Rechtbank Midden-Nederland, 30-06-2017 / 661701-15


ECLI:NL:RBMNE:2017:4148

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrifte en het medeplegen van oplichting. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-30
Publicatiedatum
2017-09-11
Zaaknummer
661701-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummer: 16/661701-15 (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

wonende te wonende te [adres] , [woonplaats] (Monaco),

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Lousberg.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


feit 1 primair: in de periode van 23 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Loosdrecht/ Hilversum /Nederland/Polen/Frankrijk/Monaco al dan niet tezamen met een ander of anderen voor ongeveer 1,8 miljoen euro [bedrijf 1] / [bedrijf 2] heeft opgelicht;


feit 1 subsidiair: in de periode van 23 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Loosdrecht/ Hilversum /Nederland medeplichtig is geweest bij het al dan niet tezamen met een ander of anderen oplichten van [bedrijf 1] / [bedrijf 2] voor ongeveer 1,8 miljoen euro door het ter beschikking stellen van een rekeningnummer;


feit 2: in de periode van 23 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Loosdrecht/ Hilversum /Nederland/Polen/Frankrijk tezamen met een ander of anderen een valse factuur met een factuurbedrag van 1.863.033,36 euro heeft opgemaakt en ingediend bij [bedrijf 1] / [bedrijf 2] .


3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


4.2

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen

[aangever] , als security manager werkzaam bij [bedrijf 1] , heeft namens [bedrijf 1] aangifte gedaan en verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt. De onderneming [bedrijf 2] verwerkt alle facturen voor [bedrijf 1] . Op 23 september 2014 belde een Frans sprekend persoon die zich identificeerde met de naam [A] en werkzaam zou zijn als medewerker van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) naar de [bedrijf 2] helpdesk in Krakow. Hij probeerde de bankgegevens van [bedrijf 3] telefonisch te laten wijzigen. Op 24 september 2014 ontving [bedrijf 2] een bericht van [A] met daarin de Rabobankgegevens die gebruikt zouden moeten worden bij uitbetaling van de facturen. [A] verzocht de facturen 0.000.063-41400.005 en 0000063-1400006 uit te betalen op het nieuwe Rabobankrekeningnummer (zijnde [rekeningnummer] ). Op 30 september 2014 meldt [A] , in reactie op de vraag van [bedrijf 2] waarom het nieuwe rekeningnummer niet gekoppeld is aan [bedrijf 3] , dat er een tussenpartij zit tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] , namelijk [bedrijf 4] . Hij stuurt een stuk waarop staat vermeld dat [bedrijf 4] eigenaar is van de (hierboven genoemde) Rabobankrekening met daarop het logo van [bedrijf 3] . Op 1 oktober 2014 stuurt [A] een stuk waarop staat dat [bedrijf 3] eigenaar is van de Rabobankrekening. Op 8 oktober 2014 gaat [bedrijf 2] namens [bedrijf 1] over tot betaling van een bedrag van € 1.863.033,36 op Rabobankrekeningnummer [rekeningnummer] . De onderliggende factuur bevat vermoedelijk valse gegevens. Het Rabobankrekeningnummer staat ten name van een partij waar [bedrijf 1] nooit zaken mee heeft gedaan.


Navraag van [bedrijf 1] bij [bedrijf 3] wijst uit dat [A] geen medewerker is bij [bedrijf 3] . Het door deze persoon gebruikte e-mailadres is niet verbonden aan [bedrijf 3] .


Uit een rekening-courant overeenkomst blijkt dat rekeninghouder van de Rabobankrekening [rekeningnummer] [B] (hierna: [B] ) is en dat de rekening administratief op naam van [eenmanszaak] staat. Uit een KvK-uittreksel van 10 oktober 2014 blijkt dat [B] eigenaar is van de eenmanszaak [eenmanszaak] . en dat [C] (hierna: [C] ) een volledige volmacht heeft .


De aan de betaling door [bedrijf 1] ten grondslag liggende factuur betreft een factuur van [eenmanszaak] van 12 september 2014, factuurnummer 21Z65214 , gericht aan [bedrijf 1] France met een factuurbedrag van € 1.863.033,36 met omschrijving ‘First payment for project Tianjin China’.


[B] heeft verklaard dat hij de stiefzoon is van verdachte en de zoon van [C] . [C] doet de boekhouding van zijn bedrijf. Verder zou hij nooit iets te maken hebben gehad met [bedrijf 3] en weet hij niet of zijn bedrijf een vordering heeft gehad op [bedrijf 1] . Dit zou de eerste opdracht van zijn bouwbedrijf zijn. Een persoon genaamd [A] zegt hem niets .


Verdachte heeft verklaard dat hij zijn stiefzoon het vak wilde leren en daarom bewust heeft geregeld dat [bedrijf 1] een geldbedrag van € 1.863.033,36 heeft overgemaakt op de rekening van zijn stiefzoon. Dit is in overleg met zijn stiefzoon gebeurd. Als grondslag voor deze betaling heeft [C] , de vrouw van verdachte, in zijn (verdachtes) opdracht een factuur opgemaakt aan [bedrijf 1] . Verdachte heeft zaken gedaan met [A] die werkzaam is bij [bedrijf 3] . Op verzoek van [A] is de rekening naar [bedrijf 1] Frankrijk gestuurd in plaats van naar [bedrijf 3] .


[C] heeft verklaard dat zij op 8 oktober 2014 wilde controleren of het geld van [bedrijf 1] op de rekening van haar zoon was gestort. Het ging om een factuur van ongeveer 1,8 miljoen. Haar man heeft bewust geregeld dat dit geld via de rekening van haar zoon zou lopen. De factuur van [eenmanszaak] aan [bedrijf 1] heeft [C] opgemaakt. Op 10 oktober 2014 is [C] bij de Rabobank geweest om navraag te doen.


Bewijsoverwegingen


Bewijsoverwegingen feit 1 en 2

Valsheid in geschrifte

Verdachte heeft verklaard dat het bedrijf [eenmanszaak] een vordering heeft op [bedrijf 1] in verband met een bouwproject in China. De rechtbank stelt voorop dat deze verklaring geen steun vindt in het dossier. Hoewel verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij beschikt over een overeenkomst voor dit bouwproject, heeft verdachte deze overeenkomst toen noch enig moment daarna desgevraagd willen tonen. Verdachte is ook niet ter zitting verschenen om een nadere toelichting te geven over dit bouwproject en de gang van zaken met betrekking tot de circa 1,8 miljoen te geven. De rechtbank heeft deze verklaring van verdachte daarom niet kunnen verifiëren


Tegenover de verklaring van verdachte staat die van [bedrijf 1] dat zij nooit zaken heeft gedaan met [eenmanszaak] . De eigenaar van [eenmanszaak] en tevens stiefzoon van verdachte weet evenmin van een samenwerkingsverband tussen zijn onderneming en [bedrijf 1] . De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze ontkenningen. Daarbij komt dat de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] een in het Frans opgestelde factuur van [bedrijf 3] van augustus 2014 bevat ter hoogte van € 1.863.033,36 (d.w.z. exact hetzelfde bedrag als op de factuur van [eenmanszaak] ) van een wél bestaande leverancier van [bedrijf 1] .


Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte op dit punt niet geloofwaardig. Zij gaat er daarom van uit dat [eenmanszaak] nooit een daadwerkelijke vordering heeft gehad op [bedrijf 1] noch ooit met haar heeft samengewerkt en dat verdachte dit moet hebben geweten. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de factuur van [eenmanszaak] valselijk is opgemaakt c.q. vervalst. Verdachte heeft verklaard aan [C] opdracht te hebben gegeven de factuur op te maken en deze factuur op verzoek van [A] te hebben opgestuurd naar [bedrijf 1] , zodat de rechtbank ook het medeplegen bewezen acht.


Oplichting

Oplichtingsmiddel

Voor veroordeling wegens oplichting is onder meer vereist dat een of meer van de in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen gebezigd worden, te weten: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Bij het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid gaat het er in de kern om dat het handelen van verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen.


Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat de persoon die zich heeft voorgesteld met de naam [A] en werkzaam zou zijn bij [bedrijf 3] , in werkelijkheid niet werkzaam was bij [bedrijf 3] . Ook bleek het door hem gebruikte e-mailadres niet verbonden te zijn aan [bedrijf 3] . Hierdoor is bij [bedrijf 1] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen met betrekking tot deze persoon, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid. Deze persoon heeft daarnaast niet alleen een valse naam en/of valse hoedanigheid aangenomen, maar ook listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels gebruikt door herhaaldelijk (zowel telefonisch als per e-mail) contact op te nemen met [bedrijf 1] en daarbij telkens heeft benadrukt dat [bedrijf 1] het geld kan overmaken. Al deze middelen hebben ertoe bijgedragen dat bij [bedrijf 1] een onjuiste voorstelling van zaken in het leven werd geroepen. Die onjuiste voorstelling van zaken is in het leven geroepen teneinde daarvan misbruik te maken.


Bewegen tot

De enkele omstandigheid dat een oplichtingsmiddel is gebezigd, is echter niet voldoende om tot een veroordeling ter zake van oplichting te komen. Daarvoor is ook vereist dat de ander mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een schuld.


Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat [bedrijf 1] onder invloed van de hiervoor genoemde oplichtingsmiddelen uiteindelijk het geldbedrag heeft overgemaakt op het betreffende Rabobankrekeningnummer.


Medeplegen

De handelingen van het onder 1 primair tenlastegelegde zijn verricht door iemand die zich [A] noemt. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en deze persoon dat verdachte als medepleger aangemerkt kan worden.


Aangeefster heeft verklaard dat een persoon genaamd [A] contact heeft opgenomen met [bedrijf 1] . Verdachte heeft verklaard zaken te hebben gedaan met [A] . [C] heeft verklaard dat zij een telefoonnummer van [A] bij de bank heeft afgegeven. Verdachte heeft verder verklaard aan [C] opdracht te hebben gegeven een factuur op te maken en deze factuur op verzoek van [A] op te hebben gestuurd naar [bedrijf 1] . Op een later moment heeft [C] ook nog gecontroleerd of het geld al was overgemaakt en hieromtrent navraag gedaan bij de Rabobank en de valse factuur overhandigd.


Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verdachte een materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het onder 1 primair tenlastegelegde heeft geleverd, zodat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1.

Primair

in de periode van 23 september 2014 tot en met 8 oktober 2014 te Hilversum , Polen en Frankrijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 1,8 miljoen euro), hebbende verdachte en haar mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven – [bedrijf 2] gebeld en zich voorgedaan als een Franstalige medewerker van [bedrijf 3] met het verzoek om het bankrekeningnummer van [bedrijf 3] te wijzigen in een rekeningnummer van de Rabobank en per omgaande de betalingen over te maken op het nieuwe rekeningnummer, te weten [rekeningnummer] en [bedrijf 2] de bankgegevens, zijnde het Rabobankrekeningnummer [rekeningnummer] , gemaild welke gebruikt zou moeten worden bij uitbetaling van meer facturen door [bedrijf 2] en [bedrijf 2] gemaild met het verzoek de facturen 0.000.063-1400.005 en 0000063-14000006 uit te betalen op het nieuwe Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] en [bedrijf 2] gemaild met de mededeling dat er tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] een tussenpartij, genaamd [bedrijf 4] zit en om die reden het rekeningnummer niet is gekoppeld aan [bedrijf 3] en [bedrijf 2] documenten, waaronder een valse factuur, gemaild met daarop het logo van [bedrijf 3] en waarop vermeld staat dat [bedrijf 4] de eigenaar is van het Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] en [bedrijf 2] een document gemaild waarop vermeld staat dat [bedrijf 3] de eigenaar is van het Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] , waardoor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.


2.

in de periode van 23 september 2014 tot en met 8 oktober 2014 te Hilversum , Polen en Frankrijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakte geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een valse factuur, (nummer 21Z65214 ) d.d. 12 september 2014, afkomstig van verdachte en een ander en gericht aan [bedrijf 1] France, met een factuurbedrag van 1.863.033,36 euro, met de omschrijving "First payment for project Tianjin China", als ware het echt en onvervalst, door die factuur in te dienen bij [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (in verband met de uitbetaling van een vordering).


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


1.

Primair

Medeplegen van oplichting.


2.

Medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van het valse of vervalste geschrift als het ware echt en onvervalst, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 maanden.


8.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals uit het procesdossier is gebleken.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrifte en het medeplegen van oplichting. Verdachte heeft met zijn mededader(s) [bedrijf 1] op geraffineerde wijze opgelicht door zich voor te doen als een medewerker van een leverancier van [bedrijf 1] en uit naam van deze medewerker valse e-mails met bijgevoegde valse documenten te sturen. Als gevolg van deze e-mails en documenten is namens [bedrijf 1] een bedrag van ongeveer 1,8 miljoen euro overgemaakt naar de rekening waarover verdachte (indirect via zijn stiefzoon en vrouw) beschikking had. Dat de Rabobank en [bedrijf 1] niet zijn benadeeld is niet aan verdachte en zijn mededader(s) te danken maar aan de alertheid van de Rabobank.


Dit soort praktijken vormen, mede gelet op het (potentiële) forse benadelingsbedrag, een ernstige inbreuk op het vertrouwen in het financieel-economisch verkeer. Gelet op de LOVS oriëntatiepunten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in beginsel passend.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 mei 2017 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank constateert verder dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.


De rechtbank ziet geen aanleiding om qua straf een onderscheid te maken tussen verdachte en haar medeverdachte(n), nu zij allemaal handelingen hebben gepleegd teneinde het geldbedrag veilig te stellen en daarmee allemaal een aandeel hebben gehad in het gehele feitencomplex.



Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden.

9TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 10, 45, 47, 57, 63, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden;




Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mrs. H. Vegter en P.K. Oosterling-van der Maarel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Mosterd, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2017.



Mr. R.B. Eigeman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

Primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Loosdrecht en/of Hilversum , althans in Nederland, en/of Polen en/of Frankrijk en/of Monaco, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 1,8 miljoen euro), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven –

- [bedrijf 2] gebeld en zich voorgedaan als een Franstalige medewerker van [bedrijf 3] met het verzoek om het bankrekeningnummer van [bedrijf 3] te wijzigen in een rekeningnummer van de Rabobank en per omgaande de betalingen over te maken op het nieuwe rekeningnummer, te weten [rekeningnummer] en/of

- [bedrijf 2] de bankgegevens, zijnde het Rabobankrekeningnummer [rekeningnummer] , gemaild welke gebruikt zou moeten worden bij uitbetaling van één of meer factu(u)r(en) door [bedrijf 2] en/of

- [bedrijf 2] gemaild met het verzoek de facturen 0.000.063-1400.005 en/of 0000063-14000006 uit te betalen op het nieuwe Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] en/of

- [bedrijf 2] gemaild met de mededeling dat er tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] een tussenpartij, genaamd [bedrijf 4] zit en om die reden het rekeningnummer niet is gekoppeld aan [bedrijf 3] en/of

- [bedrijf 2] (een) document(en), waaronder een valse factuur, gemaild met daarop het logo van [bedrijf 3] en/of waarop vermeld staat dat [bedrijf 4] de eigenaar is van het Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] en/of

- [bedrijf 2] een document gemaild waarop vermeld staat dat [bedrijf 3] de eigenaar is van het Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] ,

waardoor [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;


1.

Subsidiair

(een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 23 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Loosdrecht en/of Hilversum , althans in Nederland, en/of Polen en/ Frankrijk en/of Monaco, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 1,8 miljoen euro), in elk geval van enig goed, hebbende die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of zijn/haar mededader(s) met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven –

- [bedrijf 2] gebeld en zich voorgedaan als een Franstalige medewerker van [bedrijf 3] met het verzoek om het bankrekeningnummer van [bedrijf 3] te wijzigen in een rekeningnummer van de Rabobank en per omgaande de betalingen over te maken op het nieuwe rekeningnummer, te weten [rekeningnummer] en/of

- [bedrijf 2] de bankgegevens, zijnde het Rabobankrekeningnummer [rekeningnummer] ,

gemaild welke gebruikt zou moeten worden bij uitbetaling van één of meer factu(u)r(en) door [bedrijf 2] en/of

- [bedrijf 2] gemaild met het verzoek de facturen 0.000.063-1400.005 en/of 0000063-14000006 uit te betalen op het nieuwe Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] en/of

- [bedrijf 2] gemaild met de mededeling dat er tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] een tussenpartij, genaamd [bedrijf 4] zit en om die reden het rekeningnummer niet is gekoppeld aan [bedrijf 3] en/of

- [bedrijf 2] (een) document(en), waaronder een valse factuur, gemaild met daarop het logo van [bedrijf 3] en/of waarop vermeld staat dat [bedrijf 4] de eigenaar is van het Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] en/of

- [bedrijf 2] een document gemaild waarop vermeld staat dat [bedrijf 3] de eigenaar is van het Rabobankrekeningnummer, zijnde het rekeningnummer [rekeningnummer] ,

waardoor [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,


tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte en/of zijn mededader(s) op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Loosdrecht en/of Hilversum , althans in Nederland,opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door een rekeningnummer ter beschikking te stellen;


2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 september 2014 tot en met 28 oktober 2014 te Loosdrecht en/of Hilversum , althans in Nederland, en/of Polen en/of Frankrijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakte en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een valse en/of vervalste factuur, (nummer 21Z65214 ) d.d. 12 september 2014, afkomstig van verdachte en/of (een) ander(en) en gericht aan [bedrijf 1] France, met een factuurbedrag van 1.863.033,36 euro, met de omschrijving "First payment for project Tianjin China", als ware het echt en onvervalst, door die factuur in te dienen, althans doen indienen, bij [bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] (in verband met de uitbetaling van een vordering);


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 21 juli 2015, genummerd PL0900 2014298284, opgemaakt door politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 98. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Blz. 5.
3 Blz. 5 en 9.
4 Blz. 5.
5 Blz. 6.
6 Blz. 6 en 1.
7 Blz. 5, 15 en 54.
8 Blz. 5 en.16
9 Blz. 5.
10 Blz. 67.
11 Blz. 55 en 60.
12 Blz. 41.
13 Blz. 55 en 60.
14 Blz. 16.
15 Blz. 17, 18 en 19.
16 Blz. 26.
17 Blz. 27.
18 Blz. 28.
19 Blz. 21 en 22.