldenaar] zijn onderneming immers over aan de vennootschap van zijn zoon.


2.13.

De schulden van [schuldenaar] aan het Ministerie van SZW zijn niet te goeder trouw ontstaan. [schuldenaar] heeft herhaaldelijk zonder de benodigde vergunningen vreemdelingen in zijn onderneming tewerkgesteld. [schuldenaar] is als eigenaar/vennoot verantwoordelijk voor deze gang van zaken. Uit de verklaring ter zitting blijkt niet dat [schuldenaar] op enig moment maatregelen heeft genomen om deze overtredingen te voorkomen. Dit blijkt uit de hoeveelheid opgelegde boetes. [schuldenaar] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij pogingen heeft gedaan om de boetes te voldoen.


2.14.

[schuldenaar] heeft nog altijd geen volledig inzicht gegeven in de boetebeschikkingen of de momenten waarop die zijn ontstaan. De hiervoor genoemde boetebeschikking van 14 december 2009 heeft betrekking op een overtreding op 16 juni 2009. Dit is minder dan vijf jaar voorafgaande aan de dag dat [schuldenaar] failliet werd verklaard (16 juli 2013). [schuldenaar] heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat de 11 boetes waarvan geen ontstaansdatum bekend is, langer dan vijf jaar geleden zijn ontstaan. Op basis van het gedrag van [schuldenaar] in het verleden is aannemelijk dat de overtredingen zijn blijven voortduren totdat de onderneming werd overgedragen (begin 2012). Dit is minder dan vijf jaar geleden. Ten overvloede wordt hieraan nog toegevoegd dat dit ook geldt als bij beoordeling van de vijf-jaars-termijn moet worden uitgegaan van het moment van indiening van het omzettingsverzoek.


2.15.

Op basis van het voorgaande is de conclusie dat de nu bekende feiten reden waren geweest om destijds het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling te af te wijzen. Er is dus een grond om de schuldsaneringsregeling van [schuldenaar] tussentijds te beëindigen.


Verlenging schuldsaneringsregeling


2.16.

Artikel 349a lid 3 Fw biedt de mogelijkheid in uitzonderlijke gevallen – op grond van het oordeel dat er sprake is van herstelbare tekortkomingen en dat de wijze waarop [schuldenaar] overigens zijn verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling is nagekomen een “tweede kans” rechtvaardigt – de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengen met maximaal twee jaar.


2.17.

In dit geval is voldoende aannemelijk dat [schuldenaar] niet opzettelijk de informatie over het ontstaan van zijn schulden heeft verzwegen. [schuldenaar] heeft al bij de aangifte van zijn faillissement melding gemaakt van de volle omvang van zijn schuld aan het Ministerie van SZW. Verder is gebleken dat het de curator, noch bewindvoerder is gelukt volledig inzicht in de vordering van het Ministerie van SZW te krijgen. Het Ministerie van SZW maakt weliswaar melding van 19 boetes, maar er zijn acht boetebeschikkingen bij de curator en bewindvoerder bekend. Verder moet in het voordeel van [schuldenaar] worden meegewogen dat de bewindvoerder ter zitting heeft verklaard dat [schuldenaar] zich tijdens de schuldsaneringsregeling heeft gehouden aan alle verplichtingen.


2.18.

Indien [schuldenaar] in eerste instantie niet was toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, zou hij na verloop van vijf jaar, na afwikkeling van het faillissement, alsnog kunnen worden toegelaten. Dit betekent dat [schuldenaar] dan begin 2017 zou zijn toegelaten, terwijl hij bij een beëindiging op dit moment gedurende de eerste tien jaar niet tot de regeling kan worden toegelaten (zie ook: Hof Arnhem 26 januari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV2551).


2.19.

Gelet op de hiervoor vermelde bijzondere omstandigheden, zal de rechtbank niet beslissen tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, maar de looptijd van de regeling op grond van artikel 349a Fw verlengen met de maximale duur van twee jaar, derhalve tot 31 augustus 2021. Dus zal de termijn als bedoeld in artikel 349a Fw op vijf jaar worden bepaald.


2.20.

Gedurende de verlenging blijven voor de schuldenaar alle reguliere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen bestaan.


3De beslissing


De rechtbank:


- bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd;


- stelt de termijn als bedoeld in artikel 349a Fw, gedurende welke de toepassing van de schuldsanering van kracht is, vast op vijf jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, derhalve tot 31 augustus 2021 maximaal ;


Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2017.


1 Hoger beroep tegen dit vonnis kan slechts worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen, te rekenen na de dag van de uitspraak van het vonnis.