Rechtbank Midden-Nederland, 01-02-2017 / C/16/430363 / KG ZA 17-4


ECLI:NL:RBMNE:2017:529

Inhoudsindicatie
Reikwijdt pandrecht van een derde-pandgever
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-02-01
Publicatiedatum
2017-02-16
Zaaknummer
C/16/430363 / KG ZA 17-4
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer


locatie Utrecht


zaaknummer / rolnummer: C/16/430363 / KG ZA 17-4


Vonnis in kort geding van 1 februari 2017


in de zaak van


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. J.J. van Deventer te Haarlem,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. D. Pranjić te Utrecht.


De eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, zullen hierna gezamenlijk [eiseres sub 1] c.s. genoemd worden en afzonderlijk respectievelijk [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] . De gedaagde partij in conventie, eiseres in reconventie, zal [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure


1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding van 9 januari 2017 met producties 1 tot en met 15,

– nagekomen producties 16 en 17 van [eiseres sub 1] c.s.,

– een akte indiening producties tevens houdende eis in reconventie van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 5,

– de mondelinge behandeling op 17 januari 2017,

– de pleitaantekeningen van [eiseres sub 1] c.s.,

– de pleitnotities van [gedaagde] .


1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten


2.1.

[gedaagde] heeft bij een “Overeenkomst van geldlening” van 11 maart 2016 (hierna: de geldleningsovereenkomst) aan [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) een geldlening van € 250.000,00 verstrekt. De lening heeft een looptijd van 18 maanden en zal in de loop van die 18 maanden op nader vermelde data telkens met € 50.000,00 worden afgelost.


2.2.

In de geldleningsovereenkomst zijn als partijen genoemd: [gedaagde] als de “Geldgever”, [bedrijf 1] als de “Geldnemer” en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) als de “Pandgever”. Blijkens een aan de geldleningsovereenkomst gehecht document “Investeringsmemorandum Brugfinanciering” (hierna: het Investeringsmemorandum), is [bedrijf 2] een zustervennootschap van [bedrijf 1] en heeft [bedrijf 2] drie dochtervennootschappen, te weten de eiseressen in dit kort geding, [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiseres sub 3] . Weliswaar staat in het genoemde document, naast [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] , als derde dochtervennootschap genoemd: “ [bedrijf 3] ” – hetgeen blijkens de overgelegde uittreksels uit het Handelsregister (productie 2 van [gedaagde] ) een afkorting is van [bedrijf 3] B.V. – maar blijkens diezelfde uittreksels betreft dit dezelfde vennootschap als [eiseres sub 3] , die later pas officieel die naam [eiseres sub 3] heeft verkregen. Verder blijkt uit die uittreksels ook dat [bedrijf 2] ten tijde van de geldleningsovereenkomst zelfstandig bevoegd bestuurder was van elk van haar genoemde drie dochtervennootschappen, die, zoals gezegd, de eiseressen zijn in dit kort geding. De geldleningsovereenkomst is mede ondertekend door [bedrijf 2] als “Pandgever”. In het Investeringsmemorandum is verder onder meer nog vermeld: “[bedrijf 1] B.V. is een financieringsmaatschappij gehouden door dezelfde eigenaar van [bedrijf 2] . [bedrijf 1] leent deze gelden uit aan de [bedrijf 2] groep.


2.3.

De geldleningsovereenkomst zelf houdt verder onder meer in dat in artikel 6 aan [gedaagde] een viertal zekerheden worden verleend, waarvan de in lid 4 vermelde zekerheid luidt als volgt:

4. Verpanding van de bestaande en toekomstige debiteuren van tot de Groep [behorende – invoeging rechter] vennootschappen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. ten behoeve van leninggever.

De op de datum van de geldleningsovereenkomst, 11 maart 2016, bestaande debiteuren staan vermeld op debiteurenlijsten die aan de geldleningsovereenkomst zijn gehecht.


2.4.

Bij notariële akte van 22 maart 2016, genaamd “Verpanding vorderingen” (hierna: de pandakte) zijn [gedaagde] als pandhouder en schuldeiser, en [eiseres sub 1] c.s. ieder als pandgever, tezamen met een vierde vennootschap als pandgever, overeengekomen dat – kort weergegeven – ieder van de vier pandgevers aan [gedaagde] tot zekerheid voor de terugbetaling van de aan [bedrijf 1] verstrekte geldlening “stil pandrecht zal verlenen op alle bestaande en toekomstige vorderingen van pandgever.”, zoals vermeld in onderdeel C onder “Overeenkomst tot stille verpanding”. Ter uitvoering van die verplichting heeft in onderdeel D “Vestiging pandrechten” iedere pandgever afzonderlijk aan [gedaagde] in stil pand gegeven: “alle vorderingen (waaronder begrepen eventuele andere rechten van de pandgever die thans reeds bestaan of zullen voortvloeien uit een thans reeds bestaande rechtsverhouding, …”. Daarvan zijn de vorderingen die op 11 maart 2016 bestonden, voor elke pandgever afzonderlijk vermeld op een staat die aan de pandakte is gehecht. Volgens vermelding in de pandakte is tevens een kopie van de geldleningsovereenkomst aan de pandakte gehecht.


2.5.

In onderdeel E van de pandakte is het volgende overeengekomen:

Ter nakoming van de sub C bedoelde verplichting tot pandverlening zal de pandgever bovendien stil pandrecht vestigen op alle vorderingen waaronder begrepen eventuele andere rechten ingevolge de uitoefening door de schuldenaar van diens bedrijf, die voor de schuldenaar zullen ontstaan, voor zover deze niet reeds ingevolge het hierboven sub D vermelde zijn verpand.

Met het oog hierop verbindt de pandgever zich telkens binnen vier weken na het ontstaan die vorderingen of zoveel eerder als de schuldeiser wenselijk acht, mede te werken aan verpanding van die vorderingen met inbegrip van de bijbehorende nevenrechten aan de schuldeiser, een en ander in dezelfde zin en op dezelfde wijze als hierboven sub D bepaald voor de thans reeds te verpanden vorderingen dan wel op een andere nog door schuldeiser aan te geven wijze.

De pandgever en de schuldeiser verklaarden terzake van de verpanding van bedoelde toekomstige vorderingen het navolgende te zijn overeengekomen:

De pandgever verplicht zich nu reeds ervoor in te staan dat hij telkens bevoegd zal zijn over deze toekomstige vorderingen vrij van beperkte rechten te kunnen beschikken en dat hij dit telkens indien dat door de schuldeiser gewenst wordt in de nadere akten van verpanding te verklaren.

De hierboven vermelde artikelen 1 tot en met 9 zijn van overeenkomstige toepassing op deze nadere verpandingen.”


2.6.

Nadat [bedrijf 1] niet had voldaan aan haar eerste aflossingsverplichting en als gevolg daarvan het gehele leningbedrag en de verstrekte zekerheden opeisbaar waren geworden, heeft [gedaagde] – die mede handelt onder de naam [naam] – bij brief van 2 november 2016 [bedrijf 1] in gebreke gesteld en aangekondigd dat zij voorbereidingen ging treffen om de zekerheden aan te spreken om op die wijze het leningbedrag te kunnen terugvorderen.


2.7.

Bij brief van 18 november 2016 aan [bedrijf 1] heeft de raadsman van [gedaagde] namens [gedaagde] het gehele leningbedrag van € 250.000,00 opgeëist, inclusief achterstallige rente en incassokosten een bedrag van € 280.000,00. Daarbij heeft hij tevens aangekondigd dat bij uitblijven van tijdige betaling het executietraject zal worden opgestart.


2.8.

[gedaagde] heeft op enig moment aan debiteuren van [eiseres sub 1] c.s. mededeling gedaan van het pandrecht dat volgens haar op de desbetreffende vorderingen rustte en daarbij die debiteuren geïnstrueerd om de verschuldigde bedragen aan haar, [gedaagde] , te betalen en niet aan [eiseres sub 1] c.s. Tegen deze gang van zaken hebben [eiseres sub 1] c.s. bezwaar gemaakt.




3Het geschil in conventie


3.1.

[eiseres sub 1] c.s. vorderen – samengevat – het volgende:

1. [gedaagde] te verbieden om, vooruitlopend op de uitkomst in de bodemprocedure, over te gaan tot uitwinning van debiteuren die zijn ontstaan na de vestiging van het pandrecht in de pandakte van 22 maart 2016, althans over te gaan tot het ontvangen van bedragen van die debiteuren;

2. [gedaagde] te veroordelen om binnen een bepaalde termijn aan reeds ten onrechte aangeschreven debiteuren schriftelijk mee te delen dat zij de vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. aan deze partijen moeten betalen en dus niet aan [gedaagde] ;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding in conventie.


3.2.

De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat in het petitum voor de onder 1 en 2 bedoelde debiteuren wordt verwezen naar een opsomming van “Nieuwe debiteuren” in productie 4, doch in die productie komt de bedoelde opsomming niet voor. Wel hebben [eiseres sub 1] c.s. als productie 5 een overzicht overgelegd van debiteuren op wie [eiseres sub 1] c.s. op 4 november 2016 vorderingen hadden. De voorzieningenrechter begrijpt hieruit dat de in dit overzicht vermelde debiteuren zijn bedoeld, zodat het petitum dienovereenkomstig verbeterd zal worden gelezen.


3.3.

[gedaagde] voert verweer, waarover verder hierna.



4Het geschil in reconventie


4.1.

[gedaagde] vordert [eiseres sub 1] c.s. – samengevat – te veroordelen tot het:

I. op eerste verzoek van [gedaagde] alle bewijsstukken en executoriale titels verschaffen betreffende de vorderingen en nevenrechten die zij hebben verpand en verplicht zijn te verpanden, zoals nader bepaald in de pandakte van 22 maart 2016;

II. maandelijks aan [gedaagde] schriftelijk opgave doen, ondertekend door een vertegenwoordigingsbevoegde persoon, van de vorderingen waarop een pandrecht van [gedaagde] is komen te rusten, met vermelding van de pandrechten die zijn geëindigd doordat de vorderingen zijn geïnd;

III. doorlopend dan wel herhalend voldoen aan de verplichting tot verpanding van alle vorderingen die zij op enig moment op derden verkrijgen, zoals nader omschreven in onderdeel E van de pandakte, en daartoe op eerste afroep van [gedaagde] , maar minimaal twee keer per week een nader omschreven afschrift uit de debiteurenadministratie aan [gedaagde] te verstrekken, welk afschrift kan dienen als een te registreren akte in de zin van artikel 3:239 Burgerlijk Wetboek (BW);

IV. nadat [gedaagde] aan een debiteur mededeling heeft gedaan van verpanding van (een) vordering(en), direct na een daartoe strekkend verzoek van [gedaagde] aan deze debiteur de juistheid van die mededeling bevestigen;

met bepaling dat, indien één van [eiseres sub 1] c.s. aan één van de genoemde veroordelingen niet voldoet, (i) deze vennootschap een nader omschreven dwangsom verbeurt, en (ii) [gedaagde] in dat geval gemachtigd zal zijn om zelf, zo nodig met behulp van de sterke arm, alles te doen wat nodig is om de debiteurenadministratie van de desbetreffende vennootschap te verkrijgen en daarmee de verpanding tot stand te kunnen brengen;

met hoofdelijke veroordeling van [eiseres sub 1] c.s. in de kosten van dit geding in reconventie, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.


4.2.

[eiseres sub 1] c.s. voeren verweer, waarover verder hierna.



5De beoordeling in conventie


5.1.

Gelet op het karakter van een kort geding is allereerst van belang dat [eiseres sub 1] c.s. de spoedeisendheid van hun vordering voldoende hebben onderbouwd en dat [gedaagde] die spoedeisendheid niet heeft weersproken, zodat de vordering inhoudelijk kan worden beoordeeld.


5.2.

[eiseres sub 1] c.s. stellen als grond voor hun vordering dat [gedaagde] ten onrechte is overgegaan tot het uitwinnen van pandrechten die volgens haar, [gedaagde] , rusten op vorderingen die [eiseres sub 1] c.s hebben verkregen op nieuwe debiteuren, dat wil zeggen op debiteuren die pas na de datum van de pandakte, 22 maart 2016, debiteur van [eiseres sub 1] c.s. zijn geworden. [eiseres sub 1] c.s. betwisten gemotiveerd dat ten aanzien van die nieuwe debiteuren pandrechten zijn ontstaan. Zij wijzen verder nog op het feit dat na de dagvaarding een crediteur van [eiseres sub 2] de vernietiging van de pandakte jegens [eiseres sub 2] heeft ingeroepen, zodat [gedaagde] ten aanzien van [eiseres sub 2] in het geheel geen pandrechten meer kan inroepen, aldus [eiseres sub 1] c.s.


5.3.

[gedaagde] voert daartegen gemotiveerd aan dat er wél pandrechten ten aanzien van nieuwe debiteuren zijn ontstaan en dat zij bevoegd is tot uitwinning van die nieuwe pandrechten over te gaan, nu [bedrijf 1] aan haar verplichtingen tot terugbetaling van de geldlening niet heeft voldaan. Verder voert [gedaagde] gemotiveerd aan dat de vernietiging van de pandakte jegens [eiseres sub 2] niet op goede gronden is ingeroepen.


5.4.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Ten aanzien van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 3] is niet in geschil dat zij als pandgevers aan de pandakte als zodanig zijn gebonden. De voorzieningenrechter zal daarom eerst beoordelen of de vernietiging van de pandakte jegens [eiseres sub 2] op goede gronden is ingeroepen, omdat daarvan afhangt of ook [eiseres sub 2] aan die pandakte is gebonden.


5.5.

Op dit punt is van belang dat volgens artikel 3:45 BW de vernietiging van de pandakte kan worden ingeroepen door een schuldeiser die door die pandakte in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld. [eiseres sub 1] c.s. hebben daartoe enkele – ongedateerde – brieven overgelegd (productie 16 van [eiseres sub 1] c.s.) waarin [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) als crediteur van [eiseres sub 2] de vernietiging van de pandakte jegens [eiseres sub 2] inroept. [gedaagde] heeft daartegenover betwist (i) dat [bedrijf 4] als crediteur van [eiseres sub 2] kan optreden, (ii) dat er sprake is van een benadeling in verhaalsmogelijkheden, en (iii) dat er sprake is van een rechtshandeling om niet, zoals ter zitting en ook in de genoemde brieven is gesteld.


5.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit de overgelegde uittreksels uit het Handelsregister (productie 1 van [gedaagde] ) blijkt dat [bedrijf 4] sinds 9 mei 2016 één van de gezamenlijk bevoegde bestuurders van [eiseres sub 2] is. Naast de vraag in hoeverre zij dan als crediteur in de zin van artikel 3:45 BW kan gelden, rijst dan de vraag waarom zij op geen enkele wijze eerder dan na de dagvaarding van 9 januari 2017 enig bezwaar heeft gemaakt tegen de betrokkenheid van [eiseres sub 2] bij de pandakte. Zoals [gedaagde] onweersproken heeft gesteld, heeft, meer nog, [A] , die bestuurder is van [bedrijf 4] en in die hoedanigheid ook de genoemde brieven heeft ondertekend, één van de pandlijsten (productie 2 van [gedaagde] ) verstrekt, waarop [gedaagde] de uitwinning van de pandrechten heeft gebaseerd. Verder heeft [eiseres sub 2] , tegenover de betwisting door [gedaagde] van een benadeling in de verhaalsmogelijkheden, niets gesteld of overgelegd waaruit zou kunnen blijken op welke wijze [bedrijf 4] in haar verhaalsmogelijkheden is benadeeld. Onder al deze omstandigheden is naar voorlopig oordeel de vernietiging van de pandakte jegens [eiseres sub 2] niet op goede gronden ingeroepen en is [eiseres sub 2] dan ook mede aan de pandakte gebonden.


5.7.

Aan de orde komt dan de reikwijdte van het pandrecht zoals dat in de pandakte is overeengekomen, nu partijen daarover van mening verschillen.


5.8.

[eiseres sub 1] c.s. stellen daarbij voorop dat zij geen van drieën waren betrokken bij de geldleningsovereenkomst en dat zij dus ook niet verplicht waren om als zekerheid voor [gedaagde] pandrecht op hun debiteuren te verlenen zoals omschreven in artikel 6 lid 4 van die overeenkomst. Naar zij stellen, hebben zij vervolgens onverplicht toch voldaan aan het verlenen van die zekerheid door in de pandakte aan [gedaagde] een stil pandrecht te verlenen zoals is vermeld in de onderdelen C en D van de pandakte. Daarin wordt volgens hen ten onrechte gesproken over een pandrechtverlening op “vorderingen” terwijl artikel 6 lid 4 van de geldleningsovereenkomst slechts ziet op verpanding van “debiteuren” hetgeen volgens hen minder ver strekt dan een verpanding van “vorderingen”. Verder gaat het volgens hen in de pandakte slechts om een eenmalige verpanding van de debiteuren die ten tijde van die pandakte reeds debiteur van hen waren, zoals vermeld op de debiteurenlijsten die aan de geldleningsovereenkomst waren gehecht. In onderdeel E van de pandakte is weliswaar de mogelijkheid opgenomen van nieuwe verpandingen betreffende later opgekomen debiteuren, maar aan die mogelijkheid is geen uitvoering gegeven omdat de geldleningsovereenkomst niet tot dergelijke herhaalde verpandingen verplicht, aldus [eiseres sub 1] c.s.


5.9.

[gedaagde] heeft daartegen aangevoerd, allereerst, dat [eiseres sub 1] c.s., anders dan zij stellen, wél aan de geldleningsovereenkomst en de daarin opgenomen verplichting tot het stellen van zekerheid waren gebonden en zij wijst daartoe onder meer op enkele vermeldingen – hiervoor weergegeven in 2.2 – in het Investeringsmemorandum dat aan de geldleningsovereenkomst is gehecht. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres sub 1] c.s. op grond van onderdeel E van de pandakte verplicht waren om mee te werken aan nieuwe verpandingen betreffende nieuw opgekomen debiteuren en dat inmiddels aan die nieuwe verpandingen ook uitvoering is gegeven.


5.10.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hebben [eiseres sub 1] c.s., anders dan zij stellen, niet onverplicht de in de pandakte overeengekomen pandrechten aan [gedaagde] verleend. Weliswaar zijn zij in de geldleningsovereenkomst niet uitdrukkelijk als pandgevers genoemd, maar gezien de reeds genoemde mededelingen in het Investeringsmemorandum en het feit dat [bedrijf 2] , naast partij bij de geldleningsovereenkomst, ook de bestuurder was van elk van hen, [eiseres sub 1] c.s., is duidelijk dat zij behoren tot de [bedrijf 2] groep aan wie [bedrijf 1] de uit de geldlening ontvangen gelden verder zal uitlenen. Het is dan begrijpelijk en verklaarbaar dat zij daartegenover verplicht waren tot het verstrekken van zekerheid in de vorm van verpanding van hun debiteuren zoals vermeld in artikel 6 lid 4 van de geldleningsovereenkomst.


5.11.

Voor zover [eiseres sub 1] c.s. onderscheid maken tussen een verpanding van “vorderingen” en een verpanding van “debiteuren”, is dit vooralsnog onbegrijpelijk. Immers, niet valt in te zien hoe [eiseres sub 1] c.s. te verpanden rechten zouden kunnen doen gelden op die debiteuren zelf, dus de desbetreffende personen of rechtspersonen, terwijl zij enkel recht hebben op voldoening van een vordering die zij op die debiteuren hebben. Desgevraagd hebben [eiseres sub 1] c.s. ter zitting weliswaar uiteengezet dat zij bedoelen dat bijvoorbeeld in geval van schade een vordering op een verzekeringsmaatschappij ontstaat en dat een dergelijke debiteur niet kan gelden als een debiteur jegens wie – naar de voorzieningenrechter begrijpt – in de onderhavige omstandigheden een pandrecht op de vordering kan worden gevestigd, maar ook hiermee wordt het gemaakte onderscheid niet duidelijk, nu dan immers de vraag rijst hoe moet worden bepaald jegens welke debiteur wel en jegens welke debiteur niet een pandrecht op een vordering kan worden gevestigd. Waar dus gesproken wordt van een pandrecht op debiteuren, moet daaronder naar voorlopig oordeel worden verstaan: een pandrecht op de vorderingen die [eiseres sub 1] c.s. op die debiteuren hebben.


5.12.

Verder is niet aannemelijk dat het in de pandakte slechts gaat om de eenmalige verpanding van de vorderingen op de destijds bestaande debiteuren, zoals [eiseres sub 1] c.s. stellen. In onderdeel E van de pandakte hebben zij zich uitdrukkelijk verplicht tot meewerken aan nieuwe verpandingen van vorderingen op nieuw opgekomen debiteuren. Anders dan zij menen, staat daaraan niet in de weg dat in de geldleningsovereenkomst de mogelijkheid van herhaalde verpandingen van vorderingen op nieuwe debiteuren niet wordt vermeld. Het gaat daarin immers slechts om een algemene formulering van de te verstrekken zekerheden. De eenmalige verpanding van de vorderingen op de destijds bestaande debiteuren zou ook zinloos zijn als zekerheid voor de terugbetaling van de geldlening, nu die geldlening een looptijd heeft van 18 maanden en de in pand gegeven vorderingen veelal, zoals gebruikelijk, aan een beperkte betalingstermijn gebonden zullen zijn en het pandrecht op die vorderingen dus na een korte tijd uitgewerkt zal zijn. Dit vindt bevestiging in het feit dat volgens vermelding in de pandakte de toen openstaande vorderingen van de vier pandgevers in totaal een aanzienlijk bedrag betroffen (ruim € 190.000,00), terwijl daarvan volgens [eiseres sub 1] c.s. thans nog slechts twee vorderingen openstaan, voor € 387,20 respectievelijk € 5.618,95.


5.13.

Nu uit het voorgaande volgt dat de in de pandakte verleende pandrechten ook nieuwe verpandingen van vorderingen op nieuwe debiteuren omvatten, moet beoordeeld worden of dergelijke nieuwe verpandingen reeds hebben plaatsgevonden, zoals [gedaagde] heeft gesteld, maar [eiseres sub 1] c.s. hebben betwist.


5.14.

Op dit punt is van belang dat er in het algemeen geen vormvoorschriften voor een pandrechtverlening gelden en dat in dit geval in onderdeel E van de pandakte de wijze van uitvoering van de nieuwe verpandingen ook niet concreet is geregeld. Echter, afgezien van de mogelijkheid van een volmacht – die hier niet aan de orde is – is een pandrechtverlening zonder medewerking van de pandgever niet mogelijk. Dit blijkt ook uit de formulering in onderdeel E, waarin is bepaald (i) dat “... de pandgever … stil pandrecht [zal] vestigen” op nieuwe vorderingen, en (ii) dat “... de pandgever zich [verbindt] telkens … mede te werken aan verpanding van die vorderingen”. Zonder medewerking van (één van) [eiseres sub 1] c.s. als pandgever(s) kan dus niet worden aangenomen dat een nieuwe verpanding heeft plaatsgevonden. [gedaagde] beroept zich voor de uitvoering van die nieuwe verpandingen op debiteurenlijsten die zij van [eiseres sub 1] c.s. stelt te hebben ontvangen en die zij vervolgens bij de Belastingdienst heeft laten registreren. [eiseres sub 1] c.s. hebben echter gemotiveerd betwist dat zij bekend waren met het verstrekken van die debiteurenlijsten aan [gedaagde] , en zij hebben ook gesteld dat die lijsten, blijkens de erop vermelde namen, niet zijn verstrekt door personen die bevoegd waren om voor hen op te treden. [gedaagde] heeft daartegenover niets naders gesteld of overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat het verstrekken van die nieuwe debiteurenlijsten wél bij (één van) [eiseres sub 1] c.s. bekend was en dat die lijsten door een bevoegde persoon waren overgelegd, en zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die lijsten bedoeld waren om als een nadere akte van verpanding te dienen. Van de vereiste medewerking van [eiseres sub 1] c.s. is dan ten aanzien van die debiteurenlijsten geen sprake, zodat die lijsten reeds om die reden niet als een nadere verpanding kunnen gelden.


5.15.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] ten onrechte is overgegaan tot het uitwinnen van de vorderingen die [eiseres sub 1] c.s. na de datum van de pandakte op nieuwe debiteuren hebben verkregen.


5.16.

Het gevorderde verbod ten aanzien van die uitwinning en ook de gevorderde veroordeling om de reeds ten onrechte aangeschreven debiteuren schriftelijk de onder 3.1 vermelde mededeling te doen, zijn dan toewijsbaar, met inachtneming van de verbeterde formulering, zoals eveneens onder 3.1 is vermeld. Verder is niet gebleken dat een bodemprocedure reeds aanhangig is gemaakt, zodat op dit punt het gevorderde verbod op de hierna te vermelden wijze zal worden toegewezen.


5.17.

De gevorderde dwangsom zal op de hierna te vermelden wijze worden gematigd.


5.18.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding in conventie. De kosten aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. worden begroot op:

– dagvaarding € 80,42

– griffierecht – 618,00

– salaris advocaat – 816,00

Totaal € 1.514,42


5.19.

De gevorderde nakosten en wettelijke rente zullen als hierna vermeld worden toegewezen.



6De beoordeling in reconventie


6.1.

Ook hier is allereerst van belang dat [gedaagde] de spoedeisendheid van haar vordering voldoende heeft onderbouwd en dat [eiseres sub 1] c.s. die spoedeisendheid niet hebben weersproken, zodat de vordering inhoudelijk kan worden beoordeeld.


6.2.

Zoals hiervoor vermeld is onder 4.1, valt de vordering uiteen in vier hoofdonderdelen, die hierna afzonderlijk beoordeeld zullen worden.





Ten aanzien van het verschaffen van bewijsstukken en executoriale titels


6.3.

Op dit punt stelt de voorzieningenrechter voorop dat [eiseres sub 1] c.s. – anders dan zij ook in reconventie hebben gesteld – alle zijn gebonden aan hetgeen in de pandakte is bepaald. De voorzieningenrechter verwijst hiervoor naar hetgeen op dit punt in conventie is overwogen en geoordeeld ten aanzien van de door [eiseres sub 2] ingeroepen vernietiging.


6.4.

In de pandakte is in onderdeel D voor [eiseres sub 1] c.s. onder meer de verplichting opgenomen om ten aanzien van reeds verpande vorderingen op verzoek van [gedaagde] de bewijsstukken en executoriale titels te verschaffen zoals [gedaagde] die thans vordert. Anders dan [gedaagde] vordert, betreft die verplichting niet mede de vorderingen die [eiseres sub 1] c.s. wel verplicht zijn te verpanden, maar waarvan die verpanding nog niet heeft plaatsgevonden.


6.5.

Dit onderdeel van de vordering is dus slechts ten aanzien van reeds verpande vorderingen toewijsbaar.


Ten aanzien van een maandelijkse schriftelijke opgave van verpande vorderingen


6.6.

Het verstrekken van een maandelijkse schriftelijke opgave zoals [gedaagde] op dit punt vordert, is in de pandakte als een verplichting voor [eiseres sub 1] c.s. opgenomen in artikel 3 van de artikelen 1 tot en met 9, die volgens vermelding in onderdeel D van de pandakte op de verpanding van toepassing zijn. In onderdeel E is vervolgens bepaald dat die onder D genoemde artikelen 1 tot en met 9 van overeenkomstige toepassing zijn op de nadere verpandingen als bedoeld in dat onderdeel E. Zoals echter in conventie reeds is overwogen en geoordeeld, hebben nadere verpandingen als bedoeld in onderdeel E nog niet plaatsgevonden.


6.7.

Dit onderdeel van de vordering is dus niet toewijsbaar.


Ten aanzien van het voldoen aan de verplichting tot (nadere) verpanding


6.8.

Op dit punt heeft de voorzieningenrechter in conventie reeds overwogen en geoordeeld dat in onderdeel E van de pandakte voor [eiseres sub 1] c.s. de verplichting is opgenomen om mee te werken aan herhaalde, nieuwe verpandingen van vorderingen op nieuwe debiteuren, maar dat daarbij niet is bepaald in welke vorm een dergelijke nadere (akte van) verpanding moet plaatsvinden, terwijl er ook in het algemeen geen vormvoorschriften voor een dergelijke verpanding gegeven zijn. Echter, naar voorlopig oordeel kan voor een nadere verpanding, anders dan [gedaagde] meent, niet worden volstaan met een afschrift uit de debiteurenadministratie, ook niet als dit afschrift door (een medewerker van) de desbetreffende pandgever is ondertekend. Uit een dergelijk afschrift blijkt immers niet dat de desbetreffende pandgever op de daarin genoemde vordering(en) een pandrecht ten behoeve van [gedaagde] verleent. Er zal dus sprake moeten zijn van een akte van pandverlening in enige vorm, waaraan dan ter nadere specificatie van de in pand gegeven vordering(en) een afschrift uit de debiteurenadministratie kan worden gehecht.


6.9.

Dit onderdeel van de vordering zal daarom op de hierna te vermelden wijze worden toegewezen.


Ten aanzien van een bevestiging aan debiteuren van een door [gedaagde] gedane mededeling van verpanding


6.10.

Op dit punt beroept [gedaagde] zich op een voor de pandgevers geldende verplichting tot bevestiging als vermeld in artikel 5 van de meergenoemde artikelen 1 tot en met 9 die volgens onderdeel D van de pandakte op de pandverlening van toepassing zijn. Het gaat in dit artikel 5 echter om de bevoegdheid van [gedaagde] om op grond van omstandigheden aan de zijde van de pandgever aan een debiteur mededeling van de pandverlening te doen. Dat geval doet zich hier niet voor, maar dat betekent niet dat [gedaagde] thans niet gerechtigd zou zijn om tot mededeling van de verpanding aan debiteuren over te gaan. Vast staat immers dat [bedrijf 1] inmiddels niet heeft voldaan aan haar aflossingsverplichtingen, waardoor op grond van artikel 5 en 6 van de geldleningsovereenkomst het leningbedrag en de verstrekte zekerheden opeisbaar zijn geworden en [gedaagde] dan gerechtigd is tot uitwinning van die zekerheden, waaronder ook de door [eiseres sub 1] c.s. in pand gegeven vorderingen op hun debiteuren. [gedaagde] is op die grond bevoegd om aan die debiteuren mededeling te doen van de verpanding van de vorderingen. Redelijkerwijs moet daarvoor dan voor [eiseres sub 1] c.s. dezelfde verplichting gelden als bepaald is in het genoemde artikel 5 in de pandakte, te weten dat zij na die mededeling van [gedaagde] aan debiteuren de juistheid van die mededeling schriftelijk aan die debiteuren moeten bevestigen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat wel eerst een daadwerkelijke verpanding van de bedoelde vorderingen moet hebben plaatsgevonden.


6.11.

Onder dit laatstgenoemde voorbehoud is dit onderdeel van de vordering dan toewijsbaar.


Ten aanzien van de gevorderde dwangsom en de gevorderde machtiging


6.12.

Nu uit het voorgaande volgt dat de vordering in reconventie grotendeels zal worden toegewezen, komen de dwangsom en de machtiging die tot zekerheid van de nakoming zijn gevorderd, aan de orde.


6.13.

De gevorderde dwangsom is als zodanig voor toewijzing vatbaar, maar zal redelijkerwijze tot de hierna te vermelden bedragen worden gematigd.


6.14.

Bij de gevorderde machtiging om zelf op de nader omschreven wijze de verpanding(en) tot stand te brengen, heeft [gedaagde] onvoldoende belang nu [eiseres sub 1] c.s. reeds op straffe van verbeurte van de dwangsom veroordeeld zullen worden om mee te werken aan de verpanding van vorderingen die zij op nieuwe debiteuren verkrijgen. Die machtiging zal dus niet worden toegewezen.


Ten aanzien van de proceskosten


6.15.

Nu de vordering in reconventie grotendeels zal worden toegewezen, zullen [eiseres sub 1] c.s. als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding in reconventie. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

– griffierecht € 309,00

– salaris advocaat – 408,00

Totaal € 717,00


6.16.

De gevorderde nakosten en wettelijke rente zullen als hierna vermeld worden toegewezen.



7De beslissing


De voorzieningenrechter


in conventie:


7.1.

verbiedt [gedaagde] om, vooruitlopend op de uitkomst van een eventuele bodemprocedure, over te gaan tot uitwinning van vorderingen op debiteuren die zijn ontstaan na de vestiging van het pandrecht op 22 maart 2016, althans tot het in ontvangst nemen van bedragen van die debiteuren, welke debiteuren zijn vermeld in het overzicht dat als productie 5 bij de dagvaarding is overgelegd;


7.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na de betekening van dit vonnis de reeds ten onrechte aangeschreven debiteuren, die vermeld zijn in het overzicht dat als productie 5 bij de dagvaarding is overgelegd, schriftelijk mededeling te doen dat de betaling van de vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. aan hen, [eiseres sub 1] c.s., en dus niet aan [gedaagde] moet worden voldaan;


7.3.

bepaalt dat [gedaagde] , indien zij niet voldoet aan het onder 7.1 vermelde verbod of aan de onder 7.2 vermelde veroordeling, een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 per dag, totdat een maximum is bereikt van € 100.000,00;


7.4.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding in conventie, tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. begroot op € 1.514,42, te vermeerderen met de nakosten van € 131,00 en, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, ook met een bedrag van € 68,00 en de kosten van die betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, en indien niet binnen die termijn de genoemde kosten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;


in reconventie:


7.5.

veroordeelt ieder van [eiseres sub 1] c.s. om op eerste verzoek van [gedaagde] alle bewijsstukken en executoriale titels te verschaffen met betrekking tot de vorderingen en bijbehorende nevenrechten die reeds zijn verpand, een en ander zoals is bepaald in de onder 2.4 vermelde pandakte van 22 maart 2016;


7.6.

veroordeelt ieder van [eiseres sub 1] c.s. om te voldoen aan de verplichting tot verpanding van alle vorderingen die zij zullen verkrijgen op derden, zoals nader omschreven in onderdeel E van de onder 2.4 vermelde pandakte van 22 maart 2016, en om daartoe op eerste afroep van [gedaagde] , maar in elk geval tweemaal per week, te weten op de eerste en laatste werkdag van elke week, een akte van verpanding in enige vorm aan [gedaagde] te verstrekken met daaraan gehecht een bijgewerkt, waarheidsgetrouw, compleet en ondertekend afschrift uit de debiteurenadministratie waaruit de verpande vorderingen blijken;


7.7.

veroordeelt ieder van [eiseres sub 1] c.s. om na een mededeling van een verpanding door [gedaagde] aan een debiteur, de juistheid van die mededeling direct na een daartoe strekkend verzoek van [gedaagde] te bevestigen aan die debiteur, met dien verstande dat [gedaagde] die mededeling van een verpanding niet mag doen voordat een daadwerkelijke verpanding van de desbetreffende vordering(en) heeft plaatsgevonden;


7.8.

bepaalt dat indien [eiseres sub 1] , of [eiseres sub 2] , of [eiseres sub 3] in gebreke blijft te voldoen aan de veroordeling zoals vermeld in 7.5 dan wel in 7.6 dan wel in 7.7, die partij een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 per dag, totdat een maximum is bereikt van € 250.000,00;


7.9.

veroordeelt [eiseres sub 1] c.s. hoofdelijk, dat wil zeggen dat indien één van hen betaalt, de anderen zullen zijn bevrijd, in de kosten van dit geding in reconventie, tot aan de datum van dit vonnis aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 717,00, te vermeerderen met de nakosten van € 131,00 en, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, ook met een bedrag van € 68,00 en de kosten van die betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, en indien niet binnen die termijn de genoemde kosten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;


in conventie en in reconventie:


7.10.

verklaart de onderdelen 7.1 tot en met 7.9 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,


7.11.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.





Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen en is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.

1 type: YT (4190) coll: GB(4333)