Rechtbank Midden-Nederland, 27-07-2017 / C/16/437213 / FL RK 17-787


ECLI:NL:RBMNE:2017:4286

Inhoudsindicatie
Verzoek schadevergoeding na onterecht verleende machtiging en onterecht verblijf binnen de psychiatrie.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-27
Publicatiedatum
2017-08-28
Zaaknummer
C/16/437213 / FL RK 17-787
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/4487
  • GZR-Updates.nl 2017-0332
  • PS-Updates.nl 2017-0691
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht


Locatie Lelystad

zaak/rekestnr.: C/16/437213 / FL RK 17-787


beschikking van

in de zaak van


[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.M.G. de Groot,

hierna te noemen: verzoekster,


tegen


Staat der Nederlanden, hierna te noemen: De Staat.


1verloop van de procedure

Verzoekster heeft op 18 april 2017 een verzoekschrift ingediend, strekkende tot schadevergoeding op grond van artikel 35 van de Wet Bopz.


Naar aanleiding van het verzoek tot schadevergoeding vond op 15 mei 2017 een zitting plaats, waarbij is verschenen mr. A.M.G. de Groot, advocaat van verzoekster.


Hoewel behoorlijk opgeroepen ten parkette van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is namens De Staat niemand verschenen, noch is een schriftelijk verweer ingediend.


De rechtbank heeft tenslotte beslist dat deze beschikking nu wordt afgegeven.


2de feiten

Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2016 is, naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie van 27 juli 2016, een voorlopige machtiging verleend om verzoeker te doen opnemen en verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van zes maanden.


Verzoekster is op 23 augustus 2016 opgenomen op de gesloten afdeling van de [naam instelling] te [vestiginsplaats] .


De behandelend psychiater heeft bij brief van 13 januari 2017 verzocht aan de geneesheer-directeur de voor verzoekster afgegeven rechterlijke machtiging te doen opheffen met ingang van 13 januari 2017 nu verzoekster per voornoemde datum weer verbleef op haar huisadres.


Door verzoekster is tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2016 cassatie ingesteld.


Bij beschikking van 17 maart 2017 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2016 vernietigd en de zaak terugverwezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad heeft daarbij onder andere het volgende overwogen:


“3.3.1. Onderdeel 1 klaagt, onder verwijzing naar HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230, dat het oordeel van de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘stoornis van de geestvermogens’ als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. De rechtbank heeft een te ruime maatstaf aangelegd door op grond van de geneeskundige verklaring en de ter zitting door de psychiater [A] gegeven toelichting te concluderen tot een stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken.

De daarin aangegeven gevolgen van het alcoholgebruik hebben geen betrekking op psychische aandoeningen, maar slechts op klachten en risico’s van lichamelijke aard. Die kunnen toepassing van de Wet Bopz echter niet rechtvaardigen, aldus het onderdeel.”


en onder 3.3.3., laatste zin;

“het onderdeel is dus gegrond.”


Bij beschikking van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2017 heeft de rechtbank naar aanleiding van de beschikking van de Hoge Raad het op 27 juli 2016 ingediende verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging alsnog afgewezen aangezien er bij verzoekster geen sprake is van een stoornis in de zin van de Wet Bopz.


3het verzoek

Verzoekster heeft verzocht om De Staat te veroordelen tot betaling aan haar van een schadevergoeding ten bedrage van € 12.934,11 bestaande uit:

- de door haar geleden immateriële schade van € 11.440 (143 dagen ad € 80,00 per dag);

- een uitgevoerd bloedonderzoek van € 99,00;

- het onderbrengen van de kat van verzoekster: € 400,00; - een dierenartsbezoek teneinde besmetting van de katten van het opvangadres te voorkomen: € 117,00; - schoonmaak van de woning van verzoekster na opname: € 67,95; - benzinekosten van bezoek van mantelzorgers/vrijwilligers: € 214,32 en € 595,84. Tot slot verzoekt de advocaat een passende tegemoetkoming in de advocaatkosten in deze. Hiertoe heeft de advocaat een tweetal declaraties in het geding gebracht van € 3.599,75 en € 211,75.


Ter onderbouwing van dit verzoek stelt verzoekster dat de Hoge Raad op 16 maart 2017 de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2016 heeft vernietigd omdat er geen sprake is van een stoornis. De rechter heeft de bepalingen der wet niet (juist) in acht genomen. Verzoekster is hierdoor gedurende de periode van 23 augustus 2016 tot 13 januari 2017 op onrechtmatige wijze beroofd van haar vrijheid. Daarnaast heeft verzoekster de gedwongen opname als uiterst belastend, grievend en mensonterend ervaren.


Ter zitting heeft de advocaat van verzoekster toegelicht dat zij voor het berekenen van de hoogte van de immateriële schade ad € 80,00 per dag aansluiting heeft gezocht bij de jurisprudentie en de richtlijnen voortkomend uit het strafrecht. In eerste instantie is met verzoekster besproken om voor de periode dat zij in [plaatsnaam] verbleef een hogere schadevergoeding te verzoeken. Verzoekster vond het zeer zwaar om daar te verblijven. Uiteindelijk is ervoor gekozen om dat niet te doen. De artsen hebben bij verzoekster tijdens haar verblijf in [plaatsnaam] een bloedonderzoek laten uitvoeren omdat haar lever volgens de artsen niet goed zou functioneren.

Verzoekster was het daar niet mee eens en heeft een tegenonderzoek laten uitvoeren. In hoeverre daar iets mee is gedaan is onduidelijk.

De mantelzorgers kwamen volgens de advocaat ook bij verzoekster op bezoek toen zij thuis verbleef. Zij had de mentale steun van de mantelzorgers extra nodig tijdens de opname. De opname was zwaar voor verzoekster. De mantelzorgers kwamen ook langs om praktische zaken te regelen zoals de was en de boodschappen. Verzoekster is langer dan 12 weken opgenomen geweest en de mantelzorgers kwamen minder dan vier keer per week langs. Het is de advocaat niet bekend of verzoekster de benzinekosten van de mantelzorgers ook betaalt als zij thuis verblijft.


4het wettelijk kader

In artikel 35 van de Wet Bopz is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien degene ten aanzien van wie de officier van justitie een verzoek heeft gedaan tot het verlenen van een machtiging nadeel heeft geleden doordat de rechter een van de bepalingen in hoofdstuk II van de Wet Bopz niet in acht heeft genomen, de rechter op verzoek van de betrokkene een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekent ten laste van De Staat.


5de beoordeling

De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 17 maart 2017 de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2016 heeft vernietigd omdat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er bij verzoekster sprake is (geweest) van een stoornis in de zin van de Wet Bopz.


Na terugverwijzing door de Hoge Raad heeft de rechtbank Midden-Nederland het verzoek van 27 juli 2016 tot het verlenen van een voorlopige machtiging alsnog afgewezen.


Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de twee hiervoor genoemde beslissingen voldoende vast komen te staan dat verzoekster in de periode van 23 augustus 2016 tot 13 januari 2017 ten onrechte opgenomen is geweest.


Het toekennen van een schadevergoeding is slechts mogelijk indien aannemelijk wordt dat de gestelde schade is veroorzaakt door een onrechtmatige gedraging. Vanwege het onvoldoende vast komen te staan van een stoornis van de geestvermogens is door de rechtbank op 22 augustus 2016 ten onrechte een voorlopige machtiging verleend. Verzoekster is vervolgens in de periode van 23 augustus 2016 tot 13 januari 2017 op grond van deze voorlopige machtiging opgenomen geweest in een psychiatrische instelling. Er was derhalve sprake van een onrechtmatige vrijheidsbeneming en daarmee van een onrechtmatige daad.


De immateriële schade

De rechtbank acht het aannemelijk dat verzoekster immateriële schade heeft geleden door de onrechtmatige vrijheidsbeneming. De rechtbank acht het billijk in het onderhavige geval voor de hoogte van de schadevergoeding aan te sluiten bij de normbedragen die sinds mei 2014 in strafzaken worden gehanteerd in geval van ten onrechte in een huis van bewaring doorgebrachte tijd. De door De Staat te vergoeden schade stelt de rechtbank daarom vast op 143 dagen x € 80,-, derhalve in totaal € 11.440,00.







Het bloedonderzoek

Verzoekster heeft in het kader van een second opinion, althans om de onrechtmatigheid van haar opname aan te kunnen tonen een bloedonderzoek laten uitvoeren. Noch uit de overgelegde stukken noch uit hetgeen ter zitting is gesteld, is duidelijk geworden in hoeverre de uitvoering van dit onderzoek heeft kunnen bijdragen aan de beoordeling dat de vrijheidsbeneming van verzoekster onrechtmatig is geweest. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.


Onderbrengen van de kat en het dierenartsbezoek

Vanwege de gedwongen opname van verzoekster heeft zij haar kat elders moeten onderbrengen. De kosten hiervoor bedragen € 400,00 en zijn onderbouwd in productie 6 en 8 bij het verzoek. Om de kat te kunnen opvangen heeft onderzoek en behandeling bij de dierenarts moeten plaatsvinden om uit te kunnen sluiten dat de kat van verzoekster andere katten op het opvangadres zou kunnen besmetten met eventuele ziektes. De kosten hiervoor bedragen € 117,00 en zijn onderbouwd in productie 7 bij het verzoek. De rechtbank is van oordeel dat voldoende causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige vrijheidsbeneming van verzoekster en de verzochte vergoeding van de opvang- en dierenartskosten van haar kat. De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen.


Schoonmaak van de woning van verzoekster

Voorafgaand aan de opname had verzoekster hulp vanuit de thuiszorg. Deze hulp is per 22 augustus 2016 (datum beschikking van deze rechtbank) opgezegd door de hulpverlening. Gedurende de opname van verzoekster is haar woning niet schoongemaakt. Na de opname heeft verzoekster haar woning moeten laten schoonmaken. De kosten hiervoor bedragen € 67,95 en zijn onderbouwd in productie 7 bij het verzoek. De rechtbank is ook hier van oordeel dat voldoende causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige vrijheidsbeneming van verzoekster en de verzochte vergoeding. Immers, als verzoekster niet was opgenomen was de hulp van de thuiszorg niet stop gezet en was haar woning tussentijds schoongemaakt.


Benzinekosten van het bezoek van mantelzorgers/vrijwilligers

Verzoekster is gedurende de opname enkele malen per week bezocht door mantelzorgers/vrijwilligers. Zij hebben haar voorzien van kleding, boodschappen en mentale steun. De hiermee gemoeide benzinekosten zijn voor rekening van verzoekster. Noch uit de overgelegde stukken noch uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is vast komen te staan of en in hoeverre verzoekster ook in de thuissituatie de benzinekosten voor de mantelzorgers/vrijwilligers op zich neemt. De advocaat van verzoekster heeft te weinig gesteld over de normale situatie waarin verzoekster op haar thuisadres verblijft en niet duidelijk is in welke frequentie de mantelzorgers/vrijwilligers verzoekster in een normale situatie bezoeken. Niet duidelijk is dan ook welke hogere kosten verzoekster heeft moeten maken ten opzichte van de normale situatie thuis. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.


Totaal

De totale schadevergoeding bedraagt daarmee € 11.440,00 + € 400,00 + € 117,00 + € 67,95 = € 12.024,95.


Tegemoetkoming in de advocaatkosten

Verzoekster heeft recht op een vergoeding van de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand. De schade met betrekking tot deze kosten bedraagt in totaal € 3.811,50. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen.





6beslissing


De rechtbank:


veroordeelt De Staat tot betaling van schadevergoeding aan verzoekster tot een bedrag van € 12.024,95 (zegge: twaalfduizendvierentwintig euro en vijfennegentig cent);


veroordeelt De Staat tot betaling van de kosten van rechtsbijstand aan de zijde van verzoekster begroot op € 3.811,50 (zegge: drieduizendachthonderdenelf euro en vijftig cent);


wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven door mr. D.S. Terporten-Hop, als voorzitter en mr. G.J.J.M. Essink en mr. A.P. de Jong – de Goede als leden van deze kamer, in bijzijn van D. van Garderen als griffier en uitgesproken door mr. G.J.J.M. Essink ter openbare terechtzitting van