Rechtbank Midden-Nederland, 06-07-2017 / C/16/428316 / FA RK 16-7688


ECLI:NL:RBMNE:2017:5112

Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-07-06
Publicatiedatum
2017-10-23
Zaaknummer
C/16/428316 / FA RK 16-7688
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht


Locatie Utrecht


zaaknummer: C/16/428316 / FA RK 16-7688


Kinderalimentatie


Beschikking van 6 juli 2017

in de zaak van:


[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. L. van Eck Rasmussen, te Naarden,


tegen


[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M. Lont, te Amersfoort.


1 1. Verloop van de procedure


1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen ter griffie op

1 december 2016;

- het verweerschrift van de zijde van de man, ingekomen ter griffie op

21 februari 2017;

- de correspondentie, waaronder met name:

o het F9-formulier van 18 april 2017 van de vrouw met producties 5 t/m 9;

o het F9-formulier van 8 mei 2017 van de man met producties 4 t/m 8;

o het F9-formulier van 31 mei 2017 van de vrouw met bijlage.


1.2.

Het verzoekschrift van de vrouw bevat – naast het hierna te vermelden verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie – ook een verzoek met betrekking tot eenhoofdig gezag. Aan dit verzoek is een ander zaaknummer toegekend (C/16/428317 / FA RK 16-791). Dit verzoek is in een afzonderlijke procedure behandeld en daarop is bij afzonderlijke beschikking beslist.


1.3.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 16 mei 2017. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.


2 2. Vaststaande feiten


2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.


2.2.

Uit de – inmiddels verbroken – relatie van partijen is het navolgende minderjarige kind geboren:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2012] .

2.3.

De man heeft [minderjarige] erkend.


2.4.

De vrouw is bij beschikking van 16 februari 2016 van deze rechtbank onder bewind gesteld. De advocaat van de vrouw heeft aan de rechtbank bevestigd dat de bewindvoerder van de vrouw op de hoogte is van de procedure en daarmee instemt. De advocaat van de vrouw heeft bij het F9-formulier van 31 mei 2017 tevens een instemmingsverklaring van de bewindvoerder overgelegd.



3. Beoordeling van het verzochte


3.1.

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [minderjarige] vast te stellen op € 25,-- per maand, althans een bedrag als de rechtbank juist acht, met ingang van 17 oktober 2016, althans met ingang van datum indiening verzoekschrift.


3.2.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.


Ingangsdatum

3.3.

Om procestechnische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie bespreken.


3.4.

De vrouw verzoekt de bijdrage in te laten gaan per 17 oktober 2016, althans per datum indiening verzoekschrift.


3.5.

De man voert daartegen verweer en verzoekt de bijdrage in te laten gaan per datum beschikking, althans per datum indiening verzoekschrift. De man stelt daartoe dat er geen relevante reden is om de bijdrage eerder in te laten gaan.


3.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de rechter weliswaar bevoegd om de ingangsdatum van de alimentatie te bepalen op een datum die is gelegen vóór de datum van de uitspraak, maar dient de rechter van deze bevoegdheid behoedzaam gebruik te maken (HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:

2016:365). Dit kan immers tot gevolg hebben dat er voor één van de partijen een (terug)betalingsverplichting ontstaat. In de (lagere) rechtspraak wordt dan ook vaak aangesloten bij de datum van de indiening van het verzoekschrift, vanuit de gedachte dat vanaf dat moment de andere partij bedacht had kunnen zijn op een betalingsverplichting. De rechtbank overweegt dat de vrouw haar stelling dat de bijdrage per 17 oktober 2016 in zou moeten gaan onvoldoende heeft onderbouwd en dat de man zich hiertegen gemotiveerd heeft verweerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de kinderalimentatie niet eerder in dient te gaan dan met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift door de vrouw, te weten 1 december 2016. Vanaf die datum had de man immers in redelijkheid rekening kunnen en moeten houden met een eventuele bijdrage. Daarbij overweegt de rechtbank dat om proceseconomische redenen voor de navolgende berekeningen zal worden uitgegaan van de tarieven zoals die gelden in 2017. Daarvoor is (onder meer) redengevend dat het in 2016 slechts gaat om één maand en dat de feitelijke situatie in 2016 niet verschilt van die in 2017.


Behoefte

3.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] € 222,-- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2017 is dat (afgerond) € 234,-- per maand.


Draagkracht van de man

3.8.

De rechtbank stelt vast dat het geschil tussen partijen zich met name toespitst op de vraag of de man over voldoende draagkracht beschikt om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van [minderjarige] te kunnen betalen. Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw nihil is, nu zij een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en schulden heeft.


3.9.

De man stelt dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage voor [minderjarige] te kunnen betalen. Hij voert daartoe aan dat hij onderhoudsplichtig is voor zijn nieuwe partner en diens kinderen. De man krijgt een WAJONG-uitkering, zijn partner is werkeloos en zit in de schuldsanering. De man ontvangt een toeslag op zijn uitkering, zodat de inkomenssituatie van de man in overeenstemming wordt gebracht met het sociaal minimum dat geldt voor een gezin met minderjarige kinderen. De man en zijn gezin moeten rondkomen van dit minimum en zijn voedselbankgerechtigd. Gezien deze situatie kan niet gesteld worden dat de man een draagkracht van € 25,-- heeft. Tot slot stelt de man dat het in het licht van het voorgaande ook van belang is dat hij geen enkel contact meer heeft met [minderjarige] en dat alle familiebanden tussen hem en [minderjarige] zijn verbroken. Dit maakt wat hem betreft dat ook de financiële banden moeten worden verbroken.


3.10.

De vrouw stelt dat de man over voldoende draagkracht beschikt om een bijdrage voor [minderjarige] te kunnen voldoen. De vrouw betwist niet dat er geen contact is tussen de man en [minderjarige] , maar stelt daarbij dat de man eenzijdig het contact heeft verbroken. Daarnaast stelt de vrouw dat dit de onderhoudsplicht van de man voor [minderjarige] niet uitsluit. Volgens de vrouw is de financiële situatie van de man niet zo slecht als hij doet voorkomen. Zo zou de partner van de man, al dan niet zwart, wél werk hebben, namelijk in de thuiszorg. Ook heeft de man een stuk grond met een aantal paarden en hebben zowel hij als zijn partner een auto. De vrouw stelt dat de man in staat moet worden geacht om de minimale bijdrage te kunnen voldoen.


3.11.

De rechtbank overweegt dat de man voldoende heeft onderbouwd dat hij met zijn nieuwe partner moet rondkomen van zijn uitkering en de toeslag die hij daarop ontvangt. Ook is duidelijk dat de toeslag die hij ontvangt, in aanvulling strekt op het gezinsinkomen, omdat zijn partner niet werkt. De stelling van de vrouw dat de partner van de man wel werkt, is onvoldoende onderbouwd en bovendien door de man betwist. Dit alles doet echter aan de onderhoudsplicht van de man voor [minderjarige] niet af. Daarbij gaat de onderhoudsplicht van de man voor [minderjarige] voor op zijn onderhoudsplicht voor zijn partner en diens kinderen. Daarnaast stelt de rechtbank dat, hoewel het begrijpelijk is dat de man dat anders voelt, de man op grond van de wet niet onderhoudsplichtig is voor de kinderen van zijn nieuwe partner. Uit artikel 1:395 van het Burgerlijk Wetboek volgt immers dat een stiefouder slechts onderhoudsplichtig is voor de tot zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot óf geregistreerd partner. Dat is hier niet het geval, de man woont enkel samen met zijn partner. Tot slot overweegt de rechtbank dat het feit dat de familiebanden tussen de man en [minderjarige] zijn verbroken aan het voorgaande niet af doet. Dit maakt namelijk niet, anders dan de man betoogt, dat ook de financiële banden tussen de man en [minderjarige] verbroken zijn.


3.12.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de man onderhoudsplichtig is voor [minderjarige] . Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Daarbij is het van belang dat de rechtbank de kinderalimentatie forfaitair berekent en uitgaat van de fictieve situatie dat de man alleenstaand is. Uit de door de man overgelegde en onbetwiste stukken volgt dat de man in 2017 een bruto uitkering van (afgerond) € 1.164,-- per maand ontvangt, exclusief de toeslag. Het netto besteedbaar inkomen van de man (inclusief vakantiegeld en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten) becijfert de rechtbank dan op een bedrag van € 984,-- per maand. De rechtbank verwijst daarbij naar de aangehechte berekeningen.


3.13.

Op grond van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen wordt bij een netto besteedbaar inkomen van € 1.325,-- of minder uitgegaan van een minimum draagkracht van € 25,-- per maand. Daarbij wordt ten overvloede overwogen dat een draagkrachtvergelijking in dezen kan uitblijven, nu de man een minimale en de vrouw geen draagkracht heeft en hun draagkracht tezamen onvoldoende is om in de totale behoefte van [minderjarige] te kunnen voorzien. De rechtbank zal in dezen ook geen rekening houden met een zorgkorting, omdat de man geen enkel contact heeft met [minderjarige] en in die situatie voorlopig geen verandering lijkt te komen. Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] dient te worden gesteld op het maximum van diens draagkracht, te weten € 25,-- per maand.


Aanvaardbaarheidstoets

3.14.

De man doet ook een beroep op de aanvaardbaarheidstoets, zoals bedoeld in paragraaf 7.3 van het rapport Alimentatienormen. De man stelt hiertoe dat in het geval hij per maand een bijdrage van € 25,-- zou moeten betalen, dit voor hem tot een onaanvaardbare situatie zou leiden. De man zou in dat geval, na betaling van al zijn lasten, minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhouden. De man stelt dat voor de beoordeling van de aanvaardbaarheidstoets enkel moet worden gekeken naar zijn situatie en dat alle lasten moeten worden gehalveerd, nu die deels door zijn partner worden gedragen. Daarnaast moet volgens de man rekening worden gehouden met een maandelijkse aflossing van € 50,-- op de schuld die wordt geïncasseerd door Flanderijn van Eck deurwaarders. Deze schuld is onvermijdbaar en niet verwijtbaar en ziet op een achterstand in de betaling van de ziektekosten.


3.15.

De vrouw stelt dat het bij een beroep op de aanvaardbaarheidstoets moet gaan om een situatie waarin de man, na betaling van de bijdrage en al zijn lasten, niet meer in staat zou zijn om in zijn noodzakelijke kosten te kunnen voorzien. Daar is hier geen sprake van. Daarnaast betwist de vrouw dat rekening moet worden gehouden met de maandelijkse aflossing van de schuld van de man. Het is onduidelijk wat de noodzaak en achtergrond van die schuld is.


3.16.

Uit het Tremarapport Alimentatienormen volgt dat er sprake is van een onaanvaardbare situatie voor de onderhoudsplichtige als bij het vaststellen van een bijdrage de onderhoudsplichtige niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien of in het geval de onderhoudsplichtige na vermindering van zijn lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. Het is daarbij aan degene die een beroep doet op de aanvaardbaarheidstoets om aan de hand van al zijn inkomsten en lasten inzichtelijk te maken of er sprake is van een situatie zoals hiervoor omschreven. De rechter dient vervolgens te beoordelen of bij vaststelling van de volgens het rekenmodel berekende bijdrage onvoldoende rekening zou worden gehouden met alle omstandigheden die zijn draagkracht beïnvloeden, zodat geen sprake meer is van een bijdrage conform de wettelijke maatstaven. Bij die beoordeling dient onder meer de jurisprudentie van de Hoge Raad op het gebied van draagkracht (verdiencapaciteit) en fictieve draagkracht tot zijn recht te komen. In dat verband spelen de verwijtbaarheid en de mogelijkheid tot vermijding van de lasten een rol. Bij de invulling van deze begrippen wordt aangesloten bij de jurisprudentie.


3.17.

De rechtbank overweegt ten eerste dat de man zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets voldoende heeft onderbouwd en daartoe een overzicht van zijn inkomsten en lasten heeft overgelegd. De rechtbank zal beoordelen of het feitelijk inkomen van de man, na aftrek van alle lasten, onder 90% van de bijstandsnorm komt. Daarvoor is het van belang dat wordt bekeken of de werkelijke lasten van de man hoger of lager zijn dan 90% van het bedrag dat daarvoor in de bijstandsnorm is gereserveerd. Indien de werkelijke lasten namelijk hoger zijn dan die 90%, moet het feitelijk inkomen van de man daarmee worden gecorrigeerd.


3.18.

De rechtbank zal voor de lasten uitgaan van het door de man overlegde overzicht, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met de maandelijkse aflossing van € 50,--, gelet op de betwisting van de vrouw en dat vervolgens onvoldoende is onderbouwd door de man dat deze schuld niet verwijtbaar en vermijdbaar is. Uit het overzicht volgen de navolgende noodzakelijke en niet te vermijden lasten (netto per maand):

- de huurlast van € 293,--, minus de huurtoeslag van (afgerond) € 149,--,

- de zorgpremie van € 125,---, minus de zorgtoeslag van € 85,

- eigen risico van € 32,--.


3.19.

Rekening houdend met voorgaande bedragen zijn de werkelijke woonlasten van de man (293-149=) € 144,-- per maand. In de bijstandsnorm is een bedrag van € 221,-- opgenomen voor woonlasten. De werkelijke woonlasten van de man liggen dus onder het bedrag dat daarvoor is gereserveerd in de bijstandsnorm. De werkelijke ziektekosten van de man bedragen (40+32=) € 72,-- per maand. In de bijstandsnorm is een bedrag van € 40,-- gereserveerd voor ziektekosten. De ziektekosten van de man overstijgen daarmee met € 32,-- het bedrag dat daarvoor in de bijstandsnorm is gereserveerd. De totale bijkomende noodzakelijke lasten van de man begroot de rechtbank dan ook op € 32,--. Het feitelijk inkomen van de man moet hiermee worden gecorrigeerd. Dit maakt dat het feitelijk inkomen van de man zakt naar (984-32=) € 952,-- per maand. Tot slot moet worden bekeken of het feitelijk inkomen van de man na betaling van de bijdrage voor de minderjarige hoger of lager is dan 90% van de bijstandsnorm. De bijstandsnorm bedraagt (in 2017) € 983,-- voor een alleenstaande en 90% hiervan is € 885,--. Het feitelijk inkomen van de man bedraagt, na betaling van al zijn lasten en de bijdrage voor [minderjarige] , € 927,-- per maand en overstijgt daarmee 90% van de bijstandsnorm. Derhalve ontstaat bij het vaststellen van een bijdrage geen onaanvaardbare situatie voor de man.


3.20.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets faalt. Derhalve bestaat er geen aanleiding om af te wijken van de hiervoor berekende bijdrage van € 25,-- per maand.








4. Beslissing


De rechtbank:


4.1.

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw met ingang van 1 december 2016 zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] nader op € 25,-- (vijfentwintig euro) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


4.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


4.3.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.



Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Scharrenborg, (kinder-)rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Reinders, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2017.
Hoger beroep Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden kunnen het hoger beroep uiterlijk drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden kunnen het beroep instellen uiterlijk drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.