Rechtbank Midden-Nederland, 27-10-2017 / AWB - 16 _ 4614


ECLI:NL:RBMNE:2017:5416

Inhoudsindicatie
Verweerder maakt gebruik van een bedrijf voor het invorderen van parkeerbelasting. Dit bedrijf heeft de naheffingsaanslag aan eiseres verstuurd. Eiseres heeft vervolgens haar bezwaar gericht aan verweerder, maar het postadres van het bedrijf vermeld. Het bedrijf heeft, na afloop van de bezwaartermijn, het bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in een dergelijke situatie zorg moet dragen voor een duidelijke instructie aan het bedrijf, indien een bezwaarschrift op het verkeerde postadres binnenkomt. Van een dergelijke instructie is de rechtbank niet gebleken. In het licht van deze omstandigheden, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank om verschoonbare redenen de bezwaartermijn overschreden.
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2017-10-27
Publicatiedatum
2017-11-06
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4614
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • Belastingblad 2017/481 met annotatie van R.T. Wiegerink
  • V-N Vandaag 2017/2621
  • Viditax (FutD), 06-11-2017
  • FutD 2017-2813 met annotatie van Fiscaal up to Date
  • V-N 2018/42.23 met annotatie van Redactie
Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht


Bestuursrecht


zaaknummer: UTR 16/4614


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2017 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en


de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort, verweerder

Procesverloop


Bij beschikking van 27 mei 2016 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd tot een bedrag van € 62,55 (de naheffingsaanslag) vanwege het niet zichtbaar en leesbaar hebben van een geldige parkeervergunning dan wel parkeerkaartje voor het voertuig met kenteken [kenteken] aan de [straatnaam] in [woonplaats] .


Bij uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2016 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.


Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Eiseres is verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.



Overwegingen


1. Aan de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres de termijn voor het indienen van bezwaar heeft overschreden. Om die reden heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder voert daarbij aan dat de termijn voor het indienen van bezwaar tot en met 8 juli 2016 liep en het bezwaarschrift pas daarna is ontvangen.


2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert aan dat reeds op 30 mei 2016 telefonisch bezwaar is gemaakt en vervolgens is ook schriftelijk bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Het bezwaar is dan ook volgens eiseres tijdig ingediend bij de instantie, die de naheffingsaanslag heeft opgelegd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is.


3. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is aangevoerd, leidt de rechtbank het volgende af. Eiseres heeft haar bezwaar telefonisch en schriftelijk kenbaar gemaakt bij [bedrijfsnaam 1] . Dit is een door verweerder ingehuurd bedrijf, dat verantwoordelijk is voor de invordering van parkeerbelasting. Uit het dossier is niet gebleken dat dit bedrijf bevoegd is om namens verweerder te beslissen op bezwaarschriften. Uit de duplicaat naheffingsaanslag parkeerbelasting van 8 juni 2016, die door [bedrijfsnaam 1] is verzonden, leidt de rechtbank af, dat eiseres is gewezen op het feit dat zij bezwaar kan maken tegen deze naheffingsaanslag. Daarbij is vermeld dat zij dit binnen zes weken kan doen bij [bedrijfsnaam 2] , t.a.v. de afdeling bezwaren en beroepen, met vermelding van het postadres. Dit is eveneens een door verweerder ingehuurd bedrijf, dat verantwoordelijk is voor de naheffing van parkeerbelasting en bevoegd is om namens verweerder te beslissen op bezwaren van eventuele belanghebbenden. Op 15 juli 2017 is het bezwaarschrift van eiseres ontvangen door [bedrijfsnaam 2] .


4. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar zes weken. Op grond van artikel 22j, aanhef en onder sub a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt de termijn, in afwijking van artikel 6:8 van de Awb, voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking, (…).


5. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat tijdig bezwaar is gemaakt tegen de naheffingsaanslag bij [bedrijfsnaam 2] . Eiseres heeft geen bewijzen overgelegd omtrent de verzending van haar bezwaarschrift aan [bedrijfsnaam 2] . Uit de door eiseres overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat op 30 juni 2016 en 15 juli 2016 bezwaar is ingediend bij [bedrijfsnaam 1] . Het overgelegde bezwaarschrift van 30 juni 2017 is gericht aan de Gemeente Amersfoort, maar vermeldt het postbusadres van [bedrijfsnaam 1] . Verweerder heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat het bezwaar op

15 juli 2016 is ontvangen, terwijl de bezwaartermijn tot en met 8 juli 2016 liep. De rechtbank ziet zich dan voor de vraag gesteld of eiseres om verschoonbare redenen de termijn voor het indienen van het bezwaar heeft overschreden. De rechtbank overweegt dat eiseres wel binnen de termijn bezwaar heeft gemaakt, maar dat dit bezwaar is verstuurd aan [bedrijfsnaam 1] en dat deze het bezwaar niet direct heeft doorgezonden aan verweerder. Nu [bedrijfsnaam 1] geen bestuursorgaan is, geldt voor haar de doorzendverplichting van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht niet. Juist in die situatie dient een bestuursorgaan wanneer het voor de verzending en invordering van naheffingsaanslagen een particulier bedrijf inhuurt er naar het oordeel van de rechtbank zorg voor te dragen dat dit bedrijf goed wordt geïnstrueerd hoe te handelen indien een bezwaarschrift op het verkeerde adres wordt ingediend. Van een dergelijke instructie is de rechtbank niet gebleken. In het licht van deze omstandigheden, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank om verschoonbare redenen de bezwaartermijn overschreden. Dit houdt in dat verweerder ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.


6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar.


7. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak op bezwaar, in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat er geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden op het bezwaar van eiseres. Verweerder zal daarom opnieuw uitspraak moeten doen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.


8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


Beslissing


De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op opnieuw uitspraak op het bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.



Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M.J.H. Muijlaert, rechter, in aanwezigheid van

D.T. de Winter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017.






griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.