Rechtbank Midden-Nederland, 28-06-2017 / UTR 16/3273


ECLI:NL:RBMNE:2017:4530

Inhoudsindicatie
Last onder dwangsom. Afstand tussen propaanreservoir en erfscheiding on inrichtingsgrens moet ten minste 5 meter bedragen
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-06-28
Publicatiedatum
2017-09-29
Zaaknummer
UTR 16/3273
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/5105
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/3273


uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juni 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigde: mr. R.C. Alblas)



Procesverloop


Bij besluit van 22 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om:

1. er voor 1 december 2015 voor te zorgen dat de afstand tussen het propaanreservoir en de erfscheiding of inrichtingsgrens ten minste 5 meter bedraagt en

2. er voor 1 december 2015 voor te zorgen dat het terrein binnen 3 meter van het propaanreservoir is vrijgehouden van enig brandgevaarlijk materiaal of brandgevaarlijke begroeiing. Ten aanzien van beide lasten heeft verweerder een dwangsom opgelegd van € 500,- per maand met een maximum van € 2.000,-.


Bij besluit van 31 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door G.F. van Lieshout. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen


1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser is zelfstandig beeldhouwer en bronsgieter en als zodanig werkzaam in het atelier “ [atelier] ” aan de [adres] te [woonplaats] .

Op 11 september 2014 is het bedrijf van eiser bezocht door [A] , werkzaam bij het team Handhaving Bedrijven van Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Utrecht. Tijdens dit bezoek is door genoemde medewerker gecontroleerd of het bedrijf van eiser voldeed aan de eisen in het Activiteitenbesluit en aan de overige milieuwet- en regelgeving. Tijdens het controlebezoek heeft [A] geconstateerd dat het bedrijf van eiser niet voldoet aan enkele eisen. Met name voldoet het propaanreservoir niet aan het gestelde in hoofdstuk 4 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 19), 2008, versie 0.1. Daarbij is vermeld dat de afstand tussen het propaanreservoir en de erfscheiding of inrichtingsgrens minder dan 5 meter bedraagt en dat het terrein binnen 3 meter van het propaanreservoir niet is vrijgehouden van enig brandgevaarlijk materiaal of brandgevaarlijke begroeiing.


2. In verband met deze constateringen van [A] heeft verweerder eiser bij brief van 13 oktober 2014 meegedeeld voornemens te zijn handhavend op te treden tegen de geconstateerde overtredingen, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze tegen dit voornemen kenbaar te maken. Eiser heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 22 oktober 2015 aan eiser de onder procesverloop vermelde last onder dwangsom opgelegd. Het door eiser tegen dat besluit ingediende bezwaar, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Ter zitting is duidelijk geworden dat eiser het propaanreservoir (verder te noemen: de gastank) al sinds 2014 niet meer in gebruik heeft vanwege het feit dat de keuringstermijn van de gastank was verlopen en de leverancier van de gastank het niet opportuun achtte om die keuring alsnog uit te voeren. Ter zitting van de rechtbank heeft eiser hierover verklaard dat de reden daarvan was dat de leverancier op de hoogte was van het voornemen van verweerder om ter zake handhavend op te treden, zodat de leverancier kennelijk niet meer zeker was dat eiser tot zijn klantenkring zou blijven behoren. De gastank is uiteindelijk in november 2015 door de leverancier kosteloos verwijderd van het perceel.

Procesbelang

4. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat eiser heeft voldaan aan de hem opgelegde lasten en dat eiser om die reden geen dwangsommen heeft verbeurd.

Gelet op vorenstaande dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over zijn beroep. Eiser heeft in dit verband aangevoerd dat hij belang houdt bij een uitspraak over het bestreden besluit, omdat hij de opgelegde last wil laten toetsen op de juridische juistheid. Verder heeft eiser als reden aangevoerd dat hij door het besluit van verweerder schade heeft geleden, omdat het voor hem niet goed mogelijk is om met kleinere, losse gasflessen brons te gieten.

De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij mogelijk schade heeft geleden als gevolg van de opgelegde last onder dwangsom. Om die reden heeft eiser dan ook nog een procesbelang bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Eiser kan dan ook in zijn beroep worden ontvangen.


Met betrekking tot de opgelegde last 1

5. Verweerder heeft eiser gelast om er voor 1 december 2015 voor te zorgen dat de afstand tussen het propaanreservoir en de erfscheiding of inrichtingsgrens ten minste 5 meter bedraagt.


5.1

De juridische grondslag van de opgelegde last onder dwangsom, zoals die is gehandhaafd bij het bestreden besluit, is gebaseerd op het bepaalde in artikel 3.28, vierde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (verder te noemen: Activiteitenbesluit milieubeheer), bezien in samenhang met artikel 3.29, tweede lid, van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (verder te noemen: Activiteitenregeling milieubeheer) en voorschrift 4.8.6 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS), versie 2013.


5.2

Artikel 3.28, vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Onverminderd het eerste tot en met derde lid, voldoet een opslagtank met propaan alsmede de bijbehorende leidingen en appendages ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.”


De in lid 4 bedoelde ministeriële regeling betreft de Activiteitenregeling milieubeheer.

Artikel 3.29, tweede lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer luidt als volgt:

“Een opslagtank met propaan die anders dan op een bouwplaats is opgesteld of anders dan ten behoeve van bouwactiviteiten is geïnstalleerd, is, voor zover van toepassing, in overeenstemming met het Warenwetbesluit drukapparatuur en voldoet voorts aan de hoofdstukken 2 en 4, met uitzondering van de paragrafen 4.3 en 4.4, en aan de hoofdstukken 5 en 6 van PGS 19, met dien verstande dat een brandmuur niet is toegestaan.”


Voorschrift 4.8.6 van de PGS, versie 2013, luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De afstand tussen een propaanreservoir en de erfscheiding of inrichtingsgrens bedraagt ten minste 5 m. Van deze afstand kan worden afgeweken indien zich aan de andere zijde een openbaar water of een terrein met agrarische bestemming bevindt (zoals weilanden, akkers en dergelijke, maar geen bebouwing).”


5.3

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat de afstand tussen de gastank en de erfscheiding minder dan 5 meter bedroeg. Dat betekent dat voorschrift 4.8.6 van de PGS, versie 2013, niet in acht is genomen en er derhalve sprake is van een overtreding.

Voorschrift 4.8.6 van de PGS, versie 2013, biedt weliswaar de mogelijkheid om van deze afstand af te wijken, doch in dat geval moet zich aan de andere zijde van de erfscheiding openbaar water of een terrein met agrarische bestemming bevinden. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu op de gronden aan de andere zijde van de erfscheiding volgens het geldende bestemmingsplan Park Randenbroek de bestemming ‘Groen’ rust.

Aan de voorwaarden om van de in voorschrift 4.8.6 opgenomen afwijkingsmogelijkheid gebruik te kunnen maken is derhalve niet voldaan. De omstandigheid dat, zoals eiser heeft betoogd, er in de buurt van de gastank geen bebouwing aanwezig is, kan aan vorenstaande conclusie niet afdoen. Temeer niet nu de bestemming “Groen” volgens het bestemmingsplan diverse bouwmogelijkheden biedt en bebouwing ter plaatse dus niet is uitgesloten. Conclusie is dan ook dat sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift.


6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan daarvan afzien. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.


6.1

Ter zitting heeft eiser verklaard dat verplaatsing van de gastank op het perceel, zodanig dat kan worden voldaan aan de minimale afstandseis van 5 meter tot de erfscheiding, niet tot de mogelijkheden behoort. Daarmee staat vast dat geen concreet zicht op legalisatie van de betreffende situatie bestaat.


7. De rechtbank staat vervolgens voor de beantwoording van de vraag of door eiser bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerder in deze concrete situatie van handhavend optreden zou moeten afzien.

Eiser heeft in dat verband betoogd dat de brandweer eind 2006/begin 2007 al heeft geconstateerd dat de gastank op de grens van de inrichting stond, doch dat die omstandigheid toen geen reden voor verweerder is geweest om tot handhavend optreden over te gaan.


7.1

De rechtbank overweegt dat eiser kan worden toegegeven dat al in een eerder stadium is geconstateerd dat de gastank van eiser op de erfscheiding was gesitueerd. Verweerder had toen al tot handhavend optreden kunnen overgaan, omdat in het destijds geldende voorschrift 4.8.5 van de PGS, versie 2008, dezelfde afstandseis van 5 meter was opgenomen. De omstandigheid dat verweerder toen niet tot handhaving van dat voorschrift is overgegaan, kan slechts tot de conclusie leiden dat verweerder destijds de geldende regelgeving onjuist (lees: niet) heeft toegepast. Het voorgaande betekent evenwel niet dat verweerder dient te volharden in een destijds gemaakte fout. Verweerder komt immers de bevoegdheid toe om een in het verleden gemaakte fout te herstellen.


7.2

Voor zover eiser betoogt dat hij aan het stilzitten van verweerder het vertrouwen kon ontlenen dat niet meer handhavend zou worden opgetreden tegen de illegale situatie, slaagt dit betoog niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is immers in de regel een expliciete en ondubbelzinnige toezegging van een bestuursorgaan vereist. Er is geen grond om hierover in het geval van eiser anders te oordelen. Van een toezegging als hiervoor bedoeld is geen sprake. Uit het niet adequaat reageren van verweerder op de constatering van de brandweer dat de gastank van eiser op de erfscheiding was geplaatst, vloeit niet voort dat verweerder niet meer tot handhaving kon overgaan.


7.3

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van bijzondere omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerder van handhavend optreden zou moeten afzien, niet is gebleken.


8. Eiser heeft verder nog betoogd dat de veiligheid gedurende al die jaren niet in het geding is geweest. Eiser heeft in dat verband onder meer gewezen op veiligheidsafstanden, zoals die zijn opgenomen in tabel 3.28 als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dat betoog kan de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden, reeds niet nu verweerder de last onder dwangsom niet heeft gebaseerd op artikel 3.28, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De rechtbank verwijst voor wat betreft de juridische grondslag van het besluit naar hetgeen hiervoor is overwogen in punt 5.1.


9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was over te gaan tot handhaving en in redelijkheid heeft kunnen besluiten last 1 op te leggen.


Met betrekking tot de opgelegde last 2

10. Verweerder heeft eiser gelast er voor 1 december 2015 voor te zorgen dat het terrein binnen 3 meter van het propaanreservoir is vrijgehouden van enig brandgevaarlijk materiaal of brandgevaarlijke begroeiing.


10.1

Nu verweerder last 1 naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid heeft kunnen opleggen en de gastank ook daadwerkelijk is verwijderd waardoor er geen dwangsommen zijn verbeurd, zal de rechtbank de rechtmatigheid van de opgelegde last 2 onbesproken laten.


Tenslotte

11. Eiser heeft betoogd dat de gemeente een vorm van machtsmisbruik pleegt door pas in een laat stadium met de oplossing van een perceelsaanpassing te komen onder de voorwaarde dat hij af zou zien van eventuele schadeclaims. Verder meent eiser dat hij aanspraak zou mogen maken op schadevergoeding, gezien de lange tijd waarin van handhaving werd afgezien.


11.1

De rechtbank overweegt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat verweerder aan eiser de mogelijkheid heeft geboden om een extra stuk grond van de gemeente te huren, waardoor de plaatsing van de gastank wellicht gecontinueerd kon worden zonder dat sprake zou zijn van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Van deze mogelijkheid heeft eiser evenwel om hem moverende redenen geen gebruik willen maken. Ook van het door verweerder ter zitting gedane aanbod om te bezien of een oplossing alsnog tot de mogelijkheden zou kunnen behoren, heeft eiser geen gebruik willen maken. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden dan ook geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat sprake zou zijn van enige vorm van machtsmisbruik van de zijde van verweerder.


11.2

Nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit, kan een verzoek om schadevergoeding reeds om die reden niet kan worden toegewezen.


Conclusie

12. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. L.A.C. de Vaan en mr. ing. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.






griffier voorzitter


(de griffier is buiten staat mede te

ondertekenen)


Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.