Rechtbank Midden-Nederland, 30-06-2017 / 652035-17


ECLI:NL:RBMNE:2017:4150

Inhoudsindicatie
Diefstal bij de Albert Heijn en Aldi.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-30
Publicatiedatum
2017-09-04
Zaaknummer
652035-17
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummers: 16/652035-17; 16/659433-14 (tul); 16/137613-16 (tul) (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1959] te Curacao

wonende te [woonplaats] [adres]

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING


Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2017.


De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. F. Rethmeijer en van hetgeen verdachte en diens raadvrouw mr. N.C. Milani, advocaat te Lelystad, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


Feit 1: op 6 januari 2017 te Lelystad flessen wasmiddel heeft gestolen bij de Albert Heijn.

Feit 2: op 6 maart 2017 te Lelystad scheermesjes en een pak vloeitjes heeft gestolen bij de Aldi.

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen


Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

[aangever 1] heeft namens de Albert Heijn aangifte gedaan van winkeldiefstal op 6 januari 2017 in een Albert Heijn in Lelystad. Hij verklaart dat een klant een persoon had tegengehouden die meerdere flessen Robijn in zijn jas had gestopt. Bij het terugkijken van de beelden ziet aangever dat verdachte de kassa passeert en dat, na aanhouding, zes flessen wasmiddel uit de jas van verdachte worden gehaald.


Verdachte heeft verklaard dat hij de flessen wasmiddel bij Albert Heijn in zijn jas heeft gestopt en de kassa is gepasseerd.


Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

[aangever 2] heeft namens de Aldi aangifte gedaan van winkeldiefstal op 6 maart 2017 in de Aldi in Lelystad. Zij verklaart dat verdachte scheermesjes pakte en deze in zijn binnenzak stopte. Bij de kassa vroeg aangeefster naar de inhoud waarop verdachte de scheermesjes uit zijn zak haalde en in een kar met afgerekende boodschappen gooide. In het kantoor zag aangeefster dat verdachte tevens een pakje vloeitjes op tafel gooide die ook niet waren betaald.


Verbalisant [verbalisant] relateert dat hij op de camerabeelden ziet dat verdachte achter een man staat die aan het afrekenen is. Verdachte gooit achter die man langs een goed in het winkelwagentje. De verbalisant ziet dat verdachte in het kantoor een ook een box met vloeitjes op tafel legt.


Verdachte heeft verklaard dat hij de goederen in zijn jas heeft gestopt.

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


1.

op 06 januari 2017 te Lelystad , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen zes flessen wasmiddel toebehorende aan Albert Heijn.


2.

op 06 maart 2017 te Lelystad , met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen scheermesjes en een pak vloeitjes, toebehorende aan de Aldi.


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


1.

Diefstal.


2.

Diefstal.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN MAATREGEL


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd dat

verdachte geplaatst dient te worden in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur

van twee jaar.




8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het reclasseringsadvies van 23 mei 2017 onvoldoende onderbouwd is om de vordering tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders toe te wijzen. Zij heeft bepleit dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet passend is voor verdachte omdat hij daardoor zijn huidige woonplek en begeleiding zal verliezen. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank te volstaan met een voorwaardelijke ISD-maatregel.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.


Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd is in het bijzonder het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. Hij heeft hiermee in de eerste plaats aangetoond geen respect te hebben voor eigendommen van anderen. Het plegen van winkeldiefstallen zorgt bovendien voor veel overlast en financiële schade voor winkeliers.


Over verdachte is op 23 mei 2017 een rapport opgemaakt door reclasseringswerker R. Runhart , werkzaam bij Tactus Reclassering Flevoland. In dit rapport, dat voldoende onderbouwd is, wordt, kort samengevat, geadviseerd om verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Hiervoor heeft hij aangevoerd dat het recidiverisico bij verdachte als hoog wordt ingeschat, omdat hij ondanks ontvangen behandeling voor onder meer zijn verslaving aan drugs en begeleiding blijft toegeven aan zijn verslaving aan verdovende middelen en doorgaat met het plegen van strafbare feiten. Bovendien is volgens de rapporteur de maatregel noodzakelijk en wenselijk omdat verdachte onvoldoende ontvankelijk is om voor de behandeling van de verslaving en beperking van recidive noodzakelijke traject aan te gaan met de reclassering, responsiviteit (permanente gedragsverandering) ondanks aangeboden hulp afwezig is gebleven en hij maatschappelijke onrust blijft veroorzaken. In het kader van de ISD-maatregel kan vanuit een stringenter kader toegewerkt worden naar blijvende gedragsverandering. Daags voor de zitting heeft genoemde reclasseringswerker zijn standpunt in een e-mail aan de officier van justitie bevestigd.


Voor de door verdachte begane misdrijven is voorlopige hechtenis toegelaten, terwijl de verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 9 januari 2017 in de vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige door hem begane feiten driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf is veroordeeld, en de bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Verder moet er gezien het hiervoor omschreven recidiverisico ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Ten slotte eist, gelet op het karakter van de door verdachte gepleegde vermogensmisdrijven en het hoge recidiverisico, de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel. Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is dan ook voldaan.


Nu eerdere hulpverlening niet heeft geleid tot gedragsverandering van verdachte en gezien de maatschappelijke overlast die verdachte met zijn gedrag veroorzaakt, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de maximale duur van 2 jaar wenselijk en noodzakelijk is. Om de recidive te beëindigen en tot een zo optimaal mogelijke oplossing van de problematiek van verdachte te komen, zal de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

9VORDERINGEN TENUITVOERLEGGING


9.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vorderingen tot tenuitvoerlegging, gelet op de gevorderde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, afwijst .


9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/659433-14 bepleit dat tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke straf niet opportuun is omdat verdachte in de tijd tussen het opleggen van de straf en de vordering tenuitvoerlegging veel positieve ontwikkelingen doorgemaakt heeft. Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/137613-16 heeft de raadsvrouw verzocht om de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf omdat verdachte door het opleggen van een gevangenisstraf mogelijk gedemotiveerd raakt en de taakstraf voldoende afschrikkende werking heeft.


9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, omdat tenuitvoerlegging van genoemde straffen niet opportuun is, nu zij aan verdachte een ISD-maatregel oplegt.

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;


- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;


Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/659433-14

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.


Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/137613-16

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.




Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mrs. H. Vegter en J.W. Moors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Mosterd, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2017.


Mr. J.W. Moors is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.



Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


1.

hij op of omstreeks 06 januari 2017 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen zes, in elk geval een of meer flessen wasmiddel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


2.

hij op of omstreeks 06 maart 2017 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen scheermesjes en een pak vloeitjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Aldi, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 7 januari 2017, genummerd PL0900 2017007219, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1tot en met 21. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Blz. 17.
3 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2017.
4 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 7 maart 2017, genummerd PL0900 2017069022, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1tot en met 27. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
5 Blz. 22 en 23.
6 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2017.