Rechtbank Midden-Nederland, 25-10-2017 / 16/707473-16, 16/659364-17 en 16/659852-17 (gev. ttz) (P)


ECLI:NL:RBMNE:2017:5343

Inhoudsindicatie
Een 32-jarige man die vorig jaar november een bejaarde vrouw in Hilversum overviel en verkrachtte is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. De rechtbank oordeelt dat het advies van de deskundigen om tbs met voorwaarden op te leggen niet voldoende is om het gevaar te beperken. De verdachte komt uit Duitsland en is vanuit Amsterdam naar Hilversum gereisd. Daar heeft hij bij verschillende huizen naar binnengekeken, aangebeld en vrouwen aangesproken. Uiteindelijk belde hij aan bij een 83-jarige vrouw die hij met geweld naar de grond werkte en verkrachtte. Daarna heeft hij het huis doorzocht en waardevolle spullen meegenomen. Op diezelfde dag probeerde de man in Hilversum een meisje met geweld te beroven van haar mobiele telefoon. Twee weken daarvoor heeft hij een meisje aangerand door haar in haar borst te knijpen. Ook heeft hij een tas gestolen uit een woonboot in Amsterdam en een kassa uit een bloemenwinkel in de gemeente Echt-Susteren. De man lijdt aan schizofrenie en is verslaafd aan alcohol en cannabis. Volgens de deskundigen was er sprake van psychotische symptomen en is de man tenminste verminderd toerekeningsvatbaar. Zij adviseren om de behandeling van zijn ziekte plaats te laten vinden in het kader van tbs met voorwaarden. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is. Het gedrag van de man is steeds gewelddadiger geworden en eerdere behandelingen hebben niet geholpen. Ook de verklaringen van de man over zijn gedrag en motieven maken dat de rechtbank vindt dat dwangverpleging noodzakelijk is. De rechtbank weegt de ernstige en chronische ziekte van de verdachte zwaarder mee en legt daarom een lagere celstraf op dan werd geëist door de officier van justitie.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-10-25
Publicatiedatum
2017-10-25
Zaaknummer
16/707473-16, 16/659364-17 en 16/659852-17 (gev. ttz) (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Lelystad


Parketnummers: 16/707473-16, 16/659364-17 en 16/659852-17 (gev. ttz) (P)


Vonnis van de meervoudige kamer van 25 oktober 2017


in de strafzaak tegen


[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats] (Duitsland)

gedetineerd in PPC Vught te Vught.

1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 maart 2017, 7 juni 2017, 30 augustus 2017 en 11 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.H. Hoogendam en van hetgeen verdachte en mr. M.I. Bloch, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2TENLASTELEGGING


De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


ten aanzien van parketnummer 16/707473-16:

feit 1: op 15 november 2016 te Hilversum een diefstal heeft gepleegd die is voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] ;

feit 2: op 15 november 2016 te Hilversum [slachtoffer 1] heeft verkracht;

feit 3: op 2 november 2016 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft aangerand;


ten aanzien van parketnummer 16/659364-17:

op 15 november 2016 te Hilversum heeft geprobeerd de mobiele telefoon van [slachtoffer 3] te stelen en hierbij geweld heeft gebruikt;


ten aanzien van parketnummer 16/659852-17:

feit 1: op 18 november 2016 in de gemeente Echt-Susteren een kassa van [bloemenwinkel] heeft gestolen;

feit 2: (primair) op 18 november 2016 in de gemeente Echt-Susteren zich schuldig heeft gemaakt aan heling, dan wel (subsidiair) op 17 november 2016 te Amsterdam een tas met inhoud heeft gestolen van [benadeelde] .

3VOORVRAGEN


De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4WAARDERING VAN HET BEWIJS


4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder parketnummer 16/707473-16 en parketnummer 16/659364-17 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Zij acht tevens wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte de onder parketnummer 16/659852-17, feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste gelegde diefstallen heeft begaan. Van de onder feit 2 primair ten laste gelegde opzetheling dient verdachte te worden vrijgesproken.


4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, overeenkomstig de aan de rechtbank overgelegde pleitnotitie, vrijspraak bepleit van de onder parketnummer 16/707473-16, feit 2 ten laste gelegde verkrachting en heeft hierbij betoogd dat niet valt uit te sluiten dat er geen sprake is geweest van “seksueel” binnendringen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij eerst seksueel getinte handelingen heeft verricht bij aangeefster. Hierna heeft zij om hulp geroepen, waarop hij een kledingstuk heeft gepakt om haar de mond te snoeren. Aangeefster begon toen te bijten, waarna verdachte met het rechte eind van de paraplu haar anus heeft gepenetreerd. Hierna heeft hij de woning doorzocht.

Gezien de verklaring van verdachte is niet uit te sluiten dat er in casu met betrekking tot de paraplu geen sprake is geweest van een seksuele strekking, maar eerder van de facilitering van de diefstal met geweld.

De raadsman refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten aan het oordeel van de rechtbank.


4.3

Het oordeel van de rechtbank


Bewijsmiddelen


Ten aanzien van parketnummer 16/707473-16


Feit 1 en feit 2

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij op 15 november 2016 in haar woning in Hilversum aanwezig was. Verdachte belde aan en zij deed de deur open. Hij kwam gelijk naar binnen en zij kreeg de deur niet meer dicht. Bij de deur ontstond er geworstel omdat aangeefster verdachte niet binnen wilde laten. Zij viel op een gegeven moment op de grond. Zij kon hierdoor niets meer doen. Zij kon niet opstaan en kon niet op haar knieën. Zij heeft al die tijd op de grond gelegen. Aangeefster gaf verdachte een klap en hij gaf een klap terug, op haar oog. Hij trok haar broek naar beneden en hij pakte de paraplu waarmee zij hem een klap had gegeven. Die stopte hij in haar achterste. Verdachte trok een paar jassen van de kapstok en deed die om aangeefster heen. Verdachte liep de kamer in en vanuit de kamer ging hij naar boven. Hij kwam later terug met zijn handen vol met dingen, waaronder doosjes en kettinkjes. Ook nam hij een gelddoosje met geld, een handtas waarin een portemonnee met geld zat en een mobiele telefoon mee.


[aangever] heeft namens [slachtoffer 1] aangifte gedaan van verkrachting en van diefstal met geweld. Verdachte heeft onder meer de volgende goederen uit de woning van [slachtoffer 1] weggenomen: twee Ipads van het merk Apple, een zwarte mobiele telefoon, een portemonnee met daarin een geldbedrag van € 100,-, een schoudertas, een geldkistje met daarin een geldbedrag van € 250,-, een huistelefoontoestel, een lange gouden halsketting met daaraan een goudkleurig horloge, een korte halsketting met groene stenen en drie parelhalskettingen.


Verdachte heeft verklaard dat hij op 15 november 2016 met de trein naar Hilversum is gegaan. Hij was die dag op zoek naar vrouwen om te verkrachten. Verdachte is naar het huis van aangeefster gegaan en heeft haar door het raam gezien. Hij zag aangeefster zitten. Hij heeft een gebaar gemaakt dat zij de deur moest open maken. Dat heeft zij ook gedaan. Verdachte heeft aangeefster toen weggeduwd. Aangeefster is gevallen. Zij heeft gezegd dat zij niet kon lopen. Verdachte is toen op haar gaan liggen en heeft haar in het gezicht gelikt. Hij heeft haar broeken naar beneden getrokken en heeft haar een paar keer op haar kont geslagen. Aangeefster riep een paar maal “help, help, help”. Verdachte heeft een kledingstuk gepakt om haar de mond te snoeren. Aangeefster begon toen te bijten. Verdachte heeft een paraplu gepakt en het rechte eind ervan in haar anus gedaan. Hij heeft een paar keer keihard geduwd en het begon naar poep te stinken. Verdachte heeft in het begin aan aangeefster gevraagd hoe het ging. Zij bleef zeggen dat ze niet kon lopen en dood ging. Hij heeft toen een stok gepakt en haar geslagen op haar hoofd.

Verdachte heeft het huis doorzocht en gezocht naar spullen die hij kon verkopen. Hij had daar de tijd voor omdat aangeefster niet kon lopen. Verdachte heeft sieraden gevonden. Hij heeft twee Ipads gepakt en ongeveer tweehonderd á driehonderd euro aan geld. Hij heeft een tas genomen en heeft alles in de handtas gedaan. Hij heeft een apparaat meegenomen dat eruit zag als een telefoon. Hij heeft gedag gezegd en is weggegaan.


Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsman gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde verkrachting wordt weersproken door bovenstaande bewijsmiddelen. Tevens wordt het verweer weersproken door de gedetailleerde bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij in Hilversum was om vrouwen te verkrachten. Toen aangeefster op de grond lag heeft hij haar broek en onderbroek naar beneden getrokken en heeft hij de paraplu gepakt. Toen kwam bij hem de geilheid en gierigheid naar boven. Verdachte heeft verklaard dat hij het wel mooi vond om aangeefster met de paraplu te verkrachten. Gelet op de verklaring van verdachte en de wijze waarop hij het feit heeft gepleegd acht de rechtbank het onderdeel “seksueel binnendringen” bewezen.


Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich jegens aangeefster heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en aan de verkrachting van aangeefster.


Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 2 november 2016 in Amsterdam [slachtoffer 2] heeft aangerand.


Aangezien verdachte het feit heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.


De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] .


Ten aanzien van parketnummer 16/659364-17


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 15 november 2016 te Hilversum heeft geprobeerd de mobiele telefoon van [slachtoffer 3] te stelen en hierbij geweld heeft gebruikt.


Aangezien verdachte het feit heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.


De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] .


Ten aanzien van parketnummer 16/659852-17


Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 november 2016 in de gemeente Echt-Susteren een kassa heeft gestolen toebehorende aan [bloemenwinkel] .


Aangezien verdachte het feit heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.


De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] .


Feit 2

Vrijspraak primair

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de onder feit 2 primair ten laste gelegde opzetheling heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.


Bewezenverklaring subsidiair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde diefstal van de tas met inhoud heeft begaan.


Aangezien verdachte het feit heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.


De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] .

5BEWEZENVERKLARING


De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:


Parketnummer 16/707473-16

1.

op 15 november 2016 te Hilversum, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en een tas met als inhoud

o.a. een portemonnee en geldbedragen en een geldkistje en één of meer kettingen en een telefoontoestel en tablets toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- openduwen van de voordeur van de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en

- duwen van voornoemde [slachtoffer 1] , ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten

val kwam en

- eenmaal of meermalen met een paraplu of een stok slaan en stompen

in/op het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] en

- naar beneden trekken van de broek en ondergoed van voornoemde [slachtoffer 1] en

- duwen en steken van een paraplu in de anus van voornoemde

[slachtoffer 1] en

- brengen van een jas in de richting van en over het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] ;


2.

op 15 november 2016 te Hilversum door geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,


- een paraplu in de anus van voornoemde [slachtoffer 1] , gestoken en geduwd,


waarbij dat geweld hierin bestond dat hij, verdachte,


- de voordeur van de woning van die [slachtoffer 1] heeft opengeduwd, en

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft geduwd, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten val kwam en

- eenmaal of meermalen met een paraplu of een stok heeft geslagen en gestompt in/op het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] en

- de broek en het ondergoed van die [slachtoffer 1] naar beneden heeft getrokken en, en

- een jas in de richting van het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gebracht;


3.

op 02 november 2016 te Amsterdam, door geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het

dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft/is hij, verdachte,


- ( onverhoeds) voor die [slachtoffer 2] gaan staan en die [slachtoffer 2] de doorgang belemmerd, en

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] (bij de arm) vastgepakt en vastgehouden, en

- onverhoeds (in) de borst(en) van die [slachtoffer 2] geknepen en betast;


parketnummer 16/659364-17

op 15 november 2016 te Hilversum, op de Johannes Geratsweg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 3] , en daarbij die voorgenomen

diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 3] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, naar voornoemde [slachtoffer 3] is toegegaan, waarna hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 3] is gevolgd en (daarbij) met voornoemde [slachtoffer 3] gelijk op

is gelopen en stopte met lopen op het moment dat voornoemde [slachtoffer 3] ook

stopte met lopen en

- ( vervolgens) achter voornoemde [slachtoffer 3] aan is gerend en

- ( vervolgens) zei: "Give me your handy" en/of woorden van gelijke aard en/of

strekking en

- ( daarbij) de pols en/of de hand van voornoemde [slachtoffer 3] , vast heeft gepakt;


Parketnummer 16/659852-17

1.

op 18 november 2016 in de gemeente Echt-Susteren, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kassa (met inhoud), toebehorende aan [bloemenwinkel] ;


2.

subsidiair

op 17 november 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas met inhoud (o.a. ov-kaarten, museumjaarkaart, creditcard(s), telefoonopladers, stadspas, visitekaartjes) toebehorende aan [benadeelde] .


Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.


Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.


Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:


ten aanzien van parketnummer 16/707473-16:

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 2: verkrachting;

feit 3: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;


ten aanzien van parketnummer 16/659364-17:

poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;


ten aanzien van parketnummer 16/659852-17:

feit 1 en feit 2, subsidiair, telkens: diefstal.

7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE


De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de Pro Justitiarapportage van 18 augustus 2017, opgemaakt door P.G. Smits, klinisch psycholoog, en M. van Berkel, psychiater, van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) en de toelichting van laatstgenoemde ter terechtzitting van 11 oktober 2017.

Dit rapport houdt ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte onder meer het volgende in.

Bij verdachte is sprake van de ziekte schizofrenie. Daarnaast is er sprake van verslaving aan zowel alcohol als cannabis. Vooral wanneer verdachte psychotische symptomen ontwikkelt is hij sterk geneigd om deze verslavende middelen tot zich te nemen en dit doet hij dan dagelijks. In de periode van de ten laste gelegde feiten was er sprake van zowel psychotische symptomen als verslaving aan alcohol en cannabis. Bij verdachte was er ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake van actieve psychotische symptomen. De psychotische symptomen hebben een zeer grote invloed gehad op het gedrag van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde, maar er is geen sprake geweest van een volledige doorwerking. De deskundigen adviseren om verdachte ten minste als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.


De rechtbank neemt bovengenoemde conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Zij stelt vast dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en beschouwt verdachte voor het bewezenverklaarde (ten minste) als verminderd toerekeningsvatbaar.


Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de realiteitszin van de verdachte volledig was verstoord en dat hij in het geheel niet wist of begreep wat wel en niet mocht. Verdachte is dan ook strafbaar.

8OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL


8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. Tevens heeft zij gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging wordt opgelegd.


8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het volgende aangevoerd. Het PBC spreekt over een zeer grote invloed van de stoornis van verdachte op zijn handelen ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Daarom is de raadsman van mening dat van strafoplegging dient te worden afgezien, dan wel dient deze de duur van de voorlopige hechtenis niet te overstijgen. De raadsman verzoekt de rechtbank het advies van de deskundigen te volgen en aan verdachte de verplichting op te leggen zich te laten behandelen. De raadsman verzoekt om een dergelijke behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een TBS met voorwaarden en de behandeling zo snel mogelijk in Duitsland te laten plaatsvinden.

Indien de rechtbank overweegt om de officier van justitie te volgen in haar eis verzoekt de raadsman om aanhouding van de zaak zodat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld het door de officier van justitie aangehaalde Kaderbesluit 947 te bestuderen.


8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.


Verdachte komt uit Duitsland. Hij weet niet precies wanneer hij naar Nederland is gekomen, maar weet wel dat hij in Amsterdam is geweest en dat hij op 15 november 2016 vanuit Amsterdam met de trein naar Hilversum is gereisd. Hij heeft in Hilversum rondgelopen op zoek naar vrouwen om te verkrachten. Hij heeft bij verschillende huizen naar binnen gekeken, aangebeld en vrouwen aangesproken. Verdachte heeft naar binnen gekeken bij de woning van [slachtoffer 1] en heeft de 83-jarige bejaarde vrouw zien zitten. Hij heeft bij haar aangebeld en gebaren gemaakt opdat zij de voordeur open zou doen. [slachtoffer 1] heeft de deur voor verdachte geopend. Verdachte is met veel geweld de woning van deze bejaarde vrouw binnengestormd, heeft haar hierbij op de grond laten vallen en laten liggen en heeft deze weerloze vrouw, die niet meer in staat was zelfstandig overeind te komen en zich te verweren, op gruwelijke wijze verkracht door haar met het handvat van haar paraplu anaal te penetreren. Verdachte heeft haar tevens geslagen toen zij op de grond lag en heeft haar huis doorzocht en waardevolle goederen uit de woning gestolen.

Een verkrachting maakt ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt ook dat zij lichamelijk, maar bovenal psychisch leed heeft ondervonden van hetgeen verdachte haar heeft aangedaan. De hoogbejaarde vrouw die, voordat haar dit overkwam, in staat was zelfstandig te wonen en boodschappen te doen, durfde niet meer alleen in huis te zijn, durfde niet meer de deur open te doen en durfde niet meer naar buiten. Haar vrijheid en zorgeloze oude dag is door verdachte weggenomen. [slachtoffer 1] is korte tijd voor de terechtzitting aan de gevolgen van een ernstige ziekte overleden.


Verdachte heeft op dezelfde dag in Hilversum met geweld geprobeerd een vrouw te beroven van haar mobiele telefoon. Twee weken hiervoor heeft verdachte een meisje van 15 jaar aangerand in Amsterdam. Hij is voor haar gaan staan, heeft haar vastgepakt en heeft haar borst aangeraakt en hierin licht geknepen. Twee dagen na het plegen van de feiten in Hilversum heeft verdachte door middel van insluiping een tas met inhoud gestolen uit een woonboot in Amsterdam. Een dag na deze diefstal heeft hij een kassa gestolen uit een bloemenwinkel in de gemeente Echt-Susteren.

Ook deze feiten geven blijk van respectloos gedrag jegens personen en goederen, hetgeen de rechtbank verdachte nadrukkelijk aanrekent.


Het Pro Justitiarapport genoemd onder 7 houdt met betrekking tot het recidiverisico en mogelijke interventies samengevat het volgende in. Het risico op recidive hangt sterk samen met de aanwezigheid van psychotische symptomen. Wanneer deze symptomen aanwezig zijn wordt ingeschat dat er een groot risico is dat er herhaling kan plaatsvinden van de ten laste gelegde feiten. Verdachte is geneigd om zich tijdens deze psychische episodes te onttrekken aan behandeling en te gaan zwerven, waardoor dit risico verder wordt verhoogd. Het gebrek aan inzicht is een symptoom van de ziekte schizofrenie, waardoor het onttrekken aan de behandeling hem niet is aan te rekenen. Er is een aanzienlijk risico dat verdachte, zelfs ondanks behandeling, in de toekomst zal recidiveren in soortgelijk gedrag. Het is anderzijds niet goed te voorspellen welke kant het gedrag van verdachte opgaat tijdens psychotische episodes. Het is daarom niet goed te voorspellen of er sprake is van gevaar op verdere escalatie van strafbare feiten in de toekomst.

De deskundigen adviseren om verdachte te behandelen voor zijn ziekte en deze behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een TBS met voorwaarden. Om het risico op recidive in te perken is het noodzakelijk dat verdachte in eerste instantie wordt behandeld in een klinische setting en dat hij goed wordt ingesteld op antipsychotische medicatie. In de afgelopen jaren heeft verdachte meerdere jaren stabiel gefunctioneerd op medicatie genaamd Clozapine. De deskundigen adviseren om verdachte opnieuw in te stellen op Clozapine. Verder is van belang dat via psychotherapeutische interventies wordt getracht om bij verdachte het inzicht in zijn ziektebeeld te verbeteren waardoor hij zich meer bewust is van risico’s op terugkeer van psychotische episodes. Verdachte zal moeten worden geresocialiseerd richting een ambulante woonvoorziening waar voldoende begeleiding aanwezig is om toe te zien op de behandeling. Ook wordt geadviseerd om een crisissignaleringsplan te maken om de risico’s op psychotische symptomen zoveel mogelijk in een vroeg stadium te herkennen en hier interventies op te doen. Geadviseerd wordt om te trachten een dergelijke behandeling zo snel mogelijk in Duitsland te laten plaatsvinden aangezien behandeling in Nederland vanwege de taalbarrière sterke beperkingen kent.


De rechtbank heeft eveneens kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat hij meermalen in aanraking is gekomen met politie en justitie voor vermogensdelicten en aanrandingen, zowel in Duitsland als in Nederland. Daarnaast zijn er in september en oktober 2016 in Duitsland met betrekking tot verdachte meerdere meldingen van zeden gerelateerde delicten gedaan.


De rechtbank constateert dat het grensoverschrijdende gedrag dat verdachte vertoont gewelddadiger wordt. Eerdere plaatsingen in psychiatrische ziekenhuizen, behandelingen en medicatie -in verschillende (juridische) kaders- zijn niet afdoende geweest om het strafbare grensoverschrijdende gedrag van verdachte te reduceren.


De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesterkt door hetgeen verdachte verklaart over zijn gedrag en motieven voor het plegen van strafbare feiten. “Ik ben met lichte strafbare feiten begonnen en ik heb gekke gedachten. Ik ben een gek. Ik ben steeds minder geremd. Ik ben een gevaarlijk mens. Ik heb een drugsprobleem. Ik ben schizofreen. Ik ben ook in therapie geweest, maar dat heeft niet geholpen. Het zou nu steeds minder moeite kosten om iemand in elkaar te slaan. Het kan mij niks meer schelen. Of ik nu iemand afschiet of niet. Het is mij op hetzelfde”, aldus verdachte.


Gelet op de aard en de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, het justitiële verleden van verdachte, de stoornis van verdachte, het grillige verloop van zijn behandelingen en medicatie-inname, verdachtes wisselende bereidheid om daaraan mee te werken en verdachtes verklaring bestaat er een groot gevaar voor geweldsrecidive en dient de samenleving te worden beveiligd tegen het gevaar dat verdachte vormt.


De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast, nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.


De rechtbank is er, gelet op het voorgaande, niet van overtuigd dat de door de deskundigen geadviseerde behandeling van verdachte in het kader van een TBS met voorwaarden afdoende zal zijn om het gevaar te beperken. Daarom beveelt de rechtbank dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.


Nu de TBS maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren te boven gaan.


Naast de maatregel van TBS is ook het opleggen van een substantiële vrijheidsstraf noodzakelijk uit een oogpunt van generale preventie en ter vergelding van het in het bijzonder aan [slachtoffer 1] aangedane leed. De rechtbank acht hierbij een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf de doorwerking van de ernstige en chronische pathologie van verdachte zwaarder laten meewegen.


Het door de raadsman voorwaardelijk gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde het Kaderbesluit 947, dat onder meer ziet op de overdraagbaarheid van opgelegde voorwaardelijke straffen en proeftijden aan het buitenland, te bestuderen wijst de rechtbank af gelet op haar conclusie dat de TBS met voorwaarden geen afdoende maatregel is. De vraag of de voorwaarden al dan niet overdraagbaar zijn aan Duitsland is dan ook niet aan de orde.

9BENADEELDE PARTIJ


Aangeefster [slachtoffer 1] heeft zich met een schadeformulier, gedateerd 13 september 2017, als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 11.000,-, bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder parketnummer 16/707473-16, feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. De benadeelde partij is op 15 september 2017 overleden. Zij is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de door haar gemachtigde advocaat, mr. N. Durdabak.


9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 8.750,- vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.


9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.750,-. De raadsman heeft hierbij verzocht dat bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de vervangende hechtenis (gedeeltelijk) niet zal worden toegepast. Gezien de ziekte waaraan verdachte lijdt moet worden betwijfeld of verdachte ooit in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.


9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 16/707473-16, feit 1 en feit 2, bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 8.750,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2016 tot de dag van volledige betaling.


De rechtbank zal de benadeelde partij wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.


Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.


Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 8.750,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 november 2016 tot de dag van volledige betaling.


Verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Door deze ernstige en chronische ziekte en de daarbij gestelde prognoses valt niet te verwachten dat hij in de toekomst in staat zal zijn om over voldoende financiële middelen te beschikken uit werk of loondienst. De rechtbank bepaalt daarom dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel 1 (één) dag vervangende hechtenis zal worden vastgesteld.


De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 242, 246, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11BESLISSING


De rechtbank:


Vrijspraak

- verklaart het onder parketnummer 16/659852-17, feit 2, primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Bewezenverklaring

- verklaart het onder parketnummer 16/707473-16, feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde, het onder parketnummer 16/659364-17 ten laste gelegde en het onder parketnummer 16/659852-17 feit 1 en feit 2, subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;


Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;


Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;


Benadeelde partij [slachtoffer 1] (16/707473-16, feit 1 en feit 2)

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 8.750,- bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2016 tot aan de dag van de volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 8.750,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 november 2016 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 1 (één) dag hechtenis;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.





Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en M. Ferschtman, rechters, in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2017.




Bijlage: de tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:


Parketnummer 16/707473-16

1.

hij op of omstreeks 15 november 2016 te Hilversum, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en/of een tas met als inhoud

o.a. een portemonnee en/of één of meer geldbedrag(en) en/of een (geld)kistje

en/of één of meer ketting(en) en/of een telefoontoestel en/of één of meer

tablet(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- openduwen van de voordeur van de woning van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- duwen van voornoemde [slachtoffer 1] , ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten

val kwam en/of

- eenmaal of meermalen met een paraplu en/of een stok slaan en/of stompen

in/op het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- naar beneden trekken en/of duwen van de broek en/of ondergoed van voornoemde

[slachtoffer 1] en/of

- duwen en/of steken van het handvat van een paraplu in de anus van voornoemde

[slachtoffer 1] en/of

- brengen en/of voorhouden van een jas in de richting van en/of over het hoofd

van voornoemde [slachtoffer 1] ;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht


2.

hij op of omstreeks 15 november 2016 te Hilversum, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, door geweld en/of een andere feitelijkheid

en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit

of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers

heeft hij, verdachte,


- een paraplu in de anus van voornoemde [slachtoffer 1] , gestoken en/of geduwd,


waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met

geweld en/of die andere feitelijkheid hierin bestond dat hij, verdachte,


- de voordeur van de woning van die [slachtoffer 1] heeft opengeduwd, en/of

- voornoemde [slachtoffer 1] heeft geduwd, ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] ten

val kwam en/of

- eenmaal of meermalen met een paraplu en/of een stok heeft geslagen geslagen

en/of gestompt in/op het gezicht, in elk geval tegen het lichaam van

voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- de broek en/of het ondergoed van die [slachtoffer 1] naar beneden heeft

getrokken en/of geduwd, en/of

- een jas in de richting van en/of over het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1]

heeft gebracht en/of voorgehouden;

art 242 Wetboek van Strafrecht


3.

(gevoegde zaak 16/660646-16)

hij op of omstreeks 02 november 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, door

geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of

een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of

dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft/is hij, verdachte,


- ( onverhoeds) voor die [slachtoffer 2] gaan staan en/of die [slachtoffer 2] de doorgang

belemmerd, en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] (bij de arm) vastgepakt en/of vastgehouden, en/of

- onverhoeds (in) de borst(en) van die [slachtoffer 2] geknepen en/of betast;

art 246 Wetboek van Strafrecht


parketnummer 16/659364-17

hij op of omstreeks 15 november 2016 te Hilversum, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, op de Johannes Geratsweg, in elk geval op of

aan de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een

mobiele telefoon, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen

diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 3] , te plegen met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en/of

het bezit van het gestolene te verzekeren, naar voornoemde [slachtoffer 3] is toegegaan,

waarna hij, verdachte,

- voornoemde [slachtoffer 3] is gevolgd en/of (daarbij) met voornoemde [slachtoffer 3] gelijk op

is gelopen en/of stopte met lopen op het moment dat voornoemde [slachtoffer 3] ook

stopte met lopen en/of

- ( vervolgens) achter voornoemde [slachtoffer 3] aan is gerend en/of

- ( vervolgens) zei: "Give me your handy" en/of woorden van gelijke aard en/of

strekking en/of

- ( daarbij) de pols en/of de hand, in elk geval het lichaam van voornoemde

[slachtoffer 3] , vast heeft gepakt;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht


Parketnummer 16/659852-17

1.

hij op of omstreeks 18 november 2016 in de gemeente Echt-Susteren,, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een kassa (met

inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[bloemenwinkel] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht


2.

hij op of omstreeks 18 november 2016 te in de gemeente Echt-Susteren,,

een goed te weten een lederen etui en/of twee creditkaarten en/of een bankpas

en/of een museumkaart en/of een zwarte tas en/of sleutels en/of twee

telefoonopladers en/of twee doosjes met visitekaartjes en/of een stadspas

heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde

van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het (een)

door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd PL0900-2016364290-Z, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 285. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 57.
3 Een proces-verbaal van verhoor [aangever] , p. 39-41.
4 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 244.
5 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 oktober 2017.
6 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 256-259.
7 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd PL1300-2016239197, opgemaakt door Politie Eenheid Amsterdam, doorgenummerd 1 tot en met 24. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 oktober 2017.
9 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , p. 7-9.
10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 oktober 2017 en een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 259-260 van het proces-verbaal genoemd onder nummer 1.
11 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 146-147, van het proces-verbaal genoemd onder nummer 1.
12 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal genummerd PL2300-2016209594, opgemaakt door politie Noord- en Midden-Limburg, doorgenummerd 1 tot en met 76. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 oktober 2017 en een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 62.
14 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 4-5.
15 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 oktober 2017.
16 Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 67-68.
17 Een proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 254.