Rechtbank Midden-Nederland, 31-01-2017 / 16/695515-16 (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:405

Inhoudsindicatie
Twee 23-jarige mannen uit Rosmalen en Vianen, zijn door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf voor moord. Het slachtoffer werd vorig jaar op klaarlichte dag geliquideerd, in een woonwijk in IJsselstein, terwijl zijn dochtertje naast hem in de auto zat. De rechtbank oordeelt op basis van verschillende getuigenverklaringen en het aangetroffen DNA-materiaal dat de verdachten de daders zijn van de schietpartij. De mannen hadden beiden een vuurwapen bij zich, waaronder een groot automatisch vuurwapen. Ze droegen een bivakmuts en zwarte regenpakken, met handschoenen vast getapet aan de mouwen. De rechtbank oordeelt op grond van de uitvoering dat het hier gaat om een kennelijk goed voorbereide kille afrekening of huurmoord. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere gekeken naar de ernst van het feit. De mannen lieten zich niet weerhouden dat het 7-jarige dochtertje van het slachtoffer naast hem zat en ook in levensgevaar is geweest. Nadat het meisje in paniek haar moeder riep is de vrouw van het slachtoffer nog in een vergeefse poging met het slachtoffer naar het ziekenhuis gereden. Dit alles heeft een onuitwisbare indruk gemaakt op de vrouw en het dochtertje, zoals ook bleek uit de slachtofferverklaringen. Ook neemt de rechtbank mee dat de moord plaatsvond op klaarlichte dag, midden in een woonwijk.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-01-31
Publicatiedatum
2017-01-31
Zaaknummer
16/695515-16 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PS-Updates.nl 2017-0140
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht



Parketnummer: 16/695515-16 (P)



Vonnis van de meervoudige kamer van 31 januari 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,

ingeschreven te [woonplaats] ,

gedetineerd in PI Nieuwegein te Nieuwegein.


1Het onderzoek ter terechtzitting


Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016, 6 september 2016, 29 november 2016 en 17 januari 2017.

De verdachte is op alle zittingen, met uitzondering van die van 12 juli 29016, in persoon verschenen.

Hij werd ter terechtzitting bijgestaan door mr. M.P. Hilhorst, advocaat te Utrecht en ter terechtzitting van 6 september 2016 en 17 januari 2017 eveneens door mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouwen naar voren hebben gebracht.



2Tenlastelegging


De tenlastelegging is gewijzigd op de zitting van 29 november 2016. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


Feit 1 dat hij op 17 april 2016 te IJsselstein, samen met een ander, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meerdere kogels op die [slachtoffer] af te vuren, waardoor die [slachtoffer] is overleden;

Feit 2 dat hij op 17 april 2016, samen met een ander, een automatisch vuurwapen, twee semi-automatische vuurwapens en totaal ruim 100 scherpe patronen voorhanden heeft gehad.







3Voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


4Waardering van het bewijs


4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan moord (feit 1) en het medeplegen van voorhanden hebben van drie vuurwapens en munitie (feit 2).


4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De daartoe aangevoerde argumenten zullen in dit vonnis, op de plaats waar dit relevant is, worden besproken.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


4.3.1.

Bewijsmiddelen feit 1

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.


De eerste getuige en het slachtoffer


Getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard:

Ik woon op de [adres] te [woonplaats] . Op 17 april 2016 om 10.00 uur hoorde ik knallen en liep naar mijn balkon aan de voorkant van mijn woning. Ik zag het dochtertje van mijn buurman naar de flat rennen en hoorde haar roepen “papa, papa”. Ik rende naar beneden, naar de auto van de buurman, een Volkswagen Polo. Ik zag dat die auto midden op het parkeerterrein stond. Ik zag dat de buurman gewond was en niet reageerde. Ik keek om me heen en zag dat de dader vanuit de bijrijdersstoel van een BMW M5 een wapen op me richtte. Het was een handvuurwapen, ik denk een 9 mm. Hij had een bivakmuts op. Achter het stuur zat nog een persoon met een bivakmuts op. Ik liep achteruit, terug naar de flat. Ik zag dat de daders wegrenden. Ik zag dat de voorste dader een korte AK machinegeweer vasthield onder zijn rechterarm. Ze renden na de groene bouwkeet linksaf, langs een speeltuintje binnendoor richting [adres] , de [adres] . Ze hadden een soort van regenjas aan met een horizontale reflectiestreep op de rug.


Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd:

Op 17 april 2016 rond 10.00 uur hoorden wij dat de eenheid 52.03 werd gestuurd naar de [adres] te [woonplaats] . Er zou geschoten worden. Ik en mijn collega zijn in ons voertuig gestapt en die kant op gereden. Onderweg hoorden we via de meldkamer dat een grijze Volkswagen was weggereden. Het kenteken werd genoemd, maar ik hoorde alleen de cijfercombinatie [nummers] . De meldkamer gaf door dat de 2 mannen weggerend waren. Terwijl ze, ter hoogte van de [adres] , overlegden met inmiddels gearriveerde collega’s, zagen we een grijze VW de bocht om komen. Het kenteken begon met [nummers] en de auto reed zo hard de bocht om dat hij bijna kantelde. De auto minderde vaart en ik hoorde een man uit het raam schreeuwen. Naast de bestuurder hing een man half tegen de deur, half tegen in de stoel. Ter hoogte van zijn borst zat hij onder het bloed. Ik hoorde de bestuurder roepen: ‘Ik heb het slachtoffer, moet naar het ziekenhuis. Daar zijn ze heen’. Hij wees naar de Nedereindse plas. Daarna reed de VW door.


Het slachtoffer is: [slachtoffer] , geboren [1978] te [geboorteplaats] , wonende [adres] te [woonplaats] . Hij overleed op 17 april 2016 om 10.50 uur.


Door arts en patholoog M. Buiskool is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer] . Hiervan is een rapport opgesteld, waaruit blijkt dat in het lichaam 3 kogels zijn aangetroffen en meerdere kogelfragmenten. Er sprake was van uitwendig mechanisch perforerend geweld, passend bij mogelijk 5 inschoten (één aan de hals/nek, drie aan de romp en één in de linker bovenarm), minimaal 5 doorschoten en mogelijk meerdere schampverwondingen. In relatie met schotverwondingen aan de borstkas, waren vitale organen geperforeerd, waaronder het hart en beide longen. Het intreden van de dood wordt verklaard door verwikkelingen van dit bij leven opgelopen inwerking van meervoudig mechanisch geweld (schieten).


Het onderzoek op de plaats delict


Verbalisant [verbalisant 2] heeft het volgende gerelateerd:

De [adres] is een grote parkeerplaats omringd door flats. Links in de hoek, op een parkeerplaats stond een bouwkeet. Ik zag een grijze BMW staan, waarvan de deuren een stukje open stonden. De BMW stond naast de eerder genoemde bouwkeet. De bestuurder van een groene personenauto zei dat de BMW van de daders was. Hij zei dat de daders weggerend waren, in de richting van de speeltuin.


Op de [adres] is sporenonderzoek gedaan. Verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , hebben hierover het volgende gerelateerd:

Op de parkeerplaats werden 8 hulzen, 1 kogelpunt en 2 manteldelen aangetroffen. De 8 hulzensporen werden voorzien van de SIN-nummers AAJD2562NL t/m -69NL. De kogelpunt werd voorzien van SIN nummer AAJD2561NL. De twee manteldelen werden voorzien van SIN nummers AAJD2559NL en AAJD2570NL. Verder werd aangetroffen:

-een huls 9mm naast de handrem van de auto van het slachtoffer [SIN AAJD1624NL]

-een huls 9mm onder de kinderstoel van de auto van het slachtoffer [SIN AAJD1623NL]

-een huls 9mm naast rechterstoel gesphouder [SIN AAJD1622NL]

-een deel kogelpunt uit kleding slachtoffer [SIN AAJI8564NL]

-drie kogelpunten bij sectie slachtoffer [SIN AAIX7606NL, -07NL en 08NL].


In het middenconsole van de BMW met kenteken [kenteken] lag een pistool. In de houder van dit pistool zaten 14 scherpe patronen, in de kamer zat 1 scherpe patroon. Dit pistool werd voorzien van SIN-nummer AAJD1631NL.

Tevens lag deels onder de passagiersstoel een pistool. In de houder van dit pistool zat 1 scherpe patroon, in de kamer zat eveneens 1 scherpe patroon. Dit pistool werd voorzien van SIN-nimmer AAJD1630NL.


Op de achterbank van de BMW werd een zwarte Nike sporttas aangetroffen. In de Nike tas lagen twee houders van een vuurwapen, voorzien van enkele 9 mm patronen en een soortgelijk 9 mm Luger los patroon. Tevens lag in de tas een magazijnhouder van een automatisch vuurwapen voorzien van bijbehorende patronen en nog een soortgelijk los patroon.


Uit het sporenonderzoek aan de auto van het slachtoffer, de VW Polo met kenteken [kenteken] is het volgende gebleken. In de voorruit, aan de bijrijderszijde, waren vier schotbeschadigingen zichtbaar. De richting van deze beschadigingen werd bepaald met behulp van een schotbaanlaser en hieruit bleek dat deze waren gericht op de bestuurdersstoel. In de auto werd glas van de voorruit aangetroffen. Er is dus staand buiten het voertuig door de voorruit geschoten. De schutter heeft tijdens het afvuren van het vuurwapen rechts voor het voertuig gestaan, aan de bijrijderszijde. Een schotbeschadiging in het bestuurdersportier was nagenoeg loodrecht gericht richting de bestuurdersstoel, komend vanaf de rechterzijde (bijrijderszijde) van de auto. De ruit van het rechterportier was niet vernield, het is dus zeer aannemelijk dat dit schot is afgevuurd door een openstaand rechterportier. In het voertuig zijn drie hulzen aangetroffen. Deze zijn voorzien van de SIN-nummers AAJD1622NL t/m -24 NL.


Door het NFI is vergelijkend onderzoek naar de aangetroffen wapens en munitie gedaan.

Beide pistolen zijn semi-automatisch werkende pistolen van het merk Walther, model P99. Kaliber 9mm. Uit de bevindingen van dit onderzoek is gebleken dat de hypothese dat de elf hulzen (nrs. AAJD1622NL t/m -24NL en nrs. AAJD2562NL t/m -69NL) zijn verschoten met pistool AAJD1630NL minimaal zeer veel waarschijnlijker is, dan de hypotheses dat de hulzen zijn verschoten met pistool AAJD1631NL of met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de twee pistolen. Verder is uit de bevindingen van dit onderzoek gebleken dat de hypothese dat de zeven kogels en manteldelen (AAIX7606NL t/m -08NL, AAJD2559NL, -61NL, -70NL en AAJI8564NL) die het best passen bij het kaliber 9mm Parabellum en pistool AAJD1630NL) zijn afgevuurd uit de loop van pistool AAJD1630NL extreem veel waarschijnlijker is, dan de hypothese dat de kogels en hulzen zijn afgevuurd uit de loop van het pistool (AAJD1631NL) of uit een andere loop van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken als de lopen van de twee pistolen.


De getuigen van het schieten


Getuige [getuige 2] heeft als volgt verklaard:

We gingen zondag naar beneden. We stapten in de auto. Toen ging mijn vader de auto starten en toen kwam er opeens een man bij ons en die schoot de ruit kapot. En hij schoot mijn vader in zijn schouder. Ik zat voorin de auto en wilde net mijn gordel omdoen. Het glas kwam bijna tegen mijn oor.


Getuige [getuige 3] heeft als volgt verklaard:

Ik parkeerde op 17 april 2016 omstreeks 09.30 uur mijn auto voor de flat aan de [adres] te [woonplaats] . Ik bleef in de auto wachten op mijn vriendin. Ik had zicht op de schaftkeet die op de parkeerplaats staat. Naast die keet stond een zilvergrijze BMW, klaar om weg te rijden. Tussen 09.55 en 10.00 uur zag ik een man lopen met een dochtertje. Het meisje had een wit hoofddoekje om. Hij liep richting geparkeerde auto’s. Ik zag twee mannen uit de zilvergrijze BMW stappen, één uit de bestuurderszijde en één uit de passagierszijde. De man aan de passagierszijde had een automatisch vuurwapen bij zich. Ik dacht aan een AK47. Het wapen was zwart. De man met het wapen liep voorop. De tweede liep als back-up achter hem aan. De mannen liepen doelgericht naar de man met zijn dochtertje. Ik hoorde meerdere schoten. Ik denk een stuk of zes, zeven. Ik zag dat de man het wapen tegen zijn schouder had geplaatst en in een vuurhouding richtte op de bestuurderszijde van een auto. Ondertussen liep ik met mijn dochter weg, om in veiligheid te komen. Ik keek achterom en zag dat de 2 mannen rennend terug gingen naar de BMW. De man met het wapen stapte in aan de passagierszijde en de andere man aan de bestuurderszijde. Ik hoorde een kind gillen en ik zag het meisje met het witte hoofddoekje gillend wegrennen richting de plek waar zij vandaan gekomen was.

De man met het wapen was ongeveer 175/180 cm lang, normaal postuur. Hij was in het zwart gekleed. Hij droeg een zwarte bivakmuts. De tweede man was ook in het zwart gekleed en droeg ook een zwarte bivakmuts. Hij had ongeveer dezelfde lengte als dader 1

De man aan de bestuurderskant stapte uit en rende weg over het voetpad richting de speeltuin. De man met het wapen stapte ook uit de BMW en rende achter zijn maatje aan. Hij droeg het wapen nog steeds bij zich. De bivakmutsen hadden ze nog op.


Getuige [getuige 4] heeft als volgt verklaard:

Ik liep rond 9.50 à 9.55 uur (de rechtbank begrijpt: op 17 april 2016) naar buiten. Ik had het portier van de auto in mijn hand toen ik iets hoorde wat leek op vuurwerk. Ik draaide me om en zag een man met een vuurwapen in zijn rechterhand. Hij stond voorovergebogen. Hij stond heel dicht op de auto. Ik denk dat hij wel acht á tien keer schoot. Het was een klein vuurwapen. Het was een donker wapen. De man had een zwarte bivakmuts op.


Getuige [getuige 5] heeft als volgt verklaard:

Ik woon op de [adres] te [woonplaats] . Op 17 april 2016 stond ik op het balkon aan de zijde van de parkeerplaats. Ik hoorde mijn buurman met zijn dochtertje naar beneden lopen. Ik zag ze naar de auto lopen. Die auto stond op de parkeerplaats. De vader liep naar de bestuurderszijde, zijn dochter naar de andere zijde. Ik zag dat de deuren van een BMW die geparkeerd stond naast een bouwkeet op de parkeerplaats, open gingen. Vanuit elke zijde van die BMW kwam één persoon. Beide waren donker gekleed. De kleding leek bol, net als ik mijn regenjas draag en er nog kleding onder zit. Op het moment dat beide portieren van de auto van de buurman dicht waren, zag ik beide donker geklede personen op een holletje in de richting van de auto van de buurman lopen. Beide personen hebben een voorwerp in hun hand. Ik zag dat ze bivakmutsen onder hun capuchon droegen. De bestuurder van de BMW, dader 1, liep naar de zijde van de auto waar het buurmeisje zat. De persoon die vanaf de bijrijdersstoel van de BMW was gekomen, dader 2, liep naar de andere zijde van de auto van de buurman. Dader 1 begon te schieten op de auto van de buurman. Na het schieten renden beide daders terug naar de BMW. Dader 2 ging weer op de bijrijdersstoel zitten en dader 1 op de bestuurdersstoel.


Getuige [getuige 6] heeft als volgt verklaard:

Ik was op 17 april 2016 in een woning op de [adres] te [woonplaats] . Ik hoorde knallen en deed de gordijnen van de slaapkamer open. Ik keek toen op de parkeerplaats en zag een BMW staan met twee personen erin. Ik zag dat ze uitstapten. Ze droegen donkere zwarte regenkleding en bivakmutsen. De regenkleding had een zilver reflecterende horizontale streep op de rug. Toen de personen die auto verlieten viel het mij op dat er een wapen in het spel was. Ik zag een groot wapen met een lange loop. Die personen renden weg in de richting van de speeltuin. Ze waren in paniek, want ze kwamen even later terug. Toen namen ze allebei weer plaats in de auto, zonder de deuren te sluiten. Er werd wat gerommeld en vervolgens verlieten ze de auto weer. Toen zijn ze weer richting de speeltuin gevlucht. Het magazijn van het wapen dat ik gezien heb, was onderin het wapen geplaatst. Ik denk aan een AK47 of een Kalasjnikov. Ze hadden identieke kleding aan. Het waren geen forse mannen.


Getuige [getuige 7] heeft als volgt verklaard:

Op 17 april 2016 was ik in mijn woning op driehoog. Ik hoorde knallen en ben naar het raam gegaan. Ik keek over de parkeerplaats heen. Ik zag twee mannen in zwarte regenkleding. Ze stonden voor de vluchtauto, die naast de keet stond. Ik zag ze schieten. Eén had een lang wapen in zijn handen, waarvan het handvat bruin was. Toen ze later met zijn tweeën de auto in stapte, heb ik gezien dat de ander ook een wapen had. Ze wilden wegrijden, maar de auto startte niet. Ze renden om de keet heen richting de speeltuin. Na 30 of 40 seconden kwamen ze weer terug bij de vluchtauto. Ik denk dat ze toen wel weer 30 of 40 seconden in de auto hebben gezeten. Ik weet nog dat ik de verdachte met dat grote wapen de auto uit zag stappen. De mannen hadden zwarte regenpakken aan, met reflecterende stroken op de borst, de rug en de broek. Toen ze voor de tweede keer de auto verlieten, vluchtten ze dezelfde kant op, richting het speeltuintje.

Ik heb de vluchtauto ’s ochtends om 05.30 à 05.45 uur al zien staan. Ik rookte toen een sigaretje op het balkon.


Getuigen op de vluchtroute in de woonwijk


Getuige [getuige 8] heeft als volgt verklaard:

Ik zag op 17 april 2016 rond 09.45 a 10.00 uur vanuit mijn raam op de [adres] te [woonplaats] dat er twee mannen met versnelde pas aan kwamen. Ze gingen linksaf. Ik ben naar de achterzijde van mijn woning gegaan en zag ze wegrennen in de richting van het bosgebied. De voorste man was getint. Hij had een kort zwart jasje aan. Het leek een regenjas. Hij had zwarte vingerhandschoenen aan en donkere sportschoenen. De tweede man was lichter getint dan de eerste man. Het jasje was precies hetzelfde als de voorste man. Hij had ook een donkere broek en donkere sportschoenen aan.

De tweede man had een wapen bij zich van 1 meter, ik denk een AK. De houder was een beetje khaki-achtig van kleur. De rest van het wapen was zwart. De houder liep met een kromming, een banaanachtige vorm. Toen ik de mannen aan de achterzijde van mijn woning zag, waren ze aan het rennen.


Getuige [getuige 9] heeft als volgt verklaard:

Op 17 april 2016 omstreeks 10.05 uur bevond ik mij in de woonkamer van mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] . Ik keek uit over het parkje tussen de flats. Ik zag twee mannen rennen, komend uit de richting [adres] . De tweede man had een groot vuurwapen vast. Ik zag dat het een donker wapen was met een houten handvat. Hij hield het wapen met 2 handen voor zijn borst vast, met de loop recht omhoog. De mannen renden over het voetpad voor mijn woning. Ze gingen vervolgens rechtdoor, over het bruggetje. Ze staken het wandelpad over de [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres] ) over en renden het bosperceel in.

Beide mannen droegen een zwart regenpak of sportpak. De broek en het jasje waren van dezelfde stof. Op de linkerborst zat een grijs reflecterende horizontale streep.


Getuigen in het ‘buitengebied’


Getuige [getuige 10] heeft als volgt verklaard:

Ik ging vanochtend met mijn zus fietsen. Ik stond stil omdat mijn zus foto’s maakte. We hoorden een aantal knallen. We fietsten verder en kwamen bij een plasje. Daar maakte mijn zus een foto. Toen we die later terugkeken, zagen we dat die foto gemaakt was om 09.59 uur. We fietsten weer verder en zagen op een gegeven moment 2 mannen. Dat was bij het pad naast de volkstuintjes. We hoorden een harde plons en zagen dat de voorste man in het slootje was gesprongen. Ik zag hem de sloot uit komen en de volkstuintjes oplopen. Ik zag dat er een man aan het werk was bij de moestuintjes. De voorste man had een zwart regenpak aan en een regenbroek. Hij had kort zwart plat haar. De achterste man had ook een soort van zwart regenpak aan. Bij hem zag ik een reflectiestreep, horizontaal over de borst. Het was een blanke man. We zijn doorgefietst en zagen aan het begin van de woonwijk een politiebusje en een politieauto langzaam rijden.


Getuige [getuige 11] heeft als volgt verklaard:

Ik ging zondagochtend (de rechtbank begrijpt: 17 april 2016) een fietstocht maken met mijn broer. We zijn tot ongeveer 09.50 uur bij de Nedereindseplas gebleven en daarna weer doorgefietst. Net voordat we die plas verlieten hoorden we knallen, wat op vuurwerk leek.

We fietsten door en daarna heb je aan de rechterhand nog een kleine plas. Daar zijn we gestopt en hebben we foto’s gemaakt. Dat was een paar minuten voor 10. Toen fietsen we door en dan krijg je aan je rechterhand wat bosjes en moestuintjes. Op dat moment zagen we twee donker geklede mannen. Ze droegen donkerblauwe of zwarte regenpakken, zowel jassen als broeken. Op de regenpakken zaten grijze reflecterende strepen, op de borst en bij de enkels. Ze droegen allebei precies hetzelfde. Eén man stapte in de sloot richting de moestuintjes. Hij waadde door de sloot. De andere man kwam vanaf rechts op ons afgelopen. Ik zag iets over zijn rug hangen. Ik dacht gelijk dat dat een jachtgeweer was, omdat we eerder die knallen hadden gehoord. Ik zag een donker stukje uitsteken.


Getuige [getuige 12] heeft als volgt verklaard:

Ik ging op 17 april 2016 hardlopen. Voor tienen liep ik het park in. Dan kom je bij het Fletcherhotel uit. Daar maak je dan een bocht en ga je de brug over naar de Nedereindseplas. Halverwege het park hoorde ik knallen. Ik liep verder. Bij de Nedereindseplas loop je naar beneden richting het fietspad. Toen ik naar beneden liep, de helling af, liep er een jongen met mij op in de bosjes aan de overkant bij een slootje. Hij liep een beetje hard en toen weer zacht, hard en zacht. Toen bleef hij staan en stak hij de weg over. We keken elkaar even aan. Hij stak het fietspad en het looppad over en ging aan de overkant de bosjes weer in. Hij had een joggingachtig trainingspak aan, donkerblauw. Hij was tussen de 1.85 en 1.90 meter. In die bosjes aan de overkant, hurkte de man achter een boom. Hij had plat donker haar. Volgens mij was het gewoon een blanke man. Hij droeg gympen met zwarte zolen. Er zat ergens op de borst een letter of een logo in wit.


Getuige [getuige 13] heeft als volgt verklaard:

Ik heb op 17 april 2016 de deur van mijn tuinhuisje open gedaan. Ik heb twee tuintjes en ben van de ene naar de andere gegaan om te zaaien. Ik ben om ongeveer 10.00 uur terug gekomen bij het tuinhuisje om zaad te halen en trof een man in dat tuinhuisje aan. Die man zat daar en hij had mijn kleren aan. Hij zei: “Ik kom om jou te helpen”. Ik heb hem gezegd dat dat mijn kleren waren en dat hij daar vanaf moest blijven. Hij had mijn laarzen en een hemd of blouse van mij aan. Op dat moment vluchtte hij weg. Hij sprong toen een slootje over. Hij had zijn spullen in een roodachtige plastic tas gedaan. De tas was van mij, de spullen waren van hem. Er zat iets van een motiefje op de tas. Ik ben achter de man aangegaan. Toen kwam de politie aanrijden en werd hij aangehouden. Toen hij vluchtte nam hij de tas mee. De bivakmuts die in het tuinhuisje is aangetroffen, is niet van mij.


Aanhouding verdachte [verdachte]


Verbalisant [verbalisant 5] heeft als volgt gerelateerd:

Op 17 april 2016 was ik belast met basispolitiezorg. Rond 10.00 uur kreeg ik opdracht met spoed richting de [adres] te [woonplaats] te rijden. Daar zou geschoten zijn op een voertuig, merk VW, voorzien van het kenteken [kenteken] .

Op een moment dat ik bijna op de [adres] reed, zag ik een man mij wenken. De man stond hevig te zwaaien. Ik stopte mijn voertuig en vroeg wat er was. Hij zei in gebrekkig Nederlands: “U moet aanhouden hem. Kijk, mijn kleding. Hij heeft gestolen. Mijn kleding, omgekleed. Hij komt van moestuin, achter.” Ik keek om en zag op een afstand van ongeveer 30 meter een man lopen in werkkleding. De spijkerbroek was nagenoeg volledig doorweekt en zat onder het kroos. Ik stapte uit mijn voertuig en hield de man aan als verdachte van het schietincident. De aanhouding vond plaats omstreeks 10.20 uur. Later, bij insluiting, bleek verdachte te zijn genaamd: [verdachte] , geboren [1994] .


Verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben als volgt gerelateerd:

Wij hebben onderzoek verricht op de plaats waar verdachte is aangehouden. Door de speurhond werd in de bosschages een gekleurde tas aangetroffen. De officier van dienst kwam met de getuige ter plaatse. De getuige verklaarde bij het zien van de gekleurde tas, dat het zijn tas was. Het was een meerkleurige bigshopper. Wij zagen dat de volgende goederen in de tas aanwezig waren:

Een zwarte trainingspak van het merk Adidas met rode biezen. Een paar zwarte Adidas gympen. Deze schoenen zaten onder de modderen waren drijfnat. Een zwart regenpak, met onderaan de broekspijpen een reflecterende bies. Aan de achterzijde van de broekspijpen, aan de onderzijde, zat een stuk grijze duct tape geplakt. Aan de mouwen van de regenjas zat ook tape en aan deze tape waren nitrillen handschoenen bevestigd. Deze sporen werden voorzien van de volgende SIN-nummers.

regenjas,: AAIN1531NL;

nitrillen handschoen AAIN1525NL;

nitrillen handschoen: AAIN1526NL.


Verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben als volgt gerelateerd:

In het tuinhuisje (ook wel keet genoemd) op het volkstuinen complex werd – onder meer – aangetroffen een zwarte bivakmuts (SIN: AAJM4243NL).


De aangetroffen bivakmuts is onderzocht op DNA-sporen, waaruit bleek dat zowel in de bemonstering van de binnen- als de buitenzijde rond de mond een DNA-profiel is aangetroffen dat matcht met het DNA profiel van verdachte [verdachte] met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard..


Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat de bivakmuts die is aangetroffen in het tuinhuisje van hem is. Hij heeft nooit eerder met een pistool geschoten. Hij leende de muts nooit uit. Ook het trainingspak en de schoenen in de tas zijn van hem.


Het NFI heeft onderzoek gedaan naar mogelijke schotresten op de aangetroffen voorwerpen, waaronder de in de keet aangetroffen bivakmuts en het in de meerkleurige bigshopper aangetroffen regenjack. In dat onderzoek zijn de mouwen van het regenjack (AAIN1531NL) afgeknipt en zijn de linkermouw (AAIN1525NL) en de rechtermouw (AAIN1526NL) onderzocht. In het rapport hieromtrent wordt geconcludeerd dat:

- het onderzoek een vrijwel zekere relatie heeft aangetoond tussen de bemonsterde afgeknipte mouwen/latex handschoenen (AAIN1525NL en AAIN126NL) en een schietproces;

- het onderzoek heeft een vrijwel zekere relatie aangetoond tussen de bemonsterde delen van de bivakmuts (AAJM4243NL) en een schietproces.


Vervolgens heeft het NFI de schotresten op de aangetroffen kleding vergeleken met de hulzen die zijn gevonden op de plaats delict. De conclusie is ‘dat het waarschijnlijker is dat waar is de hypothese dat deze schotresten afkomstig zijn van deze hulzen, dan de hypothese dat deze schotresten afkomstig zijn van willekeurig andere hulzen’.


4.3.2

Bewijsoverwegingen

Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte betrokken is bij de schietpartij waarbij [slachtoffer] om het leven is gebracht.

Uit de hiervoor genoemde getuigenverklaringen volgt dat de daders van de schietpartij een zwart regenpak droegen, met horizontale reflectiestrepen op borst, rug en broekspijpen. Zij hadden bivakmutsen op. De daders hebben de woonwijk verlaten via het bruggetje naast de flat aan de [adres] en gingen het bosperceel in. Getuigen [getuige 10] en [getuige 11] zagen, iets na 10.00 uur, twee mannen met zwarte regenpakken in het bosperceel lopen en zagen dat één van die twee mannen door een sloot waadde en het volkstuinencomplex op ging. Op dit volkstuinen-complex trof getuige [getuige 13] in zijn tuinhuisje een hem onbekende man. Deze man had de werkkleren van getuige [getuige 13] aangetrokken. De man vluchtte weg en nam zijn eigen kleren, die hij in een tas had gestopt, mee. De tas was van getuige [getuige 13] , de spullen in de tas waren van de man. Op aanwijzen van getuige [getuige 13] werd deze man, verdachte [verdachte] , op 17 april 2016 om 10.20 uur aangehouden. Verdachte is aldus ongeveer 20 minuten na de schietpartij aangehouden, op het volkstuinencomplex in de omgeving van de schietpartij.

In de tas met kleding van verdachte [verdachte] zat een zwart regenpak met horizontale reflectiestrepen op borst, rug en broekspijpen. Aan de uiteinden van de mouwen en de pijpen van dat pak zaten resten duct tape en aan een mouw zat met duct tape een nitrillen handschoen bevestigd. Op de mouwen van het regenpak zijn schotresten aangetroffen. Eveneens zijn schotresten aangetroffen op de, in het tuinhuisje achtergelaten bivakmuts, waarop het DNA van verdachte is aangetroffen en waarvan verdachte zelf heeft verklaard dat dat zijn muts is en deze nooit uitleent. De rechtbank acht op grond van al deze omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de daders is van de schietpartij.


Het alternatieve scenario

Verdachte heeft zich tegenover de politie en tegenover de rechtbank bij de pro forma behandelingen, beroepen op zijn zwijgrecht. Eerst bij de inhoudelijke behandeling heeft hij een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat hij zich die ochtend door een vriend had laten afzetten. Hij was op weg naar een andere vriend om daar te verblijven. De naam van zowel de vriend die hem afzette, als de vriend waarnaar hij op weg was wilde hij niet noemen. Ook het adres van de vriend waarnaar hij op weg was, wilde hij niet noemen. Wel verklaarde hij dat het in de buurt was van de plek waar geschoten is. Toen hij op straat liep, op weg naar die vriend, hoorde hij sirenes van politieauto’s. Omdat hij niet was teruggekeerd van verlof uit de gevangenis, vermoedde hij dat ze naar hem zochten. Hij hield zich schuil in een tuinhuisje op een volkstuinencomplex. In dat tuinhuisje lag werkkleding en die trok hij aan. Hij was van plan, gekleed in die werkkleding, in een moestuin te gaan werken en daardoor niet op te vallen. Zijn eigen kleding, te weten een trainingspak en schoenen, deed hij in een tas, die hij ook vond in dat tuinhuisje. Hij weet niet of er nog meer spullen in die tas zaten. Toen de eigenaar van het tuinhuisje kwam, is hij vertrokken en nam hij de tas met kleding mee. Hij liet zijn bivakmuts in het tuinhuisje achter. Hij draagt altijd een bivakmuts, die hij meestal oprolt, zodat het lijkt alsof hij een gewone muts op heeft. Hij heeft op het tuinencomplex verder niemand gezien.


De rechtbank acht voornoemde verklaring van verdachte niet aannemelijk, gelet op de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen en bewijsoverweging. Verdachte is ongeveer 20 minuten na de schietpartij aangehouden, op het volkstuinencomplex in de omgeving van de schietpartij. Getuigen hebben even na tien uur gezien dat een man, die qua kleding voldeed aan het signalement van de daders van de schietpartij, via een sloot het volkstuinencomplex opging.

De zwarte sportschoenen, waarvan verdachte zelf heeft verklaard dat het zijn schoenen waren en dat hij ze kort voordat hij werd aangehouden, had gedragen, waren drijfnat.Eveneens zijn op de bivakmuts van verdachte schotresten aangetroffen. Deze omstandigheden passen niet in het door verdachte geschetste alternatieve scenario en verdachte heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring kunnen geven.


De overige verweren

Het verweer dat het in de meerkleurige bigshopper aangetroffen regenpak niet van verdachte kan zijn, omdat het pak maat XS heeft, verwerpt de rechtbank. In de eerste plaats heeft verdachte deze bigshopper met inhoud van de keet meegenomen en even later weggegooid. In deze tas werd kleding van verdachte aangetroffen met daarbij het aangetroffen regenjack,. Getuige [getuige 13] heeft verklaard dat al de in de bigshopper aangetroffen kleding niet van hem is. In de tweede plaats vallen regenpakken in het algemeen groot uit, omdat ze over andere kleding dienen te worden aangetrokken. Uit foto’s waarop een verbalisant de broek van het regenpak voor zich houdt, volgt dat de bovenkant van de broek op de taille van de verbalisant komt, terwijl de onderkant van de pijpen de grond raken. Bovendien is verdachte 179 cm lang, voor mannen niet bijzonder lang.


De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de schotresten, aangetroffen op de bivakmuts van verdachte, door besmetting met ander materiaal in deze zaak – dat daar in de buurt is aangetroffen – op deze muts terecht zijn gekomen.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu het geheel niet is onderbouwd en op geen enkele wijze is gebleken.


De voorwaardelijke verzoeken

Van de zijde van de verdediging is een drietal verzoeken gedaan indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van de feiten zou komen, inhoudende – kort gezegd- :

  • - Het horen van de vriend van verdachte naar wie hij die ochtend van 17 april 2016 op weg was. De naam en adresgegevens zijn bij de verdediging bekend.
  • - Het horen van getuige [getuige 14] , de vriendin van verdachte, met betrekking tot de inhoud van de sms-jes ten tijde van de detentie van verdachte.
  • - Verdachte het bij hem in de tas aangetroffen regenpak met de maat XS laten aantrekken.

De rechtbank stelt vast dat het eerste verzoek is gedaan in het kader van het geschetste alternatieve scenario, waarvan de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat dit, mede gelet op de bewijsmiddelen, niet aannemelijk is geworden.

De inhoud van de sms-berichten tussen verdachte en [getuige 14] worden niet gebruikt voor de bewezenverklaring.

Ten aanzien van het regenpak overweegt de rechtbank dat de omstandigheden waaronder dit pak is aangetroffen (samen met andere kleding van verdachte en voorzien van latex handschoenen) maken dat de rechtbank het gebruik van dit pak aan verdachte toerekent.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat genoemde verzoeken dienen te worden afgewezen, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken.


Medeplegen en voorbedachte rade

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met medeverdachte in een auto het slachtoffer opwachtten. De auto stond al in de vroege ochtend van 17 april 2016 op de parkeerplaats. Nadat het slachtoffer rond 10.00 uur naar buiten was gekomen en in zijn auto was gestapt, kwamen verdachte en medeverdachten hun auto uit en liepen ze naar de auto van het slachtoffer. Ze hadden beiden een vuurwapen bij zich en daarnaast had een van hen ook nog een groot automatisch vuurwapen bij zich.. Ze droegen allebei een bivakmuts en zwarte regenpakken, met handschoenen vast getapet aan de mouwen. Het slachtoffer werd vervolgens gericht onder vuur genomen en dood geschoten. Verdachte en medeverdachte renden daarna terug naar de auto. In deze auto zijn twee vuurwapens aangetroffen en een grote hoeveelheid munitie. Deze omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat verdachte en zijn mededader zeer planmatig en in onderling overleg te werk zijn gegaan Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte samen met medeverdachte en met voorbedachte raad het feit heeft gepleegd.


Bewezenverklaring


Gelet op het voorgaande, in samenhang en onderling verband bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 17 april 2016 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer] .




4.3.3

Ten aanzien van feit 2

Behalve de opgesomde bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 neemt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie nog de volgende bewijsmiddelen in aanmerking.


Het (in de sloot) aangetroffen wapen bleek een automatisch vuurwapen, merk Zastava, van categorie II van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM). Het wapen was voorzien van een houder met meerdere patronen en in de kamer bevond zich 1 patroon. In de houder bevonden zich 32 patronen, kaliber 7.62 x 39 mm, categorie II van de WWM.

In de tas op de achterbank van de BMW werd eveneens een houder voor een automatisch wapen aangetroffen. Hierin bevonden zich 31 patronen.

Het (in de auto) aangetroffen vuurwapen voorzien van SIN-nummer AAJD1630N, behoort tot categorie III van de wet WWM. Het is een semi-automatisch vuurwapen, merk Walther, model P99 AS.

In dit wapen bevonden zich 2 scherpe patronen, 9 mm Luger, categorie III van de WWM.

Het (in de auto) aangetroffen vuurwapen voorzien van SIN-nummer AAJD1631NL, behoort tot categorie III van de WWM. Het is een semi-automatisch vuurwapen, merk Walther, model P99 AS. In dit wapen bevonden zich 15 scherpe patronen, 9 mm Luger, categorie III van de WWM.


In de tas op de achterbank van de BMW werden 2 houders voor een vuurwapen met patronen aangetroffen. Hierin zaten respectievelijk 11 en 13 patronen, kaliber 9 mm Luger, categorie III van de WWM.


Conclusie

Gelet op het voorgaande, in samenhang en onderling verband bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich op 17 april 2016 tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit.



5Bewezenverklaring


De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte


1.


hij op 17 april 2016 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte of zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels in en/of door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten/afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2.


hij op 17 april 2016 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met een ander

wapens van categorie II en categorie III, en munitie van

categorie II en categorie III, te weten

- een automatisch vuurwapen (merk Zastava) van categorie II en

- twee vuurwapens (semi-automatisch, merk Walther, model P99 AS) van categorie

III en

- 41 scherpe patronen (van het kaliber 9 mm Luger) van categorie III en

- 6132 scherpe patronen (kaliber 7.62 x 39 mm) van categorie II,

voorhanden heeft gehad;


6De strafbaarheid van de feiten


Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.


Feit 1 medeplegen van moord;


Feit 2 medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II,


en


medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,


en


medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.


Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.



7De strafbaarheid van verdachte


De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport d.d. 4 november 2016 opgesteld door M. Fluit, psychiater en S. Labrijn, psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken, zodat het niet mogelijk was tot voldoende onderbouwde diagnostische overwegingen te komen. Op basis van de beperkte observaties en de beschikbare informatie zijn geen evidente aanwijzingen gevonden voor psychotische symptomen en een stemmings- of angststoornis. Van een weigering op pathologische basis kan evenmin worden gesproken.

Gezien deze bevindingen was het niet mogelijk om de vraag te beantwoorden of er bij verdachte voorafgaande en ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, aldus de rapporteurs.


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.


8Motivering van de straffen en maatregelen


8.1.

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor het door hen bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar met aftrek van voorarrest.


8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten. Subsidiair, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, heeft de verdediging verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Voor een dergelijk feit is de aanbevelingsrichtlijn 14 jaar gevangenisstraf. Er zijn geen argumenten hiervan af te wijken.


8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte heeft samen met een ander [slachtoffer] vermoord. Dit delict behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft voor moord als maximumstraf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaar vastgesteld. Voor feiten als deze zijn binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft gekeken naar uitspraken die in ons land in soortgelijke zaken zijn gedaan. Daarbij is gebleken dat het bewezen verklaarde feit zich moeilijk laat vergelijken met soortgelijke zaken, omdat elke moord een aantal specifieke elementen in zich draagt.

Uit de aard en de ernst van het bewezenverklaarde volgt dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.


Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft de rechtbank met het volgende rekening gehouden. De moord betreft een geplande, koelbloedige liquidatie. Verdachte en zijn medeverdachten wachtten het slachtoffer op bij zijn woning. Nadat het slachtoffer in zijn auto was gestapt, liepen ze naar die auto en schoten hem van dichtbij met meerdere kogels dood. Verdachte en medeverdachte lieten zich niet weerhouden door de omstandigheid dat het slachtoffer op dat moment werd vergezeld van zijn 7-jarig dochtertje. Zij zat naast hem in de auto en de kogels moeten haar rakelings hebben gepasseerd. Zij is daarmee dan ook in levensgevaar geweest. Nadat het meisje in paniek haar moeder had geroepen, is de vrouw van het slachtoffer met de auto, waarin haar man zat, tezamen met de buurman van het slachtoffer naar het ziekenhuis gereden, in een -vergeefse- poging zijn leven te redden. Dit alles heeft een onuitwisbare indruk gemaakt op de vrouw en het dochtertje, zoals ook blijkt uit hetgeen namens hen ter zitting naar voren is gebracht.

Door dit gewelddadige en nietsontziende handelen van verdachte en zijn medeverdachte hebben zij het slachtoffer het leven ontnomen en de vrouw, de jonge kinderen, familieleden en vrienden van het slachtoffer een immens en onherstelbaar leed aangedaan dat zij voor de rest van hun leven zullen dragen.


Deze moord vond plaats op klaarlichte dag, midden in een woonwijk in IJsselstein. In het dossier zitten verklaringen van getuigen die de schietpartij vlak voor hun woning hebben zien gebeuren. Een dergelijk ernstig delict schokt de rechtsorde zeer en veroorzaakt in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid.


Hoewel de rechtbank door het zwijgen c.q. ontkennen van verdachte en de medeverdachte geen inzicht heeft kunnen krijgen in de achtergrond van deze moord, kan op grond van de uitvoering wel worden vastgesteld dat het hier gaat om een kennelijk goed voorbereide, kille afrekening dan wel huurmoord.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij op deze wijze heeft gehandeld.


De rechtbank heeft gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat hij al meermalen is veroordeeld, voornamelijk ter zake vermogensdelicten.


De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat een gevangenisstraf op te leggen conform de eis van de officier van justitie, te weten een gevangenisstraf van 20 jaar.



9Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel


Voor aanvang van de terechtzitting hebben de nabestaanden van [slachtoffer] , te weten mevrouw [benadeelde partij 1] , dochter [getuige 2] , zoon [benadeelde partij 2] en zoon [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zij zijn hiertoe vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. R.G.M. Rijkhoff, mr. G.I. Roos en door Slachtofferhulp Nederland. Ter zitting is namens [benadeelde partij 1] een aanvullende vordering ingediend, te weten het verlies van levensonderhoud.


Voorts hebben de nabestaanden van [slachtoffer] , te weten vader [benadeelde partij 4] , broer [benadeelde partij 5] en broer [benadeelde partij 6] zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Zij zijn hiertoe vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. R.J. Sturkenboom.


9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot toewijzing van de ingediende vorderingen met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de door de zoon [benadeelde partij 2] en zoon [benadeelde partij 3] gevorderde affectieschade heeft de officier van justitie verzocht dit toe te wijzen in het geval de rechtbank daar juridische ruimte voor ziet. Hetzelfde standpunt is door de officier van justitie ingenomen ten aanzien van de ter zitting ingediende vordering van [benadeelde partij 1] voor het verlies van levensonderhoud.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vorderingen dermate complex van aard en omvang zijn dat de vorderingen ook om die reden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. .


9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat behandeling van de ingediende vorderingen, met uitzondering van een onderdeel van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] , geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is vast komen te staan dat alle benadeelde partijen als gevolg van de hiervoor bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade hebben geleden. De waardering van dit schadebedrag wordt per vordering besproken.


9.3.1

De vordering van [benadeelde partij 1]

De hoogte van de door haar geleden schade wordt door [benadeelde partij 1] begroot op

Materiële schade € 3.109,59

Verlies levensonderhoud € 432.216,00

Shockschade € 25.000,00

Proceskosten € 514,96 +

€ 460.840,55


De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit vliegtickets, reiskosten arbo-arts, autohuur, kosten in Marokko en telefoonkosten, voldoende is onderbouwd en niet door de verdediging is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen.


Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat de benadeelde partij materiële schade heeft ten gevolge van gederfde inkomsten. De benadeelde partij vordert 10% van het de begrote € 432.216,00 als voorschot, zijnde € 43.221,60. Behandeling van dit deel van de vordering levert echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.


Zogenoemde shockschade komt onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking. Volgens vaste jurisprudentie moet daarvoor sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan. In de onderhavige situatie is de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , zijnde de vrouw van het slachtoffer, naar de plaats van het delict gekomen, nadat haar dochter huilend en in paniek aanbelde. Vervolgens werd benadeelde partij geconfronteerd met haar man, wiens bovenlichaam kort daarvoor door meerdere kogels was geraakt/doorboord. Een buurtbewoner reed haar en haar man naar het ziekenhuis, terwijl haar man voor zijn leven vocht.

Blijkens de toelichting op de gevorderde immateriële schade en de bijgevoegde stukken heeft deze confrontatie geleid tot psychische problemen, in de vorm van een depressieve stoornis NAO, een diagnose conform de DSM IV. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan immateriële schade kan worden toegewezen een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank is van oordeel dat het overige deel van de vordering immateriële schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom zal de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.


Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 514,95.


Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • - toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 23.109,59, bestaande uit € 3.109,59 materiële schade en € 20.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijike rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening;
  • - niet-ontvankelijkverklaring van het restant van de vordering;
  • - veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 514,95;
  • - veroordeling tot betaling van de toegewezen bedragen aan [benadeelde partij 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;
  • - oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 23.109,59 waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 150 dagen.

9.3.2

De vordering namens [getuige 2]

De hoogte van de door [getuige 2] geleden schade wordt begroot op:

1. Materiële schade € 535,00

2. Shockschade € 25.000,00

3. Proceskosten € 250,00 +

€ 25.785,00


De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit de kosten van een vliegticket teneinde de begrafenis bij te wonen, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen.


Ten aanzien van de shockschade wordt verwezen naar de overweging hieromtrent zoals hiervoor bij de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1] zijn opgesomd. Benadeelde partij [getuige 2] zat in de auto naast haar vader, toen hij werd doodgeschoten. Blijkens de toelichting op de gevorderde immateriële schade en de bijgevoegde stukken heeft deze gebeurtenis en de gevolgen daarvan geleid tot psychische problemen, in de vorm van een posttraumatische stress-stoornis, een diagnose conform de DSM IV. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan immateriële schade kan worden toegewezen een bedrag van € 25.000,-.


Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 250,00.


Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • - toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 25.535,00 bestaande uit € 535,00 materiële schade en € 25.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening
  • - veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 250,00;
  • - veroordeling tot betaling van de toegewezen bedragen aan [getuige 2] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald;
  • - oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 25.535,00 waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 162 dagen.




9.3.3

De vorderingen namens [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

De hoogte van beide voornoemde benadeelde partijen geleden schade wordt door hen begroot op:

1. Materiële schade € 535,00

2. Affectieschade € 10.000,00

3. Proceskosten € 250,00 +

€ 25.785,00


De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit de kosten van een vliegticket teneinde de begrafenis bij te wonen, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen.


Ten aanzien van de door beide benadeelde partijen gevorderde immateriële schade in verband met affectieschade overweegt de rechtbank als volgt.

Naar huidig Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met verlies van een dierbare zeer beperkt. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan zogeheten shockschade voor vergoeding in aanmerking komen. Daaronder valt echter niet de immateriële schade die is veroorzaakt door het verdriet vanwege het overlijden van een dierbare (affectieschade). Artikel 8 EVRM noopt - naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in het Taxibusarrest - er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad voegde daar in het arrest Vilt (HR 2009: BI 8583) aan toe dat dit niet anders is, als het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van een opzettelijk misdrijf. De rechtbank ziet ook in een beroep op het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel “affectieschade” geen ruimte om reeds thans tot vergoeding van affectieschade te komen. Zoals de Hoge Raad herhaalde malen heeft gesteld, heeft de rechter niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren voor zover deze ziet op het toekennen van schadevergoeding van zogenaamde affectieschade. De rechtbank zal daarbij bepalen dat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.


De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 250,--.


Concluderend komt de rechtbank tot de volgende beslissingen:

  • - toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 535,-- bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening
  • - niet-ontvankelijk verklaring van de vordering voor een bedrag van € 10.000,--;
  • - veroordeling in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 250,--;
  • - veroordeling tot betaling van de toegewezen bedragen aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , behalve voor zover deze vorderingen al door of namens een ander zijn betaald;
  • - oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van het toegewezen bedrag van € 535,-- waarbij de vervangende hechtenis wordt gesteld op 10 dagen.


9.3.4

De vordering van [benadeelde partij 4]

Namens de vader van het slachtoffer, benadeelde partij [benadeelde partij 4] , is een vordering ingediend ter vergoeding van materiële schade van € 893,66.


De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit de kosten van vliegtickets teneinde de begrafenis en de herdenking in Marokko bij te wonen, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.



9.3.5

De vordering van [benadeelde partij 6]

Namens de broer van het slachtoffer, benadeelde partij [benadeelde partij 6] , is een vordering ingediend ter vergoeding van materiële schade van € 6.494,98.


De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit kosten van een vliegticket teneinde de begrafenis in Marokko en de kosten van de uitvaart in Marokko, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 6] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.


9.3.6

De vordering van [benadeelde partij 5]

Namens de broer van het slachtoffer, benadeelde partij [benadeelde partij 5] , is een vordering ingediend ter vergoeding van materiële schade van € 5.283,62.


De rechtbank stelt vast dat de materiële schade, bestaande uit kosten van vliegtickets teneinde de begrafenis en de herdenking in Marokko bij te wonen, kilometerkosten, diverse kosten in verband met de begrafenis en herdenking in Marokko en Nederland en de kosten van psychologische behandeling, voldoende is onderbouwd en door de verdediging (onvoldoende) is betwist. Dit bedrag komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor en kan worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Verdachte zal voorts worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.



10Toepasselijke wettelijke voorschriften


De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.



De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.


11Beslissing


De rechtbank:


Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.


Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.


Het bewezen verklaarde levert op:


Feit 1: medeplegen van moord;


Feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II,


en


medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,


en


medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.


Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.


Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.


Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.


Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twintig (20) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.


Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van feit 1


Benadeelde partij mw. [benadeelde partij 1]:

Wijst de vordering van mw. [benadeelde partij 1] toe tot het bedrag van € 23.109,59, bestaande uit € 3.109,59 materiële schade en € 20.000 immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 514,95.


Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.


Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 1] , € 23.109,59 (zegge: drieëntwintigduizend honderdnegen euro en negenenvijftig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 150 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.


Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.


Benadeelde partij [getuige 2]

Wijst de vordering namens [getuige 2] toe tot het bedrag van € 25.535,00 (bestaande uit € 535,00 materiële schade en € 25.000 immateriële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [getuige 2] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 250,00.


Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [getuige 2] , € 25.535,00 (zegge: vijfentwintigduizend vijfhonderdvijfendertig euro) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 162 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.


Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.


Benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] toe tot voor ieder het bedrag van € 535,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden voor ieder begroot op € 250,00.


Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.


Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 2] en ten behoeve van [benadeelde partij 3] , voor ieder € 535,00 (zegge: vijfhonderd vijfendertig euro) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen per bedrag van € 535,00. De bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.


Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.


Benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 4] toe tot het bedrag van € 893,66, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 4] , € 893,66 (zegge: achthonderd drieënnnegentig euro en zesenzestig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 17 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.


Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.


Benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 6] toe tot het bedrag van € 6.494,98, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 6] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 6] , € 6.494,98 (zegge: zesduizend vierhonderdvierennegentig euro en achtennegentig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 67 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.


Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.


Benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 5] toe tot het bedrag van € 5.283,62, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.


Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.


Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Legt verdachte de verplichting op, ten behoeve van [benadeelde partij 5] , € 5.283,62 (zegge: vijfduizend tweehonderd drieëntachtig euro en tweeënzestig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 61 dagen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.


Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.





Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. J. Ebbens en R.L.M. van Opstal, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 januari 2017.


Mr. Van Opstal is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen





BIJLAGE : De tenlastelegging


Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat



1.


hij op of omstreeks 17 april 2016 te IJsselstein, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk en/of met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg, met een of

meer vuurwapen(s) één of meerdere kogel(s) in en/of door en/of in de richting

van het lichaam van die [slachtoffer] geschoten/afgevuurd, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;


art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht


2.


hij op of omstreeks 17 april 2016 te IJsselstein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer

wapen(s) van categorie II en/of categorie III, en/of munitie van

categorie II en/of categorie III, te weten


- een automatisch vuurwapen (merk Zastava) van categorie II en/of

- twee vuurwapens (semi-automatisch, merk Walther, model P99 AS) van categorie

III en/of

- 42 scherpe patronen (van het kaliber 9 mm Luger) van categorie III en/of

- 61 scherpe patronen (kaliber 7.62 x 39 mm) van categorie II,

voorhanden heeft gehad;


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie



1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende einddossier d.d. 29 augustus 216 in het onderzoek 09Ster16 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Dit dossier bestaat uit twee onderdelen, te weten het algemeen dossier en het forensisch dossier. De paginanummering van beide onderdelen begint bij 1. Indien wordt verwezen naar een paginanummer in het algemeen dossier, zal uitsluitend de pagina genoemd worden. Indien wordt verwezen naar een pagina in het forensisch dossier, zal deze verwijzing worden voorafgegaan met de vermelding: FO-dossier. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen
2 Proces-verbaal van verhoor, d.d. 17 april 2016, p. 1028
3 Voornoemd proces-verbaal, p. 1029
4 Proces-verbaal bevindingen d.d. 17 april 2016, p. 506, 3e, 4e en 5e alinea
5 Proces-verbaal verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , FO-dossier p. 191
6 NFI-rapport d.d. 27 mei 2016, FO-dossier p. 332
7 NFI-rapport d.d. 27 mei 2016, FO-dossier p. 334
8 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2016, p. 503, 2e en 3e alinea.
9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2016, FO-dossier p. 37 tot en met 41 en Proces verbaal aanvraag benoeming deskundige, FO dossier, p. 506 en 507.
10 Proces verbaal aanvraag benoeming deskundige, FO dossier, p. 506 en 507.
11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2016, FO-dossier p. 37 tot en met 41
12 Proces-verbaal sporenonderzoek verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , FO-dossier p. 224
13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2016, FO-dossier p. 399 en 400
14 NFI-rapport d.d. 20 juni 2016, FO-dossier p. 524
15 Voornoemd rapport, FO-dossier p. 530 en 531
16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , d.d. 22 april 2016, p. 1044
17 Voornoemd proces-verbaal, p. 1045
18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , d.d. 17 april 2016, p. 1014
19 Voornoemd proces-verbaal, p. 1015 1e en 2e alinea
20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , d.d. 17 april 2016, p. 1009
21 Voornoemd proces-verbaal, p. 1010 4e alinea
22 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , d.d. 22 april 2016, p. 1053
23 Voornoemd proces-verbaal, p. 1054
24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , d.d. 21 april 2016, p. 1071
25 Voornoemd proces-verbaal, p. 1074
26 Voornoemd proces-verbaal, p. 1076
27 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , d.d. 22 april 2016, p. 1079
28 Voornoemd proces-verbaal, p. 1080
29 Voornoemd proces-verbaal, p. 1081
30 Voornoemd proces-verbaal, p. 1082
31 Voornoemd proces-verbaal, p. 1081
32 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] , d.d. 17 april 2016, p. 969 en 970
33 Voornoemd proces-verbaal, p. 971
34 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , d.d. 17 april 2016, p. 955
35 Voornoemd proces-verbaal, p. 956
36 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , d.d. 17 april 2016, p. 1021
37 Voornoemd proces-verbaal, p. 1022
38 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , d.d. 23 april 2016, p. 1065
39 Voornoemd proces-verbaal, p. 1066
40 Voornoemd proces-verbaal, p. 1067
41 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 12] , d.d. 21 april 2016, p. 1059
42 Voornoemd proces-verbaal, p. 1060, 1e en 2e alinea
43 Voornoemd proces-verbaal, p. 1060, laatste alinea
44 Voornoemd proces-verbaal, p. 1061.
45 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 13] , d.d. 23 november 2016, afgelegd tegenover de rechter-commissaris, p. 2
46 Voornoemd proces-verbaal, p. 4
47 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 5] , p. 494
48 Voornoemd proces-verbaal, p. 495
49 Proces-verbaal van aanhouding opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 17 april 2016, p. 72
50 Voornoemd proces-verbaal, p. 496
51 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , d.d. 19 april 2016, FO-dossier p. 104
52 Voornoemd proces-verbaal, FO-dossier p. 106, 3e alinea
53 Voornoemd proces-verbaal, FO- dossier p. 105
54 Voornoemd proces-verbaal, FO-dossier p. 106
55 Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , d.d. 21 april 2016, FO-dossier p. 125
56 NFI-rapport opgemaakt door [A] , d.d. 20 april 2016, FO-dossier p. 267
57 Proces-verbaal terechtzitting 17 januari 2017
58 NFI- rapport opgemaakt door [B] , d.d. 24 juni 2016, FO-dossier p. 473
59 NFI- rapport opgemaakt door [B] , d.d. 24 juni 2016, FO-dossier p. 480
60 NFI-rapport opgemaakt door [B] , d.d. 16 september 2016 (geen onderdeel van het FO-dossier, afzonderlijk verstrekt)
61 Bijlage bij proces-verbaal onderzoek tas, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , d.d. 19 april 2016, FO-dossier p. 116
62 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 12] , 2e aanvullend proces-verbaal, p. 1828
63 Proces-verbaal verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 6] , d.d. 9 mei 2016, FO-dossier p. 384 en 385
64 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 12] , 3e aanvullend proces-verbaal, p. 1829.
65 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 13] , d.d. 26 april 2016, FO-dossier p. 350 en 351
66 Proces-verbaal verbalisant [verbalisant 12] , FO-dossier p. 543 en 544
67 Voornoemd proces-verbaal, p. 545 en 546
68 Proces-verbaal [verbalisant 10] , d.d. 20 april 2016, FO-dossier p. 226 en 227
69 Proces-verbaal [verbalisant 12] , d.d. 12 januari 2017, los verspreid